GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Beslissing van 18 januari 2007 in de zaak onder rekestnummer 1999/05 GDW van: [X], gerechtsdeurwaarder te [plaats], APPELLANT, gemachtigde: mr. S.J. Schram t e g e n [Y], wonende te [plaats], GEÏNTIMEERDE, gemachtigde: [Z]. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 29 december 2005 ingekomen een verzoekschrift - met bijlagen - van de zijde van appellant, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, waarbij hij tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 29 november 2005, verzonden op 9 december 2005, waarbij de klacht van geïntimeerde, verder te noemen klaagster, gegrond is verklaard en de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping is opgelegd. 1.2. Van de zijde van klaagster is een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen op 23 januari 2006. 1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 23 november 2006. Klaagster, de gerechtsdeurwaarder, alsmede hun beider gemachtigden zijn verschenen en hebben het woord gevoerd, de gemachtigden aan de hand van pleitnotities. 2. De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie, alsmede van de hiervoor genoemde stukken. 3. De feiten Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. 4. Het standpunt van klaagster Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij, in strijd met de uitdrukkelijk met klaagster gemaakte afspraak, de door haar bij de gerechtsdeurwaarder in depot gestorte gelden ad € 6.698,88 heeft doorbetaald aan zijn opdrachtgever. Klaagster had, alvorens zich tot de gerechtsdeurwaarder te wenden, informatie ingewonnen over het stellen van een bankgarantie en had tevens een notaris bezocht met de vraag of de gelden konden worden gestort op een tussenrekening, zulks in verband met een nog lopende procedure over de verschuldigdheid van die gelden. Aangezien voor dit laatste goedkeuring vereist was van de gerechtsdeurwaarder die het beslag op het huis van klaagster en haar echtgenoot had gelegd, wendde klaagster zich tot de gerechtsdeurwaarder. Deze gaf haar te kennen dat storting op een tussenrekening bij hem ook mogelijk was. Klaagster heeft vervolgens, reeds bij de bank aangekomen om de storting van de gelden te regelen, nogmaals contact opgenomen met de gerechtsdeurwaarder met de vraag of de gelden daadwerkelijk op de tussenrekening zouden blijven staan. De gerechtsdeurwaarder heeft dit, op ongeduldige toon, bevestigd. Vervolgens heeft de gerechtsdeurwaarder, in strijd met de met klaagster gemaakte afspraak, de gelden toch doorbetaald aan de advocaat van de wederpartij, aangezien deze dreigde een klacht tegen de gerechtsdeurwaarder in te dienen. 5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder 5.1. De gerechtsdeurwaarder stelt dat hij met klaagster heeft besproken dat zijn opdrachtgever de doorslaggevende stem had om te komen tot doorhaling van het executoriaal beslag dat rustte op het huis van klaagster en haar echtgenoot. In aanwezigheid van klaagster heeft de gerechtsdeurwaarder contact opgenomen met zijn opdrachtgever en gevraagd onder welke voorwaarden hij akkoord kon gaan met de doorhaling van het beslag. De opdrachtgever gaf toen nadrukkelijk te kennen dat het beslag doorgehaald kon worden indien het verschuldigde bedrag ad € 6698,88 zou zijn betaald. Nadat klaagster via de bank de betaling had gedaan is de gerechtsdeurwaarder tot doorhaling van het beslag overgegaan. Hierop ontving de gerechtsdeurwaarder een brief van klaagster, gedateerd 16 augustus 2004 waarin zij haar woede uitte over de doorbetaling door de gerechtsdeurwaarder van het totale bedrag aan zijn opdrachtgever. De gerechtsdeurwaarder, die zijn voornemen om zijn opdrachtgever te betalen nog niet had uitgevoerd, heeft vervolgens de afrekening met zijn opdrachtgever opgehouden en nader overleg met hem gepleegd waarop zijn opdrachtgever bij zijn standpunt is gebleven dat betaling door klaagster had plaatsgevonden ter doorhaling van het beslag en de gelden aan hem toekwamen. 5.2. De gerechtsdeurwaarder heeft de casus vervolgens aan een aantal onafhankelijke deskundigen voorgelegd. Deze deskundigen kwamen allen tot de conclusie dat de gelden moesten worden doorbetaald aan de opdrachtgever. De gerechtsdeurwaarder is toen tot afrekening met zijn opdrachtgever overgegaan. 5.3.De gerechtsdeurwaarder ontkent ten stelligste dat klaagster hem expliciet heeft gevraagd of de gelden op een tussenrekening zouden blijven staan. Klaagster heeft juist aangegeven dat zij een groot belang had bij het zo spoedig mogelijk opheffen van het gelegde beslag. 6. De beoordeling 6.1. Het hof is, evenals de kamer, van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de gerechtsdeurwaarder, nadat klaagster zich tot hem had gewend, haar heeft medegedeeld dat de gelden ook bij hem op een tussenrekening konden worden gestort. Dit blijkt reeds uit het enkele feit dat de gerechtsdeurwaarder klaagster op 13 augustus 2004 een brief heeft geschreven waarin de zinsnede is opgenomen dat haar verzoek aan de gerechtsdeurwaarder om de gelden onder zich te houden niet kan worden ingewilligd. De stelling van de gerechtsdeurwaarder dat hij jegens klaagster van meet af aan, dat wil zeggen reeds in het gesprek dat tussen hen plaatsvond op 10 augustus 2004, een voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot het onder zich houden van de gelden is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk nu klaagster onweersproken heeft aangevoerd dat zij kort na het desbetreffende gesprek de gerechtsdeurwaarder nog heeft gebeld vanaf het bankkantoor alwaar zij de storting van de gelden regelde. Het hof ziet de noodzaak van een dergelijk telefoongesprek niet in indien klaagster op de hoogte was van dit door de gerechtsdeurwaarder aangevoerde voorbehoud. 6.2. Naar het oordeel van het hof had het op de weg van de gerechtsdeurwaarder gelegen om, aangezien hij op de hoogte mocht worden verondersteld van klaagsters bedoelingen, klaagster te adviseren de gelden pas te storten op het moment dat hij haar zou kunnen garanderen dat hij de gelden ook daadwerkelijk onder zich zou kunnen houden. Klaagster had hierop kunnen wachten dan wel andere maatregelen kunnen treffen teneinde opheffing van het beslag te bewerkstelligen. 6.3. Evenals de kamer is het hof van oordeel dat de klacht gegrond is en dat de gerechtsdeurwaarder, gezien de aard en de ernst van zijn handelwijze, de maatregel van berisping moet worden opgelegd. 6.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven. 6.5. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing. 7. De beslissing Het hof: - bevestigt de bestreden beslissing met gedeeltelijke verbetering van de gronden. Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, L.J. Saarloos en F.A.A. Duynstee en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 18 januari 2007 door de rolraadsheer. Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam Beschikking van 29 november 2005 als bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet in de zaak met nummer 357.2004 van: [Y ], wonende te [ ], klaagster, tegen: [X], gerechtsdeurwaarder te [ ], beklaagde, gemachtigde [ ]. Verloop van de procedure Bij brief met bijlagen van 23 oktober 2004 heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder. Bij brief met bijlagen van 12 november 2004 heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend. De klacht is behandeld ter zitting van 18 oktober 2005, alwaar klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 29 november 2005 Gronden van de beslissing 1. De feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.