GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Beslissing van 22 november 2007 in de zaak onder rekestnummer 300/2007 GDW van: [X], gerechtsdeurwaarder te [plaats], APPELLANT, gemachtigde: mr. J.D. van Vlastuin, t e g e n SILVERJET VAKANTIES B.V., gevestigd te [plaats], GEÏNTIMEERDE, vertegenwoordigd door: T.I. JAGER, boekhoudkundig medewerkster, gemachtigde: mr. S.J. Bruins Slot. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 5 april 2007 ingekomen een verzoekschrift - met bijlagen - waarbij namens appellant, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, tijdig hoger beroep is ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 27 februari 2007, verzonden 8 op maart 2007, waarbij de klacht van geïntimeerde, verder te noemen klaagster, gegrond is verklaard onder oplegging aan de gerechtsdeurwaarder van de maatregel van berisping met aanzegging, dat indien andermaal door hem een van de in artikel 34, eerste lid bedoelde handelingen of verzuimen wordt gepleegd, een geldboete, schorsing of ontzetting uit het ambt zal worden overwogen. 1.2. Van de zijde van klaagster is op 4 mei 2007 een verweerschrift - met bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen. 1.3. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarder is op 24 september 2007 nog een brief met één bijlage ter griffie van het hof ingekomen 1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof op 27 september 2007. Verschenen zijn namens klaagster mw. T.I. Jager en de gemachtigde alsmede de gerechtsdeurwaarder en zijn gemachtigde. Allen hebben het woord gevoerd. 2. De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de behandeling van de zaak in eerste aanleg, alsmede van de hiervoor vermelde stukken. 3. De feiten Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat. 4. Het standpunt van klaagster 4.1. Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij niet verantwoordelijk is voor de door hem zonder enig overleg met klaagster ingeschakelde gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder had de opdracht aan klaagster kunnen teruggeven en haar rechtstreeks naar een gerechtsdeurwaarder kunnen verwijzen. Nu hijzelf de zaak naar een collega heeft verwezen blijft hij jegens klaagster aansprakelijk. Klaagster acht het buitengewoon verwijtbaar dat de gerechtsdeurwaarder zijn aansprakelijkheid ontkent en zich ervan af heeft gemaakt door haar te verwijzen naar het Ministerie van Justitie. 4.2. Op grond van het voorgaande had de gerechtsdeurwaarder er op moeten toezien dat de geïncasseerde gelden op zijn eigen kwaliteitsrekening werden gestort. Door dat niet te doen is de gerechtsdeurwaarder tekort geschoten in zijn verplichtingen jegens klaagster in die zin dat hij erop had moeten toezien dat de zaak financieel met klaagster werd afgewikkeld. 4.3. De gerechtsdeurwaarder heeft in strijd met zijn informatieplicht sinds medio 2004 niets meer van zich laten horen en heeft nooit tussentijds afgerekend. 4.4. De gerechtsdeurwaarder heeft onnodig kosten gemaakt door het inschakelen van een collega gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder kon op grond van de Gerechtsdeurwaarderswet zelf overal beslag leggen. 4.5. De gerechtsdeurwaarder heeft - meer algemeen - zijn taak niet naar behoren verricht. 4.6. Voor het eerst in hoger beroep verwijt klaagster de gerechtsdeurwaarder dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld in financiële aangelegen. Zo heeft de gerechtsdeurwaarder niet aangegeven welke tarieven hij hanteert. 5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder 5.1. De gerechtsdeurwaarder betwist de stellingen van klaagster gedeeltelijk en verweert zich als volgt. 5.2. De gerechtsdeurwaarder brengt naar voren dat hij in opdracht van klaagster meerdere incassoprocedures heeft gevoerd, ook elders in het land, zonder dat klaagster had aangegeven dat voor het inschakelen van een collega vooroverleg met klaagster gevoerd diende te worden. De zaak waarover nu wordt geklaagd is al op 6 november 2001 ter dagvaarding aan het Amsterdamse gerechtsdeurwaarderkantoor Touber, Van der Velden en Kassies, verder TVK, gezonden. Hiervan heeft de gerechtsdeurwaarder aan klaagster mededeling gedaan bij zijn brief van 13 november 2001. Niets wees er op dat TVK vier jaren later failliet zou worden verklaard. Ten aanzien van de aansprakelijkheid heeft de gerechtsdeurwaarder voorgesteld de afwikkeling van de zaak af te wachten omdat het altijd mogelijk is een claim ex artikel 480 lid 3 Rv neer te leggen bij de Staat der Nederlanden. 5.3. De gerechtsdeurwaarder heeft voorts betoogd dat de gerechtsdeurwaarder die beslag heeft gelegd, degene is die de gelden voortvloeiend uit het beslag incasseert. De gerechtsdeurwaarder acht het in dat verband dan ook onterecht dat hij er op had moeten toezien dat de gelden op zijn derdenrekening werden gestort. De gerechtsdeurwaarder heeft erkend dat de waarnemend gerechtsdeurwaarder bij brief heeft opgegeven dat er ten behoeve van klaagster € 2.892,63 is betaald en dat hij nog niet tot afdracht aan klaagster is overgegaan. 5.4. Ook wijst de gerechtsdeurwaarder het klachtonderdeel met betrekking tot het niet nader informeren van klaagster ten aanzien van de stand van zaken van de hand. De gerechtsdeurwaarder heeft klaagster regelmatig geïnformeerd over de stand van zaken. Klaagster heeft hiertoe zelf stukken overgelegd waaruit dat blijkt. 5.5. Ten slotte wijst de gerechtsdeurwaarder er op dat er door het inschakelen van TVK geen onnodige kosten ten laste van klaagster zijn gemaakt aangezien er slecht handelingen zijn verricht die op grond van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders, verder Btag, volledig aan de schuldenaar kunnen worden doorberekend. Door hem zijn er bovendien niet te veel kosten in rekening gebracht. 6. De beoordeling 6.1. In zijn algemeenheid kan het hof geen kennis nemen van verzoeken die voor het eerst in hoger beroep naar voren worden gebracht. Nu klaagster haar verzoek met betrekking tot het onzorgvuldig handelen in financiële aangelegenheden, in het bijzonder met betrekking tot het niet vastleggen van het tarief dat de gerechtsdeurwaarder zou hanteren, voor het eerst in hoger beroep heeft gedaan, zal het hof om die reden niet tot behandeling van dit verzoek over gaan. 6.2. Het hof zal de klachten zoals genoemd in de rubrieken 4.1. en 4.3. gezamenlijk behandelen omdat zij op dezelfde materie betrekking hebben. Het hof is van oordeel dat het gegeven dat de gerechtsdeurwaarder bevoegd is tot het verrichten van ambtshandelingen op het grondgebied van Nederland niet inhoudt dat hij verplicht is een opdracht tot het verrichten van die handelingen persoonlijk uit te voeren en dat het hem niet zou zijn toegestaan daarvoor een collega in te schakelen. Het is zeker niet ongebruikelijk dat het verrichten van ambtshandelingen buiten de vestigingsplaats en de naaste omgeving daarvan aan een collega-gerechtsdeurwaarder wordt uitbesteed. Expliciete toestemming van de opdrachtgever daarvoor is dan ook in beginsel niet noodzakelijk. Tijdens het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder de aansprakelijkheid ten aanzien van het inschakelen van TVK heeft erkend en heeft toegezegd de schadeprocedure te zullen begeleiden. Ten slotte is het hof van oordeel met betrekking tot de informatieplicht dat de gerechtsdeurwaarder hierin niet is te kort geschoten. Blijkens de in het hoger beroep overgelegde stukken is klaagster regelmatig door de gerechtsdeurwaarder geïnformeerd hoe de stand van zaken was. Daarbij heeft klaagster ter zitting niet het standpunt van de gerechtsdeurwaarder betwist dat klaagster nooit bij gerechtsdeurwaarder naar de stand van zaken informeerde. Gelet op het vorenstaande zijn deze klachtonderdelen ongegrond. 6.3. Het hof is van oordeel dat het standpunt van de gerechtsdeurwaarder ten aanzien van de op grond van het gelegde executoriaal beslag ingehouden gelden juist is. Deze gelden dienen op grond van de wet (art. 477 Rv.) uitbetaald te worden aan de beslagleggende gerechtsdeurwaarder. Ten aanzien van de afdracht van de aan klaagster toekomende gelden is het hof van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder gelet op het bepaalde in artikel 7 lid a. van de Administratieverordening gerechtsdeurwaarder dat voor zover van belang luidt: “De gerechtsdeurwaarder zorgt er voor dat maatregelen worden genomen die waarborgen dat: a. het juiste bedrag tijdig aan de rechthebbende wordt uitgekeerd.” onjuist heeft gehandeld. Vaststaat dat op 9 mei 2006 de gerechtsdeurwaarder een bedrag onder zich had ten behoeve van klaagster ad € 1.000,= en dat hiervan geen afdracht heeft plaatsgevonden. De gerechtsdeurwaarder had dit bedrag ontvangen, nadat de beslagleggend deurwaarder zijn kosten reeds in mindering had gebracht. Op 5 juli 2006 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster de toezegging gedaan € 500,= aan haar over te maken. Die toezegging heeft de gerechtsdeurwaarder niet gestand gedaan, omdat zijn inziens geen rechtsgrond tot betaling bestond, nu op grond van het vonnis van de kantonrechter er onvoldoende middelen aanwezig waren – na aftrek van de kosten - om tot betaling over te gaan. Blijkens de toelichting [Staatscourant 12 juli 2001, nr. 132/pag. 10], op het eerder vermelde artikel geldt in het algemeen dat binnen 1 tot 2 weken na ontvangst van de gelden aan de opdrachtgever betaald zal dienen te worden. De gerechtsdeurwaarder kan binnen een andere termijn betalen, indien dit met de opdrachtgever is overeengekomen. In de onderhavige zaak is dit niet het geval. Van de aftrek van de kosten wordt geen gewag gemaakt, zodat het hof het ervoor houdt dat de gerechtsdeurwaarder tot afdracht had dienen over te gaan. Ter zitting is gebleken dat er nog geen afdracht heeft plaats gevonden, hetgeen de gerechtsdeurwaarder wordt verweten. Dit klachtonderdeel is dan ook op dit punt gegrond. 6.4. Het klachtonderdeel ten aanzien van de vermeend onnodig gemaakte kosten door het inschakelen van een collega-gerechtsdeurwaarder treft geen doel. Niet is gebleken dat er onnodige kosten zijn gemaakt. Blijkens de stukken heeft TVK slechts ambtshandelingen verricht die op grond van de Btag aan de schuldenaar worden door berekend en klaagster dus niet raken. Dit klachtonderdeel is ongegrond. 6.5. Met de kamer is het hof van oordeel dat de klacht dat de gerechtdeurwaarder zijn taak het niet naar behoren zou hebben verricht een samenvatting is van de overige klachtonderdelen en daarom een zelfstandige betekenis ontbeert. 6.6. Nu het hof de klacht in rubriek 6.2. ongegrond heeft bevonden en de klacht onder 6.3. op andere gronden dan die van de kamer gegrond heeft bevonden, zal het hof de beslissing van de kamer vernietigen. Het hof acht het handelen van de gerechtsdeurwaarder laakbaar en wel in die mate dat een maatregel passend en geboden is. Het hof zal de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping opleggen. 6.7. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven. 6.8. Dit leidt tot de volgende beslissing. 7. De beslissing Het hof: - vernietigt de bestreden beslissing, behoudens de daarin vervatte vaststelling van de feiten, en opnieuw rechtdoende: - verklaart het klachtonderdeel 6.3. gedeeltelijk gegrond; - verklaart de klacht voor het overige ongegrond; - legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op. Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, P.J.N. van Os en L.J. Saarloos in het openbaar uitgesproken op donderdag 22 november 2007 door de rolraadsheer. Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam Beschikking van 27 februari 2007 als bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet in de zaak met nummer 359.2006 van: [ ] gevestigd te[ ], klaagster, gemachtigde: [ ], tegen: [ ], gerechtsdeurwaarder te [ ], beklaagde. Verloop van de procedure Bij brief van 14 augustus 2006 heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder. Bij brief van 11 oktober 2006 heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend. De klacht is behandeld ter zitting van 16 januari 2007 alwaar klaagster, [ ] namens de gemachtigde van klaagster en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 27 februari 2007. 1. De feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.