4 september 2007 vijfde civiele kamer rolnummer 2007/874U KG G E R E C H T S H O F T E A M S T E R D A M nevenzittingsplaats Arnhem Arrest in de zaak van: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, procureur: mr. P.N. van Regteren Altena, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Skymax III B.V., gevestigd te Bussum, geïntimeerde, procureur: mr. J. Stam. 1 Het geding in eerste aanleg Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 4 juli 2007 dat de rechtbank Utrecht in kort geding tussen appellant (hierna te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna te noemen: Skymax III) als gedaagde heeft gewezen. Van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 [appellant] heeft bij exploot van 6 juli 2007 Skymax III aangezegd van voornoemd vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Skymax III te verschijnen voor dit hof (met toestemming van de rolraadsheer van dit hof:) op de rolzitting van het hof van 10 juli 2007. Bij dat exploot heeft [appellant] acht grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en heeft hij gevorderd dat het hof bij wijze van voorlopige voorziening in spoedappel het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog, zo begrijpt het hof, zal toewijzen zijn vordering tot het uitspreken van een verbod om het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Utrecht, sector kanton, van 25 april 2007 ten uitvoer te leggen totdat het hof arrest heeft gewezen in de thans lopende appelprocedure in de bodemzaak, althans (zo leidt het hof mede uit [appellant]s pleitnota in hoger beroep af:) dat verbod zal toewijzen voor een ruime termijn zodat [appellant] tegen een afwijzend arrest spoedcassatie kan instellen, althans voor een ruime termijn na het in deze voorzieningenzaak te wijzen arrest, op straffe van verbeurte van een niet voor matiging vatbare dwangsom van € 50.000,-- ineens en € 5.000,-- voor iedere dag dat Skymax III in gebreke blijft na betekening van het arrest aan het arrest te voldoen, met veroordeling van Skymax III in de kosten van beide instanties. 2.2 Bij memorie van antwoord heeft Skymax III de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof, zo begrijpt het hof, [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep en het vonnis waarvan beroep in stand zal laten, met veroordeling van [appellant], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het hoger beroep. 2.3 Ter zitting van 20 juli 2007 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. O.P. van der Linden, advocaat te Utrecht, en Skymax III door mr. J. Stam, advocaat te Amsterdam, beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Beide advocaten hebben voorafgaand aan de zitting aan de wederpartij en het hof een productie gezonden. Aan partijen is (impliciet) akte verleend van het in het geding brengen van die producties. 2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 3 De vaststaande feiten 3.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan. Op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende weersproken, kan hieraan het volgende vaststaande feit worden toegevoegd. 3.2 Ten tijde van het pleidooi in hoger beroep is het hoger beroep in de bodemzaak (nog) niet op een rolzitting van dit hof aangebracht. 4 De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 De grieven leggen het executiegeschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor. Aan de orde is dan ook de vraag of staking van de executie van het vonnis in de bodemzaak moet worden bevolen. 4.2 [appellant] richt geen grieven tegen het door de rechtbank in het bestreden vonnis onder 4.1 (en in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 1983, NJ 1984,145) genoemde toetsingskader. Dit toetsingskader komt er, kort gezegd, op neer dat de rechter die over een executiegeschil oordeelt slechts staking van de executie van een vonnis kan bevelen indien de executant misbruik van zijn executiebevoegdheid maakt. Van een dergelijk misbruik kan bijvoorbeeld sprake zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de ontruiming op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geexecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. 4.3 Wel doet [appellant] een beroep op een arrest van de Hoge Raad van 20 september 1985, NJ 1986, 260 gelezen in verband met artikel 7:272 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Daaruit en uit het systeem van de wet volgt naar de mening van [appellant], zo begrijpt het hof, dat terughoudend moet worden omgegaan met veroordelingen tot ontruiming, ook in geval van ontbinding van de huurovereenkomst. Dit zou er zijns inziens aan in de weg staan dat reeds nu ontruimd kan worden. Artikel 7:272 BW ziet echter alleen op de in lid 2 van dat artikel bedoelde beëindigingsvordering, niet op de vordering tot ontbinding op grond van wanprestatie. Volgens de pleitnota van [appellant] in eerste aanleg onder 4 is de ontbindingsvordering in de bodemzaak gegrond op wanprestatie. Het hof kan [appellant] (dan ook) niet volgen in zijn stelling. 4.4 Uitgangspunt blijft dus het hiervoor onder 4.2 genoemde toetsingskader. 4.5 Naar de mening van [appellant] leveren de volgende, door hem gestelde omstandigheden op dat sprake is van misbruik door Skymax III van haar executiebevoegdheid indien zij overgaat tot executie:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.