ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6703
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Bij vervroeging Beslissing van 25 oktober 2007 in de zaak onder rekestnummer 758/2007 GDW van: [naam ], gerechtsdeurwaarder te [plaats], APPELLANT, t e g e n [naam], wonende te [plaats], GEÏNTIMEERDE.
1.2. Bij die beslissing heeft de kamer gegrond verklaard het verzet van geïntimeerde, verder te noemen klager, tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 12 december 2006, waarin de voorzitter van de kamer de klacht van klager als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. In dezelfde beslissing is de beslissing van de voorzitter vernietigd en is de klacht van klager gegrond verklaard.
1.3. Van de zijde van klager is op 25 juli 2007 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.
1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 27 september 2007. Klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd, de gerechtsdeurwaarder aan de hand van een pleitnotitie.
3.2. Bij exploot van 25 juli 2001 heeft een aan de gerechtsdeurwaarder toegevoegde kandidaat-gerechtsdeurwaarder eerder genoemd vonnis aan klager betekend met bevel tot betaling van de achterstallige bijdrage in het levensonderhoud. Vervolgens heeft de gerechtsdeurwaarder beslag gelegd op een onroerende zaak van klager, waarna een regeling met klager is getroffen.
3.3. Op 24 december 2001 is de opdrachtgeefster van de gerechtsdeurwaarder overleden en is het dossier door hem gesloten. De zaak is afgerekend op 16 januari 2002 door verzending van een einddeclaratie. Deze declaratie werd door de gerechtsdeurwaarder gematigd, zodat niets meer betaald diende te worden. De declaratie werd abusievelijk aan de beslagdebiteur, thans klager, verzonden.
5.2. De gerechtsdeurwaarder heeft betoogd dat zijn opdracht met het overlijden van de ex-echtgenote is geëindigd en dat hij zonder volmacht van de zoons niet gerechtigd is het beslag door te halen. Bovendien was ten tijde van het overlijden van zijn opdrachtgeefster nog een fikse achterstand in de betaling van de schuld tot zekerheid waarvoor het beslag was gelegd. De gerechtsdeurwaarder had geen melding van de zoons ontvangen dat de vordering volledig zou zijn afbetaald en afgaan op de mededelingen van klager hieromtrent acht de gerechtsdeurwaarder onjuist. Bij brief van 27 oktober 2006 heeft hij klager medegedeeld dat hij het beslag zal doorhalen indien de zoons hem daartoe een schriftelijke volmacht verlenen.
5.3. Ten slotte wijst de gerechtsdeurwaarder er op dat hij zich niet vrij voelde zich tot de zoons te wenden, aangezien klager had aangegeven dat de situatie zeer precair ligt bij de zoons en het hem meer dan welkom zou zijn als er een manier zou zijn om hen er niet in te betrekken.
6.2. Het klachtonderdeel met betrekking tot de sluiting van het dossier is eveneens ongegrond. De opdracht van de gerechtsdeurwaarder is met het overlijden van de opdrachtgeefster geëindigd. Niet is gebleken dat de zoons een vervolgopdracht hebben gegeven tot inning van de achterstallige gelden, derhalve kon het dossier worden gesloten.
6.3. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.
6.4. Nu het hof de beide klachtonderdelen ongegrond oordeelt, zal het de beslissing van de kamer vernietigen.
Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, P.J.N. van Os en L.J. Saarloos in het openbaar uitgesproken op donderdag 25 oktober 2007 door de rolraadsheer.
Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam Beschikking van 12 juni 2007 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake het verzet in de zaak met nummer 11.2007 ingesteld door: [ ], wonende te [ ], klager, tegen: [ ], gerechtsdeurwaarder te [ ], beklaagde.
Bij brief van 19 december 2006 is klager een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden.
Bij brief van 3 januari 2007 heeft klager tegen de beslissing van de voorzitter verzet ingesteld.
Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 24 april 2007 alwaar klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De gerechtsdeurwaarder heeft een pleitnota overgelegd.
Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.
De uitspraak is bepaald op 12 juni 2007.
4.2 De gerechtsdeurwaarder heeft zijn eerder aangevoerde standpunt herhaald. Hij heeft voorts gewezen op het bepaalde in artikel 72 van boek 3 van het Burgerlijk wetboek. Nu de volmachtgever is overleden, is hij niet bevoegd het in opdracht van haar gelegde beslag door te halen. Hij heeft klager bij schrijven van 27 oktober 2006 meegedeeld dat indien de erven hem schriftelijk opdracht geven om het beslag door te halen, hij daartoe zal overgaan. Het verzet dient daarom ongegrond dan wel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
4.3 De Kamer deelt het standpunt van de gerechtsdeurwaarder niet. Gebleken is dat het dossier op verzoek van klager is gesloten op 16 januari 2003. Na het overlijden van de opdrachtgeefster is de executie overgegaan op haar erfgenamen, nu niet is gebleken dat de opdracht door het overlijden van de opdrachtgeefster is geëindigd (zie artikel 7:410 BW). De gerechtsdeurwaarder had contact dienen op te nemen met deze erfgenamen dan wel met de notaris. De gerechtsdeurwaarder had dit ook aan klager kunnen voorstellen. Door de betaling van de vordering is de grondslag van het beslag vervallen. De klacht dient dus alsnog gegrond verklaard te worden. De Kamer ziet echter geen grond tot het opleggen van een maatregel.
4.4 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING:
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders: ? verklaart het verzet gegrond; ? vernietigt de beslissing van de voorzitter; ? verklaart de klacht gegrond; ? laat het opleggen van een maatregel achterwege.
Aldus gegeven door mr. R.G. Kemmers, plaatsvervangend-voorzitter, mr. G.H.I.J. Hage en N.J.M. Tijhuis (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2007 in tegenwoordigheid van de secretaris.
Coll.:
Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.