GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Beslissing van 25 oktober 2007 in de zaak onder rekestnummer 56/2007 NOT van: 1. A.E.I.M. [X], wonende te [plaats], 2. P.A.J.C. [X], wonende te [plaats], 3. J.P.S.A. [X], wonende te [plaats], gemachtigde: mr. V.J.N. van Oijen, APPELLANTEN, t e g e n MR. [Y], notaris te [plaats], GEÏNTIMEERDE, gemachtigde: prof. mr. W.R. Meijer. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Ter griffie van het hof alhier is per fax op 18 januari 2007 ingekomen een verzoekschrift – met bijlagen - van de zijde van appellanten, verder te noemen klagers, waarbij zij tijdig hoger beroep hebben ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Middelburg, verder te noemen de kamer, van 21 december 2006, waarbij de klacht van klagers tegen geïntimeerde, verder te noemen de notaris, gedeeltelijk gegrond is verklaard zonder oplegging van een maatregel en voor het overige ongegrond is verklaard. 1.2. Van de zijde van de notaris is op 15 maart 2007 een verweerschrift tevens inhoudende incidenteel appel ter griffie van het hof ontvangen. 1.3. Bij schrijven van 9 juli 2007 is van de zijde van klagers een tweetal onderhandse akten van volmacht overgelegd. 1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 12 juli 2007. Verschenen zijn klager sub 3, de notaris en ieders gemachtigde. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigden aan de hand van pleitnotities. 2. De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie als mede van de hiervoor genoemde stukken. 3. De feiten 3.1. Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld, met inachtneming van het navolgende. 3.2. De klagers hebben in het appelschrift de chronologie van hetgeen de kamer in de beslissing waarvan beroep in rubriek 4.3., tweede alinea, als vaststaande feiten heeft aangenomen, betwist. Aan dit door klagers geopperde bezwaar zal het hof voor zover het dit van belang acht voor de beoordeling van deze klacht in dat kader aandacht besteden. Voor het overige zal het hof van de door de kamer in eerste aanleg vastgestelde feiten uitgaan, met dien verstande dat de namen van klagers thans luiden zoals in de aanhef van deze beslissing vermeld. 4. Het standpunt van klagers 4.1. Kort samengevat verwijten klagers de notaris dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn ambt door onzorgvuldig te handelen bij het voorbereiden van een leveringsakte. .Door aldus te handelen maakt de notaris misbruik van zijn ambt en dit achten klagers in strijd met het bepaalde in artikel 17 lid 3 van de Wet op het notarisambt, verder Wna. 4.2. Klagers verwijten de notaris dat hij in plaats van klagers sub 1 en 2 zijn echtgenote in aanmerking heeft genomen als aspirant koper bij de voorgenomen verkoop van een verpacht stuk grond. Hij heeft een concept leveringsakte opgesteld met vermelding van zijn echtgenote als verkrijgster, terwijl hij er van op de hoogte was dat klagers de eerste gegadigden waren. 4.3. Klagers stellen voorts dat de notaris tijdens het voorbereiden van de leveringsakten voor drie van de vier verpachte stukken grond kennis heeft gekregen van de moeizaam verlopende verkoop van het verpachte vierde stuk grond. De notaris heeft, aldus klagers, zijn wetenschap hieromtrent gedeeld met zijn echtgenote en die met haar ook besproken, waarmee hij handelde in strijd met zijn geheimhoudingsplicht ex art. 22 van de Wet op het notarisambt, hierna te noemen Wna. 4.4. Vervolgens verwijten klagers de notaris dat deze door zijn handelen middellijk betrokken is geraakt bij de handel en belegging in registergoederen, waardoor hij in strijd is gekomen met art. 17 lid 3 Wna. 4.5. Tenslotte verwijten klagers de notaris dat deze heeft nagelaten elke (schijn van) belangenverstrengeling te vermijden. Hij had zich als instrumenterend notaris niet met de aankoop door zijn echtgenote mogen inlaten, ook niet door het opstellen van een concept leveringsakte, zelfs niet indien die uiteindelijk door een andere notaris zou worden gepasseerd. 5. Het standpunt van de notaris 5.1. De notaris betwist de stellingen van klagers en voert daartoe het volgende aan. 5.2. Nu klager sub 3 niet in persoon is of was betrokken bij de beoogde koop en bij de behandeling in eerste aanleg niet gebleken is van de aanwezigheid van volmachten aan hem door zijn beide kinderen, had de kamer deze klager niet-ontvankelijk moeten verklaren. Dit is in hoger beroep niet anders, nu weliswaar op 9 juli 2007 van de zijde van klagers twee onderhandse akten van volmacht ter griffie zijn overgelegd, maar de notaris van oordeel is dat deze productie te laat is geschied, immers na de termijn die voor het indienen van nadere stukken door de griffie was gesteld. 5.3. De notaris verwijt de kamer de klacht te hebben uitgebreid door, blijkens haar beslissing, daarin onder meer te lezen dat de notaris zou hebben gehandeld in strijd met artikel 17 lid 3 Wna. Aangezien appellanten deze onterechte uitbreiding van de klacht in hun appelschrift overnemen en uitwerken, komt dit klachtonderdeel pas in hoger beroep aan de orde. De notaris heeft zich dan ook niet behoorlijk kunnen voorbereiden op een behandeling in eerste instantie en er is van een door de wet gegarandeerde behandeling in twee instanties geen sprake. Hij is van mening dat klagers op dit onderdeel in hun hoger beroep niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. 5.4. Voorts stelt de notaris dat het hem uit de door klager sub 3 bij de kamer ingediende klacht niet duidelijk was dat hem schending van zijn geheimhoudingsplicht van artikel 22 Wna werd verweten, zodat hij zich op dit verwijt in eerste instantie niet heeft kunnen prepareren. Hij meent dan ook dat het in hoger beroep door klagers geuite oordeel dat de kamer heeft miskend dat de notaris (onder meer) artikel 22 Wna heeft geschonden, een uitbreiding van de klacht betekent die niet pas in tweede instantie aan de orde kan worden gesteld. De notaris is van mening dat klagers ook op dit onderdeel in hun hoger beroep niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. 5.5. Voor het geval appellanten ontvankelijk zouden zijn met betrekking tot de vermeende schending van het bepaalde in artikel 17 lid 3 Wna merkt de notaris het volgende op. Van schending van genoemde wetsbepaling door de notaris is geen sprake, aangezien niet de notaris zelf maar zijn echtgenote het registergoed wenste te verwerven en zodanige verwerving niet kan worden aangemerkt als ‘middellijk’ in de zin van die wetsbepaling en bovendien op de bedoelde verwerving, zelfs indien deze rechtstreeks door de notaris zou zijn geschied, de uitzondering van artikel 17 lid 3 slot van toepassing zou zijn, inhoudende dat redelijkerwijs verwacht zou mogen worden dat door die verwerving zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid niet zou worden beïnvloed of zou kunnen worden beïnvloed dan wel de eer of het aanzien van het ambt niet zou worden of kunnen worden geschaad. Uitdrukkelijk wijst de notaris er op dat zijn echtgenote een eigen boerderij bezit in de directe omgeving van het litigieuze stuk grond en zij dat registergoed na verwerving voor zich wenste te behouden. 5.6. Voor het geval appellanten ontvankelijk zouden zijn met betrekking tot de vermeende schending door de notaris van zijn geheimhoudingsplicht van artikel 22 Wna merkt de notaris het volgende op. De echtgenote van de notaris onderhoudt contacten met haar buren en buurtgenoten. In de betrokken agrarische gemeenschap is het moeilijk geheim te houden dat de eigenares van gronden is overleden, haar erfgenamen deze willen verkopen, de pachters gebruik gemaakt hebben van hun voorkeursrecht, maar één pachter niet wilde kopen en daarvoor een koper wordt gezocht. De notaris verwerpt de door appellanten gedane suggestie dat hij zijn echtgenote zou hebben verteld dat er grond te koop was en dat dit wellicht iets voor haar zou zijn. Hij ontkent dit te hebben verklaard ter zitting van de kamer en bestrijdt hetgeen hierover in het proces-verbaal van de zitting is vermeld. Hij voegt daaraan toe dat het idee van verwerving van de onroerende zaak afkomstig was van zijn echtgenote zelf en ontkent ten stelligste zijn echtgenote naar voren geschoven te hebben bij de koopovereenkomst van het desbetreffende stuk grond. 5.7. De notaris stelt voorts dat hij slechts op de hoogte was van het feit dat de makelaar opdracht had gekregen om de verpachte gronden aan te bieden aan de zittende pachters en met hen te onderhandelen over een mogelijke koopovereenkomst. Aan de notaris was toen niet bekend dat de makelaar ook opdracht had tot bemiddeling bij verkoop van het litigieuze stuk grond aan een ander dan de zittende pachter. Hij was er dan ook niet van op de hoogte dat klagers voor deze grond eveneens gegadigden waren. Nadat bleek dat verkoop van de betrokken grond aan de pachter onmogelijk bleek en de makelaardij er niet in slaagde een gegadigde naar voren te brengen, heeft de echtgenote van de notaris haar serieuze belangstelling voor de onroerende zaak getoond. Naar de mening van de notaris had het op de weg van de gemachtigde van de erfgenamen gelegen de makelaar hierover in te lichten. De notaris en zijn echtgenote hebben enkel getracht een voor alle partijen werkbare oplossing te vinden. 5.8. Ook heeft de notaris naar voren gebracht dat de gemachtigde van de erfgenamen en de echtgenote van de notaris, nadat op 13 februari 2006 bleek dat klagers eveneens gegadigden waren, hebben besloten om af te zien van het passeren van de leveringsakte. 5.9. Ten slotte stelt de notaris dat het nooit zijn bedoeling is geweest om de leveringsakte van het verpachte perceel met zijn echtgenote als koper zelf te passeren. 6. De beoordeling 6.1. Het hof neemt als klagers mede in aanmerking A.E.I.M. [X] en P.A.J.C. [X], de kinderen van appellant sub 3. Van de zijde van de gemachtigde van appellant sub 3 is immers bij schrijven van 9 juli 2007 een tweetal onderhandse akten van volmacht overgelegd, waaruit blijkt dat J.P.S.A. [X] door zijn kinderen is gevolmachtigd in beide instanties voor hen op te treden. Met betrekking tot appellant sub 3 oordeelt het hof, evenals de kamer, dat hij, bij de beoogde aankoop van het registergoed steeds optredend namens zijn beide genoemde kinderen, beschouwd kan worden als belanghebbende aan wie een zelfstandig klachtrecht toekomt. Ook hij is derhalve ontvankelijk in zijn klacht. 6.2. Ter beoordeling van de ontvankelijkheid van klagers in hun hoger beroep overweegt het hof voorts als volgt. De stelling van de notaris dat hij zich niet naar behoren heeft kunnen voorbereiden op de behandeling in eerste aanleg van klachten over zijn beweerde handelen in strijd met het bepaalde in de artikelen 17 lid 3 en 22 Wna gaat alleen al daarom niet op nu de notaris in zijn verweerschrift in eerste instantie, volgens zijn gemachtigde in haar pleidooi bij de behandeling in hoger beroep: min of meer veronderstellenderwijs, zelf heeft aangenomen dat de bedoeling van klager was om de notaris te betichten van schending van de artikelen 17, 19 en 22 Wna. Hij is daarop in dat verweerschrift ook ingegaan. Evenals de notaris dat heeft gedaan heeft de kamer de tegen de notaris geformuleerde klacht zodanig kunnen begrijpen dat het verwijt van schending van de genoemde wetsartikelen daarin te lezen was. Klagers zijn dan ook ontvankelijk in hun hoger beroep op de desbetreffende onderdelen. 6.3. Het hof is van oordeel dat de notaris in de kwestie die thans ter beoordeling van het hof voor ligt onjuist heeft gehandeld. Het hof neemt daarbij het navolgende in overweging: Op 23 september 2005 is de notaris benaderd door de gemachtigde van de erfgenamen J.H. [B], verder te noemen [B], met het verzoek om de akten van overdracht te verzorgen aangaande vier stukken verpacht registergoed. Drie pachters wensten van hun voorkeursrecht gebruik te maken, één pachter echter niet. Hieruit volgt dat de notaris op dat moment wist dan wel kon weten dat er bij de beëindiging van de pacht door de laatstbedoelde pachter een financieel voordeel te behalen viel. Vast staat dat de verkoop van dit registergoed niet vlotte, aangezien de opdracht tot verkoop aan de makelaar reeds dateerde van 18 februari 2005. Het proces-verbaal van de zitting van de kamer van 26 oktober 2006 houdt in dat de notaris aldaar heeft verklaard dat hij zijn echtgenote heeft gemeld dat het registergoed te koop stond. In hoger beroep heeft de notaris ontkend dat hij deze verklaring heeft afgelegd. De behandeling in hoger beroep heeft het hof geen aanleiding gegeven om de juistheid van de vermelding van de verklaring van de notaris op dit punt in het proces-verbaal van de zitting van de kamer in twijfel te trekken. Daarbij is voor het hof van belang dat de notaris in hoger beroep zowel in zijn verweerschrift als bij de mondelinge behandeling heeft toegegeven dat zijn echtgenote en hij over het te koop staan van het registergoed hebben gesproken. Daarmee heeft de notaris gehandeld in strijd met zijn geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 22 Wna. De echtgenote – zelf in het bezit van een boerderij op anderhalf kilometer gaans van het betrokken registergoed – raakt geïnteresseerd. Op dat moment had het op de weg van de notaris gelegen zijn echtgenote te verwijzen naar de betrokken makelaar, zodat zij zich als gegadigde kon melden, dan wel had hij zelf de makelaar van de belangstelling van zijn echtgenote op de hoogte dienen te stellen. Van iedere verdere bemoeiing had de notaris zich vanaf dat moment dienen te onthouden. Dit geldt ook voor activiteiten – zoals vervaardigen van conceptakte, contact opnemen met de verkoper en bezoeken van de pachter en voeren van besprekingen met de pachter en de vertegenwoordiger van de erfgenamen – die onder normale omstandigheden als gebruikelijk en niet ontoelaatbaar kunnen worden aangemerkt. De notaris heeft op deze punten echter een andere gedragslijn gevolgd en heeft vanaf dat moment een bemiddelende rol gespeeld. De notaris heeft contact opgenomen met [B], heeft de pachter van het desbetreffende stuk grond bezocht, met hem en de vertegenwoordiger van de erfgenamen besprekingen gevoerd en heeft de conceptakte opgesteld. Pas na interventie van klager sub 1 op 12 februari 2006 heeft de echtgenote zich teruggetrokken als aspirant-koper. Door al deze handelingen in onderling verband en samenhang bezien heeft de notaris de indruk gewekt uit te zijn op vermogensvoordeel voor zijn echtgenote in een aangelegenheid waarvoor hij was benaderd om als notaris zijn ministerie te verlenen. Door te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft de notaris de schijn gewekt niet te handelen zoals een onkreukbare notaris behoort te handelen. Het hof acht deze klachtonderdelen dan ook gegrond. 6.4. Het hof is van oordeel dat het onder 6.3. bedoelde handelen van de notaris laakbaar is en wel zodanig dat de maatregel van berisping passend en geboden is nu het aanzien van het notarisambt en het vertrouwen in het notariaat is geschonden. 6.5. Het vorenoverwogene leidt daarom tot de volgende beslissing. 7. De beslissing Het hof: - vernietigt de bestreden beslissing behalve voor wat betreft de daarin vervatte vaststelling van de feiten met inachtneming van de aanvulling onder rubriek 3.2 en opnieuw recht doende; - verklaart de klacht gegrond; - legt de notaris de maatregel van berisping op. Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, P.J.N. van Os en P. Blokland in het openbaar uitgesproken op donderdag 25 oktober 2007 door de rolraadsheer. KAMER VAN TOEZICHT OVER NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE MIDDELBURG Beslissing van 21 december 2006 in de zaak van: KvT 8/2006 J.P.S.A. [X], wonende te [plaats], gemeente [X], klager, in persoon, tegen: mr J. [Y], notaris te [plaats], verweerder, gemachtigde: prof. mr W.R. Meijer. 1. Het verloop van de procedure Partijen worden verder aangeduid als klager en de notaris. Klager heeft zich bij brief, ingekomen op 18 juli 2006, gewend tot de Kamer van Toezicht te Middelburg, hierna de Kamer, met een klacht tegen de notaris. De notaris heeft bij brief, ingekomen op 21 augustus 2006, op de klacht gereageerd. Een afschrift van deze brief is verzonden aan klager. Door de voorzitter is de klacht ter kennis van de Kamer gebracht. Bij brief, ingekomen op 17 oktober 2006, heeft klager nader stukken overgelegd. De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden ter openbare vergadering van de Kamer van 26 oktober 2006. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. 2. De feiten 2.1. In de nalatenschap van mevrouw A.C. [B] bevonden zich vier percelen verpachte landbouwgrond. De erfgenamen besloten deze percelen te vervreemden. De opdracht tot bemiddeling werd gegeven aan [[H], Agrarische Makelaardij (verder: de makelaardij) te [plaats]. De schriftelijke opdracht dateert van 18 februari 2005. Aanbieding vond allereerst aan de pachters plaats, ingevolge het hen toekomende voorkeursrecht, door de makelaardij bij brief van 25 mei 2005. Drie van de vier betrokken pachters wilden van dit voorkeursrecht gebruik maken, één pachter, de heer [D], was volgens zijn verklaring niet in staat de door hem gepachte grond in eigendom te verwerven. Namens de erfgenamen werd aan de makelaardij opdracht gegeven dit perceel (verder: het perceel) te verkopen. 2.2. De heer J.H. [B] heeft als vertegenwoordiger van de erfgenamen op 23 september 2005 contact opgenomen met de notaris om de koopovereenkomsten met en leveringsakten aan de pachters voor te bereiden. 2.3. Bij de overgelegde stukken bevinden zich twee versies van een koopovereenkomst met betrekking tot het perceel, waarbij de erven [B] dit perceel verkopen aan A. [X] en P. [X], dochter en zoon van klager. De koopovereenkomst zijn alleen namens de kopers getekend. Beide overeenkomsten zijn gedateerd 2 november 2005, waarbij bij een van de overeenkomsten vóór het woord november een (aantal) letter(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.