GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk P06/00185 uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Bussum, de heffingsambtenaar, tegen de uitspraak in de zaak nr. AWB 05/2287 van de rechtbank Amsterdam, nevenzittingsplaats Haarlem, van 4 april 2006 in het geding tussen X wonende te Z, belanghebbende, en de heffingsambtenaar. 1. Ontstaan en loop van het geding De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende met dagtekening 31 januari 2005 een aanslag in de grafrechten voor het jaar 2005 opgelegd ten bedrage van € 75,36. Bij brief van 8 februari 2005, door de heffingsambtenaar ontvangen op 9 februari 2005, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Bij uitspraak, gedagtekend 3 mei 2005, heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd. Bij uitspraak van 4 april 2006, verzonden op 6 april 2006, heeft de rechtbank Amsterdam, nevenzittingsplaats Haarlem, (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 55,40 onder aanwijzing van de gemeente Bussum als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden. Tegen deze uitspraak heeft de heffingsambtenaar hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 17 mei 2006, bij het Hof op dezelfde datum ingekomen, aangevuld bij brief van 1 augustus 2006. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en gelijktijdig incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ingesteld. De heffingsambtenaar heeft in zijn hoger beroep een conclusie van repliek ingediend, alsmede een verweerschrift tegen het incidentele hoger beroep van belanghebbende. Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend. Bij brief van 25 mei 2007, bij het Hof ingekomen op 29 mei 2007, heeft de heffingsambtenaar een nader stuk ingezonden. De griffier heeft bij brief van 1 juni 2007 een kopie van dit stuk aan belanghebbende gezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2007. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende de griffier telefonisch bericht daar niet te zullen verschijnen, maar geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak in haar afwezigheid. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2. Overwegingen 2.1. Feiten 2.1.1. Het Hof verwijst naar de feiten die door de rechtbank zijn vastgesteld en in de bestreden uitspraak als volgt zijn weergegeven: “2.1. Sinds 1 januari 1974 is de gemeente Bussum eigenaar van de Nieuwe Rooms Katholieke begraafplaats aan de Nieuwe Hilversumseweg te Bussum (hierna: de begraafplaats). De moeder van eiseres is in 2004 bijgezet in het op de begraafplaats gelegen eigen graf met nummer AA 99 (hierna: het graf). 2.2. Op het moment van bijzetten was Y rechthebbende op het graf. Met ingang van 1 januari 2005 is eiseres rechthebbende op het graf. 2.3. Op de begraafplaats bevinden zich algemene en eigen graven. Een verschil tussen de algemene en eigen graven betreft onder meer de afgiftetermijn. Bij de algemene graven is de afgiftetermijn beperkt tot tien jaar. Bij de eigen graven is deze termijn dertig jaar. 2.4. Op de begraafplaats vindt algemeen onderhoud plaats. Het algemene onderhoud ziet op het onderhoud van de gebouwen, paden en hekken. Voor het onderhoud aan de graven wordt onderscheid gemaakt naar de graven waarin vóór of na 2001 is begraven. Alleen ten aanzien van graven waarin na 2001 is begraven of bijgezet wordt een aanslag grafrecht ten behoeve van het onderhoud opgelegd.” 2.1.2. Daaraan voegt het Hof nog het volgende toe. Naast de Nieuwe Rooms Katholieke begraafplaats (hierna: de begraafplaats) ligt de Algemene begraafplaats. Deze begraafplaatsen (hierna: de twee begraafplaatsen) grenzen aan elkaar en zijn qua infrastructuur met elkaar verbonden. Zij bieden tezamen ruimte aan 5.480 eigen graven en 202 algemene graven. De totale oppervlakte van de twee begraafplaatsen bedraagt 72.900 m². De gedeelten die zijn ingeruimd voor eigen graven belopen een gezamenlijke oppervlakte van 52.190 m² en die voor algemene graven 1.260 m². In een algemeen graf worden vijf personen begraven. De met opstallen bebouwde oppervlakte van de twee begraafplaatsen bedraagt 484 m². Voor 2005 is het aantal aanwezige eigen graven te stellen op 3.300 (met even zovele rechthebbenden) en het aantal aanwezige algemene graven op 92 (met 460 rechthebbenden). 2.2. Relevante bepalingen 2.2.1. De Verordening rechten begraafplaatsen 2002 van de gemeente Bussum (hierna: de Verordening) luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “Artikel 2 Op basis van deze verordening worden rechten geheven voor het gebruik van de begraafplaatsen en voor het door de gemeente verlenen van diensten in verband met de begraafplaatsen. Artikel 3 De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt. Artikel 4 1. De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel; (…) Artikel 5 1. Met betrekking tot de rechten die per jaar worden geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar; (…) Artikel 6 1. De onderhoudsrechten, bedoeld in hoofdstuk 6.1, 6.2 en 6.3 van de tarieventabel, worden geheven bij wege van aanslag; (...)”. 2.2.2. De bij de Verordening behorende Tarieventabel 2004 (hierna: de Tarieventabel) luidt, voor zover hier van belang: “HOOFDSTUK 6 Onderhoud grafbedekking Voor het door of vanwege de gemeente onderhouden van de grafbedekking op een grafruimte of voor een urnennis wordt geheven, voor zover het betreft: 6.1. een eigen graf (per jaar) € 75,36 6.2. (…) 6.3. (…) 6.4. een algemeen graf (éénmalig voor een tijdvak van tien jaar) € 178,-- HOOFDSTUK 7 Afkoop onderhoud grafbedekking De rechten als bedoeld in de onderdelen 6.1, 6.2 en 6.3 kunnen worden afgekocht volgens de navolgende (berekenings)wijze: 7.1. bij de afgifte van een eigen grafruimte voor een periode van dertig jaar € 3.060,-- 7.2. (…) 7.3. (…) 7.4. (…) 7.5. tussentijds (met uitzondering van een eigen graf dat is uitgegeven voor onbepaalde tijd): elk van de nog te verschijnen belastingbedragen als bedoeld in het onderdeel 6.1., 6.2 of 6.3 wordt vermenigvuldigd met de factor 1,08/1,06, waarbij het berekende bedrag van het vorig jaar het basisbedrag is voor de berekening van het bedrag voor het volgende jaar. Daarna wordt de som van deze bedragen vastgesteld. Voor de vaststelling van het aantal nog te verschijnen belastingbedragen wordt, indien de wettelijke grafrusttermijn langer doorloopt dan de periode waarvoor het graf is uitgegeven, het jaar waarin de afloopdatum van de wettelijke grafrusttermijn valt, als eindjaar aangehouden.” 2.2.3. De Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaatsen van de gemeente Bussum 2001 (hierna: de Verordening Beheer) luidt, voor zover hier van belang: “Artikel 22 Onderhoud grafbedekking 1. De gemeente verricht periodiek onderhoud aan de grafbedekking. De rechthebbende op een eigen graf is verplicht hiervoor jaarlijks een onderhoudsrecht als genoemd in hoofdstuk 6 van de Tarieventabel behorende bij de heffingsverordening aan de gemeente te voldoen. De rechthebbende kan het onderhoudsrecht onder in hoofdstuk 7 van de Tarieventabel behorende bij de heffingsverordening genoemde voorwaarden afkopen. Bij een algemeen graf is de belanghebbende verplicht het onderhoudsrecht voor de duur van de graftermijn als bedoeld in artikel 15 eerste lid éénmalig aan de gemeente te voldoen bij aanvang van de graftermijn. 2. Onder periodiek onderhoud als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: a. het éénmaal per jaar schoonmaken van het gedenkteken; b. het tweemaal per jaar verwijderen van de op het graf aanwezige ongewenste kruidenvegetatie; c. het algemeen onderhoud van de begraafplaatsen. (…) Artikel 30 Overgangsbepaling 1. (…) 2. De in artikel 22 eerste lid bedoelde verplichting tot betaling van een onderhoudsrecht voor een eigen graf van een bij de inwerkingtreding van deze verordening reeds uitgegeven graf waarvoor geen onderhoudsrecht verschuldigd was, gaat in op de datum waarop gedurende de graftermijn een eerstvolgende begraving of bijzetting in het graf plaatsvindt. Indien de rechthebbende kan aantonen dat de verplichting tot betaling van een onderhoudsrecht voor het eigen graf bij de gemeente is afgekocht, gaat de verplichting niet eerder in dan op de datum waarop gedurende de graftermijn een eerstvolgende begraving of bijzetting in het graf plaatsvindt en deze datum valt na afloop van de afkoop termijn. (…)”. 2.3. Geschil Tussen partijen is primair in geschil of de heffingsambtenaar ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, is in geschil of aan belanghebbende terecht en naar het juiste bedrag een aanslag in de grafrechten is opgelegd. 2.4. Oordeel van de rechtbank Op het door belanghebbende ingestelde beroep heeft de rechtbank geoordeeld dat dit beroep gegrond is. Zij heeft daartoe overwogen: “5.2. De graven op de begraafplaats zijn door natrekking eigendom van de gemeente Bussum. De gemeente Bussum mag zich als eigenaar het onderhoud van de begraafplaats en de graven aantrekken en de kosten daarvoor verhalen door middel van het heffen van grafrechten. De (…) verordeningen tezamen bezien bieden een wettelijke grondslag voor het heffen van grafrecht van rechthebbenden op een eigen graf vanwege onderhoud aan de grafbedekking en algemeen onderhoud. Nu eiseres rechthebbende is tot het eigen graf en als zodanig kan worden geacht het genot te hebben van de door de gemeente Bussum verleende periodieke onderhoudsdiensten, kan verweerder eiseres dan ook in beginsel in de heffing van grafrechten betrekken 5.3. Het beperken van de heffing van grafrechten tot de groep van nabestaanden die na inwerkingtreding van de verordeningen hebben laten begraven of doen bijzetten, geeft geen blijk van een ongelijke behandeling van overigens gelijke gevallen. Deze nabestaanden verkeren vanwege de te veronderstellen bekendheid met de verordeningen in een andere positie dan de groep van nabestaanden die vóór 2001 hebben laten begraven of doen bijzetten, toen de verordeningen nog niet van kracht waren. Anders dan deze laatste groep had eiseres immers de keuze om al dan niet, en gelet op de toepasselijke verordeningen, gebruik te maken van de mogelijkheid om op de begraafplaats te laten begraven of te doen bijzetten. 5.4. Ook de omstandigheid dat eiseres geen opdracht heeft gegeven tot onderhoud en met een beroep op privacy heeft aangegeven zelf het onderhoud aan het graf te willen verrichten, staat niet aan heffing in de weg. Het periodiek onderhoud omvat zowel het algemene onderhoud als het onderhoud aan de grafbedekking. Nu de rechten ter zake van totale periodieke onderhoud worden geheven, is het feitelijk niet genieten of afzien van het genot van een deel van de diensten, namelijk voor zover de dienst bestaat in het onderhoud aan de grafbedekking, niet van invloed op de bevoegdheid van verweerder om te heffen. Bovendien is door eiseres niet bestreden dat de dienst van gemeentewege ook ten aanzien van het graf waarop zij rechthebbende is wordt verricht, zij het dat dit - doordat eiseres het graf zelf onderhoudt - niet direct merkbaar is. 5.5. De grieven van eiseres richten zich ook tegen de gehanteerde tarieven. In beginsel staat het tarief van de heffing van grafrecht niet ter beoordeling van de rechter, tenzij de baten van de heffing de kosten van de in de Verordening en de Verordening Beheer geregelde diensten met betrekking tot de begraafplaats overtreffen. Dit laatste is niet gesteld of gebleken. Eiseres heeft zich echter ook op het standpunt gesteld dat de nabestaanden van algemene graven en eigen graven niet op gelijke wijze in de heffing worden betrokken. Dit beroep op het gelijkheidsbeginsel treft om de onder 5.6. tot en met 5.9. genoemde redenen doel. 5.6. Differentiatie in het tarief voor het periodiek onderhoud is alleen toegestaan indien die differentiatie zich richt naar het genot dat een rechthebbende tot een graf heeft van dit onderhoud (Hoge Raad van 28 februari 2003, 37 716, BNB 2003/147). Voor het periodiek onderhoud van het eigen graf is in 2005 aan eiseres een bedrag van € 75,36 in rekening gebracht. Voor de afkoop van het onderhoud van algemene graven voor de periode van 10 jaar is in 2005 € 178 in rekening gebracht. Afkoop van de onderhoudskosten voor een eigen graf voor een periode van 10 jaar met ingang van 2005, zou ingevolge artikel 7.5. van de Tarieventabel kunnen worden begroot op circa € 820. Hieruit volgt dat het tarief voor (de afkoop van) het onderhoud voor eigen graven ongeveer vijf keer zo hoog ligt als het tarief voor (de afkoop van) het onderhoud voor een algemeen graf. 5.7. Niet in geschil is dat er in het genot van de dienst, voor zover die het algemene onderhoud van de begraafplaats betreft, geen verschil bestaat tussen een heffingplichtige met betrekking tot een algemeen graf en een heffingplichtige met betrekking tot een eigen graf. Dat betekent dat het verschil in tarief ten aanzien van de algemene graven en eigen graven in zijn geheel moet zijn terug te voeren op het verschil in het genot van de dienst voor zover die het onderhoud aan de grafbedekking van de algemene en eigen graven betreft. 5.8. Gelet op de door eiseres ter zitting getoonde foto’s blijkt dat op de op die foto zichtbare algemene grafkelders gedenktekens zijn geplaatst; dit in tegenstelling tot de stelling van verweerder op de eerste zitting dat op algemene graven geen gedenktekens zijn geplaatst. Op de door eiseres getoonde foto’s is verder weinig tot geen onkruid op en rond de algemene grafkelders zichtbaar, zodat - conform de stelling van eiseres en bij gebreke van nadere feitelijke onderbouwing van verweerder op dit punt - aannemelijk moet worden geacht dat (ook) ten aanzien van deze algemene grafkelders van gemeentewege onkruid wordt verwijderd. Dit is ook in lijn met de verklaring van verweerder op de eerste zitting dat op algemene graven wordt geharkt. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat tussen heffingplichtigen met betrekking tot een algemeen en een eigen graf verschil bestaat in het genot van de dienst voor zover die het schoonmaken van het gedenkteken en het verwijderen van onkruid op het graf betreft. 5.9. Nu er geen verschil in genot is te constateren, kan niet worden gezegd dat sprake is van een differentiatie in het tarief dat zich richt naar het genot van het periodiek onderhoud dat een rechthebbende tot een graf heeft. Er zijn geen redenen van doelmatigheid in de uitvoering van de onderhavige verordeningen aangevoerd die de differentiatie kunnen rechtvaardigen. Ook anderszins is niet van enige rechtvaardigingsgrond gebleken. Dit brengt mee dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. 5.10. Het voorgaande brengt met zich dat het tarief waarnaar de aanslag grafrecht aan eiseres is opgelegd onverbindend is voor zover dit tarief hoger is dan het verschil in genot of kosten van de onderhoudsdiensten met betrekking tot algemene en eigen graven rechtvaardigt. Het beroep is gegrond. De beslissing op bezwaar kan niet in stand blijven. De rechtbank kan niet in de zaak zelf voorzien vanwege onvoldoende inzicht in de opbouw van de tarieven. Verweerder dient dan ook een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.” 2.5. Standpunten van partijen Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het met deze uitspraak meegezonden proces-verbaal van de zitting in hoger beroep. 2.6. Beoordeling van het geschil Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep 2.6.1. Belanghebbende heeft het Hof verzocht de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep. Zij heeft daartoe aangevoerd dat bij het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank de vertegenwoordiger van de heffingsambtenaar tot vier maal toe geen antwoord wist te geven op vragen van de rechtbank, dat bij het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank de heffingsambtenaar niet is verschenen, en dat de heffingsambtenaar zich in de conclusie van repliek in hoger beroep wat dat laatste betreft op verwerpelijke wijze verschuilt achter het destijds acuut op non-actief gesteld zijn van het hoofd belastingen. 2.6.2. Het Hof zal de heffingsambtenaar ontvangen in zijn hoger beroep. Hetgeen belanghebbende aanvoert over de handelwijze van de heffingsambtenaar in het geding voor de rechtbank staat, wat van die handelwijze ook kan worden gezegd, aan de ontvankelijkheid van een hoger beroep van de heffingsambtenaar niet in de weg. Met betrekking tot het hoger beroep 2.6.3. De heffingsambtenaar stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de rechtbank in haar rechtsoverwegingen onder 5.5 tot en met 5.9 ten onrechte heeft beslist dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden doordat met betrekking tot eigen graven enerzijds en algemene graven anderzijds geen verschil in genot is te constateren, zodat niet kan worden gezegd dat sprake is van een differentiatie in het tarief welke zich richt naar het genot van het periodieke onderhoud dat een rechthebbende tot een graf heeft. 2.6.4. Ter ondersteuning van zijn betoog heeft de heffingsambtenaar aangevoerd dat in feite twee factoren bepalen in hoeverre een tariefverschil voor het grafonderhoud gerechtvaardigd is, te weten het onderhoud aan het graf zelf en de infrastructuur rond de graven. Met betrekking tot het onderhoud aan het graf zelf heeft de heffingsambtenaar gesteld dat de directe kosten van het onderhoud van een eigen graf worden opgeroepen door het schoonspuiten van een (staande) steen en het twee maal per jaar onderhouden van de grafbedekking, terwijl bij een algemeen graf het onderhoud beperkt blijkt tot het schoonspuiten van een kleine liggende steen, waarbij de oppervlakte van een eigen graf (met één rechthebbende) gelijk is aan die van een algemeen graf (met vijf kleine stenen en vijf rechthebbenden). Met betrekking tot de infrastructuur heeft de heffingsambtenaar gesteld dat de infrastructuur rond de eigen graven (paden, groenstroken, algemeen groen, enz.) veel ruimer is opgezet dan bij de algemene graven. Voorts liggen de algemene graven (betonnen graven met een betonnen deksel) direct tegen elkaar aan terwijl bij alle eigen graven tussenruimte aanwezig is. 2.6.5. De heffingsambtenaar heeft zijn betoog toegelicht aan de hand van becijferingen met betrekking tot de in 2005 gemaakte kosten. Deze becijferingen houden onder meer in: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.