GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Eerste Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen - drie uitspraken van de inspecteur van de Belastingdienst P-1, de inspecteur, alsmede - het door de inspecteur niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
- Loop van het geding 1.
- Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 16 september 2003, ingediend door mr. E (… te …) als gemachtigde en aangevuld bij brief van 23 oktober
- Het beroep is gericht tegen - drie uitspraken van de inspecteur, alle drie gedagtekend 11 augustus 2003, betreffende de volgende aan belanghebbende opgelegde belastingaanslagen: - de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996 (verder: de navorderingsaanslag IB 1996), - de (primitieve) aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (verder: aanslag IB) voor het jaar 1997, - de (primitieve) aanslag IB voor het jaar 1998, - het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar, betreffende de aanslag IB voor het jaar
- Het aanvankelijk ingestelde beroep inzake de aanslag IB voor het jaar 2000 heeft belanghebbende in eerdergenoemde brief van 23 oktober 2003 ingetrokken. 1.
- De navorderingsaanslag IB 1996 is opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 482.
- Bij de berekening van deze aanslag hield de inspecteur rekening met een bedrag aan ingehouden loonbelasting/premieheffing (verder: loonbelasting) van ƒ 199.
- 1.
- Aan belanghebbende zijn (primitieve) aanslagen IB opgelegd berekend naar belastbare inkomens van respectievelijk: - ƒ 828.271 voor het jaar 1997; - ƒ 568.218 voor het jaar 1998; en - ƒ 603.952 voor het jaar
- 1.
- Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur met betrekking tot 1996 het belastbare inkomen gehandhaafd en het bedrag aan ingehouden loonbelasting verhoogd van ƒ 199.356 naar ƒ 217.581 (geëffectueerd bij beschikking van 3 september 2003). 1.
- Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslagen IB over 1997 en 1998 gehandhaafd. 1.
- Op het bezwaarschrift inzake de aanslag IB over 1999 heeft de inspecteur geen uitspraak gedaan. 1.
- Het beroep strekt: - voor wat betreft de jaren 1996 tot en met 1998: - tot vernietiging van de uitspraken van de inspecteur en tot vermindering van de aanslagen tot aanslagen berekend naar belastbare inkomens van: - ƒ 490.058, met toepassing van het 45%-tarief over ƒ 50.454 en onder verrekening van een extra bedrag van ƒ 45.562 aan loonbelasting, voor het jaar 1996; - ƒ 701.796 voor het jaar 1997 (overeenkomstig de aangifte); - ƒ 542.498 voor het jaar 1998 (overeenkomstig de aangifte); - voor wat betreft het jaar 1999: - tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van (naar het Hof begrijpt) ƒ 596.
- 1.
- De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert daarin als volgt: - voor 1996 - tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 480.280; - voor 1997, 1998 en 1999 - tot ongegrond verklaring van het beroep (naar het oordeel van de inspecteur had hij het belastbare inkomen hoger moeten vaststellen). 1.
- Op 16 maart 2005 heeft belanghebbende ‘nadere stukken’ ingediend. De inspecteur heeft hiervan een afschrift ontvangen en heeft zich er ter zitting over uitgelaten. 1.
- Ter zitting van de Eerste Meervoudige Kamer van 24 maart 2005 zijn verschenen belanghebbende en zijn voornoemde gemachtigde, tot bijstand vergezeld door F, alsmede namens de inspecteur mr. G, tot bijstand vergezeld door J. Belanghebbende en de inspecteur hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en (voor wat betreft de pleitnota van de inspecteur: met bijlagen) overgelegd. Belanghebbende heeft van de bijlagen kennis kunnen nemen. Met instemming van belanghebbende kon hij zich er tijdens de daarop volgende zitting over uitlaten. 1.
- Tijdens de zitting van 24 maart 2005 heeft de voorzitter geïnventariseerd welke personen belanghebbende als getuige wenste te horen. Dit bleken uiteindelijk de volgende personen te zijn: - C-2, zij het dat deze wegens ziekte verhinderd zou kunnen zijn; - A-6; - C-1; - [de directeur van Software BV]; - A-8; - [de directeur van Park BV]. 1.
- Belanghebbende heeft genoemde personen niet naar de zitting meegenomen. Daarop heeft de voorzitter - na schorsing - verklaard dat het Hof geen vragen heeft aan de vermelde personen en heeft het Hof het aan belanghebbende overgelaten of het in zijn optiek zinvol was om genoemde personen tijdens een hofzitting te horen. Afgesproken werd dat belanghebbende schriftelijk zou aangeven of, en zo ja wie, hij van genoemde personen als getuige wenste te horen. 1.
- Op 7 april 2005 antwoordde belanghebbende dat hij de hierboven genoemde personen, afgezien van C-2, als getuige voor het Hof wenste te horen. De inspecteur heeft van deze brief een kopie ontvangen. 1.
- De Eerste Meervoudige Kamer heeft het beroep voor het horen van getuigen vervolgens naar de Tiende Enkelvoudige Kamer verwezen. Tijdens een zitting van die kamer op 22 april 2005 - waarop, afgezien van de getuigen, dezelfde personen zijn verschenen als tijdens de zitting van de Eerste Meervoudige Kamer van 24 maart 2005 - zijn de door belanghebbende meegenomen A-6, C-1 en [de directeur van Software BV] als getuige gehoord. Partijen hebben bij de aanvang van de zitting op 22 april 2005 aangegeven dat zij niet in hun processuele belangen geschaad zijn doordat het Hof hen korter dan drie weken voor de zittingsdatum heeft opgeroepen. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt. 1.
- De Tiende Enkelvoudige Kamer heeft het beroep vervolgens naar de Eerste Meervoudige Kamer verwezen. 1.
- Op 19 mei 2005 heeft belanghebbende nadere stukken, zijnde vragenbrieven en verklaringen van twee personen die niet op 22 april 2005 zijn gehoord, te weten A-8 en [de directeur van Park BV], ingediend. De inspecteur heeft van deze stukken een kopie ontvangen. 1.
- Op 27 mei 2005 hebben partijen per fax een proces-verbaal van de zitting van 22 april 2005 ontvangen. De gemachtigde van belanghebbende heeft daarop bij brief van 27 mei 2005 als volgt gereageerd: Daarin [Hof: in het p-v van de zitting] is als uitlating van mij weergegeven, dat ik afzie van het eerder gedane getuigeaanbod ten aanzien A-8, [de directeur van Park BV] en C-
- Dit is geen juiste weergave. Ik heb gezegd dat het wat belanghebbende betreft niet nodig is hen te horen. 1.
- Op 2 juni 2005 vond een nadere zitting van de Eerste Meervoudige Kamer plaats. Tijdens die zitting zijn dezelfde personen verschenen als tijdens de zitting van 24 maart 2005, met uitzondering van F. Belanghebbende en de inspecteur hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Belanghebbende verklaarde tijdens de zitting dat wat hem betreft het niet nodig is om A-8, [de directeur van Park BV] en C-2 te horen, maar dat het getuigenaanbod gestand wordt gedaan in geval het Hof het nodig vindt hen te horen.
- Tussen partijen vaststaande feiten 2.
- Zakelijke situatie van belanghebbende 2.1.
- Belanghebbende, geboren in 1936, treedt in 1976 als algemeen directeur in dienst bij de [A-Bond]. 2.1.
- Tot 1999 is de [A-Bond] een vereniging met een groot aantal [A-leden] en verleent hij ten behoeve van zijn leden diverse diensten. Tevens behartigt hij de belangen van de leden op nationaal niveau. De [A-Bond] heeft contacten met politici in Den Haag. 2.1.
- Na zijn indiensttreding bij de [A-Bond] gaat belanghebbende een aantal nevenbetrekkingen [op het werkterrein van de A-Bond] vervullen, te weten:
- directievoorzitter [Software BV], een dochterbedrijf van de [A-Bond];
- voorzitter Stichting Automatisering [A-Bond];
- voorzitter Stichting Pensioenfonds [A-bond];
- voorzitter Stichting … Pensioenen [A-bond];
- voorzitter tentoonstellingscommissie [A-Bond]/[A-1];
- vice-voorzitter [centrale organisatie op het werkterrein van de A-Bond];
- voorzitter Stichting Administratiekantoor [A-leden] (verder ook het Administratiekantoor);
- voorzitter/secretaris Pensioenfonds [voor de A-leden];
- voorzitter Verenigingscommissie Arbeidsvoorwaardenbeleid;
- voorzitter (overleg overkoepelende organisatie) van [A-leden];
- voorzitter CAO-overleg [A-leden];
- voorzitter Bedrijfscommissie [A-leden];
- lid van de Raad voor [het werkterrein van de A-Bond];
- bestuurslid A-2;
- voorzitter van [een fonds op het werkterrein van de A-Bond; verder het Fonds);
- lid van [een adviescommissie] van de Stichting Pensioenfonds [A-leden] (verder de Adviescommissie). 2.1.
- De [A-Bond] is eigenaar van meerdere onroerende zaken. Onder andere [Bouwbedrijf BV] doet het onderhoud daaraan. De [A-Bond], het Administratiekantoor en [Software BV] zijn tezamen ‘door de jaren heen een grote opdrachtgever’ voor [Bouwbedrijf BV], aldus de FIOD in het Overzichtsproces-verbaal onder 1.3 (laatste volzin). De [A-Bond] en [Software BV] laten het onderhoud aan een aantal van hun tuinen sinds jaar en dag door [Park BV] uitvoeren. Belanghebbende is op directe of indirecte wijze betrokken bij de totstandkoming van een aantal contracten tussen de [A-Bond]/[Software BV] en [Park BV]. Zo is belanghebbende degene die namens [Software BV] in 1993 een vijfjarig contract met [Park BV] sluit, in welk contract [Park BV] zich verplicht tot het onderhouden van de tuin van conferentiecentrum … (verder het Conferentiecentrum). 2.1.
- Belanghebbende ‘was … een invloedrijk man in de wereld van de [A-leden]’ (aldus belanghebbende in punt 33 van zijn pleitnota van 2 juni 2005). Hierover verklaart C-3, in 1994 directeur van [Software BV], tijdens de zitting van de Tiende Enkelvoudige Kamer: Er waren destijds twee [overkoepelende organisaties op het werkterrein van de A-Bond]; de Q-Bond en de [A-Bond]. Deze twee [organisaties] bepaalden het nationale …beleid [op het werkterrein van de A-Bond]. Zij hadden in die tijd een dominante rol en een nauwe financiële band met het Q-Ministerie [het ministerie dat betrokken was bij de activiteiten van de A-Bond]. De heren C-2 en [belanghebbende] deden namens de woningbouwcoöperaties de onderhandelingen met het Ministerie. Zij hadden dus een grote invloed op het …beleid van het [Q-Ministerie] richting de [A-leden]. 2.1.
- De laatste twee jaren van belanghebbendes dienstverband bij de [A-Bond] valt C-1, hoofd finance en control, onder zijn verantwoordelijkheid. Tijdens zijn verhoor voor de FIOD op 9 maart 2000 verklaart C-1 over belanghebbendes rol binnen de [A-Bond]: De opdrachten (aan [Bouwbedrijf BV]) orden rechtstreeks door de directie gegeven. In de periode dat [belanghebbende] hier werkzaam is zal hij die opdrachten hebben gegeven. [Belanghebbende] noemde wij de "bouwheer" omdat hij over de grote bouwprojecten ging en dit ook tot zijn takenpakket behoorde. 2.1.
- Tijdens de zitting voor de Tiende Enkelvoudige Kamer van dit Hof licht C-1 de kwalificatie ‘bouwheer’ toe: Bij de FIOD heb ik destijds verklaard dat [belanghebbende] de “bouwheer” was. Ik bedoelde daarmee dat hij ten opzichte van de raad van bestuur van de [A-Bond] eindverantwoordelijke was voor de grote projecten. Ik heb daarmee niet bedoeld dat belanghebbende degene was die alles aanstuurde. 2.1.
- Tijdens de zitting van de Tiende Enkelvoudige Kamer op 22 april 2005 verklaart A-6, tot 1994 directeur financiële zaken van de [A-Bond] (daarna algemeen directeur van het Administratiekantoor): Ik heb wel eens gehoord (zowel vóór als ná 1994) dat belanghebbende werd betiteld als bouwheer. Maar ik was de enige echte bouwheer. Mijn voorganger bij de [A-Bond], A-7 (en tot 1983 in die functie werkzaam), werd ook wel de bouwpaus genoemd. 2.1.
- Voorts verklaart A-6 tijdens dit verhoor, dat belanghebbende de expertise miste en niet deskundig was om offertes van aannemers te beoordelen. In gelijke zin verklaart A-8, opvolger van A-6 als directeur financiële zaken van de [A-Bond], schriftelijk op 26 april
- 2.1.
- Omstreeks 1994 verandert de [A-Bond] zijn structuur ingrijpend. In dat kader komt hij met belanghebbende op 3 november 1994 het volgende overeen (verder de afvloeiingsregeling): OVERWEGENDE DAT: - de [A-Bond] voornemens is wijziging te brengen in de structuur van de vereniging; - die wijziging onder meer betekent dat het huidige bestuur als orgaan van de vereniging zal verdwijnen en dat het bestuur zal worden opgedragen aan een directie die zal bestaan uit twee of meer personen, waarvan één de titel van algemeen directeur zal worden toegekend; (…) - het, gelet op de leeftijd [van belanghebbende], daarom gewenst is dat C-2, thans plaatsvervangend algemeen directeur, reeds direct na de structuurwijziging als algemeen directeur [van de A-Bond] en directievoorzitter van [Software BV] in functie kan treden; (…) VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT: I a. aan [belanghebbende] wordt ontslag uit dienst van de [A-Bond] verleend met ingang van de datum waarop de gewijzigde statuten in werking zullen treden, naar verwachting derhalve per 1 april 1995; (…) II. a. [A-Bond] betaalt aan [belanghebbende] per datum van ontslag uit dienst van de [A-Bond] een schadeloosstelling ter grootte van het salaris dat [belanghebbende] zou hebben genoten, indien zijn dienstverband op basis van de bestaande arbeidsovereenkomst zou zijn voortgezet tot 1 oktober 1996 (…), onder inhouding van de verschuldigde loonbelasting; b. [belanghebbende] houdt tot 1 oktober 1996 de beschikking over zijn dienstauto op basis van de thans geldende regeling. De afvloeiingsregeling bevat geen expliciete bepaling over het overnemen door belanghebbende van [de Dienstauto] na oktober
- 2.1.
- In de afvloeiingsregeling staat dat belanghebbende tegelijk met zijn uitdiensttreding bij de [A-Bond] de onder 2.1.3 met de cijfers 1 tot en met 14 aangeduide functies neerlegt. 2.1.
- Onder andere de directeur van de [A-Bond], C-2, en belanghebbende ondertekenen de afvloeiingsregeling. 2.1.
- Ter uitvoering van punt II.a van de afvloeiingsregeling betaalt de [A-Bond] belanghebbende op 1 april 1995, de datum waarop belanghebbende daadwerkelijk als directeur terugtreedt, ƒ 480.150 (netto) uit. De verschuldigde loonbelasting draagt zij aan de ontvanger van de Belastingdienst af. 2.1.
- In 1995 wordt [Advies BV] opgericht. Belanghebbende houdt 72,8% van de aandelen in [Advies BV], zijn zonen ieder 13,6%. De instellingen, waar belanghebbende een functie in behoudt, betalen vanaf 1995 de honoraria aan [Advies BV] uit. Via [Advies BV] verricht belanghebbende na uitdiensttreding bij de [A-Bond] nog advieswerk. Zo vraagt de [A-Bond] hem in 1997 om advies op fiscaal terrein en adviseert belanghebbende het Administratiekantoor in 1996, 1997 en
- Deze werkzaamheden worden op uurbasis door [Advies BV] gefactureerd. Los daarvan adviseert [Advies BV] tegen een vaste beloning van ƒ 3.000 per kwartaal ook [de Adviescommissie]. Over [Advies BV] verklaart belanghebbende op 9 maart 2000 tegenover de FIOD: Ik verricht de werkzaamheden [Hof: voor Advies BV] voornamelijk zelf, in mijn hoedanigheid van directeur (…). Soms huurde ik nog wel eens mensen in, bij voorbeeld ingeval van technische aspecten. Ik heb diverse opdrachtgevers zoals [het Q-Ministerie], [de A-Bond]-groep, het Administratiekantoor, A-9 en het Waarborgfonds … onderwijs. 2.1.
- In september 1995 verzoekt de Staatssecretaris [van het Q-Ministerie] belanghebbende om interim-manager te worden bij de in financiële moeilijkheden verkerende Stichting A-
- 2.1.
- Medio 1997 treedt belanghebbende als voorzitter van het Fonds af. 2.1.
- Naar aanleiding van een bij de Belastingdienst binnengekomen tip, waarin onder meer gesteld wordt dat belanghebbende ‘ten koste van de [A-Bond] op ruime voet leefde’, stelt de Belastingdienst bij de [A-Bond] een boekenonderzoek in. Tijdens dit onderzoek ontstaat het vermoeden dat belanghebbende ‘zich materieel heeft bevoordeeld’ en dat de voordelen voorvloeien uit diens (vroegere) functie bij de [A-Bond]. 2.1.
- In het openingsproces-verbaal van 10 februari 2000 staat dat de FIOD vermoedt dat belanghebbende de volgende voordelen uit zijn (vroegere) dienstbetrekking ten onrechte niet in zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 1994 tot en met 1997 heeft opgenomen:
- Het tegen te lage vergoeding laten verrichten van onderhoud aan de tuin gelegen rondom zijn woning.
- Het tegen te lage vergoeding laten verbouwen van een zijn zoon of diens partner toebehorende woning.
- Het overnemen van de voormalige dienstauto tegen een te lage prijs. 2.1.
- Vervolgens stelt de FIOD een strafrechtelijk onderzoek in. Het overzichtsproces-verbaal is gedagtekend op 28 november
- 2.
- Het onderhoud van belanghebbendes tuin 2.2.
- Belanghebbende woont op het adres S-weg 00 te Z (verder de woning). Bij de woning hoort een tuin van tenminste 8.100 m
- Hij woont er samen met zijn partner. De tuin van belanghebbendes woning is in de jaren 1994 tot en met 1998 door [Park BV] onderhouden. De werkzaamheden bestonden uit spitten, snoeien, bomen zagen, hout kloven, schoffelen, wieden, kanten steken, bemesten en harken, alsmede uit het ruimen van bladeren en het maaien van het gazon. 2.2.
- Werknemers van [Park BV] maken dagelijks een zogenoemde urenstaat op. Deze urenstaten zijn door de FIOD over de periode 1994 tot en met 1997 onderzocht. In het … proces-verbaal …, gedagtekend 24 mei 2000, staat: De gegevens die op de geselecteerde urenstaten voorkomen zijn per kalenderjaar verzameld in zogenaamde 'werkbladen' (…) Aan de hand van de werkbladen is te lezen dat door personeelsleden van [Park BV] werkzaamheden zijn verricht in of aan de tuin gelegen rond het perceel S-weg 00 te Z (…) De voor de werkzaamheden gebezigde projectnummers zijn 0/2572, 0/4503 en 0/
- Verder is aan de hand van de urenstaten te lezen dat er naast de gewerkte uren tevens materialen zijn gebruikt bij dit onderhoud en in veel gevallen tot welke bedragen. Resumerend is uit de urenstaten te lezen dat de volgende hoeveelheid werkuren door personeel van [Park BV] aan de tuin zijn besteed: (…) Jaar: Totaal uren Projectno. 0/2572(...) Projectno. 0/4503 Projectno. 0/4058 (…) 1994 416 279 92 45 (…) 1995 415 322 93 -- (…) 1996 217 217 -- -- (…) 1997 183 183 -- -- Projectnummer 0/2572 heeft betrekking op werkzaamheden die door personeel van [Park BV], ingevolge een per 1 januari 1994 ingaand vijfjarig tuinonderhoudscontract, verricht worden aan en in de tuin van opleidingscentrum het [Conferentiecentrum] te …, onderdeel van de [A-Bond]/[Software BV].. (…) In de offerte, welke gericht is aan [A-Bond]/[Software BV], t.a.v. [belanghebbende], worden geen werkzaamheden genoemd aan de tuin rond het huis aan de S-weg 00 te Z. Projectnummer 0/4058 heeft betrekking op werkzaamheden die contractueel door personeel van [Park BV] verricht worden in de tuin(en) rond en in het kantoor van het Administratiekantoor …. Een contract betreffende het jaar 1994 is niet aangetroffen in de dossiers van [Park BV] wel zijn aangetroffen drie contracten betreffende het jaar
- De contracten betreffen respectievelijk het onderhoud van de interieurbeplanting, het tuinonderhoud en onderhoud van de verharding rond het kantoor van het Administratiekantoor te ... en een offerte voor zogenaamde inboetwerkzaamheden. De contracten belopen bedragen van in totaal ƒ 4.334,=, ƒ 24325,= en ƒ 2.370,= excl. btw. (…) Projectnummer 0/4503 betreft een contract dat betrekking heeft op uitsluitend het jaar 1994 zoals dat is afgesloten tussen [Park BV] en verdachte [belanghebbende] inzake het door [Park BV] uit te voeren onderhoud aan de tuin rond de woning van verdachte aan de S-weg 00 te Z. Dit betreft een contract voor een totaal bedrag van ƒ 4.175,= excl. btw. (…). Het wegens het aangegane contract verschuldigde bedrag is middels factuur nummer 1479 d.d. 16 augustus 1994 ad f. 2.452,81 inclusief BTW en factuur 1695 d.d. 1 november 1994 ad ƒ 2.452,81 aan verdachte in rekening gebracht. (…) Daarnaast is door mij een factuur aangetroffen nummer 1101, gedateerd 23 maart 1994, werknummer 0/4503 inzake: 'Voor u uitgevoerde werkzaamheden periode januari/februari: renovatie tuin S-weg leveren en aanbrengen verhardingen' Het bedrag van de factuur is ƒ 5.050,= vermeerderd met ƒ 883,75 btw tot een totaal bedrag van ƒ 5.933,
- (…) Het bedrag van de factuur is opmerkelijk omdat uit de aantekeningen op de urenstaten (…) is te lezen dat er op dat moment reeds ƒ 4.500,=, ƒ 3.377,50, ƒ 13.317,73 en ƒ 1.850,=, ofwel ƒ 23.045,23 in totaal is berekend als verwerkt in de tuin van [belanghebbende]. (…) Voordeel
- In de administratie van [Park BV] is geen contract aangetroffen inzake tuinonderhoud bij [belanghebbende] of zijn bedrijf voor het jaar
- Wel is één factuur aangetroffen, genummerd 1348 d.d. 26 juni 1996 ad. ƒ 5.698,75 inzake werkzaamheden rond een parkeerplaats bij het huis van [belanghebbende]. Opmerkelijk is dat de factuur projectnummer 7/2572 draagt, een nummer dat normaliter gebruikt wordt voor werkzaamheden die buiten het onderhoudscontract als extra worden verricht op de terreinen rond het [Conferentiecentrum]. (…). Aan de hand van in de administratie van [Park BV] aangetroffen aantekeningen en berekeningen (…) is te lezen dat de uren die door personeel gewerkt worden in 1996 tegen het tarief van ƒ 59,85 excl. btw in rekening worden gebracht: In totaal is afgeboekt op het contract met [Software BV] 217 uren die een tegenwaarde vertegenwoordigen van 59,65x217x ƒ 1,= ƒ 12.944,05 Overige kosten:1996 (excl. uurloon) (…) Totaal overige kosten 1996 ƒ 7.920,05 ƒ 20.864,10 Het voordeel omvat tevens de normaal verschuldigde BTW ad 17,5% - 3.651,22 Bruto voordeel voor verdachte [belanghebbende] over het jaar 1996 ƒ 24.515,31 Af: Op factuur door [belanghebbende] incl. btw betaald over 1996: Factuur 1348 d.d. 26 juni 1996 ƒ 5.968,75 Totaal genoten voordeel over 1996 ƒ 18.546,56 Voordeel 1997 Aan de hand van in de administratie van [Park BV] aangetroffen aantekeningen en berekeningen (…) is te lezen dat de uren die door personeel gewerkt worden in 1997 tegen het tarief van ƒ 59,65 excl. btw in rekening worden gebracht: In totaal is afgeboekt op de contracten met [Software BV] 324 uren die een tegenwaarde vertegenwoordigen van 59,65x183x ƒ 1,= ƒ 10.915,95 Overige kosten:1997 (excl. uurloon) (…) Totaal overige kosten 1997 ƒ 538,50 ƒ 11.454,45 Het voordeel omvat tevens de normaal verschuldigde BTW ad 17,5% - 2.004,53 Bruto voordeel voor verdachte [belanghebbende] over het jaar 1997 ƒ 13.458,97 Af: Op factuur door [belanghebbende] incl. btw betaald over 1997: Nihil ƒ --,-- Totaal genoten voordeel over 1997 ƒ 13.458,97 Resumé behaald voordeel 1994 tot en met
- 1994 ƒ 47.848,07 1995 - 38.543,15 1996 - 18.546,56 1997 - 13.458,97 Totaal ƒ 118.396,75 2.2.
- Op 9 maart 2000 hoort de FIOD, [de directeur van Park BV]. In het proces-verbaal van dat verhoor staat: Ons bedijf doet al vele jaren zaken met [Hof: de [A-Bond], [Software BV] en het Administratiekantoor]. Ons bedrijf doet de aanleg en het onderhoud van de tuinen rond de kantoren van deze bedijven. (…) Ik ken [belanghebbende] al zo'n 15 jaar. Hij was volgens mij algemeen direkteur van de [A-Bond] en [Software BV]. Hij was een van de mensen die besliste over het geven van opdrachten aan ons bedrijf. Andere mensen die in de direktie zaten waren de heren C-2, A-6 en A-
- Ik ga er van uit dat [belanghebbende] in zijn functie de eindverantwoordelijke was. In ieder geval tot
- In dat jaar is hij met pensioen of de VUT gegaan. Na die tijd had ik alleen prive met hem te maken. In de loop der tijd is hij een goede relatie van mij geworden. Met de [A-Bond] en andere bedrijven werden door [Park BV] jaarlijkse tuinonderhoudscontracten afgesloten met stilzwijgende verlenging. Een keer is een vijfjarig contract afgesloten. (Verbalisant: Zijn door uw bedrijf [Park BV] werkzaamheden verricht voor de [belanghebbende] prive en wel aan de tuin behorende bij de woning aan de S-weg 00 en de W-weg 99 te Z?), Ja, deze werkzaamheden zijn verricht. Dit betroffen tuinonderhoudswerkzaamheden in de ruime zin des woords. De werkzaamheden zijn hoofdzakelijk verricht aan de S-weg. (…) In de tuin aan de S-weg zijn gedurende de afgelopen jaren diverse werkzaamheden verricht. In zijn algemeenheid is voor deze werkzaamheden niet door [belanghebbende] betaald omdat hij een goede relatie van mij is. (…) Naast bovengenoemde werkzaamheden heeft [Park BV] regelmatig andere tuinonderhoudswerkzaamheden zonder betaling voor [belanghebbende] verricht. Ik vind dat wanneer je jarenlang een goede zakelijke relatie met iemand hebt, je ook iets voor die persoon mag doen zonder dat daar een betaling tegenover staat. Ik zie daar geen enkel kwaad in en vind persoonlijk dat dat moet kunnen. Het werk gebeurde of op verzoek van [belanghebbende] of spontaan door ons bedrijf. Het werk is praktisch alleen verricht door mijn werknemer de heer B-
- Ik moet u overigens zeggen dat [belanghebbende] ook een eigen tuinman had en zelf ook veel in zijn eigen tuin heeft gewerkt. (...) (Verbalisant: Wie waren ervan op de hoogte dat u werkzaamheden om niet voor [belanghebbende] heeft verricht?) Ik heb dat tegen niemand gezegd. Dat ga ik niet aan de grote klok hangen. 2.2.
- Op 26 juni 2000 hoort de FIOD [de directeur van Park BV] voor de tweede keer. In het proces-verbaal van dat verhoor staat: "[belanghebbende] ken ik zoals ik de vorige keer heb verklaard al meer dan vijftien jaar. Ik heb hem leren kennen door de contractbesprekingen die ik namens mijn bedrijf voerde met de [A-Bond] waarvan [belanghebbende] algemeen directeur was. Hij was mijn gesprekspartner bij die contractbesprekingen. Het goede van de relatie bestond uit het feit dat wij over en weer vertrouwen hadden in datgeen wat wij afspraken en dit met een zo goed mogelijke intentie uitvoerden. Ons bedrijf [Park BV] ontleent haar bestaansrecht aan het leveren van een goed produkt. Naar onder andere de [A-Bond] legden wij jaarlijks verantwoording af voor het geleverde werk en bespraken wij de mogelijkheden van een nieuw contract. De contracten werden jaarlijks verlengd wat wel iets zegt over de door ons geleverde kwaliteit. De besprekingen werden meestal gevoerd met [belanghebbende] en ook wel met A-6 en de inmiddels overleden A-
- De relatie was zo goed dat [belanghebbende] hier de eerste paal heeft geslagen voor onze nieuwbouw. Tevens heeft hij twee jaar geleden een toespraak gehouden toen mij een Koninklijke onderscheiding werd uitgereikt. Dat laatste was geregeld door mijn personeel. Voor beide gelegenheden was het voor het bedrijf belangrijk om [belanghebbende] als algemeen directeur van de [A-Bond] op de foto te hebben. Je laat aan toekomstige relaties toch wat zien als die man daarvoor komt. Privé heb ik geen contact met hem." (Was de [A-Bond] een grote opdrachtgever?) "Nee niet echt. Het gaat om een jaarlijks onderhoudscontract van ongeveer anderhalve ton. Als je dat vergelijkt met bijvoorbeeld de gemeenten K en L die ieder voor ongeveer één miljoen per jaar bij ons besteden dan is de [A-Bond] niet groot in de zin van geld. Het belang van de klant [A-Bond]/[Software BV] was haar uitstraling naar andere opdrachtgevers [op het werkterrein van de A-Bond]." (…) (Waarom is in 1993 met [Software BV] een vijfjarig contract gesloten voor de periode 1994 tot en met 1998?) “Voor ons was het belang de continuïteit van de opdracht. We hadden in 1992 een moeilijk jaar gehad (…) Ik heb toen om deze redenen de [A-Bond] gepolst voor een vijfjarig contract. (…) De besprekingen voor het vijfjarig contract zijn volgens mij net als in voorgaande jaren gevoerd met [belanghebbende]. (…) Het onderhoud is gestopt een jaar of twee drie geleden. Dat heeft er mee te maken dat hij [Hof: belanghebbende] nu met de vut is en de contacten dan wijzigen." 2.2.
- In het overzichtsproces-verbaal van de FIOD van 28 november 2000 staat over de laatste opmerking van [de directeur van Park BV]: Noot verbalisanten: Feitelijk is [belanghebbende] reeds in 1995 gestopt met zijn werk bij de [A-Bond]/[Software BV]. Ultimo 1998 is het per 1-1-1994 afgesloten vijfjarig contract [Software BV]-[Park BV] afgelopen. 2.2.
- Het proces-verbaal van verhoor van [de directeur van Park BV] van 26 juni 2000 gaat als volgt verder: (Vraag: [belanghebbende] heeft verklaard dat hij u heeft gezegd dat u er niet op moest rekenen dat u via het onderhoud van de tuin van [belanghebbende] mogelijk orders in de wacht zou kunnen slepen. Is deze verklaring correct?) "Nee, absoluut niet. Hij heeft mij dat nooit expliciet gezegd. Natuurlijk ben ik mij er van bewust dat ik door het onderhoud van de tuin een betere positie krijg. Ik ben bij wijze van spreken vijf deuren verder dan mijn concurrent. Het is een kwestie van geven en nemen." 2.2.
- In een fax van 6 juni 2003 aan de gemachtigde van belanghebbende schrijft [de directeur van Park BV]: 6.b. Er hebben contante betalingen plaatsgevonden terzake van het tuinonderhoud van [belanghebbende]. (…) 6.c. Of deze betalingen als een redelijke tegenprestatie hebben te gelden voor de verrichte werkzaamheden, weet ik mij niet meer te herinneren. Enerzijds komt dit doordat ik mij niet meer precies kan herinneren hoeveel werk er is verricht. Anderzijds komt daarbij dat wij onze grasmachines bij [belanghebbende] mochten stallen, zodat het een geringe moeite was om het gras te maaien (e.d.) wanneer wij de machine ophaalden. (…) Voor de goede orde benadruk ik dat ik volledig blijf bij mijn verklaringen afgelegd bij de Fiod of de Rechtbank (…) 2.2.
- De advocaat van [de directeur van Park BV] verklaart op 10 mei 2005 schriftelijk namens hem of namens [Park BV] dat het maaien van belanghebbendes gazon circa 2 uren kostte en dat een gazon circa 20 tot 24 keer per jaar wordt gemaaid. 2.2.
- In het overzichtsproces-verbaal van de FIOD van 28 november 2000 staat: Er zijn twee tuinlieden gehoord die in loondienst waren in de periode van onderzoek [Hof: 1994 - 1997], te weten B-3 (…) en B-4 (…). Beiden verklaren in de tuin van [belanghebbende] te Z te hebben gewerkt. B-3 verklaarde dat hij vanaf ongeveer april 1996 4 á 5 uur per week in de tuin aan de S-weg te Z werkte. B-4 heeft er één maal gewerkt en verklaarde dat B-3 al jaren in die tuin werkte. (…) Desgevraagd (….) was verdachte niet in staat contracten betreffende latere jaren [Hof: dan 1994] te overleggen. Bij onderzoek in de administratie van [Park BV] is alleen het contract voor het jaar 1994 aangetroffen en geen contracten betreffende latere jaren. (…) Verdachte verklaarde (…) dat hij zelf veel aan zijn tuin deed en dat hij daarbij geholpen is door zijn kinderen. Zijn zoon (…), geboren 05-02-1968, verklaarde tot zijn 18e (1986/1987) veel in de tuin geholpen te hebben doch daarna niet vaak meer en dat zijn oudere broer nooit hielp omdat die daar geen tijd voor had. (…) 2.5 Einde van het tuinonderhoud door [Park BV]. Tuinman B-3 (…) verklaarde dat hij voor het laatst in de tuin gewerkt had in oktober
- Het vijfjarig contract met [Software BV] liep per 31 december 1998 af. Sedert medio 1999 wordt het tuinonderhoud in de tuin van [belanghebbende] gedaan door: B-5, (…). Volgens door B-5 aan [belanghebbende] verzonden facturen (…) heeft B-5 in 1999 138,75 uur werkzaamheden in de tuin van [belanghebbende] verricht. De werkzaamheden zijn op 23 juni 1999 aangevangen. In 2000 heeft hij tot en met 3 juni 74,5 uur in de tuin van [belanghebbende] gewerkt. In totaal derhalve 213,25 uur in een periode van nagenoeg één jaar. Over die periode is in totaal inclusief btw in rekening gebracht ƒ 14.132,82 ondanks een 30% lager uurtarief. 2.2.
- Op 9 maart 2000 hoort de FIOD belanghebbende. In het proces-verbaal van dat verhoor staat: Vraag verbalisant: Bij welk bedrijf is de tuin van uw woning (…) in onderhoud en sinds wanneer? Welk bedrijf deed het onderhoud in de periode 1994 tot en met 1997? "Voor een deel doen mijn vrouw en ik dat zelf. Ik heb een tractor waar ik het gras mee kan maaien en verder doen wel eens wat scholieren dat voor een kleine vergoeding. Verder had ik tot voor kort een gepensioneerde man uit Nijkerk. In 1994 deden we voornamelijk zelf de tuin. De tuin zag er toen ook niet zo verzorgd uit. Met de start van mijn bedrijfje [Advies BV] en het ontvangen van gasten vond ik het nodig dat de tuin op een hoger niveau werd bijgehouden. Toen zijn eerst wat parkeerplaatsen aangelegd door [Park BV]. Ik overhandig u een kopie van de factuur dd 26 juni 1996 alsmede een kopie van het bankafschrift waarop de betaling staat vermeld. Er zijn verder weinig werkzaamheden verricht door [Park BV]. Voor zover [Park BV] voor mij of [Advies BV] nog meer werkzaamheden zijn verricht, zijn die altijd gefactureerd aan mij of mijn B.V. (…). Er werd dus incidenteel werkzaamheden verricht door [Park BV] aangezien ikzelf over professionele apparatuur beschik voor tuinonderhoud. Het bijhouden deden mijn vrouw en ik en de kinderen. Andere bedrijven en personen waren niet betrokken bij het tuinonderhoud." (…) Na 1994 heeft [Park BV] slechts incidenteel werkzaamheden verricht voor mij of mijn BV. Het betreft dan bij voorbeeld het even verwijderen of planten van wat struiken. Het is niet zo dat er wekelijks iemand in mijn tuin werkzaam is. (…) "Ik zie in mijn afschriften over 1995 geen afschriften waarop betalingen aan [Park BV] staan. Ook in de afschriften 1996 zie ik geen betalingen aan [Park BV]. Ook in mijn bankafschriften over de jaren 1997 en 1998 zie ik geen betalingen aan [Park BV]. U kunt er vanuit gaan dat in deze jaren geen werkzaamheden door [Park BV] zijn verricht in mijn tuin of in mijn opdracht. Ik heb dan ook geen facturen ontvangen. Vraag verbalisant: B-3 werkzaam bij [Park BV] heeft verklaard in de periode mei 1996 tot en met oktober 1998 wekelijks enkele uren in uw tuin werkzaamheden te hebben verricht. "Dat klopt niet. B-3 deed incidenteel werkzaamheden welke contant betaald zijn. (…) Vraag verbalisant Wat is er afgesproken met [Park BV] aangaande het tuinonderhoud van uw tuin? "Ik heb gesproken met [de directeur van Park BV] die zei van ik stuur wel eens iemand langs om te kijken of er iets in uw tuin gedaan moet worden. Hij deed dat als een soort service en investering omdat hij op zoek was naar opdrachten voor [A-leden] en gemeenten. Hij wilde op die manier gebruik maken van mijn netwerken om op die manier orders binnen te krijgen. Hij wist net als ieder dat ik tot 1995 directeur was van de [A-Bond] en wist van mijn bekendheid met gemeenten en [A-leden]. [De directeur van Park BV] heeft denk ik B-3 gestuurd vooruitlopend met het idee dat hij op die manier opdrachten binnen zou halen via mij. Een andere mogelijkheid is dat [Park BV] nog een factuur aan mij kon sturen." (…) 2.2.
- Op 31 mei 2000 hoort de FIOD belanghebbende wederom. In het proces-verbaal van dat verhoor staat: “Ik ben nooit betrokken geweest bij besprekingen over contracten met [Park BV].” 2.2.
- Over de contacten tussen belanghebbende en [de directeur van Park BV] schrijft belanghebbendes gemachtigde op 16 maart 2005 aan het Hof: De inspecteur maakt gewag van besprekingen voor het in 1993 gesloten vijfjarig contract met [Software BV] betreffende het [Conferentiecentrum]. (…) Dit contract betreft in wezen niet meer dan de vastlegging voor vijf jaar van wat tot dat moment een ieder jaar stilzwijgend verlengde opdracht was (…) Het P-V van de verklaring van [de directeur van Park BV] bij de FIOD daarover luidt: (…) "De besprekingen voor het vijfjarige contract zijn volgens mij net als in de voorgaande jaren gevoerd met [belanghebbende]. Ik meen dat ik van A-6 heb vernomen dat het contract voorstel voor vijfjaar door de [A-Bond] geaccepteerd was.” En zo was het: [de directeur van Park BV] had zijn vraag neergelegd bij belanghebbende, die hem vervolgens heeft doorgespeeld aan A-
- Dat het contract door [Park BV] verzonden werd ter attentie van [belanghebbende], dat [de directeur van Park BV] hem als zijn gesprekspartner en dat belanghebbende als eindverantwoordelijke de beslissing nam, behoeft geen verwondering: hij was algemeen directeur en de juridische vertegenwoordiger van [Software BV]. 2.2.
- B-6, hoofd administratie [Park BV], verklaart op 30 mei 2000 tegenover de FIOD dat de door de tuinlieden opgemaakte urenstaten door de uitvoerder worden gecontroleerd en bij de administratie worden ingeleverd en verwerkt. In de computer worden per project de uren bijgehouden. Voorts verklaart zij dat de uren die volgens urenstaten aan de tuin van belanghebbende zijn besteed in opdracht van [de directeur van Park BV] op projecten van [Software BV] en het Administratiekantoor worden geboekt. Feitelijk komt het er op neer dat [belanghebbende] voor de werkzaamheden aan zijn tuin niet betaalt. (…) Als voor deze werkzaamheden geen factuur is verzonden aan [belanghebbende] dan is dat gebeurd in opdracht van de directie, [de directeur van Park BV]. De reden is dat [belanghebbende] een goede relatie is van [de directeur van Park BV]. Als u geen factuur hebt aangetroffen dan is deze niet verzonden. (…) De achterliggende reden waarom wij de tuin van [belanghebbende] onderhouden zonder daarvoor rekeningen te versturen ken ik niet." 2.2.
- Met betrekking tot het jaar 1998 hebben belastingdienstmedewerkers … namens de inspecteur een derdenonderzoek bij [Park BV] verricht. In het daarvan op 8 november 2001 opgemaakte rapport staat: Het gaat om projectnummer 0/2572, (…)[belanghebbende] [heeft] in 1998 geen enkele betaling gedaan volgens [B-6], die wij daar gesproken hebben. Vanaf 1994 tot en met 1998, de looptijd van het contract, is door [Park BV] ook onderhoud gepleegd in de grote tuin rond de woning van [belanghebbende]. Wij hebben alle urenstaten van 1998 bekeken. (…) Op verscheidene urenstaten kwamen wij onder het kopje projectnummer het nummer 2572 tegen en daarachter onder het kopje project de naam " [belanghebbende] en "Z" tegen. De urenstaten tot en met week 44 waren aanwezig. 2.2.
- Volgens het rapport hebben werknemers van [Park BV] in totaal in 1998 206,25 uren aan het project met nr. 0/2572 onder vermelding van ‘[belanghebbende]’ of ‘Z’ gewerkt. Over het totaal genoten voordeel in 1998 vermeldt het rapport: Het uurloon was ƒ 61,
- Het voordeel is dan f 61,28 x 206,25 x f 1.- = fl 12.639,00 materiaal fl 300,00 Totaal fl 12.939,00 BTW 17,5% fl 2.264.00 Totaal genoten voordeel 1998 fl 15.203,00 2.2.
- Tijdens het onderzoek ter terechtzitting bij de rechtbank Amsterdam (strafkamer) op 11 april 2002 brengt belanghebbende voor het eerst naar voren dat [Park BV] een grasmachine in een schuur van belanghebbende mocht stallen en dat het tuinonderhoud, voorzover het het grasmaaien betrof, als een tegenprestatie voor die dienst moet worden beschouwd. Hierover merkt de gemachtigde in zijn nader stuk van 16 maart 2005 op: - Belanghebbende had het [Park BV] toegestaan om, als dat zo uitkwam, de maaier te stallen in de veldschuur. Daar maakte [Park BV] gebruik van als hij opdrachten had in [midden Nederland]. Hij had echter niet gedurende het hele jaar werkzaamheden in de buurt van Z. Het apparaat was dan ook niet permanent aanwezig, maar werd van tijd tot tijd op een aanhangwagen aan- en afgevoerd. (…) - De schuur heeft een oppervlakte van 5 x 12 meter. Als de maaier daar stond, nam zij maar een beperkt gedeelte van de totale oppervlakte in beslag. Zie de hierbij als bijlage 21 overgelegde foto's van de schuur. - De rest van het oppervlak werd door belanghebbende gebruikt - door hem wél permanent - voor opslag van zijn eigen zaken. Voorts was de afspraak omtrent de stalling een informele, die belanghebbende op ieder door hem gewenst moment kon opzeggen. Hij had dus niet alleen het gebruik van de schuur behouden, maar kon ook op ieder hem conveniërend moment aan het gebruik door [Park BV] een einde maken. 2.2.
- Belanghebbende gaat er bij het invullen van de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 1994 tot en met 1998 vanuit dat hij [Park BV] adequaat voor het tuinonderhoud betaalt. Hij geeft terzake van het tuinonderhoud geen voordeel uit het tuinonderhoud als inkomst over genoemde jaren aan. In de ogen van de inspecteur betaalt belanghebbende [Park BV] te weinig en is er wel sprake van voordelen, zogenoemde 22-1-b-baten. De inspecteur betrekt deze inkomsten als volgt in de heffing: 1996 nagevorderd 18.546 Zie 2.2.2 1997 correctie bij aanslagregeling 13.458 Zie 2.2.2 1998 correctie bij aanslagregeling 15.203 Zie 2.2.15 1999 geen correctie bij aanslagregeling nihil Onder 2.7.1 tot en met 2.7.3 staat weergeven hoe de aanslagen overigens zijn vastgesteld. 2.
- De dienstauto van belanghebbende 2.3.
- De [A-Bond] stelt aan belanghebbende in verband met het verrichten van arbeid vanaf juli 1994 een [personenauto] (verder de Dienstauto) met een cataloguswaarde van ƒ 126.164 ter beschikking. 2.3.
- In de afvloeiingsregeling staat dat belanghebbende tot 1 oktober 1996 de beschikking over de [Dienstauto] behoudt. 2.3.
- Op 27 maart 1996 schrijft C-1, manager finance en control van de [A-Bond], in een intern memo over de mogelijkheden om de [Dienstauto] over te nemen aan belanghebbende: Naar aanleiding van je vragen doe ik je bijgaand een herziene opgave van de [Dienstauto] toekomen en tevens een opgave van het inkomen over 1995 waarbij apart is aangegeven welk deel onder het bijzondere tarief valt. Overname van de [Dienstauto] moet je met C-2 regelen. Waarbij ik wel aangeef dat de fiscus alleen een overname tegen de handelswaarde accepteert, anders zien zij het als een beloning in natura en dan moet de overname gebruteerd worden. 2.3.
- Op 7 augustus 1996 bericht C-2 aan belanghebbende: Een dezer dagen zou ik afspraken willen maken over de overdracht van jouw auto. Afwikkeling ervan zou dan tegen 1 oktober a.s. kunnen plaatsvinden. In de bijlage vind je het overzicht van de relevante gegevens. Ik stel voor de auto aan jou (of jouw B.V.) te verkopen voor ƒ 45.000,- excl. BTW. C-1 zal een en ander te zijner tijd afwikkelen. 2.3.
- De bijlage vermeldt de aankoopprijs die de [A-Bond] in juli 1994 voor de [Dienstauto] heeft betaald, zijnde ƒ 126.
- Voorts staat in die bijlage: Handelswaarde (zonder nieuwkoop) (per 1 oktober 1997 geschat) ƒ 53.000,- tot 56.000,- (excl. BTW) Het Hof gaat ervan uit dat ‘1997’ een typefout is. Bedoeld zal zijn ‘1996’. 2.3.
- Op 9 september 1996 bericht voornoemde C-2 aan belanghebbende: Omdat we een dezer dagen beginnen met de "verwerking" van onze afspraken, leg ik deze nog even vast zodat voor alle betrokkenen duidelijk is wat er te gebeuren staat.
- Uiterlijk op 1 juli 1997 treed jij af als voorzitter en bestuurslid van het Fonds. (…)
- In verband met het feit dat met je vertrek bij het Fonds in zekere zin ook sprake is van een afscheid van de [A-Bond]-groep, spraken wij af dat je in dit najaar in opdracht van [A-Bond Mondiaal] een "goodwill"-reis maakt. De kosten daarvan worden op de gebruikelijke wijze via mijn secretariaat verrekend.
- Ten slotte spraken wij af dat de [Dienstauto] die jij berijdt, op 1 oktober a. s. door jou wordt gekocht voor de prijs van f 22.250,- excl. BTW. (…) 2.3.
- Belanghebbende neemt de [Dienstauto] op 1 oktober 1996 over van de [A-Bond] voor ƒ 22.
- Deze prijs ligt - naar belanghebbende en de [A-Bond] bekend is - ‘ruim onder de werkelijke waarde’; het verschil tussen waarde en prijs wordt hierna geduid als het transactievoordeel. De [A-Bond] draagt met betrekking tot het transactievoordeel geen loonbelasting af. 2.3.
- Over de verkoop van de [Dienstauto] aan belanghebbende verklaart C-2 tegenover de FIOD op 9 maart 2000: Wij hebben gezegd als gebaar krijgt hij die auto voor een redelijke prijs mee. Wij hebben hier heel soepel over gedaan. Het beleid hier is dat de handelsprijs wordt opgevraagd, hier is correspondentie van. U toont mij de betreffende brieven. Volgens opgave was de auto circa f 45.000 ex BTW waard. [Belanghebbende] vroeg mij om een soepele regeling bij de overdracht van de zakelijke auto naar privé, en die is hem toegestaan en tenslotte door mij geaccordeerd. Die regeling kwam erop neer dat hij de auto, voor f 22.500 ex BTW mocht overnemen. Hij is dus voor een te lage waarde overgedragen en daarmee heeft de [A-Bond] hem bevoordeeld met minimaal f. 22.
- 2.3.
- Tijdens een verhoor door de FIOD op 9 maart 2000 verklaart C-1: (Nadat wij gehoorde hadden gevraagd naar zijn wetenschap omtrent de overdracht van de [Dienstauto] van de [A-Bond] aan [belanghebbende] privé) Ik weet hier wel wat vanaf. Op een gegeven moment kwam [de directeur van Software BV] bij mij en vroeg of ik wou informeren wat de dagwaarde is voor de [Dienstauto] waar [belanghebbende] op dat moment in reed. Ik heb toen bij [de leasemaatschappij] geïnformeerd naar de dagwaarde van de [Dienstauto]. Hier vertelde ze mij dat dit ongeveer f 45.000,- was. Later hoorde ik van C-2 dat er met [belanghebbende] was onderhandeld en dat hij de auto mocht overnemen voor een bedrag van f 23.000,-. Hiervoor heeft hij ook een factuur gekregen die hij ook heeft betaald. Ik vond dat vreemd. Weliswaar gebeurt het wel vaker dat mensen hun auto meenemen wanneer zij het bedrijf verlaten maar gebruikelijk is dat de mensen dan altijd de hoogste waarde betalen in casu dus ongeveer fl 45.000,-. In wezen heeft [belanghebbende] hier dus een voordeel gekregen. Eigenlijk had ik het verschil tussen de werkelijke waarde van fl 45.000,- en de factuurwaarde van fl 23.000 moeten bruteren voor de loonbelasting. Dat heb ik niet gedaan. Kennelijk ben ik dat vergeten. Normaal gesproken doe ik dit wel. De verkoop van de [Dienstauto] aan [belanghebbende] is dus ongebruikelijk te noemen omdat het bedrag lager was dan de werkelijke waarde. Echter C-2 vertelde mij dat dit een kwestie was van onderhandelen in verband met zijn vertrek. 2.3.
- Over de overname van de [Dienstauto] schrijft [de directeur van Software BV] aan belanghebbende op 30 juni 2002: Omdat ik een van de weinigen ben die weet hoe de zaak werkelijk in elkaar zit, heb ik me graag bereid verklaard jou te laten weten, dat ik bereid ben daarover desgewenst een verklaring af te leggen. Na ons telefoontje daarover, geef ik je hierbij weer wat ik van de voorgeschiedenis weet als toenmalig directeur van [A-Bond]/[Software BV], onder meer belast met financiële en administratieve zaken. Eind 1994/begin 1995 was ik rechtstreeks betrokken bij de uitvoering van het bestuursbesluit inzake de financiële afwikkeling van jouw vervroegde vertrek als algemeen directeur (…). Na [Hof: bedoeld zal zijn ‘Nu’] (…) de overname van de dienstauto in oktober
- Omdat deze auto was afgeleverd kort voordat bekend werd, dat je zo'n anderhalf jaar eerder dan in de planning zat, de functies die je bij en namens de [A-Bond] vervulde zou neerleggen, werd op voorstel van C-4 [Hof: medewerker van het belastingadvieskantoor C-5] besloten, dat de meest praktische oplossing was, dat je deze auto voor rekening van de [A-Bond] zou blijven gebruiken (…) tot 1 oktober
- In de toegekende schadeloosstelling werd een bedrag opgenomen ter dekking van de verschuldigde IB voor de 18 maanden dat de auto nog van de [A-Bond] zou zijn. Per 1 oktober zou je de auto mogen overnemen voor een bedrag dat zou overeenkomen met 50% van de marktwaarde bij verkoop zonder inruil. Ik herinner mij destijds te hebben voorgesteld, de verschuldigde belasting voor het alsdan te genieten voordeel maar direct op te nemen in het totale bedrag van de schadeloosstelling die in maart 1995 zou worden uitbetaald. Vast stond immers, dat de [A-Bond] de fiscale lasten van de overdracht tegen een gereduceerd bedrag voor zijn rekening zou nemen. Daarover bestond toen geen enkele twijfel en naar ik van C-1 heb begrepen ook nu niet. Mijn suggestie om de gehele zaak in een keer af te handelen werd op advies van C-4 en C-6 [Hof: medewerker van C-5] echter niet overgenomen, met als motief, dat er tussen maart 1995 en oktober 1996 nog van alles met die auto (ernstige schade of zelfs total loss) zou kunnen gebeuren en dat belasting diende te worden voldaan op het tijdstip van feitelijke levering. Dan zou bovendien de waardebepaling eenvoudiger zijn. In oktober 1996 was ik weliswaar nog bij de [A-Bond] in dienst (…) Maar (…) ben ik toen niet direct bij de afwikkeling betrokken geweest, maar heeft C-2 dat zelf met jou geregeld. (…) C-2 verstrekte een afschrift van zijn brief aan jou aan C-1, toen adjunct-directeur financiële zaken, en deelde mij mee, dat die voor de verdere afhandeling zou zorgen. Ik heb dat toen niet meer zelf bewaakt, maar erop vertrouwd dat C-1 de zaak volgens de geldende instructies zou (laten) afwerken. Dat betekende: bruteren en de verschuldigde belasting bepalen en afdragen. Omdat jij niet meer op de salarislijst van de [A-Bond] voorkwam, maar op die van de Stichting Pensioenfonds [A-bond], is dat kennelijk niet goed gebeurd. 2.3.
- Tijdens de zitting van de Tiende Enkelvoudige Kamer op 22 april 2005 verklaart [de directeur van Software BV] niet betrokken te zijn geweest bij de onderhandelingen over de vervroegde terugtreding van belanghebbende bij de [A-Bond]. 2.3.
- De [A-Bond] stuurt belanghebbende over 1996 geen zogenoemde jaaropgaaf. 2.3.
- Belanghebbende dient omstreeks 22 juni 1997 een zogenoemd VA-biljet inzake de IB 1996 bij de Belastingdienst in. In deze aangifte schat hij zijn belastbaar inkomen op ƒ 435.
- Blijkens een door belanghebbende opgestelde notitie is in dit inkomen wél het privé-gebruik van de [Dienstauto] (als bedoeld in artikel 42, derde lid, van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964, verder de Wet), doch niet het transactievoordeel opgenomen. Belanghebbende schat het privé-gebruik van de [Dienstauto] over de periode 1 januari 1996 tot en met 30 september 1996 op ƒ 18.
- 2.3.
- Op 16 december 1997 stuurt belanghebbende C-7, zijn toenmalige belastingadviseur, een brief met de ‘benodigde gegevens’ betreffende de aangiften voor de inkomstenbelasting 1996/vermogensbelasting
- De meegestuurde gegevens bevatten geen informatie over het transactievoordeel en het privé-gebruik van de [Dienstauto]. 2.3.
- Belanghebbendes adviseur vult in december 1997 de aangifte IB 1996 in en neemt daarin als inkomsten uit arbeid uitsluitend inkomen van Stichting Pensioenfonds [A-Bond] (ad ƒ 324.639), [Pensioen C-8] (ad ƒ 52.011) en [lijfrente C-9] (ad ƒ 10.000) op. Het biljet vermeldt niets inzake het transactievoordeel of het privé-gebruik van de [Dienstauto]. Belanghebbende ondertekent de aangifte op 24 december 1997 en dient deze bij de inspecteur in. 2.3.
- Op 13 februari 1998 stuurt de inspecteur belanghebbende, via C-5 te …, een brief waarin hij onder meer vraagt: Privé gebruik auto Het privé-gebruik auto is in vergelijking met de aangifte inkomstenbelasting 1995 achterwege gebleven. Wat is hiervan de reden? 2.3.
- Als antwoord schrijft C-7, namens C-5, op 25 februari 1998 aan de inspecteur: Privé gebruik auto [belanghebbende] had in 1995 nog een auto van de zaak. In 1996 heeft [belanghebbende] met een privé auto gereden. Derhalve is het correct dat geen bijtelling voor het privé gebruik van de auto is aangegeven. 2.3.
- Over het niet-opnemen van het privé-gebruik van de [Dienstauto] in zijn aangifte inkomstenbelasting over 1996 verklaart belanghebbende op 17 maart 2000 tegenover de FIOD: “Ik moest dat gebruik van die auto opgeven in mijn aangifte inkomstenbelasting. Ik heb achteraf geconstateerd dat dit wel is begrepen in mijn aangifte over het jaar 1995 doch niet in mijn aangifte inkomstenbelasting over het jaar
- Ik wijt dit aan een fout in de communicatie tussen mij en [C-7]. Het privé gebruik van de auto had in die aangifte begrepen moeten zijn voor de periode 1 januari 1996 tot en met 30 september
- Ik ben een keer door hem gebeld in
- Hij vroeg mij wat voor auto ik reed. Ik heb toen geantwoord naar dat ik reed in een privé auto en declareerde bij mijn B.V.. Ik heb er toen geen seconde aan gedacht dat hij dit vroeg in verband met de aangifte van
- Ik heb bij het ondertekenen van de aangifte 1996 niet gezien dat de auto niet was vermeld.. Ik zag afgelopen weekend bij het doornemen van bescheiden dat dit onjuist in de aangifte is vermeld. Voor wat betreft de situatie van 1996 had er privé gebruik voor negen maanden in moeten staan. (Nadat gehoorde zijn dossier heeft geraadpleegd.) "Ik overhandig u hierbij een kopie van een formulier dat ik aan C-5 heb gestuurd. Hierin kunt u zien dat ik aan hem opgeef dat in het jaar 1996 f. 18.000,= bij mijn inkomen moet worden geteld wegens privé-gebruik auto. In het jaar daarvoor was dat een bedrag in de orde van grote van f. 25.000,=. Dat is ruwweg f. 2.000,= per maand. Negen maanden, in 1996, is dan ongeveer f. 18.000,=. Ik wijt het niet bijtellen aan een fout bij C-
- Ik heb het aan hen opgegeven." (Getoond een brief van C-5 aan de belastingdienst d.d. 25 februari 1998 …, waarin C-5 aan de Belastingdienst expliciet meldt dat gehoorde op correcte wijze in 1996 geen auto van de zaak had.?) "Ik herinner mij zoals ik al zei dat hij mij gebeld heeft eind 1997 begin
- Hij vroeg mij of ik een auto van de zaak had. Ik heb toen geantwoord naar de situatie van dat moment. Ik heb niet begrepen dat dit betrekking zou hebben op het jaar
- Aan de hand van de datering van de brief moet het begin 1998 geweest zijn dat hij mij gebeld heeft. 2.3.
- De inspecteur stelt de (primitieve) aanslag inkomstenbelasting over 1996 op 25 maart 1998 vast. Hij brengt met betrekking tot het transactievoordeel of het privé-gebruik van de [Dienstauto] geen correctie aan. 2.3.
- Op 19 mei 2000 schrijft de dealer - waarbij de [Dienstauto] in onderhoud was - aan de inspecteur dat deze auto per 1 oktober 1996 een taxatiewaarde had van ƒ 50.000 en een verkoopwaarde van ƒ 60.
- Beide waarden zijn inclusief BTW en BPM. 2.3.
- Naar aanleiding van het FIOD-onderzoek (zie 2.1.18) besluit de inspecteur het transactievoordeel in een navorderingsaanslag inkomstenbelasting te betrekken. De inspecteur schat de waarde van de [Dienstauto] op 1 oktober 1996 tussen de ƒ 53.000 en ƒ 56.000 (excl. BTW) en tussen de ƒ 62.275 en ƒ 65.800 (incl. BTW). Hij baseert zich daarbij op de hierboven geciteerde brief van de [A-Bond] van 7 augustus 1996, alsmede op een opgave van de ANWB. Uitgaande van die waarden stelt de inspecteur belanghebbendes transactievoordeel vast op (ƒ 65.800 -/- ƒ 22.250 =) ƒ 43.550 en vordert hij over dat bedrag na. De navorderingsaanslag IB 1996 is gedagtekend op 28 december
- Onder 2.7.1 staat weergeven hoe de aanslag overigens is vastgesteld. 2.3.
- Op 27 december 2001 schrijft C-1 van [de stichting die belast is met de afwikkeling en het beheer van de A-Bond-fondsen (verder: de Stichting)] over de afwikkeling van de overeenkomst van 3 november 1994 aan belanghebbende: Op uw verzoek geven wij, als organisatie die is aangewezen om zaken betreffende de vroegere [A-Bond] an de [A-Bond]sgroep af te wikkelen (…) uitleg over de wijze, waarop in 1996 uw toenmalige dienstauto met u is verrekend. Een praktisch probleem hierbij is overigens wel dat de belastingdienst uw dossier heeft meegenomen en dat wij derhalve zijn aangewezen op onze herinnering terzake. Als onderdeel van de afspraak met het bestuur van [A-Bond] over de schadeloosstelling bij de beëindiging van uw dienstverband met de [A-Bond] per 1 april 1995, werd met u overeengekomen dat u tot 1 oktober 1996 de beschikking hield over uw dienstauto. Per die datum zou u de auto tegen een door de [A-Bond] te bepalen bedrag kunnen overnemen. Om in 1996 de waarde van de auto te kunnen bepalen en ook fiscaal afgedekt te zijn, werd toen door de [A-Bond] op advies van C-6 van belastingadviesbureau C-5 gevoerd met de Inspectie [P-2] en met [de leasemaatschappij]. Aan de hand van deze informatie is toen de prijs van de auto vastgesteld op 22.250,--, (…) De fiscale gevolgen van deze transactie waren, conform de overeenkomst die met u werd gesloten, vanzelfsprekend een zaak voor de [A-Bond]. Dit werd door ondergetekende overigens ook reeds in 1999, als toenmalig verantwoordelijk functionaris van de [A-Bond]sgroep, aan de belastingdienst, tijdens een uitgebreide controle van de [A-Bond]-administratie, formeel meegedeeld. (…) Indien evenwel achteraf toch mocht blijken, dat de waarde van de auto, als onderdeel van de schadeloosstelling, te laag zou zijn vastgesteld, en dit eventueel fiscale gevolgen zou hebben, zijn wij van oordeel, dat deze door uw toenmalige werkgever behoren te worden gedragen. De [Stichting] is dan ook, zo nodig, zonder meer bereid deze kosten te voldoen. 2.3.
- Op 12 september 2002 bericht C-1 de Belastingdienst P-2: Zoals ik reeds telefonisch heb aangekondigd doe ik onderstaand een uiteenzetting waarom wij alsnog om een suppletie aangifte voor het jaar 1996 verzoeken. Bij de afwikkeling van de financiële regeling van [belanghebbende] in 1995 en 1996, is in 1996 door een communicatiestoring de brutering van 50% plus de volledige BTW van de dienstauto achterwege gebleven (…) (…) de Stichting is aangewezen om zaken betreffende de vroegere [A-Bond] af te wikkelen. Wij willen u dan ook alsnog verzoeken om een aanslag voor 1996 op te leggen voor het verschil. Volgens ons moet dus ƒ 22.500,- plus 17,5% van ƒ 45.000,- = ƒ 7.875,-, totaal dus ƒ 30.375, ofwel € 13.783,57 gebruteerd worden. Het tarief voor [belanghebbende] was in 1996 60%. Volgens ons is de berekening dan: loon € 34.458,93 loonheffing 60% € 20.675,36 (Het Hof gaat ervan uit dat het bedrag van ƒ 22.500, weergevende het bedrag dat belanghebbende voor de [Dienstauto] heeft betaald, een typefout is. Vaststaat immers dat belanghebbende ƒ 22.250 voor de [Dienstauto] heeft betaald.) 2.3.
- Tijdens de zitting van de Tiende Enkelvoudige Kamer op 22 april 2005 verklaart C-1: Ik ben niet betrokken geweest bij de onderhandeling over de vervroegde terugtreding van [belanghebbende] bij de [A-Bond]. (…) Over het verschil tussen de door [belanghebbende] betaalde prijs en de werkelijke waarde is destijds geen loonbelasting ingehouden noch afgedragen (…). Dit was fout en het viel onder mijn verantwoordelijkheid. (…) Toen de controleambtenaar van de Belastingdienst mij destijds [Hof: 1999] confronteerde met het niet inhouden en afdragen van de loonbelasting (…) , verwachtte ik dat ook deze fout in de correctie zou worden meegenomen. Ik heb daarom het rapport naar aanleiding van het boekenonderzoek afgewacht. In het rapport stonden heel veel correcties. Het viel mij destijds niet op dat de fout ter zake van de auto er niet in stond. Dat constateerde ik pas later. Naar aanleiding van de controle is een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd. Ook in de naheffingsaanslag was geen correctie opgenomen voor het door [belanghebbende] genoten voordeel ter zake van de auto. (…) Ik heb toen suppletie gedaan naar het tarief van 60% en niet naar het tarief van 45% omdat in 2002 geen bijzonder tarief gold. (…) Het gebeurde wel eens dat een personeelslid van de [A-Bond] bij het einde van de dienstbetrekking de lease-auto overnam maar dat was geen regel maar eerder een uitzondering. Als het al gebeurde dan was de overnameprijs de waarde die [de leasemaatschappij] opgaf en was er geen ruimte voor onderhandeling. De auto ging dan rechtstreeks van [de leasemaatschappij] naar de werknemer. 2.3.
- Op 27 september 2002 legt de inspecteur van de Belastingdienst P-2 de Stichting (dat net als de rechtbank uitgaat van een waarde van de [Dienstauto] van ƒ 45.000, exclusief BTW) conform zijn suppletieaangifte een naheffingsaanslag loonbelasting op. 2.3.
- In zijn uitspraak op bezwaar van 11 augustus 2003, betreffende de navorderingsaanslag IB 1996, schrijft de inspecteur onder andere het volgende: Met betrekking tot het voordeel wegens de overname van de [Dienstauto] is het arrest van 24 juni jl. duidelijk. Ook het gerechtshof verklaart de feiten en omstandigheden als bewezen en strafbaar. Dat later de loonbelasting alsnog door de (voormalig) werkgever in 2002 is afgedragen heeft wel invloed op de correctie. [De Stichting] heeft zelfstandig berekend dat het loon € 34.458,93 (f 75.937,50) dient te zijn en over dit bedrag heeft men loonbelasting afgedragen (60% van € 34.458,93 = € 20.
- (…). Gezien de verkoopwaarde (…) van f 65.800, is de correctie op f 12.925 (f 65.800 -/- f 52.875 (…) ) vastgesteld. De afgedragen loonbelasting zal ik alsnog meenemen in de aanslag 1996 (…). 2.3.
- In zijn uitspraak op bezwaar verhoogt de inspecteur het bedrag aan ingehouden loonbelasting met ƒ 18.225 (van ƒ 199.356 naar ƒ 217.581), welke verhoging veroorzaakt wordt door het alsnog meenemen van de afgedragen loonbelasting die door de inspecteur becijferd is op (60% x ƒ 30.375 =) ƒ 18.
- De inspecteur handhaaft het belastbare inkomen. 2.3.
- In zijn verweerschrift schrijft de inspecteur met betrekking tot de verrekening van loonbelasting met de nagevorderde inkomstenbelasting: 6.5.
- Verrekening loonbelasting In de uitspraken op bezwaar (…) heeft de inspecteur gesteld dat de door de Stichting (…) afgedragen loonbelasting in (…)
(1996)in aanmerking genomen moet worden, althans voor zover het betrekking heeft op 'de auto' als zodanig. De loonbelasting over het voordeel dat eruit bestaat dat de Stichting de belasting voor haar rekening neemt, evenals dat voordeel zelf, zou vervolgens in het jaar van afdracht
(2002)in aanmerking komen. 2.3.
- Belanghebbende meent dat met betrekking tot het transactievoordeel sprake is van een nettoloonafspraak, waarop het bijzonder tarief van 45% van toepassing is. 2.3.
- In zijn verweerschrift stelt de inspecteur zich primair - onder 7.3 - op het standpunt: Belanghebbende heeft in 1996 een voordeel [Hof: wegens overname van de Dienstauto] genoten van ƒ 13.175 dat te kwalificeren is als inkomsten uit arbeid en belast is ex. art. 22 (1.b.) wet IB
- De inspecteur berekent het bedrag van ƒ 13.175 als volgt: ƒ 65.800 (waarde auto) -/- ƒ 22.250 (betaald door [belanghebbende]) -/- ƒ 30.375 (suppletie de Stichting). 2.
- De verbouwing van de woning aan de W-weg 2.4.
- In mei 1997 onderhandelt [Bouwbedrijf BV] met het Administratiekantoor over een project van ettelijke miljoenen guldens, te weten de bouw van haar kantoor. Tegelijkertijd voert [Bouwbedrijf BV] besprekingen over een - volgens haar website - ‘rigoureuze’ verbouwing van het [Conferentiecentrum], dat in beheer is bij [Software BV]. Het Administratiekantoor-project wordt aanbesteed in 1997; het conferentiecentrum in
- Na de voltooiing van het Administratiekantoor-project voert [Bouwbedrijf BV] al het onderhoud in en om het pand uit. 2.4.
- Blijkens tot de gedingstukken behorende bescheiden staat over [Bouwbedrijf BV] op internet in december 2003: [Bouwbedrijf BV] is een … bouwbedrijf. Ruim 80 medewerkers worden gestuurd door 14 uitvoerders. De bouwactiviteiten vinden … plaats in … Nederland, met R als thuisbasis. D-1 begon het bedrijf in 19XX. In 19XX droeg hij de leiding over aan … [verder de aannemer]. …. De eerste jaren bouwde het bedrijf … woningen. De tijd die overbleef werd in bijzondere projecten gestoken, zoals restauratie, renovatie en groot onderhoud. De bouwactiviteiten van nu …. De rest van de productie bestaat uit utiliteitsbouw: bedrijfshallen, kantoren, kerken, scholen en hotels. (…) [Bouwbedrijf BV] bouwde in 1983 het [Conferentiecentrum]. Drie jaar later werd opnieuw [Bouwbedrijf BV] ingeschakeld voor een rigoureuze verbouwing. … (…) Al tweemaal eerder bouwde [Bouwbedrijf BV] een kantoor voor het Administratiekantoor (…). Dit derde [Administratiekantoor-]bedrijfspand is na oplevering nog deels in onderhoud bij [Bouwbedrijf BV]. Met de eigenaar en de gebruiker is een onderhoudscontract afgesproken. Alle onderhoudswerken in en om het pand lopen via [Bouwbedrijf BV]. Ook het onderhoud dat door derden wordt uitgevoerd, zoals de tuinman en de liftreparateur. 2.4.
- [Bouwbedrijf BV] verricht in de periode mei - november 1997 een verbouwing aan een woning op het adres W-weg 99 te Z (verder de W-wegwoning-weg). De feitelijke verbouwing en met name de werkzaamheden van de onderaannemers en de leveringen van materialen vinden vooral in de periode september tot en met begin november 1997 plaats. 2.4.
- Tot augustus 1997 is belanghebbendes partner [de Partner], eigenaar van de W-wegwoning. Zij verkoopt en levert de woning aan …, een zoon van belanghebbende (verder de zoon). 2.4.
- [Bouwbedrijf BV] stuurt op 7 november 1997 een factuur ten bedrage van ƒ 70.500 (inclusief een bedrag aan BTW van ƒ 10.500) inzake ‘Renoveren woning W-weg 99 te Z’ naar belanghebbendes adres (verder ook de factuur). De factuur is gericht ter attentie van de zoon en is door hem ook ontvangen. Op de factuur staat over de wijze van betaling: Wij verzoeken u vriendelijk bovengenoemd bedrag uiterlijk 14 dagen na dagtekening te voldoen op onderstaand bankrekeningnummer. 2.4.
- Aan de hand van bij [Bouwbedrijf BV] in beslag genomen documenten concluderen accountants van de Belastingdienst dat [Bouwbedrijf BV] voor de verbouwing ƒ 143.883,53 in rekening had moeten brengen (zie 2.4.8). 2.4.
- Tot de gedingstukken behoren twee rekeningafschriften betreffende een rekening’ die [de Partner] respectievelijk belanghebbende bij de ING-Bank aanhielden. Uit de rekeningafschriften blijkt dat [de Partner] en belanghebbende in Z kasopnamen hebben verricht: [de Partner] op dinsdag 9 december 1997 een bedrag van ƒ 23.500, belanghebbende op donderdag 11 december 1997 een bedrag van ƒ 40.
- 2.4.
- Over hun onderzoek schrijven de accountants in hun rapport:
- Project W-weg 99 te Z Met betrekking tot dit project hebben wij de volgende feiten geconstateerd: ? In de urenregistratie over week 24 (…) hebben wij gezien dat door [Bouwbedrijf BV] een offerte (nr. 9706/JVA/013) inzake de W-weg 99 wordt uitgebracht. Overigens hebben wij deze offerte niet aangetroffen in de administratie van [Bouwbedrijf BV]. ? Er wordt in de administratie van [Bouwbedrijf BV] een apart projectnummer geopend (nr. 9705.002 met als naam "[belanghebbende] - Z". Dit blijkt uit een door ons bij [Bouwbedrijf BV] aangetroffen tussentijdse overzicht d.d. 16 september 1997 inzake stand van projecten/onderhoudswerken. De op dit nummer geboekte onkosten bedroegen toen f 21.
- ? In de administratie van [Bouwbedrijf BV] hebben wij een factuur d.d. 7 november 1997 aangetroffen. Het betreft een factuur met omschrijving "renovatie woonhuis" gericht aan de de zoon ten bedrage van f 60.000 vermeerderd met f 10.500 BTW, in totaal dus f 70.
- Opvallend is dat deze factuur p/a S-weg 00 te Z, het adres van [belanghebbende], is geadresseerd. ? Per diezelfde dag, dus 7 november 1997, volgt er een creditnota voor hetzelfde bedrag. Deze creditnota is eveneens geadresseerd p/a S-weg
- (…) ? Op het overzicht van [Bouwbedrijf BV] van januari 1998 van afgesloten projecten per ultimo 1997 bestaat het project "[belanghebbende] - Z" niet meer. Dit project met nummer 9705.002 is dan vernoemd tot "Garantie/onderhoud" ? Vervolgens worden eveneens per ultimo 1997 alle kosten op 9705.002 overgeboekt naar de verzamelrekening 9701.003 genaamd “Onderhoud Werken in 1997". ? Het negatieve saldo op de verzamelrekening 9701.003 wordt vervolgens als kostenpost opgevoerd en ten laste van de winst gebracht.
- Geboekte kosten op project 9705.002 "[belanghebbende] - Z" Op project 9705.002 (…) zijn de volgende kosten met betrekking tot het pand W-weg 99 geboekt: A. Materialen en onderaannemers 88.669,51 B. Manuren (606 uur) 27.953,41 -------------- TOTAAL 116.622,92 Ad. A. Specificatie materialen en onderaannemers Nr. Datum Bstk. Omschrijving bedrag
- 02/10 (…) D-5, metselwerk 1.392,00
- 12/09 (…) D-6, raamboomschil 1.289,95
- 01/09 (…) D-7, sanitair/tegels 2.841,58
- 08/11 (…) Koper, schoonmaken woning 340,00
- divers (…) Allerlei kleine facturen 6.790,73
- 19/09 (…) D-8, ramen en kozijnen 8.227,00
- 15/09 (…) D-9, stucadoor 1.107,50
- 29/09 (…) D-9, pleisterwerk 1.285,00
- 29/09 (…) D-10, tegelwerk 3.162,50
- 17/10 (…) D-6, keukens 6.395,40
- 23/10 (…) D-6, montage keuken 725,00
- 03/09 (…) D-11, schilderwerk 20.300,00
- 29/12 (…) D-11, schilderwerk 790,80
- 30/09 (…) D-12 loodgieter 1e termijn 10.000,00
- 28/10 (…) D-12, loodgieter-slottermijn 5.565,00
- 28/08 (…) D-12, loodgieterswerk 657,55
- 31/10 (…) D-12, CV-ketel 6.315,00
- 29/09 (…) D-13, electricien, 1e termijn 5.000,00
- 29/10 (…) D-13, electricien, slottermijn 1.900,00
- 10/09 (…) D-14, vuilafvoer 1.200,00
- 13/10 (…) D-14, vuilafvoer 400,00
- 23/10 (…) D-15, lakken parket 1.191,50
- 12/11 (…) D-15, vuilafvoer 425,00
- 25/09 (…) D-16, vensterbank 1.368,00 ----------- Totaal 88.669,51 Ad. B. Specificatie manuren Door [Bouwbedrijf BV] zijn er in totaal 606 uren geboekt op dit project. Gelet op de omschrijving op de urenbriefjes ("[belanghebbende] Z") en het feit dat deze uren op dit project zijn geboekt is dit voldoende om deze aan de verbouwing W-weg 99 toe te rekenen. Bovendien heeft [Bouwbedrijf BV] zelf ook werkzaamheden aan W-weg 99 verricht (namelijk de niet uitbestede werkzaamheden). De 606 uren zijn door mij dus volledig aan W-weg 99 toegerekend. Projectadministratie Urenbriefjes Activiteit Uren Naam Uren Stutten/sloopwerk 94 (…) (…) Magazijn 5 (…) (…) Draagconstructies 204 (…) (…) Kozijn/raam/deur 82 (…) (…) Binnentimmerwerk 80 (…) (…) Diversen 27 (…) (…) Chauffeur 23 (…) (…) Uitvoering/voorbereiding 90 (…) (…) Totaal gespecificeerd 605 (…) (…) Onbekend +1 (…) (…) Totaal geboekte uren 606 (…) (…) Opmerking met betrekking tot bovenstaande berekeningen. Ten aanzien van een aantal stukken blijkt niet direct uit de omschrijving of deze zijn toe te rekenen aan het project W-weg
- In onze berekening zijn deze kosten toegerekend aan het project op basis van de onderstaande redenen: ? De stukken zijn bij [Bouwbedrijf BV] aangetroffen in de map [achternaam belanghebbende] ? De periode/tijdvak waarin de werkzaamheden zijn uitgevoerd ? Aan ons zijn geen andere grote (alternatieve) projecten bekend die [Bouwbedrijf BV] voor [belanghebbende] uitvoerde De FIOD heeft ons meegedeeld dat uit de urenbriefjes blijkt dat er meer dan 606 uren gewerkt zijn ten behoeve van dit project. Om de aansluiting met de projectadministratie te behouden zijn wij echter van het lager aantal van 606 uren uitgegaan. Conclusie Op basis van de bovenstaande gegevens had [Bouwbedrijf BV] voor de verrichte werkzaamheden in rekening moeten brengen. Omschrijving Toelichting Bedrag Materiaal en onderaannemers 88.669,51 Manuren
(606)27.953,41 -------------- Subtotaal 116.622,92 Opslag Alg. Kn + Winstopslag (5%) 5.831.15 -------------- Subtotaal 122.454,07 BTW (17,5%) 21.429,461 ------------- TOTAAL FACTUUR 143.883,53 Opmerking bij bovenstaande berekening: Het percentage opslag "algemene kosten & winstopslag" hebben wij op een laag percentage gesteld om de reden dat [de aannemer] heeft verklaard dat hij voor dergelijke goede relaties bereid is om met lagere percentages genoegen te nemen. Dit met als gevolg dat in een dergelijk geval uitsluitend de algemene kosten worden gedekt. (…) 2.4.
- [De aannemer], bedrijfsleider en directeur van [Bouwbedrijf BV], verklaart op 6 april 2000 inzake de verbouwing tegenover de FIOD: "Ik ben op een keer benaderd door [belanghebbende]. Hij nodigde mij uit om eens langs te komen in de woning aan de W-weg. Ik ben met hem en D-17 door het huis gelopen en hij heeft mij uitgelegd dat de woning in principe uitgeruimd en opgefrist moest worden. (…) Naar mijn herinnering was [belanghebbende] alleen in de woning en was [de zoon] er niet bij. Ik (…) heb na opname van het werk en de wensen van [belanghebbende] een prijs genoemd van fl. 40.000,= exclusief BTW. Deze prijs leek mij voor het werk dat volgens opgaaf van [belanghebbende] gedaan moest worden acceptabel. Het was de kale prijs voor het werk. Normaal zou daar 8 procent Algemene kosten boven op komen en 2 procent winstopslag. Dit heb ik niet gecalculeerd in verband met de relatie die er naar [belanghebbende] is. Het bedrag van fl. 40.000,= kwam overeen met wat [belanghebbende] aan de woning uit wilde geven. (…) Ik heb voor lief genomen dat het meer werk was dan hetgeen [belanghebbende] ging betalen. Dat had met een aantal factoren te maken. We hadden als bouwbedrijf een slecht 1996 achter de rug en ik had één zorg en dat was werk krijgen om de mensen aan de gang te houden. In die tijd liepen besprekingen met het Administratiekantoor over aan te besteden werk. [Belanghebbende] is binnen het Administratiekantoor en de [A-Bond] een autoriteit en ik was bang dat het niet in gaan op de wensen van [belanghebbende] mijn onderhandelingen met het Administratiekantoor zou schaden ondanks dat hij formeel niet de man is die daar binnen het Administratiekantoor over beslist. De persoon die er formeel over besliste was in die tijd A-
- Ik heb vervolgens aan D-17 opdracht gegeven om het werk uit te laten voeren. Ik neem aan dat er een voorcalculatie is geweest en dat daar mogelijk het bedrag van fl. 60.000,= exclusief BTW uit is gekomen. Ik had de afspraak met [belanghebbende] nu eenmaal gemaakt en dan neem je een verlies als dat ontstaat. Ik heb mij met de uitvoering van het werk niet verder beziggehouden. Gedurende het werk heeft [belanghebbende] het niet strak vastgelegd zijn van het werk uitgebuit door via de uitvoerder steeds meer te laten doen. Hij heeft er het maximale uitgesleept. D-18, de uitvoerder, heeft mij gedurende de verbouwing gevraagd of bepaalde werkzaamheden uitgevoerd moesten worden. Of dat viel onder hetgeen afgesproken was. Ik heb toestemming gegeven om die werkzaamheden uit te voeren. In de trant van afmaken die klus en wegwezen. Ik wilde er van af. Ons eigenlijke werk is de nieuwbouw. Uiteindelijk is er door al het werk dat uitgevoerd is een bespreking geweest met [belanghebbende] om te komen tot een bijbetaling van zijn kant. Deze bespreking heeft er in geresulteerd dat [belanghebbende] accoord is gegaan met de bepaling dat bepaalde werkzaamheden echt als meerwerk aan te merken waren en apart aan zijn zoon in rekening gebracht zouden worden. [Belanghebbende] zou de afgesproken fl. 40.000,= betalen. (…) [Belanghebbende] heeft van ons bouwbedrijf wel een factuur gekregen. Aan de hand van de voorcalculatie is via de administratie van ons bedrijf een factuur gemaakt voor een bedrag van fl. 60.000,= excl. BTW. De factuur ad. fl. 60.000,= excl. BTW is vermeerderd met de BTW toch verstuurd. Nu u mij daarop wijst zie ik dat de factuur gericht is aan [de zoon] terwijl [belanghebbende] de opdrachtgever was. Ik weet niet wat daarvan de reden is. (…) Korte tijd nadat de rekening was verstuurd belde [belanghebbende] mij op meldde dat hij kwam betalen. Ongeveer een uur later komt [belanghebbende] met zijn huidige vrouw (…) bij mij op kantoor en telt contant fl. 40.000,= op mijn bureau uit met de mededeling dat dat de afspraak was en dat hij geen cent méér betaald. De BTW op de fl. 40.000,= betaalde hij niet. De rekening van fl. 60.000,= plus BTW bestond voor hem als het ware niet. (…). Mijn fout is geweest dat ik de fl. 40.000,= in ontvangst heb genomen en niet heb afgedragen aan de boekhouder van [Bouwbedrijf BV]. (…) Ik heb éénmaal met [de zoon] gesproken in aanwezigheid van zijn vader en dat was over zijn eisen die stelde. Hij wilde dat er een nieuwe keuken in de woning werd geplaatst en vond dat dat viel onder het afgesproken bedrag van fl. 40.000,= Dat ging mij te ver. We hadden al zoveel extra gedaan in de woning. In dat gesprek is er even gezinspeeld op het feit dat zij toch een belangrijke opdrachtgever vertegenwoordigden. Ik vond dat we al meer dan genoeg gedaan hadden en heb er op gestaan dat dit meerwerk afgerekend werd. [Belanghebbende] heeft toen gezegd dan moet mijn zoon de keuken maar zelf betalen. Volgens mij ging [de zoon] daar ook mee accoord op dat moment. De zoon heeft toen de rekening gekregen van fl. 8.156,= plus BTW met daarbij een lijstje met expliciet het uitgevoerde meerwerk en het meerwerk dat wij in rekening hebben gebracht, waaronder de keuken, om te laten zien dat wij al veel meer gedaan hebben dan is afgesproken en betaald. Echter de rekening is door [de zoon] nooit betaald. De rekening is bij het opmaken van de jaarstukken afgeboekt. Op dat moment was al duidelijk dat de rekening nooit betaald zou worden. Er was diverse malen naar [de zoon] gebeld maar die betaalde gewoon niet." 2.4.
- [De aannemer] verklaart op 26 februari 2002 inzake de verbouwing tegenover de FIOD: (gevraagd naar de reden waarom gehoorde akkoord ging met een betaling van f. 40.000,= door [belanghebbende] voor de verbouwing van de woning aan de W-weg 99 te Z, die feitelijk een kostprijs had van meer dan f. 120.000,=) "Zoals ik u de vorige keer verklaard heb was voor mij de reden dat ik op dat moment, dus in 1997, in onderhandeling was met het Administratiekantoor te ... over bouw van hun kantoor. (…). Daarnaast waren er eerste besprekingen gevoerd over een op handen zijnde verbouwing van het [Conferentiecentrum] (…) Toen [belanghebbende] plotseling belde en na een uur bij mij op kantoor kwam en de f. 40.000,= uittelde met de woorden "Dit was de afspraak en daar blijft het bij" heb ik dat geaccepteerd omdat, [belanghebbende] ook in 1997 naar mijn waarneming een invloedrijk persoon binnen het Administratiekantoor en [de A-Bond] was. Dit bleek mij uit het feit dat je hem vaak tegen kwam bij recepties in verband met het Administratiekantoor en [de A-Bond], bijvoorbeeld een receptie als het hoogste punt werd bereikt, en uit vragen die [belanghebbende] bij die gelegenheden stelde over lopende en aanstaande zaken. Uit zijn vragen bleek dat hij goed op de hoogte was van de zaken waar mijn bedrijf mee bezig was ten behoeve van het Administratiekantoor, [de A-Bond] en daarmee gelieerde instellingen. Als ik dan het belang van de goede relatie met het Administratiekantoor/[de A-Bond] afweeg tegen het verlies op de verbouwing van de woning aan de W-weg dan neem ik het verlies op de woning. Ik kan niet in het hoofd van [belanghebbende] kijken maar ik ga er vanuit dat hij deze afweging voor zichzelf ook heeft gemaakt en die handig heeft gebruikt." 2.4.
- In het overzichtsproces-verbaal van de FIOD van 28 november 2000 staat inzake de verbouwing: Tussen [de zoon] en [de aannemer] is geen andere relatie dan dat [de aannemer] de woning aan de W-weg heeft verbouwd/gerenoveerd. (…) [De aannemer] (…) verklaarde dat (…) [belanghebbende] en niet de zoon (…) bij het opnemen van het werk aanwezig was. D-17 (…) verklaarde overeenkomstig en vulde aan dat hij de zoon had gezien bij de zijn tweede bezoek aan de W-weg 99 en dat deze er was om: "ons toegang tot de woning te geven. Hij had geen bemoeienis met het maken van de inhoudelijke afspraken." 2.4.
- In het FIOD-proces-verbaal van het verhoor van de zoon, dat op 9 maart 2000 plaatsvond, staat: "Ik heb de woning gekocht van [de Partner](…). Na aankoop is de woning gerenoveerd en verbouwd. (…) In overleg met de uitvoerder is een lijst [opgesteld] met werkzaamheden die uitgevoerd zouden worden binnen mijn budget dat f. 70.000,= groot was. De lijst bevatte geen bedragen. Nadat de verbouwingen zijn uitgevoerd heb ik de verschuldigde (…) aan [de aannemer] betaald. Hoe ik betaald heb weet ik niet meer dat moet ik nazien. Mijn vader heeft geen bemoeienis gehad met de verbouwing in de zin dat hij wat met het aanbesteden van het werk van doen had. Wel heeft mijn vader tijdens de verbouwing bij gelegenheid en op mijn verzoek zaken gecontroleerd of personeel in de woning gelaten. Ook met betalen heeft hij geen bemoeienis gehad. (…) Ik heb aan [de aannemer] persoonlijk een bedrag van om en nabij de f. 70.000,= betaald. Hoe ik dat bedrag heb betaald moet ik nakijken." (Hebt u per bank betaald?) "Dat moet ik nakijken." (Hebt u contant betaald?) "Dat moet ik nakijken." "De factuur [Hof: van 7 november 1997] zelf ken ik niet.(…) (…) [Hof: mijn vader] heeft met de finaciële kant van de verbouwing geen bemoeienis gehad." (…) (Hebt u via uw vader aan [de aannemer] betaald?) “Neen”. 2.4.
- De zoon verklaart tegenover de FIOD op 15 maart 2000 als volgt: "Bij de aankoop van het huis heb ik een hypotheek opgenomen van ongeveer 400.000 gulden terwijl het huis iets meer dan 300.000 gulden kostte. Het rest bedrag van de hypotheek, ongeveer 50.000,=, zijnde het hypotheek bedrag minus de aankoopprijs en de kosten koper en een afgezonderd deel dat door de hypotheekgever belegd wordt om de hypotheek aan het eind van de looptijd af te kunnen lossen, heb ik gebruikt voor de inrichting van de woning. Ook heb ik met een deel van het overgebleven geld belegd op de beurs. Dat is voor mij niet goed gelopen en ik heb al het geld dat ik op dat moment over had verloren op de beurs. Daarnaast had ik een vrij dure piano gekocht. Inmiddels had ik de rekening van [Bouwbedrijf BV] ontvangen. Dat is de rekening met het totaal bedrag van f. 70.500,=. Het origineel van deze rekening heb ik inmiddels gevonden en overhandig ik hierbij aan u. Omdat de verbouwing klaar was en [de aannemer] mij maande ben ik te rade gegaan bij [de Partner](…). Ik heb haar gevraagd om een lening en zij was bereid mij een bedrag van f. 23.500,= te lenen. (…) Omdat dit bedrag te weinig was om de gehele rekening te voldoen heb ik ook mijn vader gevraagd om een lening. Hij was bereid om mij een bedrag van f. 40.000,= te lenen. Hij heeft dit bedrag contant van zijn rekening opgenomen en aan mij overhandigd. (…) Ik had zodoende f. 63.500,=. Ik heb daar zelf nog f. 7.000,= aan toe gevoegd en had het factuur bedrag bij elkaar. Omdat ik door mijn werk verhinderd was om op de afgesproken datum de rekening aan [de aannemer] te voldoen is mijn vader in mijn plaats gegaan en heeft het bedrag van f. 70.500,= van mij contant in ontvangst genomen en heeft het contant aan [de aannemer] overhandigd. Deze betaling heeft plaatsgevonden zo uit mijn hoofd op vrijdag 15 december
- In ieder geval de vrijdag na de (…) opname door mijn vader" (…) "Ik woonde [Hof: op het moment van aankoop van de W-wegwoning] in Amsterdam (…). Rond begin november 1997 heb ik de huur opgezegd en ben ik verhuisd naar de W-weg 99 te Z. De rekening van [Bouwbedrijf BV] is naar de S-weg 00 te Z gestuurd omdat men er dan zeker van was dat de rekening bij mij aan kwam (…). Ik heb het versturen van de rekening afgesproken met één van de voormannen van [Bouwbedrijf BV]. Er komt meer post voor mij binnen op het adres van mijn vader. Ook nu nog.”(…) 'In mijn visie is het zo dat mijn vader niets met de betaling van doen heeft anders dan dat ik van hem (…) geld heb geleend en dat hij op mijn verzoek naar [de aannemer] is gegaan omdat ik verhinderd was op het met [de aannemer] afgesproken tijdsstip. (…) "Ik wilde ondanks dat ik voor mijzelf de zekerheid had dat ik bij mijn vader aan kon kloppen liever eerst zien dat ik het van iemand anders kon lenen. Daarom ben ik naar [de Partner] gestapt. Pas daarna ben ik naar mijn vader gegaan. De keus om het geld contant op te nemen en aan mij te geven kan ik nu niet meer verklaren. Ik heb het geld nadat ik ook van mijn vader had geleend heb ik het noodgedwongen aan mijn vader gegeven zodat hij contant aan [de aannemer] kon betalen." (…) "Ik heb van de [echtgenote] op dinsdagavond geld ontvangen (…). Na dinsdag heb ik ook mijn vader om geld gevraagd. Dat heb ik donderdagavond gekregen. Ik ben daarna met het geld naar huis gegaan. Ik ben daarna pas vrijdagavond of in het weekeinde weer bij mijn vader geweest." "Ik denk [Hof: dat de betaling] op vrijdag [moest] gebeuren begin van de middag. Ik weet dat niet meer zeker. In ieder geval vrijdag overdag. (…) "Ik weet zeker dat ik donderdagavond van mijn vader f. 40.000,= heb ontvangen. Ik neem aan dat ik het geld op donderdag aan hem heb overhandigd. Hoe en wanneer ik dat weer aan mijn vader heb overhandigd weet ik niet." (…) Er zijn (…) met geen van beide concrete afspraken over [Hof: de leningen met [de Partner] en belanghebbende] gemaakt. Ik weet niet of mijn vader het überhaupt terug wil hebben. Misschien zegt hij over een jaar of vier wel ik had je schenkingen willen doen maar ik heb ze verrekend met de lening. Met [de Partner] zijn ook geen afspraken gemaakt. Ik heb nog niets terug betaald en ook geen rente betaald.' (…) Zij heeft gezegd "ik moet het wel een keer terug hebben.' of woorden van gelijke strekking. Tot op heden hebben wij het er nooit meer over gehad. 2.4.
- [De partner] verklaart op 6 juni 2003 schriftelijk omtrent de betaling van de verbouwing het volgende: Begin december 1997 heeft (…) [de zoon] mij gevraagd hem een lening te verstrekken om de eindafrekening van [Bouwbedrijf BV] (…) voor onderhoudswerkzaamheden aan zijn woning te kunnen voldoen. Hij vroeg om een bedrag van ongeveer f 25.000,-. Gelet op mijn mogelijkheden op dat moment heb ik toegezegd hem een bedrag van f 23.500- te lenen. Dat bedrag heb ik daarna opgenomen om het aan hem te overhandigen. Toen ik dat aan mijn partner (…) vertelde was die het daarmee allerminst eens. Zelf had hij al een lening van f 40.000,- toegezegd en hij vond dat zijn zoon "niet verder had moeten willen springen dan zijn polsstok lang was". Na de nodige discussie, hebben (…) mijn partner en ik (…) besloten samen naar (….) [de aannemer] te gaan om hem het door [de zoon] verschuldigde bedrag van f 70.500,- te overhandigen. 2.4.
- Belanghebbende verklaart tegenover de FIOD op 9 maart 2000 als volgt: "Mijn zoon heeft [Hof: voor de verbouwing] opdracht gegeven. Hij heeft mij gevraagd of ik een degelijke aannemer wist. Ik heb hem toen [Bouwbedrijf BV] geadviseerd Ik heb verder niets met de besprekingen met betrekking tot de werkzaamheden te maken gehad. Wel ben ik af en toe gaan kijken hoe het met de werkzaamheden stond omdat mijn zoon … overdag werkt. Ik heb met [de aannemer] contact gelegd voordat er gegund werd. (…). Ik heb met niemand binnen [Bouwbedrijf BV] afspraken gemaakt over voorwaarden waaronder de verbouwing diende plaats te vinden " (…) "Omtrent facturen en betalingen [Hof: betreffende de verbouwing] weet ik niets alles ging via mijn zoon. Tijdens de verbouwing woonde hij in Amsterdam. Voor zover ik weer heb ik geen post voor mijn zoon ontvangen op mijn adres. Alles regelde mijn zoon zelf. Ook van de omvang van de facturering en werkzaamheden is mij niets bekend." (…) [Hof: de factuur] zie ik voor het eerst, deze ken ik niet”. (…) Ik heb de verbouwing niet betaald. Ik neem aan dat mijn zoon deze betaald heeft. Ik sta er buiten. (…) 2.4.
- Belanghebbende vult zijn proces-verbaal van zijn FIOD-verhoor op 31 mei 2000 als volgt aan: Ik wil aanvullen dat ik in gezelschap van [de Partner] op een ochtend bij [Bouwbedrijf BV] ben geweest en aan (…) [de aannemer] namens mijn zoon een bedrag heb overhandigd als voldoening van de door hem wegens de verbouwing aan zijn woning verschuldigd. Ik stel dus nadrukkelijk dat ik niet heb betaald doch namens mijn zoon het geld heb overhandigd. Dat geld had mijn zoon van mij en [de Partner] geleend. Mijn zoon heeft dat aangevuld met het bedrag dat hij tekort kwam. Dat was een paar duizend gulden. Het geld dat mijn zoon van mij en [de Partner] heeft geleend hebben wij hem niet in handen gegeven maar zijn wij nadat wij het van onze rekeningen hadden opgenomen rechtstreeks gaan overhandigen aan [de aannemer]. Het betrof een totaal bedrag van rond de zeventigduizend gulden. Ik heb geen kwitantie ontvangen van [de aannemer]. Ik wilde dat ook niet omdat ik niets met de verbouwing te maken wilde hebben. Ik heb geld overhandigd op de dag dat ik het van mijn rekening heb opgenomen. Mijn zoon heeft betaald. Ik heb het geld zelf overhandigd omdat ik er zeker van wilde zijn dat mijn zoon zijn verplichtingen nakwam. 2.4.
- In zijn nader stuk van 16 maart 2005 schrijft belanghebbendes gemachtigde: 6.2.2 - 6.2.4 (…) Toen de nota van [Bouwbedrijf BV] kwam, had [de zoon] het verschuldigde bedrag niet paraat. Hij heeft gedacht: "dat komt wel", en heeft de rekening aanvankelijk op een stapel gelegd. Op een gegeven moment kon hij hem daar niet meer laten liggen, en heeft toen om een lening aangeklopt bij [de Partner] (…). Daarbij verzocht hij haar, niets aan zijn vader te zeggen. Maar [de Partner] heeft het toch aan belanghebbende doorverteld. Belanghebbende was er boos over dat zijn zoon meer had uitgegeven dan hij te besteden had, zeer boos dat hij buiten zijn rug om voor een lening bij [de Partner] te rade was gegaan, en bijzonder genegeerd jegens [de aannemer] dat zijn zoon hem op zijn geld had laten wachten. Het is om die reden, dat belanghebbende meteen contact met [de aannemer] opname, om kort daarop het geld af te leveren. 2.4.
- Belanghebbendes adviseur vult de aangifte IB 1997 in en neemt daarin als inkomsten uit arbeid uitsluitend inkomen van ‘St. Pensioenfonds’ (ad ƒ 330.408), [pensioen C-8] (ad ƒ 52.654) en [lijfrente C-9] (ad ƒ 40.000) op. 2.4.
- De inspecteur stelt de aanslag IB 1997 op 28 december 2001 vast. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat belanghebbende [Bouwbedrijf BV] slechts ƒ 40.000 betaald heeft en dat [Bouwbedrijf BV] voor de verbouwing normaliter ƒ 143.883 (zie het slot van 2.4.8) in rekening zou hebben gebracht. Zijns inziens is er sprake van een zogenoemde 22-1-b-bate ten bedrage van (ƒ 143.883 -/- ƒ 40.000 =) ƒ 103.
- Onder 2.7.3 staat weergeven hoe de aanslag overigens is vastgesteld. 2.
- De verhuur van kantoorruimte 2.5.
- Belanghebbende verhuurt vanaf 1996 voor ƒ 25.000 een deel van zijn woning aan [Advies BV]. Het betreft de ontvangsthal, een werkkamer, een grote vergaderkamer en het toilet, alle gelegen op de begane grond. Het verhuurde gedeelte heeft een eigen ingang. Op de begane grond bevinden zich voorts nog een garage, die belanghebbende privé gebruikt, een werkruimte met CV-installatie, een tweede toilet en twee - volgens belanghebbende - ongebruikte kamers. De verhuurde ruimten maken ¼ deel van de woning uit. 2.5.
- Om te wonen gebruiken belanghebbende en zijn partner de eerste etage die ruim 225 m2 groot is. Deze etage heeft een eigen ingang en vormt een afzonderlijke 'unit', met keuken en badkamer en bevat ook nog een afzonderlijke ('privé') studeerkamer. De begane grond is vanuit de eerste verdieping intern bereikbaar. 2.5.
- Belanghebbende geeft de huurinkomsten als volgt aan: 1996 1997 1998 1999 Huurinkomsten 25.000 25.000 25.000 25.000 Kosten verhuur: * 4.094 Verzekeringspremie 235 336 395 Onderhoudskosten 2.153 1.698 2.506 Tuinonderhoud 2.000 2.400 2.842 Onroerende zaakbelasting 760 950 1.024 Waterschap 57 Afschrijving 3.750 3.750 3.750 3.750 Totale kosten 9.955 9.134 10.517 7.844 Zuivere inkomsten 16.045 15.866 14.483 17.156 * = Niet gespecificeerde kosten (exclusief afschrijving) 2.5.
- Daarnaast gaat belanghebbende van driekwart van zijn woning (inclusief tuin) uit ter berekening van de inkomsten eigen woning op de voet van artikel 42a van de Wet. 2.5.
- De inspecteur merkt bij de aanslagregeling de ‘huurinkomsten’ vanaf 1997 als loon aan met als motivering dat de kantoorruimten als onderdeel van de eigen woning ter beschikking staan aan de werknemer (en zijn gezin). Onder 2.7.3 staat weergeven hoe de aanslagen overigens zijn vastgesteld. 2.5.
- De gehele woning beschouwt de inspecteur als eigen woning in de zin van artikel 42a van de Wet, zodat hij de door belanghebbende in aftrek gebrachte ‘kosten verhuur’ bij de aanslagregeling over 1997 tot en met 1999 corrigeert. De inspecteur verhoogt het aangegeven huurwaardeforfait niet (van 75 naar 100%). 2.5.
- Bij het vaststellen van de navorderingsaanslag IB 1996 heeft de inspecteur de inkomsten en de kosten niet gecorrigeerd. 2.
- De strafprocedure 2.6.
- Belanghebbende is strafrechtelijk vervolgd - zeer kort samengevat -
- wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangiften, en
- wegens passieve niet-ambtelijke omkoping. 2.6.
- Met betrekking tot het eerste punt oordeelt de rechtbank Amsterdam op 25 april 2002 dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat belanghebbende uit de verbouwing van die woning ‘in fiscale zin voordeel heeft genoten’. Redengevend acht de rechtbank dat de W-wegwoning aanvankelijk aan zijn partner en later aan de zoon toebehoort. Omdat niet aannemelijk is gemaakt dat tegenover de diensten van [Park BV] enige werkzaamheden of diensten van de zijde van belanghebbende staan, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een voordeel ‘uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden en diensten’. Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat belanghebbende de [Dienstauto] in oktober 1996 - gelet op de destijds door een garagehouder als redelijk omschreven verkoopwaarde van ƒ 45.000 (exclusief BTW) - voor een ‘extreem laag’ bedrag van zijn werkgever heeft kunnen overnemen. Naar het oordeel van de rechtbank moest belanghebbende zich van het transactievoordeel ‘uit zijn vroegere dienstbetrekking’ bewust zijn geweest en heeft hij dit voordeel opzettelijk buiten zijn aangifte gehouden. Van het tweede punt uit de tenlastelegging spreekt de rechtbank belanghebbende vrij. Belanghebbende wordt veroordeeld tot een geldboete van € 10.
- 2.6.
- Op 24 juni 2003 veroordeelt het Hof belanghebbende in hoger beroep wegens het opzettelijk onjuist doen van aangifte over de jaren 1995, 1996, 1997 en 1998 tot een geldboete van € 20.
- De Hoge Raad verwerpt op 8 februari 2005 belanghebbendes cassatieberoep. In het arrest staat onder meer: 3.
- Het Hof heeft - voorzover hier van belang - het volgende overwogen: "
- Uit de inhoud van de bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte zich ten tijde van het doen van de aangifte Inkomstenbelasting Premieheffing volksverzekering 1996 / Vermogensbelasting 1997 rekenschap heeft gegeven en op de hoogte was van de fiscale aspecten van zowel het gebruik van de [Dienstauto] als dienstauto tot 1 oktober 1996 als van de aankoop van die auto per 1 oktober 1996 voor een prijs onder de marktwaarde. De auto is, blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen, onderwerp van gesprek geweest tussen verdachte en diens belastingadviseur [C-7]. Op grond van deze omstandigheden acht het hof bewezen dat verdachte de eerdergenoemde aangifte in zoverre opzettelijk onjuist heeft gedaan.
- De raadsman heeft, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verdachte niet gehouden was tot aangifte van het voordeel dat hij genoten had bij het overnemen van de auto, omdat de [A-Bond] dit voordeel in de loonbelasting had moeten verantwoorden. Het hof verwerpt dit verweer, reeds omdat de stelling dat de ene verplichting de andere in dit verband tenietdoet geen grondslag in het recht vindt, terwijl het gevolg van het niet vermelden van het hier bedoelde bedrag in de aangifte Inkomstenbelasting - mede gezien de progressie in het tarief, waarvan overigens uiterst onaannemelijk is dat verdachte er niet van op de hoogte was - zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven. Dit klemt te meer omdat door een onjuiste aangifte de controle op heffing en afdracht wordt bemoeilijkt. De omstandigheid, zoals door de verdediging naar voren gebracht, dat verdachte geen enkel voordeel had bij het onvermeld laten van dit bedrag, waar immers was afgesproken dat de [A-Bond] de fiscale consequenties rond de afvloeiing voor zijn rekening zou nemen, doet aan het voorgaande niet af.
- Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen af dat de onderhoudswerkzaamheden aan verdachtes tuin, voor zover deze onbetaald zijn gebleven, moeten worden begrepen als tegenprestatie in natura voor het ter beschikking stellen van een (gedeelte van een) veldschuur op het terrein van verdachte aan het bedrijf van [de directeur van Park BV] als bergruimte voor machines. Verdachte heeft deze werkzaamheden, blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, gedurende een periode van bijna vier jaren ook telkens als zodanig aanvaard. In dat licht beschouwd moeten de hier bedoelde tuinwerkzaamheden worden aangemerkt als inkomen in de zin van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964; anders dan de raadsman heeft betoogd, biedt artikel 42a van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 geen grond voor de opvatting dat ter zake van de aldus aan een derde verhuurde aanhorigheid (veldschuur) het huurwaardeforfait van toepassing is - een dergelijk standpunt kan naar het oordeel van het hof ook niet als 'pleitbaar' worden aangemerkt. Daarnaast acht het hof niet aannemelijk geworden dat het tuinonderhoud, waar - gelet op artikel 34, eerste lid, van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 - aanzienlijke bedragen mee gemoeid waren, als vriendendienst moet worden aangemerkt, reeds omdat verdachte heeft verklaard 'geen persoonlijke vriend van [de directeur van Park BV] te zijn. Voor zover de raadsman voorts heeft betoogd dat [de directeur van Park BV] uit piëteit tegenover de vroegere echtgenote van verdachte heeft gehandeld, verwerpt het hof dit verweer nu deze toedracht niet aannemelijk is geworden, waar blijkens de zich in het dossier bevindende aangifte Inkomstenbelasting 1994 verdachte volgens diens eigen opgave in 1994 ongehuwd was, zodat in de hier bedoelde piëteit geen verklaring kan worden gevonden voor de omstandigheid dat de contractuele verhouding nadien is gewijzigd." 3.
- Blijkens deze overwegingen heeft het Hof het opzet van de verdachte op het niet vermelden van inkomsten voortvloeiend uit het privégebruik van de dienstauto afgeleid uit de omstandigheid dat de verdachte op de hoogte was van de fiscale aspecten van het gebruik van de dienstauto en dat hij niettemin heeft nagelaten in zijn aangifte van dat gebruik melding te maken. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen en van hetgeen het Hof voor het overige heeft vastgesteld niet onbegrijpelijk. Naar het Hof heeft vastgesteld had de verdachte immers over de auto overleg gehad met zijn belastingadviseur, terwijl voorts uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte voor het doen van de aangifte wel gegevens had verstrekt aan zijn belastingadviseur betreffende de vermogenswaarde van de auto maar niet betreffende het privégebruik van de dienstauto. 3.
- Het Hof heeft voorts het verweer verworpen dat de verdachte geen opzet had op het buiten de belastingaangifte houden van het inkomensvoordeel, voortvloeiend uit de voordelige aankoop van de dienstauto, aangezien zijn werkgever zou instaan voor de fiscale consequenties van dat inkomensvoordeel en de verdachte dus geen enkel voordeel had bij het onvermeld laten daarvan. In die verwerping heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de onderlinge afspraken tussen de verdachte en zijn werkgever over de fiscale consequenties van de afvloeiingsregeling niet afdoen aan de eigen verplichting van de verdachte voor de inkomstenbelasting aangifte te doen van alle in 1996 genoten inkomsten, waaronder ook die welke voortvloeien uit de voordelige aankoop van de auto. Voorts heeft het Hof het opzet kunnen afleiden uit de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van het doen van de aangifte op de hoogte was van de fiscale aspecten van de aankoop van de auto, niet alleen omdat de verdachte dienaangaande met zijn werkgever een nettoloonafspraak heeft gemaakt, maar ook omdat de auto onderwerp van gesprek is geweest tussen de verdachte en zijn belastingadviseur. Dit oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. 3.6.
- Met betrekking tot het strafrechtelijk verwijt dat de verdachte opzettelijk heeft nagelaten in zijn aangiften te vermelden dat hij - als tegenprestatie voor het stallen van maaimachines van een hovenier in een de verdachte toebehorende schuur nabij zijn woning - inkomsten in natura heeft ontvangen in de vorm van tuinonderhoud verricht door die hovenier, stelt de verdachte dat die inkomsten in het zogenoemde huurwaardeforfait van art. 42a Wet IB 1964 vallen en dus niet behoefden te worden aangegeven. 3.6.
- (…) 3.6.
- 's Hofs oordeel dat art. 42a Wet IB 1964 in het onderhavige geval geen grondslag biedt voor toepassing van het huurwaardeforfait, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de schuur door de verdachte werd verhuurd, in welk oordeel besloten ligt dat de schuur niet aan de verdachte ter beschikking stond en dus geen deel meer uitmaakte van diens eigen woning als bedoeld in evengenoemde bepaling. (…) 2.
- Vaststelling navorderingsaanslag, (primitieve) aanslagen en uitspraken op bezwaar Het hierboven onder 2.1 tot en met 2.5 weergegevene vormt voor de inspecteur reden om de navorderingsaanslag IB 1996 aan belanghebbende op te leggen, respectievelijk om bij de aanslagregeling af te wijken van belanghebbendes aangiften (1997 tot en met 1999). Een en ander geschiedt voor 1996 als volgt: 1996 Aangegeven belastbaar inkomen 418.770 - niet in geschil zijnde correctie 1.911 Vastgesteld belastbaar inkomen bij primitieve aanslagregeling 420.680 - Correctie bij navorderingsaanslag inzake tuinonderhoud 18.546 - Correctie bij navorderingsaanslag inzake overname auto 43.550 Vastgesteld belastbaar inkomen bij navordering 482.776 - Vermindering bij uitspraak op bezwaar - Vastgesteld belastbaar inkomen bij uitspraak op bezwaar 482.776 2.7.
- Het over 1996 niet-aangegeven privé-gebruik van de [Dienstauto], noch de ‘correctie inzake verhuur kantoorruimte’ (zie 2.7.3), is in de navorderingsaanslag IB 1996 begrepen. De inspecteur legt in verband met het ‘una via beginsel’ geen boete op. Bij zijn uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB 1996 verhoogt de inspecteur het bedrag aan ingehouden loonbelasting met ƒ 18.225 naar ƒ 217.
- 2.7.
- Voor de jaren 1997 tot en met 1999 geschiedt een en ander als volgt: 1997 1998 1999 Aangegeven belastbaar inkomen 701.796 542.498 596.108 - Correctie inzake tuinonderhoud 13.458 15.203 --- - Correctie inzake verbouwing W-wegwoning 103.883 --- --- - Correctie inzake verhuur kantoorruimte 9.134 10.517 7.844 Vastgesteld belastbaar inkomen bij aanslagregeling 828.271 568.218 603.952
- Geschil In geschil is: I. Tuinonderhoud door [Park BV] in 1996, 1997 en 1998 a. Heeft belanghebbende in de jaren 1996, 1997 en 1998 voor het door [Park BV] verrichte tuinonderhoud een bedrag betaald dat lager is dan [Park BV] normaliter aan derden voor dergelijke werkzaamheden in rekening zou hebben gebracht? Zo ja: b. Vormt dat voordeel een bate uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden of diensten (verder een 22-1-b-bate)? Zo ja: c. Betekent het niet-aangeven van dit voordeel dat de vereiste aangifte - als bedoeld in artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (verder Awr) - niet is gedaan? Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord is in geschil: d. Heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de hierboven onder 2.2.17 vermelde bedragen (als 22-1-b-bate, dan wel subsidiair als bate ex art. 25 van de Wet) heeft genoten? II. De overname van de [Dienstauto] in 1996 a. Betekent het niet-aangeven van het transactievoordeel dat de vereiste aangifte over 1996 niet is gedaan? Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord: Heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt: b. Dat de waarde in het economische verkeer van de [Dienstauto] op 1 oktober 1996 ƒ 65.800 (of subsidiair ƒ 62.275) was? c. Dat er op zijn vroegst in 2001 een afspraak gemaakt is dat de loonbelasting over het transactievoordeel voor rekening van belanghebbendes werkgever kwam? Dan wel, indien het netto transactievoordeel eerder is overeengekomen: d. Heeft belanghebbende deze afspraak in het kader van de afvloeiingregeling gemaakt? Meer in het bijzonder is alsdan in geschil: Is het bijzonder tarief van 45% of het tabeltarief (van 60%) van toepassing op het transactievoordeel? e. Los van de vraag of de vereiste aangifte met betrekking tot het transactievoordeel is gedaan, is in geschil of de loonbelasting welke begrepen is in de aan de Stichting opgelegde naheffingsaanslag, geheel (standpunt belanghebbende) of slechts gedeeltelijk (standpunt inspecteur) verrekenbaar is met de inkomstenbelasting welke van belanghebbende in het onderhavige jaar is nagevorderd? III. De verbouwing van de W-wegwoning in 1997 a. Wie heeft opdracht gegeven tot de verbouwing van de W-wegwoning in 1997 en wie diende de aanneemsom te betalen? In geval belanghebbende de opdrachtgever / debiteur was: b. Heeft belanghebbende voor de verbouwing van de W-wegwoning in 1997 een bedrag betaald dat lager is dan [Bouwbedrijf BV] normaliter aan derden voor dergelijke werkzaamheden in rekening zou hebben gebracht? Zo ja: c. Vormt dat voordeel een bate uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden of diensten? Zo ja: d. Betekent het niet-aangeven van dit voordeel dat de vereiste aangifte niet is gedaan? Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord: e. Heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende het hierboven onder 2.4.19 vermelde bedrag (dan wel het door hem subsidiair gestelde bedrag van ƒ 73.383) als 22-1-b-bate heeft genoten? IV. De verhuur van kantoorruimten van 1996 tot en met 1999 a. Vormen de huuropbrengsten over 1996 tot en met 1999 loon (standpunt inspecteur) of inkomsten uit vermogen (standpunt belanghebbende)? b. Zijn de op de huurinkomsten drukkende kosten aftrekbaar ingevolge artikel 35 van de Wet (standpunt belanghebbende), dan wel geldt daarvoor de forfaitaire regeling van artikel 42a van de Wet (standpunt inspecteur)? Meer in het bijzonder is in geschil of de eigen woning belanghebbende na het sluiten van de huurovereenkomst met zijn BV in zijn geheel ter beschikking bleef staan (standpunt inspecteur). V. Vereiste aangifte over 1996 tot en met 1999 Indien het Hof voor een of meer jaren tot de conclusie komt dat de vereiste aangifte niet is gedaan is tevens in geschil: a. Berust het door de inspecteur vastgestelde voordeel op een redelijke schatting? En zo ja: b. Heeft belanghebbende doen blijken dat de uitspraak op bezwaar van de inspecteur onjuist is? VI. Schadevergoeding en/of proceskostenvergoeding Heeft belanghebbende recht op schadevergoeding en/of proceskostenvergoeding? Met betrekking tot de proceskosten gaat het om de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (verder het Besluit). VII. Interne compensatie Niet in geschil is dat indien het Hof de inspecteur met betrekking tot de navorderingsaanslag IB 1996 geheel of gedeeltelijk in het ongelijk stelt, de inspecteur zich dan terecht op interne compensatie beroept, en wel in die zin: - dat alsnog in het belastbare inkomen het privé-gebruik van de [Dienstauto] over de periode 1 januari 1996 tot 1 oktober 1996, zijnde ƒ 18.924, mag worden betrokken; - dat alsdan - indien het Hof van oordeel is dat de feitelijke, op de huurinkomsten drukkende kosten niet aftrekbaar zijn (geschil IV.b) - de in dat geval bij aanslagregeling ten onrechte in aftrek toegelaten kosten alsnog gecorrigeerd kunnen worden; een en ander indien en voorzover dat niet leidt tot een hogere navorderingsaanslag IB
- Standpunten van partijen Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding. 4.2.1 Ter zitting heeft (de gemachtigde van) belanghebbende onder andere - zakelijk en kort weergegeven - het volgende naar voren gebracht. 4.2.
- Belanghebbende ter zitting van 24 maart 2005 De grasmaaier van [Park BV] stond uitsluitend in een bepaalde periode in de zomer in de schuur. Soms stond ook de oplegger - met grasmaaier - in de schuur. Het stallen geschiedde op basis van een informele afspraak, die op ieder moment kon worden opgezegd. Het grasmaaien van de tuin duurde niet lang; maximaal een uur. Behalve het maaien van de tuin deden de medewerkers van [Park BV] niet veel in de tuin. Belanghebbende had een hovenier, een zekere B-
- Deze was één dag per week in de tuin aan het werk. Hij deed dan het fijne werk. B-3 van [Park BV] deed het grove werk. In de uren op de urenstaten van [Park BV] zijn ook reisuren meegenomen, alsook uren die in de buurt van Z zijn gemaakt. Belanghebbende heeft [Park BV] voor de verrichte werkzaamheden contant betaald. Daartoe heeft hij in 1996 ƒ 13.000 van zijn bankrekening opgenomen, in 1997 ƒ 10.000 en in 1998 ƒ 10.
- Gemiddeld betaalde belanghebbende ƒ 12.000 per jaar aan [Park BV]. Belanghebbende vond het belangrijk dat hij betaalde voor de werkzaamheden, [de directeur van Park BV] niet. Belanghebbende is in 1995 met pensioen gegaan, daarna had hij geen invloed meer. Belanghebbende bemoeide zich ook voor zijn pensionering niet met de aanbestedingen en was daartoe intern niet bevoegd. Derhalve kan geen sprake zijn van een fiscaal te belasten voordeel. Ook niet als externen dachten dat belanghebbende wel over de aanbestedingen ging. Achteraf gezien was het niet verstandig van belanghebbende om in zijn positie [Bouwbedrijf BV] contant te betalen, maar hij handelde in een emotionele situatie. Belanghebbende was kwaad op zijn zoon en teleurgesteld in zijn partner dat ze had toegegeven aan de wensen van zijn zoon. Omdat zijn partner en zijn zoon het geld al cash hadden liggen, heeft belanghebbende [de aannemer] toen contant betaald. Op dat moment voelde hij zich opgelaten en woedend. Hij vindt het dom dat hij toen niet gevraagd heeft om een kwitantie. Hij heeft aanvankelijk ten onrechte tegenover de FIOD verklaard niets met de betaling aan [de aannemer] te maken te hebben gehad. De begane grond (‘benedenverdieping’) van belanghebbendes woning was - op 2 ongebruikte kamers na - volledig als kantoor ten behoeve van zijn vennootschap ingericht. Ook zakenrelaties van belanghebbende werkten daar wel eens. 4.2.
- Belanghebbende ter zitting van 22 april 2005 De getuigen die vandaag worden gehoord (A-6, C-1 en [de directeur van Software BV]) zijn de enige getuigen die ik wens te horen. Ik zie af van mijn eerder gedane getuigenaanbod ten aanzien van A-8, [de directeur van Park BV] en C-
- Wel heb ik A-8 en [de directeur van Park BV] verzocht om een (nadere) schriftelijke verklaring aan mij te zenden. Ik wens een tweede mondelinge behandeling. Voorts deel ik mee dat van A-8 en [de directeur van Park BV] nog nadere schriftelijke verklaringen zullen worden ingezonden. 4.2.
- Belanghebbende ter zitting van 2 juni 2005 Wat mij betreft is het niet nodig om A-8, [de directeur van Park BV] en C-2 te horen. Maar het aanbod om getuigen te horen ligt er nog steeds in geval het Hof nodig vindt ze te horen. [De directeur van Park BV] wilde niet getuigen en de inspecteur hangt daaraan van alles op. Ik kan mij wel voorstellen dat [de directeur van Park BV] niet wil getuigen en zich op de vlakte houdt. Maar hij heeft bij de FIOD-verhoren al twee keer toegegeven dat hij contante betalingen heeft ontvangen. Desondanks gelooft de inspecteur dat niet. Ik heb [de directeur van Park BV] meerdere keren contant betaald. Dit is echter niet na te gaan. Het was mij voorts verboden in de strafzaak daarover vragen te stellen aan [de directeur van Park BV] want deze hoefde zich zelf niet te belasten en behoefde dus niet op de vragen te antwoorden. Het afscheid van de [A-Bond] was niet zo vriendelijk. Belanghebbende had geen invloed meer toen hij vertrok. Hij heeft al een tijd geen contact meer met zijn voormalige collegae. 4.3.
- De inspecteur heeft ter zitting onder andere - zakelijk en kort weergegeven - het volgende naar voren gebracht: 4.3.
- Inspecteur ter zitting van 24 maart 2005 Hetgeen belanghebbende thans stelt ten aanzien van de stalling van de grasmaaier, zou in principe kunnen, maar bij de strafzitting bij uw gerechtshof heeft belanghebbende het anders gebracht. Ik wil best geloven dat de grasmaaier in de winter niet in de schuur werd gestald. Dat de stalling informeel was en elk moment kon worden opgezegd betwist ik niet. 4.3.
- Inspecteur ter zitting van 2 juni 2005 Ik ben niet bij het voortraject (noch bij de aanslagregeling) betrokken geweest. Eerst tijdens de bezwaarfase hoorde ik van de lopende strafzaak. De Belastingdienst [P-3] heeft ter zake van de door belanghebbende aan [de aannemer] gedane contante betaling nagevorderd in verband met de niet aangegeven omzet ter grootte van de door belanghebbende gedane contante betaling. Tegen de oorspronkelijke correctie van ƒ 70.500 is bezwaar gemaakt. Bij de uitspraak op bezwaar is de correctie teruggebracht tot ƒ 40.
- Beoordeling van het geschil 5.
- Aanbod getuigenbewijs Belanghebbende heeft ter zitting van 2 juni 2005 nadrukkelijk verklaard dat het wat hem betreft niet nodig is om A-8, [de directeur van Park BV] of C-2, dan wel andere personen, te horen, maar dat het aanbod om getuigen te horen er nog steeds ligt ‘in geval het Hof nodig vindt ze te horen’. Omdat het Hof het voor de beslechting van het geschil niet nodig vindt om genoemde of andere personen te horen, is het Hof van oordeel dat er na de zitting van 2 juni 2005 geen aanbod meer is van belanghebbende om door middel van getuigen nader bewijs te leveren van een door hem gesteld feit. 5.
- Het niet tijdig doen van uitspraak betreffende IB 1999 Met betrekking tot het bezwaarschrift inzake de inkomstenbelasting over 1999 had de inspecteur in ieder geval op 5 februari 2004 (de datum waarop hij zijn verweerschrift naar het Hof zond) nog geen uitspraak gedaan. Ingevolge artikel 25 van de Awr doet de inspecteur binnen een jaar na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak. Het bezwaarschrift is bij de inspecteur ingekomen op 11 januari 2002, derhalve had de inspecteur voor 11 januari 2003 uitspraak moeten doen. Nu hij dit heeft nagelaten is hij in gebreke en is belanghebbendes beroep, dat mede gericht was tegen het niet-tijdig doen van een uitspraak op het bezwaar inzake 1999 gegrond. Dit betekent dat - hoe het Hof verder ook inhoudelijk moge oordelen - belanghebbende in beginsel recht heeft op vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur heeft overigens na het instellen van beroep door belanghebbende niet alsnog uitspraak gedaan op het bezwaar betreffende de aanslag IB
- 5.
- Het niet doen van de vereiste aangiften 5.3.
- In zijn pleitnota van 24 maart 2005 schrijft de inspecteur dat belanghebbende door het Hof “strafrechtelijk [is] veroordeeld (…) wegens het in verschillende jaren opzettelijk onjuist doen van belastingaangifte. De veroordeling ziet op het in 1996 niet aangegeven voordeel bij overname van de dienstauto en voor de jaren 1995 t/m 1998 het opzettelijk niet aangeven van inkomsten voortvloeiend uit het doen verrichten van tuinonderhoud rond zijn woning. Door deze uitspraak van de Hoge Raad is wettig en overtuigend bewezen dat [belanghebbende] opzettelijk zijn vereiste aangiften over de jaren 1995 t/m 1998 niet heeft gedaan en rust de bewijslast daarom geheel bij belastingplichtige (art 27e AWR).” 5.3.
- Belanghebbende bestrijdt de visie van de inspecteur gemotiveerd. 5.3.
- De kennelijke stelling van de inspecteur dat een onherroepelijke veroordeling wegens het overtreden van artikel 68 Awr (oud) ipso jure betekent dat belanghebbende niet de vereiste aangifte als bedoeld in artikel 27e Awr heeft gedaan, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals de Hoge Raad in BNB 1996/286 (arrest van 16 oktober 1996, nr. 31 079) heeft overwogen kan de belastingrechter aan de uitkomst van de behandeling van een strafzaak weliswaar bewijs ontlenen, doch daaraan is hij niet gebonden en dient hij zich zelfstandig een oordeel te vormen omtrent de hem voorgelegde feiten. 5.3.
- Derhalve zal het Hof zelfstandig beoordelen of de inspecteur bewezen heeft dat over enig jaar in de perioden 1996 tot en met 1999 sprake is geweest van het niet doen van de vereiste aangifte. Het Hof zal daartoe beoordelen of de volgende posten ten onrechte niet of voor te lage bedragen in de aangiften over de jaren 1996 tot en met 1999 zijn opgenomen: - een voordeel inzake het tuinonderhoud (zie 5.4), - een transactievoordeel (zie 5.5), - het privé-gebruik van de [Dienstauto] (zie 5.6), - een voordeel inzake de verbouwing van de W-wegwoning (zie 5.7), en - de verhuur van kantoorruimte (zie 5.8). 5.
- Het tuinonderhoud door [Park BV] 5.4.
- Het Hof zal allereerst oordelen over de vraag of belanghebbende in de jaren 1996, 1997 en 1998 voor het door [Park BV] verrichte tuinonderhoud een bedrag betaald heeft dat lager is dan [Park BV] normaliter voor dergelijke werkzaamheden aan derden in rekening zou hebben gebracht. 5.4.
- De inspecteur beantwoordt die vraag bevestigend. Zijns inziens is er te weinig gefactureerd en heeft belanghebbende niet meer dan het gefactureerde betaald. Belanghebbende meent daarentegen dat hij [Park BV] ‘adequaat’ contant heeft betaald, zodat er zijns inziens geen sprake is van een voordeel. Belanghebbende schat de contante betalingen op ƒ 6.500 tot ƒ 13.750 per jaar. 5.4.
- Voor de beantwoording van bovenstaande vraag acht het Hof het volgende van belang.
- Het Hof acht aannemelijk dat de tuinlieden van [Park BV] wekelijks urenstaten bijhouden waarop ze aangeven hoeveel uren ze die week aan een bepaald project besteed hebben en waaruit die werkzaamheden hebben bestaan (zie 2.2.2). Mede gelet op de verklaring van [B-6] (zie 2.2.13) is aannemelijk dat de urenstaten voldoende betrouwbaar zijn. Het Hof neemt de conclusie van de FIOD over dat volgens de urenstaten tuinlieden van [Park BV] in de jaren 1994 tot en met 1998 tussen de 183 en 416 uren in de tuin van belanghebbende hebben gewerkt (zie tabel onder 2.2.2). In de gedingstukken heeft uitsluitend belanghebbende het belang van de urenstaten gemitigeerd. Het Hof volgt belanghebbende daarin niet.
- B-3, een tuinman van [Park BV], heeft verklaard dat hij vanaf ongeveer april 1996 4 á 5 uren per week in belanghebbendes tuin werkte (zie 2.2.9). Het Hof acht deze verklaring geloofwaardig.
- Vaststaat dat [Park BV] in de jaren 1996 tot en met 1998 de - volgens de urenstaten - in de tuin van belanghebbende gewerkte uren op een project van de [A-Bond] of [Software BV] boekte. Hierin ziet het Hof een aanwijzing dat [Park BV] de desbetreffende werkzaamheden niet aan belanghebbende heeft gefactureerd.
- Aan de FIOD hebben zowel [de directeur van Park BV] als [B-6] verklaard dat belanghebbende voor het tuinonderhoud in de jaren 1994 tot en met 1998 niet, althans minder dan de waarde in het economische verkeer, hoefde te betalen (zie 2.2.3; o.a. “In zijn algemeenheid is voor deze werkzaamheden niet door [belanghebbende]”, “… regelmatig andere tuinonderhoudswerkzaamheden zonder betaling voor [belanghebbende] verricht ….”; zie ook 2.2.13; o.a. “Feitelijk komt het er op neer dat [belanghebbende] voor de werkzaamheden aan zijn tuin niet betaalt. (…) Als voor deze werkzaamheden geen factuur is verzonden aan [belanghebbende] dan is dat gebeurd in opdracht van de directie, [de directeur van Park BV].”). Ook deze verklaringen acht het Hof geloofwaardig.
- Belanghebbende heeft de stelling van de inspecteur dat [Park BV] normaliter een uurtarief van ƒ 59,65 (in 1996 en 1997) en ƒ 61,28 (in 1998), exclusief BTW, (zie verweerschrift 6.3.2) niet, althans niet voldoende, weersproken. Uitgaande van deze uurtarieven en in aanmerking genomen de volgens de urenstaten gewerkte uren hebben de FIOD (1996 en 1997) en de Belastingdienst
(1998)berekend dat [Park BV] normaliter belanghebbende ƒ 12.944
(1996), ƒ 10.915
(1997)en ƒ 12.639
(1998)voor het tuinonderhoud in rekening zou hebben gebracht (exclusief BTW, ‘overige kosten’ en bijzondere projecten; zie 2.2.2 en 2.2.13). 6. Ook de stelling van de inspecteur dat [Park BV] in 1996 voor ƒ 7.920 (exclusief BTW) aan declarabele ‘overi