GERECHTSHOF TE AMSTERDAM EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: de naamloze vennootschap ABN AMROBANK N.V., gevestigd te Amsterdam, APPELLANTE, procureur: mr. D.K. Greveling, tegen [Y], kantoorhoudend te [B], GEÏNTIMEERDE, procureur: mr. T.P. Hoekstra. 1. Het geding in hoger beroep 1.1 Partijen worden hierna ABN-AMRO en [Y] genoemd. 1.2 Bij dagvaarding van 14 februari 2006 is ABN-AMRO in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank te Haarlem van 30 november 2005 in deze zaak onder zaak-/rolnummer 116728/HA ZA 05-1238 gewezen tussen haar als eiseres en [Y] als gedaagde. 1.3 ABN-AMRO heeft bij memorie vijf grieven geformuleerd en toegelicht, bescheiden in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende – kort gezegd - voor recht zal verklaren dat [Y] jegens ABN-AMRO onrechtmatig heeft gehandeld en alsnog, uitvoerbaar bij voorraad, [Y] zal veroordelen tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat, met rente en met veroordeling van [Y] in de kosten van het geding in beide instanties. 1.4 Daarop heeft [Y] geantwoord, bewijs aangeboden en geconcludeerd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met kosten. 1.5 Ten slotte is arrest gevraagd. 2. Beoordeling 2.1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.7, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat tussen partijen geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. 2.2 Het gaat in deze zaak om het volgende. [Y] is notaris te [B]. [W] en [V] hebben op een datum voor 28 oktober 2004 hun recht van erfpacht betreffende een huis, tuin en schuur aan de [A]straat [1] te [D] verkocht. Deze koop is eveneens voor 28 oktober 2004 in de openbare registers als bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van boek 3 BW (hierna: het register) ingeschreven. ABN-AMRO heeft op 28 oktober 2004 ten laste van [W] en [V] conservatoir beslag gelegd op genoemd recht van erfpacht. De inschrijving van het beslag in het register heeft op 28 oktober 2004 plaatsgevonden. Op 29 oktober 2004 heeft de levering van het recht van erfpacht ten overstaan van [Y] plaatsgevonden. [Y] heeft uit de koopsom de hypotheekhouder en een eerdere beslaglegger voldaan. Het restant van de koopsom heeft [Y] uitgekeerd aan [W] en [V]. Na de levering heeft ABN-AMRO het door haar gelegde beslag opgeheven. Bij vonnis van 30 maart 2005 heeft de rechtbank te Amsterdam bij verstek [W] en [V] veroordeeld tot betaling aan ABN-AMRO van in totaal € 68.566,97 met rente en kosten. ABN-AMRO heeft onweersproken gesteld op die vordering nog geen gelden te hebben kunnen innen. 2.3 ABN-AMRO is van oordeel dat [Y] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door het door haar gelegde beslag te negeren en het restant van de koopsom niet ten behoeve van ABN-AMRO onder zich te houden, doch uit te keren aan [W] en [V]. ABN-AMRO houdt [Y] aansprakelijk voor het verlies van het door ABN-AMRO geclaimde recht in de opbrengst van de verkoop van het erfpachtrecht. De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de door ABN-AMRO gevorderde verklaring voor recht dat [Y] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld afgewezen, evenals de gevorderde veroordeling tot betaling van door ABN-AMRO geleden en nog te lijden te schade. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de inschrijving van de koop in het register tot gevolg heeft dat de onroerende zaak voorwaardelijk aan het vermogen van de verkoper wordt onttrokken. Voorwaardelijk, want als niet tijdig geleverd wordt, valt de onroerende zaak met terugwerkende kracht terug in het vermogen van de verkoper en kan het beslag alsnog doel treffen. Nu in het onderhavige geval tijdig is geleverd, heeft de onroerende zaak het vermogen van de verkoper definitief verlaten waardoor het gelegde beslag (ook) niet tegen hem kan worden ingeroepen. Nu het beslag geen doel had getroffen, was [Y] niet gehouden het restant van de koopsom onder zich te houden ten behoeve van de Bank. 2.4 De grieven keren zich tegen voormelde overwegingen van de rechtbank en lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Partijen zijn verdeeld over de vraag welk het rechtsgevolg is van het na de inschrijving van de koopovereenkomst in het register als bedoeld in artikel 7:3 BW ten laste van de verkoper op de te leveren onroerende zaak gelegd (conservatoir) beslag, waarbij de beschermende werking van die inschrijving ten aanzien van de koper niet in geding is. 2.5 Ter bescherming van de koper van een registergoed, zoals het onderhavige erfpachtrecht, kan onder voorwaarden de koop worden ingeschreven in het register. Tegen de koper kan niet meer worden ingeroepen een executoriaal of conservatoir beslag waarvan het proces-verbaal in het openbaar register is ingeschreven nà de inschrijving van de koop. Daarmee wordt voorkomen dat een beslag op de verkochte zaak na het totstandkomen van de koopovereenkomst de afwikkeling van de overeenkomst frustreert. Deze bescherming verliest met terugwerkende kracht haar werking indien niet binnen zes maanden na de inschrijving van de koop in het register het goed wordt geleverd. Voor de beoordeling van de zaak is van belang dat niet in geding is dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.