GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Bij vervroeging Beslissing van 26 april 2007 in de zaak onder rekestnummer 692/06 GDW van: [klager], wonende te [plaats], APPELLANT, gemachtigde: mr. P.J. van den Broeke, t e g e n [gerechtsdeurwaarder], gerechtsdeurwaarder te [plaats], GEÏNTIMEERDE. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 22 juli 2005 ingekomen een verzoekschrift - met één bijlage - van de zijde van appellant, verder te noemen klager, waarbij hij tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 21 juni 2005, waarbij de klacht van klager tegen geïntimeerde, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, ongegrond is verklaard. 1.2. Klager heeft zijn klacht aangevuld bij brieven ingekomen op 25 april 2006 en 26 september 2006. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarder is op 21 juni 2006 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen. 1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 22 maart 2007. Klager, zijn gemachtigde en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigde aan de hand van een pleitnotitie. Ter zitting heeft de gemachtigde van klager stukken overgelegd. De gerechtsdeurwaarder heeft op deze stukken gereageerd bij brief ingekomen op 3 april 2007. 2. De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken. 3. De feiten Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. 4. Het standpunt van klager voor zover aan de orde 4.1. Ter zitting van dit hof heeft de gemachtigde van klager op vragen van het hof betoogd dat alleen het derde onderdeel van de klacht, te weten het verwijt dat de gerechtsdeurwaarder fouten heeft gemaakt in de berekening van de beslagvrije voet en dat het door klager dientengevolge te veel betaalde nog niet aan klager is overgemaakt, onderwerp is van het ingestelde beroep. 4.2. In hoger beroep is van de zijde van klager betoogd dat klager te veel aan aflossingen en rente over twee Fortis schulden en de schuld over de Comfort card heeft betaald. Klager eist een bedrag van € 2118,64 als teveel betaald terug. 5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder 5.1. De gerechtsdeurwaarder stelt in de eerste plaats dat het hoger beroepschrift van klager niet voldoet aan artikel 45 lid 1 Gerechtsdeurwaarderswet, hierna GDW, waarin is bepaald dat binnen 30 dagen na verzending van de beslissing van de kamer een met redenen omkleed beroepschrift moet zijn ingediend. De gerechtsdeurwaarder wijst erop dat klager pas ruim drie maanden later, op 28 november 2005 een met redenen omkleed beroepschrift heeft ingediend. 5.2. Voorts stelt de gerechtsdeurwaarder dat klager reeds op 22 juli 2005 hoger beroep heeft ingesteld doch dat de gerechtsdeurwaarder niet eerder dan per brief van 4 mei 2006 van de waarnemend griffier op de hoogte is gesteld. De gerechtsdeurwaarder stelt dat niet is voldaan aan het gestelde in artikel 46 GDW, dat sprake is van een onredelijk lange termijn en verzoekt daarom om de klacht af te wijzen, althans niet meer te behandelen, althans bij de beoordeling en het opleggen van een maatregel daarmee rekening te houden.. 5.3. Wat betreft de berekening van de beslagvrije voet stelt de gerechtsdeurwaarder dat de beslagvrije voet aan klager is medegedeeld.Nadat klager nadere informatie had verschaft is de beslagvrije voet aangepast. Ten aanzien van het teveel ingehoudene stelt de gerechtsdeurwaarder dat het teveel betaalde aan klager is teruggestort. 5.4. In reactie op de stellingen van klager in hoger beroep dat klager te veel aan aflossingen en rente over twee Fortis schulden en de schuld over de Comfort card heeft betaald, stelt de gerechtsdeurwaarder dat dit klachtonderdeel voor het eerst in hoger beroep naar voren komt en mitsdien klager niet kan worden ontvangen in zijn klacht. Voor wat betreft de eis tot terugbetaling stelt de gerechtsdeurwaarder dat hiervoor in een procedure als deze geen plaats is. 6. De beoordeling 6.1. Het hof zal allereerst ingaan op de stellingen die de gerechtsdeurwaarder heeft opgeworpen ten aanzien van de ontvankelijkheid van klager in zijn hoger beroep. Het beroepschrift van klager is tijdig ter griffie van het hof ingekomen op 22 juli 2005. Hierop heeft de waarnemend griffier van het hof klager op diens verzoek uitstel verleend voor het aanvullen van gronden. Dit leidt ertoe dat er geen sprake is van strijd met artikel 45 lid 1 GDW. 6.2. De gerechtsdeurwaarder is, vanwege onvolkomenheden in de door het hof gevolgde procedure, bijna een jaar later op de hoogte gesteld van het door klager ingestelde hoger beroep. Naar het oordeel van het hof is in dit geval sprake van een onwenselijk lange termijn gelegen tussen het indienen van het hoger beroep door de klager en het doorsturen daarvan aan de gerechtsdeurwaarder. In dat geval dienen de belangen van klager enerzijds – te weten een beoordeling van de klacht in hoger beroep – en die van de gerechtsdeurwaarder anderzijds – te weten een tijdige behandeling van dat hoger beroep – tegen elkaar te worden afgewogen. Het hof is van oordeel dat de termijn van vertraging in de behandeling – mede gelet op de gehele duur van de procedure in eerste aanleg – niet van zo lange duur is dat op grond daarvan klager niet meer ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Tot een afwijzing van de klacht zal het hof evenmin beslissen, aangezien een dergelijke beslissing uit haar aard niet kan voortvloeien uit een vertraging als hier aan de orde. Of bij het opleggen van een maatregel met deze lange duur rekening zal worden gehouden, komt eerst aan de orde indien de klacht gegrond wordt verklaard en het hof naar aanleiding daarvan overweegt een maatregel op te leggen. 6.3. Wat betreft de stellingen van klager die hij voor het eerst in hoger beroep naar voren heeft gebracht, te weten dat klager te veel aan aflossingen en rente over twee Fortis schulden en de schuld over de Comfort card heeft betaald, overweegt het hof het volgende. In het algemeen kan het hof geen kennis nemen van verzoeken die voor het eerst in hoger beroep naar voren worden gebracht. Nu klager zijn voornoemde stellingen voor het eerst in hoger beroep naar voren brengt, te weten tijdens de mondelinge behandeling, zal het hof reeds om die reden niet tot behandeling van deze verzoeken overgaan. 6.4. Voor het overige heeft het onderzoek in hoger beroep naar het oordeel van het hof niet geleid tot vaststelling van andere feiten dan wel andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt. 6.5. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven. 6.6. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing. 7. De beslissing Het hof: - verklaart klager niet ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover het betreft de stellingen opgenomen onder rubriek 4.2.; - bevestigt - voor het overige - de beslissing van de kamer van 21 juni 2005, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, P.J.N. van Os en L.J. Saarloos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 26 april 2007 door de rolraadsheer. Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam Beschikking van 21 juni 2005 als bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met zaaknummer 158.2004 van: [ ], wonende te [ ], klager, tegen: 1. [ ], 2. [ ], gerechtsdeurwaarders te [ ], 3. [ ], toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [ ], beklaagde. Verloop van de procedure Bij brieven ingekomen 11 mei en 23 juni 2004 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna respectievelijk gerechtsdeurwaarders sub 1 en 2 en gerechtsdeurwaarder sub 3. Bij brief van 26 juni 2004 hebben gerechtsdeurwaarders sub 1 en 2 op de klacht gereageerd. Bij brief van 14 juli 2004 heeft gerechtsdeurwaarder sub 3 op de klacht gereageerd. Bij brieven van 23 februari 2005 en 4 mei 2005 heeft klager aanvullende stukken overgelegd. Bij brief van 3 februari 2005 hebben gerechtsdeurwaarders sub 1 en 2 medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. De klacht is behandeld ter zitting van 10 mei 2005 alwaar klager en gerechtsdeurwaarder sub 3 zijn verschenen. Van de behandeling is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 21 juni 2005. 1. De feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.