GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Bij vervroeging Beslissing van 1 november 2007 in de zaak onder rekestnummer 14/2007 GDW van: [appellant], kandidaat-gerechtsdeurwaarder te Rotterdam, APPELLANT, gemachtigde: J. Nijenhuis, t e g e n [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], GEÏNTIMEERDE. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 3 januari 2007 ingekomen een verzoekschrift - met bijlagen - waarbij appellant, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 28 november 2006, verzonden op 1 december 2006, waarbij de klacht van geïntimeerde, verder te noemen klaagster, gedeeltelijk gegrond is verklaard onder oplegging aan de gerechtsdeurwaarder van de maatregel van berisping. 1.2. Van de zijde van klaagster zijn twee brieven ter griffie van het hof ingekomen op onderscheidenlijk 14 augustus en 7 september 2007. In de brief van 7 september 2007 geeft klaagster aan niet ter zitting te zullen verschijnen. 1.3. Van de zijde van klaagster is op 12 september 2007 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen. 1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 27 september 2007, de gerechtsdeurwaarder en zijn gemachtigde zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd, de gerechtsdeurwaarder aan de hand van een pleitnotitie. 2. De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de behandeling van de zaak in eerste aanleg, alsmede van de hiervoor vermelde stukken. 3. De feiten Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat. 4. Het standpunt van klaagster 4.1. Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij ter beslaglegging van roerende zaken niet juist heeft gehandeld door de woning van klaagster binnen te treden, terwijl alleen haar veertienjarige dochter, verder te noemen de dochter, thuis was. Door deze gebeurtenis is de dochter overstuur geraakt. 4.2. Voorts wordt de gerechtsdeurwaarder verweten dat toen klaagster telefonisch contact opnam met het kantoor van de gerechtsdeurwaarder zij niet correct werd geholpen, omdat klaagster het referentienummer van de zaak niet kon melden. Klaagster kreeg te horen dat zij zonder referentienummer niet geholpen zou worden. 4.3. Ten slotte verwijt klaagster de gerechtsdeurwaarder dat hij beslag heeft gelegd op alle roerende zaken, terwijl de gerechtsdeurwaarder naar de mening van klaagster alleen op die zaken in beslag zou mogen leggen die toebehoren aan haar stiefdochter. 5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder 5.1. De gerechtsdeurwaarder betwist de stellingen van klaagster en verweert zich als volgt. 5.2. Na aankondiging van de executiemaatregelen heeft de gerechtsdeurwaarder zich op 1 maart 2006 naar het adres van beslagdebiteur, zijnde het stiefzusje van de dochter, begeven om daar beslag te leggen. De gerechtsdeurwaarder heeft zich voorgesteld aan de dochter en het doel van zijn komst vermeld. Vanwege het slechte weer heeft de gerechtsdeurwaarder gevraagd of hij in de hal mocht staan. Dit werd door de dochter toegestaan. In de hal heeft de gerechtsdeurwaarder de dochter verzocht haar ouders te bellen. Die kon zij telefonisch niet bereiken. Toen zij haar ouders telefonisch wilde benaderen heeft de gerechtsdeurwaarder haar gevraagd of hij in de woonkamer mocht binnenkomen, zodat hij het gesprek zou kunnen overnemen. Ook hiervoor heeft de dochter toestemming gegeven. Aangezien de dochter niemand aan de lijn kreeg is de gerechtsdeurwaarder, na toestemming tot binnentreden, overgegaan tot beslaglegging. De gerechtsdeurwaarder heeft in het gesprek met de dochter geconstateerd dat de dochter goed begreep waar het om ging. Zij maakte op hem niet de indruk dat zij overstuur was van zijn aanwezigheid. De gerechtsdeurwaarder vraagt in voorkomende gevallen altijd of de minderjarige, die hij aantreft, op de middelbare school zit en schat in of de minderjarige tot communicatie in staat is. Na de beslaglegging heeft hij de dochter verzocht of haar ouders of haar stiefzuster te vragen om contact met hem op te nemen ten einde een en ander te bespreken. Daarna heeft hij haar gezegd wanneer het proces-verbaal van betekening verwacht kon worden en de kennisgeving van beslag ter hand gesteld, opdat het stiefzusje hiervan kennis kon nemen en de beschikking had over de gegevens van de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft voorts nog betoogd dat hem weinig anders restte, aangezien hij bij weigering tot binnentreden de dochter in elk geval had dienen aan te zeggen dat hij vervolgens zou moeten terugkomen met de politie, hetgeen te meer belastend is voor een minderjarige. 6. De beoordeling 6.1. Klaagster klaagt erover dat de gerechtsdeurwaarder op 1 maart 2006 haar woning is binnengetreden uitsluitend op grond van de toestemming van haar veertienjarige dochter. Klaagster stelt zich op het standpunt dat de gerechtsdeurwaarder had moeten weten dat deze dochter niet in staat was de toestemming te verlenen. 6.2. Op grond van artikel 1, vierde lid, van de Algemene wet op het binnentreden, dient een gerechtsdeurwaarder die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift een woning wil binnentreden met toestemming van de bewoner deze toestemming te vragen voorafgaand aan het binnentreden. Ook minderjarige bewoners kunnen toestemming verlenen aan een gerechtsdeurwaarder om hun woning binnen te treden. De toestemming van een minderjarige mag echter slechts als rechtsgeldig worden beschouwd door een gerechtsdeurwaarder, indien hem blijkt dat de minderjarige tot adequate wilsvorming in staat is en voldoende inzicht heeft in de situatie om het betreden van de woning te weigeren of toe te staan. 6.3. Vast staat dat de gerechtsdeurwaarder voorafgaand aan het binnentreden van de woning de dochter van klaagster om toestemming daarvoor heeft gevraagd en deze toestemming ook heeft verkregen. De door de gerechtsdeurwaarder afgelegde verklaring houdt in dat hij het doel van zijn bezoek aan de dochter heeft uitgelegd, dat hij de dochter heeft gevraagd contact te leggen met haar ouders, haar het verdere verloop van de procedure heeft uitgelegd, heeft getoetst of zij in staat was zich verbaal met hem te verstaan en is nagegaan of zij de betekenis van zijn verhaal heeft begrepen. Om zich een beeld te vormen van de ontwikkeling van de dochter heeft de gerechtsdeurwaarder haar gevraagd of zij naar de middelbare school gaat. De verklaring van de gerechtsdeurwaarder is op deze punten niet betwist. Uit de inhoud van de antwoorden van de dochter en de wijze waarop zij deze antwoorden gaf, heeft de gerechtsdeurwaarder naar zijn zeggen afgeleid dat de dochter de strekking en de betekenis van de door hem gedane mededelingen en de door hem gestelde vraag heeft begrepen. 6.4. Het hof is van oordeel – gelet op de hiervoor onder 6.3. weergegeven verklaring van de gerechtsdeurwaarder – dat deze ervan uit mocht gaan dat de dochter van klaagster voldoende inzicht had om de situatie te beoordelen en haar wil te vormen en kenbaar te maken. Hieruit volgt dat de gerechtsdeurwaarder niet onjuist heeft gehandeld door klaagsters dochter te verzoeken om toestemming om de woning te betreden en om na van haar verkregen toestemming ook daadwerkelijk de woning te betreden. 6.5. Er zijn verder geen feiten of omstandigheden gebleken die meebrengen dat de gerechtsdeurwaarder ondanks het rechtmatige karakter van het binnentreden van de woning van klaagster daarvan op grond van de vereisten van behoorlijkheid had moeten afzien. Dat klaagster haar dochter bij thuiskomst overstuur heeft aangetroffen doet hieraan niet af reeds omdat niet is komen vast te staan dat hiervan sprake was op het moment van binnentreden van de woning door de gerechtsdeurwaarder. 6.6. Het hof is op grond van dit alles – anders dan de kamer – van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. 6.7. Ten aanzien van de overige klachtonderdelen heeft het onderzoek in hoger beroep naar het oordeel van het hof niet geleid tot de vaststelling van andere fei-ten, dan wel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen omtrent de klacht, dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich in zoverre verenigt. 6.8. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven. 6.9. Dit leidt tot de volgende beslissing. 7. De beslissing Het hof: - vernietigt de bestreden beslissing van de kamer van 28 november 2006 voor wat betreft de gedeeltelijk gegrond verklaring van de klacht en de opgelegde maatregel, en in zoverre, opnieuw rechtdoende: - verklaart dit klachtonderdeel eveneens ongegrond; - verwerpt het beroep voor het overige. Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, P.J.N. van Os en L.J. Saarloos in het openbaar uitgesproken op donderdag 1 november 2007 door de rolraadsheer. Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam Beschikking van 28 november 2006 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaar-derswet inzake de klacht met het nummer 120.2006 van: [ ], wonende te [ ], klaagster, tegen: [ ], kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [ ], beklaagde. Verloop van de procedure Bij brief van 1 maart 2006 heeft klaagster een klacht ingediend tegen (het kantoor van) be-klaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder. Bij aangehechte brief met bijlagen van 29 maart 2006 heeft de gerechtsdeurwaarder een ver-weerschrift ingediend. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2006. Klager is niet verschenen. De gerechtsdeurwaarder is verschenen. 1. De feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.