GERECHTSHOF TE AMSTERDAM EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MILL MUSIC B.V., gevestigd te Doetinchem, APPELLANTE, procureur: mr. R.N. van Regteren Altena, t e g e n X. wonend te Y., GEÏNTIMEERDE, procureur: mr. L.I. Boes. 1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 De partijen worden hierna Mill Music en X. genoemd. 1.2 Op 16 februari 2006 heeft het hof een tussenarrest gewezen waaruit het verloop van het geding tot die datum blijkt. 1.3 Bij het tussenarrest heeft het hof Mill Music in de gelegenheid gesteld de gerechtelijke verklaring als bedoeld in artikel 477a lid 1 Rv. welke X. bij de memorie van antwoord heeft overgelegd te betwisten. 1.4 Mill Music heeft bij akte die gerechtelijke verklaring betwist. 1.5 X. heeft vervolgens eveneens bij akte die betwisting tegengesproken. 1.6 Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties. 2. Beoordeling 2.1 Het hof blijft bij hetgeen is beslist bij tussenarrest. 2.2 Met de ‘verklaring derdenbeslag’, gedagtekend op 25 augustus 2005 te Amsterdam en ondertekend door X., verklaart laatstgenoemde dat er tussen hem en de schuldenaar A. te B. geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan uit hoofde waarvan A. op het tijdstip van beslag, 17 maart 2004, nog iets van X. had te vorderen, nu te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen. 2.3 Mill Music betwist de juistheid van deze verklaring, omdat op 17 maart 2004 wel een contractuele relatie bestond tussen X. enerzijds en A. anderzijds. Bij notariële akte van 18 maart 2004 is door A. aan X. uit hoofde van een koopovereenkomst geleverd het onroerend goed staande en gelegen aan (...), gemeente Z. Dit brengt mee dat ten tijde van de beslaglegging of daarna tussen A. en X. wel een contractuele relatie bestond en dat op of na 19 maart 2004 een betaling van X. aan A. moet hebben plaatsgevonden. 2.4 X. betwist de levering van het onroerend goed door A. niet, maar stelt zich op het standpunt dat hij op het moment van beslaglegging geen gelden onder zich had die bestemd waren voor A., doordat de koopsom die hij krachtens de koopovereenkomst diende te voldoen, reeds voor of op 13 maart 2004 stond bijgeschreven op de kwaliteitsrekening van de notaris. De koopsom was derhalve op het tijdstip van het beslag reeds uit de macht van X. 2.5 Het hof oordeelt als volgt. Bij de beoordeling moet worden vooropgesteld dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.