rolnummer 1353/06 22 november 2007 GERECHTSHOF TE AMSTERDAM MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER ARREST in de zaak van: 1. [ APPELLANTE 1 ], wonende te [ H ], 2. [ APPELLANTE 2 ], wonende te [A ], APPELLANTEN in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep, procureur: mr. C.B.M. Scholten van Aschat, t e g e n [ GEÏNTIMEERDE ], wonende te [ E ], gemeente [ B ], GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep, appellant in incidenteel hoger beroep, procureur: mr. J.M. Bakx-van den Anker. Partijen worden hierna [ Appellanten ]en [ Geïntimeerde ] genoemd, [ Appellanten ] worden individueel als [ Appellante 1 ]en [ Appellante 2 ]aangeduid. 1. Het geding in hoger beroep [ Appellanten ] zijn bij exploot van 1 augustus 2006 in hoger beroep gekomen van drie vonnissen die door de rechtbank te Alkmaar onder zaak- en rolnummer 71922/HA ZA 04-262 tussen partijen zijn gewezen en die zijn uitgesproken op 23 februari 2005, 13 juli 2005 en 10 mei 2006, met dagvaarding van [ Geïntimeerde ] voor dit hof. [ Appellanten ] hebben bij memorie tien grieven aangevoerd, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zakelijk, de (conventionele) vorderingen van [Appellanten] alsnog integraal zal toewijzen en de (reconventionele) vorderingen van [ Geïntimeerde ] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [ Geïntimeerde ] in de kosten van het geding in beide instanties. [ Geïntimeerde ] heeft daarop geantwoord, in incidenteel hoger beroep drie grieven tegen het voormelde vonnis van 10 mei 2006 aangevoerd, producties overgelegd, bewijs aangeboden en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het principaal hoger beroep zal verwerpen en - in het incidenteel hoger beroep - het bestreden vonnis zal vernietigen ten aanzien van de beslissingen inzake de proceskosten en de kosten van de deskundige en, in zoverre opnieuw rechtdoende, [ Appellanten ]zal veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg en [ Geïntimeerde ] zal veroordelen [ Appellanten ]ter zake van de kosten van de deskundige een bedrag van € 892,50 (in plaats van de opgelegde € 1.338,75) te voldoen, alles met veroordeling van [ Appellanten ]in de kosten van het principaal hoger beroep en van het incidenteel hoger beroep. [ Appellanten ]hebben vervolgens de grieven van [ Geïntimeerde ] bestreden en geconcludeerd, zakelijk, tot verwerping van het incidenteel hoger beroep. Ten slotte hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt. 2. De grieven Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de desbetreffende memories. 3. De feiten De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 23 februari 2005, rechtsoverweging 2, onder a tot en met e, een aantal feiten vastgesteld. De juistheid van deze feiten is niet in geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. 4. De beoordeling 4.1. Deze zaak betreft de afwikkeling van de nalatenschap van Elisabeth Maria Edelenbos, overleden op 27 september 2001 (verder: erflaatster). [ Appellanten ] zijn de beide dochters van erflaatster uit haar eerste huwelijk, [ Geïntimeerde ] is de (tweede) echtgenoot van erflaatster en haar weduwnaar. 4.2. Partijen hebben over en weer een aantal vorderingen ingesteld. Bij het bestreden eindvonnis van 10 mei 2006 (verder: het eindvonnis) heeft de rechtbank in conventie de vorderingen van [ Appellanten ], op een in hoger beroep niet meer aan de orde zijnde kwestie na, afgewezen en in reconventie, kort gezegd: 1) [ Appellanten ] veroordeeld mee te werken aan de afgifte van het hierna nader te bespreken legaat inhoudende het zakelijk recht van gebruik en bewoning van het woonhuis c.a. aan de [ R ] 38 te [ E ] (verder: de woning), 2) [ Appellanten ] veroordeeld mee te werken aan de afgifte van het (resterende) (bloot) eigendomsrecht van de woning, onder gehoudenheid van [ Geïntimeerde ] de daarop rustende hypotheekschuld over te nemen en als eigen schuld te voldoen en, voorts, aan [ Appellanten ] te voldoen een bedrag van € 30.607,55, 3) bepaald dat indien [ Appellanten ] of een van hen na betekening van het vonnis weigerachtig blijft aan de veroordeling onder 1) te voldoen, het vonnis in de plaats treedt van die rechtshandelingen die [ Appellanten ] ter uitvoering van die veroordeling dienen te verrichten. Het meer of anders gevorderde wees de rechtbank af. Zij compenseerde de kosten van het geding in conventie en in reconventie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt, met dien verstande dat [ Geïntimeerde ] ter zake van de kosten van de deskundige een bedrag van € 1.338,75 aan [ Appellanten ] diende te voldoen. 4.3. In zijn memorie van antwoord, sub 5, voert [ Geïntimeerde ] aan dat [ Appellanten ] niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep, voorzover gericht tegen de zojuist onder 3) genoemde bepaling, kort gezegd, omdat [ Appellanten ]het door hen ingestelde hoger beroep niet binnen acht dagen hebben doen inschrijven in het rechtsmiddelenregister (artikel 301 lid 2 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek). 4.4. Dit beroep wordt verworpen. [ Geïntimeerde ] heeft bij memorie van antwoord, sub 4, gesteld dat [ Appellanten ] aan het vonnis hebben voldaan. Hieruit volgt – naar de eigen stelling van [ Geïntimeerde ] - dat het vonnis niet op de voet van art. 3:301 lid 1 BW in de openbare registers behoeft te worden ingeschreven. In die situatie mist art. 3:301 lid 2 BW toepassing. 4.5. In overweging 4.3 van het tussenvonnis van 23 februari 2005 heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de subsidiaire vordering van [ Appellanten ]– strekkende tot de uitkering aan [ Appellanten ] van hun legitieme porties – moet worden afgewezen, omdat [ Appellanten ] in de door hen op 17 oktober 2001 ondertekende boedelvolmacht hebben verklaard zich tegen de bepalingen in het testament van erflaatster (van 29 augustus 1997) niet met een beroep op enige wetsbepaling te zullen verzetten. 4.6. Tegen dit oordeel komen [ Appellanten ] op met grief 4 in het principaal appel. Zij erkennen weliswaar dat in de door hen ondertekende boedelvolmacht is opgenomen dat zij zich niet tegen het testament zullen verzetten, maar betogen met een beroep op het bepaalde in art. 3:33 BW, kort gezegd, dat hun wil niet was gericht op het eenzijdig afstand doen van een beroep op de legitieme portie in het geval zij minder zouden ontvangen dan hun wettelijk kindsdeel. Volgens hen mag [ Geïntimeerde ] zich niet op de desbetreffende verklaring beroepen, omdat zij hem, onmiddellijk toen hun duidelijk werd welke consequenties hij aan het testament wilde verbinden, onmiskenbaar hebben aangegeven daarmee niet akkoord te gaan. 4.7. De grief faalt. [ Appellanten ] hebben in de door hen op 17 oktober 2001 ondertekende boedelvolmacht verklaard “zich niet met een beroep op enige wetsbepaling tegen de bepalingen in de gemelde uiterste wil (het testament van erflaatster; hof) gemaakt, te zullen verzetten”. Deze verklaring kan, omdat zij zonder enig voorbehoud is gedaan, niet anders worden uitgelegd dan dat [ Appellanten ] gaaf en onvoorwaardelijk in het testament berustten. In dit verband wijst het hof op de door [ de Notaris ] op 19 oktober 2001 opgestelde verklaring van erfrecht, waarin de desbetreffende verklaring (terecht) als berusting-verklaring is aangeduid. [ Appellanten ] hebben onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat de door hen op 17 oktober 2001 ondertekende verklaring niet berustte op een dienovereenkomstige wil. Voor het geval de verklaring van 17 oktober 2001 al zou moeten worden aangemerkt als tot [ Geïntimeerde ] te zijn gericht, geldt bovendien dat [ Appellanten ] onvoldoende hebben gesteld om te kunnen aannemen dat [ Geïntimeerde ] haar (toen) niet als een (onvoorwaardelijke) berusting-verklaring heeft mogen opvatten. Dat [ Appellanten ] [ Geïntimeerde ] later duidelijk hebben gemaakt (alsnog) niet akkoord te zijn met het testament, althans met de door hem voorgestane uitwerking daarvan, doet daaraan niet af. 4.8. Bij deze stand van zaken behoeft geen bespreking meer het eveneens in overweging 4.3 van het vonnis van 23 februari 2005 neergelegde, ook met grief 4 door [ Appellanten ] bestreden, oordeel van de rechtbank dat te dezen geen sprake is van een schenking die voor de legitieme in aanmerking komt, omdat de legaten zijn opgesteld ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis. 4.9. De kern van het geding betreft het volgende. Bij testament van 29 augustus 1997 heeft erflaatster [ Geïntimeerde ] twee legaten toegekend, te weten: 1) “het recht om uit mijn nalatenschap over te nemen al zodanige goederen als hij ([ Geïntimeerde ]; hof) mocht verkiezen, zulks tegen inbreng in mijn nalatenschap van de waarde van die goederen (...)”, 2) “de zakelijke rechten van gebruik en bewoning van mijn woonhuis (...) aan de Ruygekroft 38 te Egmond-Binnen (...); onder bepaling dat deze zakelijke rechten van gebruik en bewoning zullen ingaan op de dag van mijn overlijden en zullen eindigen bij het overlijden van mijn genoemde echtgenoot ([ Geïntimeerde ]; hof) danwel wanneer hij de woning metterwoon verlaat (...)”. [ Geïntimeerde ] heeft beide legaten (voor wat betreft het legaat onder 1: ten aanzien van de woning) aanvaard Tussen partijen is in geschil wat [ Geïntimeerde ] in de nalatenschap dient in te brengen ter zake van de waarde van het legaat onder 1, voorzover betrekking hebbend op de woning (verder: het keuzelegaat). In dit verband strijden partijen in het bijzonder over de uitleg van het testament en de waardering van de beide legaten. Bij dit laatste zijn dan weer diverse (sub)discussiepunten aan de orde, zoals de vraag per welke datum de woning en het keuzelegaat dienen te worden gewaardeerd, of partijen overeenstemming hebben bereikt ten aanzien van de verkoopwaarde van de woning in vrije en onbewoonde staat op de sterfdatum van erflaatster, en wat de juiste maatstaf is voor de waardering van het keuzelegaat. 4.10. Na bij de tussenvonnissen van 23 februari 2005 en 13 juli 2005 een (tweede) comparitie van partijen respectievelijk een deskundigenbericht te hebben gelast, heeft de rechtbank bij het eindvonnis van 10 mei 2006 de waarde van het keuzelegaat ten aanzien van de woning vastgesteld op € 159.500,= en bepaald dat [ Geïntimeerde ] te dier zake € 60.995,32 aan [ Appellanten ] diende uit te keren. Zij hield daarbij rekening met de door [ Geïntimeerde ] over te nemen hypothecaire geldlening van € 68.067,03 en het feit dat [ Geïntimeerde ] (als erfgenaam) recht heeft op 1/3 van de aldus vastgestelde inbrengverplichting van € 91.432,97 (€ 159.500,= minus € 68.067,03). In het nu volgende komen, voorzover in hoger beroep van belang, de overwegingen van de rechtbank aan de orde die tot deze beslissing hebben geleid en waartegen [ Appellanten ] opkomen. 4.11. De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat niet gezegd kan woorden dat de bewoordingen van het testament, als onder 4.9 geciteerd, onduidelijk zijn (geen duidelijke zin hebben). Omdat [ Geïntimeerde ] het legaat onder 2 (het zakelijk recht van gebruik en bewoning) niet heeft verworpen, moet er van worden uitgegaan dat hij dat heeft verkregen, zij het dat het nog aan hem moet worden afgegeven door levering (vestiging). [ Geïntimeerde ] behoeft daarvoor niets in de nalaten-schap in te brengen. Na afgifte van dat legaat behoort (slechts) het bloot eigendomsrecht van de woning mede tot de nalatenschap. Op grond van het keuzelegaat is [ Geïntimeerde ] gerechtigd laatstbedoeld recht - onder inbreng van de waarde daarvan in de nalatenschap - over te nemen. Dit betekent, aldus nog steeds de rechtbank, dat de waarde van het recht van gebruik en bewoning en de waarde van het (resterend) bloot eigendomsrecht apart moeten worden vastgesteld. [ Geïntimeerde ] mag het bloot eigendomsrecht van de woning overnemen tegen de vrije verkoopwaarde van de woning, verminderd met de waarde van het recht van gebruik en bewoning. Dat daarmee het recht van gebruik en bewoning en het bloot eigendomsrecht in één hand komen (waardoor aan de vestiging van eerstgenoemd recht niet wordt toegekomen) doet hieraan niet af (alles: overweging 4.2 van het tussen-vonnis van 23 februari 2005). 4.12. Tegen dit (samengestelde) oordeel komen [ Appellanten ]op met grief 1 in het principaal hoger beroep. [ Appellanten ] betogen, kort gezegd, dat het testament onduidelijk is ten aanzien van de vraag of het [ Geïntimeerde ] de mogelijkheid biedt om beide legaten (ten aanzien van de woning) te aanvaarden met het door de rechtbank aangegeven gevolg als zojuist vermeld. Het is [ Geïntimeerde ] om de volle eigendom van de woning te doen. Omdat het recht van gebruik en bewoning feitelijk niet behoeft te worden gevestigd, dient [ Geïntimeerde ] de volle waarde van de woning in de nalatenschap in te brengen. Anders misbruikt hij als het ware het legaat van het recht van gebruik en bewoning om de volle eigendom van de woning goedkoop te verkrijgen. De door de rechtbank (in navolging van [ Geïntimeerde ]) gevolgde redenering leidt tot een aanzienlijke bevoordeling van [ Geïntimeerde ] boven [ Appellanten ] en dat is niet de bedoeling van erflaatster geweest. In dit verband wijzen [ Appellanten ] er - met een verwijzing naar hun stellingen uit de eerste aanleg - op dat erflaatster in juli 2001 samen met [ Geïntimeerde ] nog naar de notaris is geweest en [ Appellanten ] hierover heeft verteld dat zij zeker wilde zijn dat haar beide kinderen (Appellanten) en [ Geïntimeerde ] ieder eenderde deel van de nalatenschap zouden krijgen. 4.13. Het hof verwerpt de grief omdat het ermee bestreden oordeel van de rechtbank juist is, evenals de gronden waarop dat oordeel berust. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat niet is gesteld of gebleken dat de rechtbank bij haar uitleg van het testament onvoldoende heeft gelet op de verhoudingen die het testament kennelijk wenste te regelen en op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt (art. 4:46 lid 1 BW). Omdat de bewoordingen van het testament, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, in het licht van de omstandigheden waaronder het is gemaakt, duidelijk zijn (voldoende duidelijke zin hebben), kan geen betekenis worden toegekend aan daden of verklaringen van erflaatster "buiten de uiterste wil" in de zin van art. 4:46 lid 2 BW, zoals het door [ Appellanten ] gestelde over wat erflaatster hun heeft verteld over haar bezoek aan de notaris in juli 2001. Overigens betwist [ Geïntimeerde ] gemotiveerd wat [ Appellanten ] hieromtrent hebben gesteld en hebben [ Appellanten ] op dit punt niet een voldoende concreet en specifiek bewijsaanbod gedaan. 4.14. Vervolgens heeft de rechtbank (eveneens in overweging 4.2 van het tussenvonnis van 23 februari 2005), kort gezegd, geoordeeld dat met het oog op de inbrengverplich-ting van [ Geïntimeerde ] in aanmerking moet worden genomen de waarde van het keuzelegaat ten tijde van het overlijden van erflaatster, 27 september 2001 en dat zich geen bijzondere omstandigheden (in overwegende mate gelegen) aan de zijde van [ Geïntimeerde ] voordoen die zich daartegen verzetten. 4.15. Met grief 2 in het principaal hoger beroep komen [ Appellanten ] hiertegen op. Zij betogen dat [ Geïntimeerde ] zeer lange tijd onduidelijkheid heeft laten bestaan over de aanvaarding van de legaten en pas bij conclusie van eis in reconventie (28 april 2004; hof) daadwerkelijk de afgifte daarvan heeft gevorderd. Dit enorme tijdsverloop vormt, zo betogen zij, een bijzondere omstandigheid die zich ertegen verzet dat het keuzelegaat per de sterfdatum van erflaatster moet worden gewaardeerd. Subsidiair stellen [ Appellanten ] dat hun vanwege de inmiddels verstreken periode een rentevergoeding toekomt. 4.16. Ten aanzien van de waarde van het keuzelegaat overweegt het hof als volgt. Anders dan [ Geïntimeerde ] betoogt, volgt uit zijn ondertekening van de verklaring van aanvaarding van 15 oktober 2001, volgens welke hij de nalatenschap van erflaatster zuiver aanvaardt, niet dat hij daarmee tevens het keuzelegaat (ten aanzien van de woning) aanvaardde. [ Geïntimeerde ] moge bij brief van 19 maart 2002 kandidaat-notaris [ de kandidaat-notaris ] van notariskantoor [ de Notaris ] te [ plaatsnaam ] hebben laten weten dat hij de legaten "uiteraard" aanvaardt, [ kandidaat-notaris ] heeft [ Appellante 2 ] bij brief van 27 mei 2003 laten weten dat [ Geïntimeerde ] de legaten heeft aanvaard "voor zover dit financieel haalbaar is". Deze laatste brief kan, zonder nadere toelichting, die vooralsnog ontbreekt, niet anders kan worden gelezen dan dat [ Geïntimeerde ] het keuzelegaat (ten aanzien van de woning) toen nog niet (onvoorwaardelijk) had aanvaard. Dat deze brief, zoals [ Geïntimeerde ] stelt (memorie van antwoord, sub 24) "met name betrekking heeft op de financiering van de door [ Geïntimeerde ] over te nemen hypotheekschuld en de inbreng van de waarde van het bloot eigendomsrecht van de woning" doet daaraan niet af, terwijl vooralsnog evenmin kan worden aangenomen dat de brief "wat ongelukkig (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.