GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Beslissing van 28 juni 2007 in de zaak onder rekestnummer 460/2007 GDW van: [X], gerechtsdeurwaarder te [plaats], APPELLANT, gemachtigde: mr. J.D. van Vlastuin, t e g e n BUREAU FINANCIEEL TOEZICHT, GEÏNTIMEERDE, gevestigd te Utrecht, gemachtigden: 1. A.C.J. SNOEREN RA, 2. MR. A.T.A. TILLEMA, 3. K. FABER RA. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 26 april 2007 per faxbericht ingekomen een verzoekschrift - met bijlagen - waarbij appellant, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, tijdig hoger beroep instelt tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 27 maart 2007, waarbij de klacht van geïntimeerde, verder te noemen klager, gedeeltelijk gegrond is verklaard onder oplegging aan de gerechtsdeurwaarder van de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van twee maanden en voor het overige ongegrond is verklaard. 1.2. Namens geïntimeerde, verder te noemen het BFT, is op 21 mei 2007 een verweerschrift – met bijlagen – ter griffie van het hof ingekomen. 1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 24 mei 2007, alwaar de gemachtigden van het BFT en de gerechtsdeurwaarder vergezeld van zijn gemachtigde en zijn accountant, F.M. Wiener AA, zijn verschenen. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigde sub 1 van het BFT aan de hand van een pleitnotitie. 2. De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de behandeling van de zaak in eerste aanleg, alsmede van de hiervoor vermelde stukken. 3. De feiten Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat. 4. Het standpunt van het BFT 4.1. Het BFT verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij in 2006 bewaringstekorten heeft laten ontstaan. 4.2. Voorts wordt de gerechtsdeurwaarder verweten dat hij de negatieve bewaringspositie niet binnen de gestelde termijn heeft opgeheven en vooralsnog laat voortbestaan. 4.3. Het BFT verwijt de gerechtsdeurwaarder ook dat hij in de jaren 2002 tot en met 2005 doorlopend een negatieve bewaringspositie heeft gehad; 4.4. Bovendien wordt de gerechtsdeurwaarder verweten dat hij in oktober 2006 ondanks het bewaringstekort kantoorkosten van zijn kwaliteitsrekening heeft betaald; 4.5. Ten slotte verwijt het BFT de gerechtsdeurwaarder dat hij in oktober 2006 bewust een onjuiste opgave van de bewaringspositie heeft ingediend, waardoor ten onrechte de indruk werd gewekt dat sprake was van een positieve bewaringspositie per 30 september 2006. 5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder 5.1. De gerechtsdeurwaarder betwist de stellingen van het BFT gedeeltelijk en verweert zich als volgt. 5.2. Het klachtonderdeel, zoals vermeld onder 4.3, is niet terecht. Voor deze feiten is de gerechtsdeurwaarder al eerder tuchtrechtelijk aangesproken en veroordeeld. 5.3. Ten aanzien van het klachtonderdeel dat de gerechtsdeurwaarder bewust een onjuiste voorstelling van zaken zou hebben gegeven met betrekking zijn bewaringspositie heeft de gerechtsdeurwaarder betoogd dat hij zich tot 27 november 2006 niet bewust was van een tekort van zijn bewaringspositie. Door de storting van € 1.500,= in oktober 2006 was de gerechtsdeurwaarder van mening dat het bewaringstekort per 30 september 2006 zou zijn aangezuiverd. 5.4. Voor het overige heeft de gerechtsdeurwaarder de door het BFT naar voren gebrachte klachtonderdelen erkend. 6. De beoordeling 6.1. In het klachtonderdeel 4.3 kan het BFT niet worden ontvangen, omdat dit klachtonderdeel reeds gegrond is verklaard en de gerechtsdeurwaarder hiervoor de maatregel van berisping met aanzegging opgelegd heeft gekregen bij de beslissing van dit hof van 16 februari 2006, rekestnummer 1063/2005 GDW, LJN: AV3047. Het hof zal het BFT dan ook niet ontvankelijk verklaren in dit klachtonderdeel. 6.2. Het hof is van oordeel dat de klachtonderdelen, zoals genoemd in de rubrieken 4.1, 4.2 en 4.4. als één feitencomplex moeten worden beoordeeld. De gerechtsdeurwaarder heeft deze feiten erkend. Daarom behoeft dit klachtonderdelen geen verdere bespreking. Het hof acht deze gegrond. 6.3. Ten aanzien van het klachtonderdeel met betrekking tot het verstrekken van onjuiste gegevens, rubriek 4.5 hierboven, is het hof met de kamer van oordeel dat het BFT niet heeft aangetoond dan wel aannemelijk heeft gemaakt dat de gerechtsdeurwaarder bewust onjuiste informatie heeft verstrekt. Daarom is het hof van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. 6.4. Nu het BFT in klachtonderdeel 4.3. niet ontvankelijk is, kan de beslissing van de kamer op dat punt niet in stand blijven. De beslissing zal daarom worden vernietigd. Ook de door de kamer opgelegde maatregel van schorsing van de gerechtsdeurwaarder voor de duur van twee maanden in de uitoefening van zijn ambt kan om die reden niet in stand blijven. Echter, het hof rekent het de gerechtsdeurwaarder zwaar aan dat hij ondanks het bewaringstekort kantoorkosten van zijn kwaliteitsrekening heeft betaald en acht de maatregel van schorsing van de gerechtsdeurwaarder uit zijn ambt voor de duur van één maand passend en geboden. Dit geldt te meer nu de gerechtsdeurwaarder ter zake van negatieve bewaringsposities reeds bij eerdere beslissing van dit hof de maatregel van berisping met aanzegging heeft opgelegd gekregen. 6.5. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven. 6.6. Dit leidt tot de volgende beslissing. 7. De beslissing Het hof: - vernietigt de bestreden beslissing van de kamer van 27 maart 2007 en, opnieuw rechtdoende: - verklaart het BFT niet –ontvankelijk in klachtonderdeel 4.3.; - verklaart de klachtonderdelen 4.1, 4.2 en 4.4. gegrond; - legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt op voor de duur van één maand, ingaande 1 september 2007 om 00.00 uur; - verklaart de klacht voor het overige ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.W.C. Rang en L.J. Saarloos in het openbaar uitgesproken op donderdag 28 juni 2007 door de rolraadsheer. Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam Beschikking van 27 maart 2007 (bij vervroeging) zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met het nummer 588.2006 van: BUREAU FINANCIEEL TOEZICHT, gevestigd te Utrecht, klager, gemachtigde: A.J. Snoeren RA, tegen: [ ], gerechtsdeurwaarder te [ ], beklaagde. Verloop van de procedure Bij brief van 18 december 2006 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder. Bij aangehechte brief van 19 januari 2007 heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 13 maart 2007, alwaar de gemachtigde van klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Van deze behandeling is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. 1. De feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.