19 juni 2007 vijfde civiele kamer rolnummer 2007/568 G E R E C H T S H O F T E A M S T E R D A M nevenzittingsplaats Arnhem Arrest in de zaak van: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, procureur: mr. H.W.E. Vermeer, tegen: de stichting Stichting voor Protestants Christelijk Voortgezet Onderwijs Eemland, gevestigd te Amersfoort, geïntimeerde, procureur: mr. B.J. H. Crans. 1 Het geding in eerste aanleg Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het door de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Amersfoort) op 8 maart 2007 tussen appellant (hierna te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna te noemen: Eemland) als gedaagde in kort geding gewezen vonnis. Een fotokopie van dit vonnis is aan dit arrest gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 [appellant] heeft bij exploot van 29 maart 2007 en bij herstelexploot van 10 april 2007 Eemland aangezegd in hoger beroep te komen van het hiervoor genoemde vonnis, met dagvaarding van Eemland voor dit hof. In genoemd exploot heeft [appellant] één grief tegen dit vonnis aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en aangekondigd te zullen concluderen dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, zijn vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Eemland in de kosten van de procedure in beide instanties. 2.2 Bij memorie van antwoord heeft Eemland, onder overlegging van twee producties, de grief bestreden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, waar nodig met verbetering of aanvulling van gronden en met veroordeling van [appellant] in de kosten (naar het hof begrijpt) van het hoger beroep. 2.3 Ten slotte hebben beide partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd. 3 De grieven [appellant] heeft de volgende grief aangevoerd. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte geoordeeld, dan wel onvoldoende onderbouwd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellant] aanspraak maakt op doorbetaling van loon en dat de vordering om die reden zou moeten worden afgewezen. 4 De vaststaande feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1a tot en met 1f feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten zal uitgaan. Op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende gemotiveerd is weersproken, kunnen hieraan de volgende vaststaande feiten worden toegevoegd. 4.1 In een brief van 20 december 2006 van Eemland aan [appellant] is onder andere het volgende vermeld: “(…) Bij brief van 10 juli j.l. bent u bij wijze van ordemaatregel geschorst in verband met de jegens u gerezen verdenking van een zedendelict. (…) Wij handhaven uw schorsing voor de duur van uw resterende dienstverband, althans voor de duur van de verweerperiode. (…)” 4.2 In een brief van 16 januari 2007 namens Eemland van mr. [A.], werkzaam bij de Besturenraad, aan de gemachtigde van [appellant], is onder andere het volgende vermeld: “(…) Anders dan u in uw brief veronderstelt, behelst de stopzetting van de salarisbetaling geen disciplinaire maatregel. Cliënte past eenvoudig het bepaalde in artikel 7: 627 BW toe. (…)” 4.3 In een brief van 22 januari 2007 van de gemachtigde van [appellant] aan mr. [A.] is onder ander het volgende vermeld: “Onjuist is uw aanname dat cliënt verhinderd zou zijn de arbeid te verrichten. Hij is van harte bereid de overeengekomen of andere passende arbeid te verrichten. Hij is daartoe niet verhinderd en zal op eerste afroep verschijnen. (…)” 4.4 [appellant] heeft bij brief van 8 maart 2007 beroep ingesteld tegen zijn ontslag bij de Commissie van Beroep voor het protestants-christelijk voortgezet onderwijs te IJsselmuiden (hierna: de Commissie van Beroep). 4.5 Namens Eemland heeft mr. [A.] op 26 maart 2007 een verweerschrift ingediend bij de Commissie van Beroep. 5 De motivering van de beslissing in hoger beroep 5.1 In deze procedure gaat het -kortweg gezegd- om de vraag of, zoals [appellant] heeft gesteld en Eemland gemotiveerd heeft betwist, Eemland gehouden is het loon c.a. aan [appellant] door te betalen vanaf 1 januari 2007, de datum waarop de schorsing van [appellant] door Eemland is verlengd. 5.2 De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de hiervoor vermelde vraag ontkennend beantwoord en de vorderingen van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Tegen dit oordeel richt zich de enige grief van [appellant]. 5.3 Het hof is van oordeel dat [appellant] een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde voorlopige voorzieningen, aangezien Eemland de loonbetaling aan hem vanaf 1 januari 2007 heeft stopgezet en [appellant] onbetwist heeft gesteld dat hij naast zijn inkomen bij Eemland geen andere inkomsten heeft om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. 5.4 Uit Eemlands eigen stellingen kan niet worden afgeleid dat het risico bestaat dat [appellant], indien hij in een bodemprocedure in het ongelijk zal worden gesteld, niet in staat is het eventueel in deze procedure aan hem toe te wijzen bedrag aan Eemland terug te betalen. Een eventueel restitutierisico staat daarom niet aan toewijzing van de vorderingen van [appellant] in de weg. 5.5 Op grond van artikel 7: 627 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is geen loon verschuldigd voor de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht. Op grond van artikel 7:628 lid 1 BW behoudt de werknemer recht op het naar tijdruimte vastgestelde loon indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Op grond van artikel 7: 628 lid 5 BW kan van de leden 1 tot en met 4 van dit artikel voor de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst slechts bij schriftelijke overeenkomst worden afgeweken ten nadele van de werknemer. Op grond van artikel 7: 628 lid 7 BW kan na het verstrijken van de in artikel 7:628 lid 5 vermelde termijn slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst worden afgeweken ten nadele van de werknemer. 5.6 Eemland heeft zich in haar in rechtsoverweging 4.2 vermelde brief, en -naar het hof begrijpt- ook in de deze procedure op het standpunt gesteld dat de stopzetting van het salaris van [appellant] niet is geschied bij wijze van disciplinaire maatregel (zoals bedoeld in artikel 4a.7 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Voortgezet Onderwijs (hierna: de CAO)). Eemland heeft de stopzetting van haar salarisbetaling aan [appellant] gebaseerd op artikel 7: 627 BW en -naar het hof begrijpt- op artikel 7: 628 BW. Dit betekent dat artikel 4.a.7 lid 1 sub d van de CAO in deze procedure geen rol speelt. 5.7 Gesteld noch gebleken is dat Eemland op grond van enige (andere) CAO-bepaling of op grond van een regeling namens een bevoegd bestuursorgaan gerechtigd is ingeval van schorsing van een werknemer diens salarisbetaling te staken. 5.8 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 21 maart 2003, JAR 2003,91 -voor zover hier van belang- het volgende beslist: “3.4 Onderdeel 1 is met een rechtsklacht gericht tegen rov. 3.5 en rov 3.6 van het tussenvonnis en houdt in dat zonder afwijking als bedoeld in art. 7: 628 lid 5 en/of lid 7 BW het rechtens niet mogelijk is om de geschorste of op non-actief gestelde werknemer zijn recht op loon te ontnemen, ook indien de schorsing of op non-actiefstelling aan hemzelf te wijten is. 3.5 Ingevolge artikel 7: 628 lid 1 behoudt de werknemer het recht op het naar tijdruimte vastgestelde loon indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Een schorsing of een op non-actiefstelling ligt in de risicosfeer van de werkgever en is “een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen” in de zin van lid 1, zodat de werkgever ook tijdens een schorsing of een op non-actiefstelling verplicht is tot doorbetaling van loon. Dat is ook het geval indien de werkgever gegronde redenen had om de werknemer te schorsen of op non-actief te stellen en de schorsing of op non-actiefstelling aan de werknemer zelf is te wijten. De werkgever kan zich immers, zolang de arbeidsovereenkomst bestaat, niet eenzijdig aan de verplichting tot loonbetaling ontrekken, ook niet ingeval het gedrag van de werknemer grond voor schorsing of op non-actiefstelling oplevert. Een (tijdelijke) inbreuk op deze grond op het recht van de werknemer op loon, en derhalve een schorsing of op non-actiefstelling met inhouding van loon, is alleen mogelijk indien naar luid van het in dit geding toepasselijke lid 5 (oud) van art. 7: 628 van dit artikel is afgeweken bij schriftelijke overeenkomst of bij reglement. Nu de stukken van het geding geen andere gevolgtrekking toelaten dan dat van zulk een afwijking geen sprake is, is de rechtbank derhalve in rov. 3.5 en 3.6 van haar tussenvonnis en in rov. 3.4 van haar eindvonnis uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover bij de behandeling van de wetsvoorstellen 24349 (“Wulbz”) en 26257 (“Repa-flexwet”) -overigens in ander verband- gedane uitlatingen van bewindslieden, vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.27-3.35, in een andere richting wijzen, vormen deze geen reden om tot een ander dan het evenvermelde, met de heersende rechtsopvatting omtrent de doorbetaling van loon ingeval van schorsing van een werknemer strokende, oordeel te komen.” 5.9 Eemland heeft [appellant] bij brief van 11 juli 2006 in kennis gesteld van haar voornemen [appellant] bij wijze van ordemaatregel voor de duur van drie maanden te schorsen op grond van artikel 4a.6 lid 2 sub a dan wel sub f van de CAO. Vervolgens heeft zij [appellant] bij brief van 29 augustus bij wijze van ordemaatregel, voor de duur van drie maanden, geschorst op grond van artikel 4a.6 lid 2 sub f van de CAO. 5.10 Eemland heeft aangevoerd dat de hiervoor vermelde schorsing met ingang van 1 december 2006 afliep, zodat [appellant] vanaf dat tijdstip, althans vanaf 1 januari 2007, de datum waarop Eemland de loonbetaling aan [appellant] heeft stopgezet, niet meer was geschorst. Het hof verwerpt deze stelling. Eemland heeft [appellant] in haar in rechtsoverweging 4.1 vermelde brief medegedeeld dat zij de schorsing van [appellant] zou handhaven voor de duur van het resterende dienstverband van [appellant], althans voor de duur van de verweerprocedure en is op deze mededeling nadien niet teruggekomen. 5.11 Het hof verwerpt ook overigens de -op artikel 7: 627 BW gebaseerde- stelling van Eemland dat [appellant] niet bereid is gebleven de bedongen arbeid te verrichten. Eemland heeft [appellant] herhaaldelijk te kennen gegeven dat zij [appellant] geen werkzaamheden als docent lichamelijke opvoeding wilde laten verrichten, laatstelijk op 20 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.