GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Eerste Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van de besloten vennootschap X B.V. te Z, belanghebbende, tegen vier uitspraken van het hoofd van de afdeling Belastingen en Verzekeringen van de gemeente P, de heffingsambtenaar. 1. Loop van het geding 1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 4 januari 2005, namens haar ingediend door mr. A, advocaat te Q, de gemachtigde. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van de gemachtigde van 16 februari 2005, ter griffie ingekomen op 18 februari 2005. Het beroep is gericht tegen vier uitspraken van de heffingsambtenaar, alle gedagtekend 30 november 2004, betreffende aan belanghebbende opgelegde aanslagen in de brandweerrechten. 1.2. Aan belanghebbende zijn bij aanslagbiljet met dagtekening 2 april 2004 twee aanslagen in de brandweerrechten opgelegd ter zake van het verrichten van diensten door de brandweer op 18 februari 2004. De aanslagen bedragen in totaal € 250,77. Het bezwaar tegen deze aanslagen is bij uitspraak van 30 november 2004, dossiernr. 16372, niet-ontvankelijk verklaard. 1.3. Aan belanghebbende zijn bij aanslagbiljet met dagtekening 27 juli 2004 steeds twee aanslagen in de brandweerrechten opgelegd ter zake van het verrichten van diensten door de brandweer op onderscheidenlijk 24 mei, 25 juni, 2 juli en 8 juli 2004. De aanslagen bedragen ter zake van de dienstverlening op 24 mei, 25 juni en 8 juli 2004 steeds in totaal € 250,77 en ter zake van de dienstverlening op 2 juli 2004 in totaal € 290,61. Het bezwaar tegen deze aanslagen is bij uitspraak van 30 november 2004, dossiernr. 16374, ongegrond verklaard. 1.4. Aan belanghebbende zijn bij aanslagbiljet met dagtekening 5 oktober 2004 twee aanslagen in de brandweerrechten opgelegd ter zake van het verrichten van diensten door de brandweer op 23 augustus 2004. De aanslagen bedragen in totaal € 290,61. Het bezwaar tegen deze aanslagen is bij uitspraak van 30 november 2004, dossiernr. 19095, ongegrond verklaard. 1.5. Aan belanghebbende zijn bij aanslagbiljet met dagtekening 3 november 2004 twee aanslagen in de brandweerrechten opgelegd ter zake van het verrichten van diensten door de brandweer op 21 oktober 2004. De aanslagen bedragen in totaal € 290,61. Het bezwaar tegen deze aanslagen is bij uitspraak van 30 november 2004, dossiernr. 19221, ongegrond verklaard. 1.6. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraken van de heffingsambtenaar en van de aanslagen. 1.7. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Hij concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraken. 1.8. Bij brief van 25 november 2005 heeft de gemachtigde nadere stukken ingediend. De griffier heeft kopieën van deze stukken naar de wederpartij gezonden. 1.9. Het beroep is behandeld ter zitting van 10 februari 2006. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met deze uitspraak wordt meegezonden. Het Hof rekent de ter zitting overgelegde stukken tot de gedingstukken. 1.10. Bij brief van 14 juli 2006 heeft de griffier de heffingsambtenaar verzocht schriftelijk inlichtingen te verstrekken. De heffingsambtenaar heeft hierop geantwoord bij brief van 29 september 2006. De griffier heeft een kopie van dit antwoord aan de gemachtigde gezonden, die daarop heeft gereageerd bij brief van 15 november 2006. 1.11. Bij brief van 17 november 2006 heeft de griffier de onder 1.10 bedoelde reactie van de gemachtigde aan de heffingsambtenaar gezonden. Bij dezelfde brief en bij een brief van dezelfde datum aan de gemachtigde heeft de griffier partijen verzocht te berichten of zij een nadere mondelinge behandeling wensten. Bij brief van 30 november 2006 heeft de heffingsambtenaar medegedeeld geen aanleiding te zien tot een nieuwe zitting. In deze brief is hij voorts nog ingegaan op de zojuist vermelde reactie van de gemachtigde. De gemachtigde heeft bij brief van 6 december 2006 bericht geen behoefte te hebben aan een nadere mondelinge behandeling. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende houdt zich bezig met het per ambulance vervoeren van zieken en gewonden. Tot deze werkzaamheden behoort het uit woningen of bedrijfspanden ophalen en vervolgens per ambulance afvoeren van patiënten. 2.2. Op de dagen, genoemd op de onder 1.2 tot en met 1.5 vermelde aanslagbiljetten, heeft de brandweer van de gemeente P op verzoek diensten verricht bij het uit woningen of bedrijfspanden ophalen van patiënten. Deze diensten bestonden uit het beschikbaar stellen van een zogenoemde hoogwerker en van brandweerpersoneel. Ter zake hiervan zijn aan belanghebbende de in geschil zijnde aanslagen opgelegd. 3. Toepasselijke regelgeving 3.1. In de gemeente P gold in 2004 de Verordening brandweerrechten P 2004 (hierna: de Verordening), welke is vastgesteld bij besluit van de raad van die gemeente van 13 november 2003. De Verordening is op 18 december 2003 bekendgemaakt in het Gemeenteblad en het R-blad. 3.2. De Verordening luidt, voorzover hier van belang, als volgt: “Artikel 1 Aard van de heffing en belastbaar feit 1. Voor het door de brandweer verlenen van diensten, anders dan in geval van brand- en rampenbestrijding en het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen, worden onder de naam brandweerrechten rechten geheven ter zake van: a. het gebruik overeenkomstig de bestemming van de voor de openbare dienst bestemde bezittingen van de gemeentelijke brandweer of van de voor de openbare dienst bestemde werken en inrichtingen die bij de gemeentelijke brandweer in beheer en/of onderhoud zijn; b. het genot van door de gemeentelijke brandweer verstrekte diensten. 2. Geen rechten als bedoeld in het eerste lid worden geheven ter zake van: (…) e. het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand; (…). Artikel 2 Belastingplicht Belastingplichtig is de aanvrager van het gebruik of de diensten omschreven in artikel 1, dan wel degene te wiens behoeve het gebruik of de diensten worden aangevraagd. Artikel 3 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: (…) c. overwerk: het verrichten van werkzaamheden op maandag t/m vrijdag vóór 07.30 uur en ná 16.15 uur, op zaterdag, zondag en algemeen erkende feestdagen. Artikel 5 Berekening van de rechten 1. De rechten worden geheven naar de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. (…).” 3.3. De in artikel 5, eerste lid, van de Verordening bedoelde tarieventabel luidt, voorzover hier van belang, als volgt: “A. Bewakings- en andere diensten Voor het verrichten van: 1. bewakingsdiensten: (…) 2. andere diensten: a. per daartoe ingezet personeelslid per uur € 26,56 b. per daartoe ingezet personeelslid op tijden genoemd in artikel 3, onder c per uur € 39,84 B. Ter beschikking stellen rollend materieel (…) 2. Hoogwerker per uur € 171,09 (…) Voor het onder punt (…) 2 (…) genoemd materieel worden minimaal drie personeelsleden ingezet. (…) De onder B genoemde rechten worden hiervoor met de onder A genoemde rechten verhoogd.” 4. Geschil 4.1. Tussen partijen is in geschil a. of bij de onder 1.2 vermelde uitspraak het bezwaar tegen de desbetreffende aanslagen terecht niet-ontvankelijk is verklaard; b. of belanghebbende ter zake van de onderhavige diensten van de gemeentelijke brandweer als belastingplichtige kan worden aangemerkt; en c. of ter zake van de onderhavige diensten terecht leges zijn geheven. De heffings-ambtenaar stelt zich op het standpunt dat die diensten liggen buiten het terrein van het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen bij ongevallen anders dan bij brand en dat zij rechtstreeks en in overheersende mate zijn verricht ten behoeve van een individualiseerbaar belang, hetgeen belanghebbende bestrijdt. 4.2. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard geen formele verweren meer te voeren en derhalve ook af te zien van de stelling dat in de bezwaarfase de hoorplicht zou zijn geschonden. In zoverre bestaat tussen partijen dus geen geschil meer. 5. Standpunten van partijen 5.1. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken, waaronder het met deze uitspraak meegezonden afschrift van het proces-verbaal van de zitting. 5.2. Het Hof neemt geen kennis van de inhoud van de onder 1.11 vermelde brief van 30 november 2006, voorzover de heffingsambtenaar daarin nader ingaat op de stellingen van belanghebbende. De griffier heeft bij zijn brief van 17 november 2006 de heffingsambtenaar immers niet in de gelegenheid gesteld om nader op die stellingen te reageren. Desgewenst had de heffingsambtenaar daartoe gebruik kunnen maken van de geboden mogelijkheid van een nader onderzoek ter zitting. 6. Beoordeling van het geschil 6.1. Wegens het verrichten van diensten door de brandweer op 18 februari 2004 zijn aan belanghebbende twee aanslagen in de brandweerrechten opgelegd, verenigd op één aanslagbiljet met dagtekening 2 april 2004. Niet gesteld of gebleken is dat de dag van die dagtekening was gelegen vóór de dag van de bekendmaking van deze aanslagen. Een kantoorgenoot van de gemachtigde heeft namens belanghebbende tegen de aanslagen bezwaar gemaakt door middel van een bezwaarschrift met dagtekening 7 september 2004, dat op 8 september 2004 bij de gemeente P is ingekomen. Het bezwaarschrift is derhalve niet ingediend binnen de daarvoor bij artikel 6:7 juncto artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in verbinding met artikel 22j, aanhef en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gestelde termijn van zes weken. 6.2. De zojuist bedoelde termijn is dwingend voorgeschreven. Het staat de belastingrechter niet vrij daarvan af te wijken, tenzij er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Belanghebbende voert in dit verband aan dat het voor haar niet duidelijk was dat binnen zes weken bezwaar moest worden gemaakt. De heffingsambtenaar heeft dit weersproken en daartoe ter zitting de op de achterzijde van het aanslagbiljet gestelde toelichting getoond waarin deze termijn is vermeld. Gelet hierop kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat belanghebbende of de indiener van het bezwaarschrift niet in verzuim zijn geweest wat betreft het in acht nemen van de bezwaartermijn. Hieraan doet niet af dat (het kantoor van) de gemachtigde pas in september 2004 bij de zaak betrokken is geraakt of dat de gemeente P met belanghebbende en de brandweerkorpsen uit de regio in 2004 overleg heeft gevoerd over het inzetten van de brandweer bij het ophalen van patiënten. Gelet op het voorgaande is bij de onder 1.2 vermelde uitspraak het bezwaar tegen de desbetreffende aanslagen terecht niet-ontvankelijk verklaard, zodat ten aanzien van het eerste geschilpunt het gelijk is aan de heffingsambtenaar. 6.3. Belanghebbende stelt dat ter zake van de onder 2.2 bedoelde diensten van de gemeentelijke brandweer niet zij de belastingplichtige is, maar de patiënt ten behoeve van wie deze diensten zijn verricht, dan wel de Centrale Post Ambulancevervoer Q en omstreken (CPA). Belanghebbende wijst er in dit verband op dat de opdracht aan haar om een ambulance in te zetten altijd wordt gegeven door CPA en dat een daarop volgend verzoek om bijstand door de brandweer door tussenkomst van CPA moet worden gedaan. 6.4. Op grond van artikel 2 van de Verordening is belastingplichtig de aanvrager van het gebruik of de diensten omschreven in artikel 1 van de Verordening, dan wel degene te wiens behoeve het gebruik of de diensten worden aangevraagd. Het Hof zal eerst beoordelen wie als aanvrager van de onderhavige diensten is aan te merken. Het Hof gaat daarbij uit van de door belanghebbende gegeven beschrijving van de gang van zaken bij het door haar ophalen uit een woning of uit een bedrijfspand en het vervolgens per ambulance afvoeren van een patiënt. Daaruit blijkt dat altijd eerst een ambulance van belanghebbende aanwezig is bij de plaats waar de patiënt zich bevindt. Het ambulancepersoneel beoordeelt vervolgens of bijstand door de brandweer bij het naar de ambulance brengen van de patiënt gewenst is en doet zo nodig door tussenkomst van CPA een verzoek daartoe. Gelet op deze gang van zaken dient naar het oordeel van het Hof belanghebbende en niet CPA als aanvrager van de diensten te worden aangemerkt. De beslissing om de bijstand van de brandweer in te roepen wordt immers niet door CPA genomen maar door (ambulancepersoneel van) belanghebbende. CPA fungeert in dit verband slechts als doorgeleider van het verzoek van belanghebbende naar het brandweerkorps dat de bijstand zou moeten verlenen. 6.5. Nu belanghebbende als aanvrager van de onderhavige diensten is aan te merken is zij terecht als belastingplichtige aangemerkt. Hieraan doet niet af dat mogelijk ook anderen, in het bijzonder de patiënten, als belastingplichtigen zouden kunnen worden aangemerkt. Ook ten aanzien van het tweede geschilpunt is dus het gelijk aan de heffingsambtenaar. 6.6. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening worden onder de naam brandweerrechten rechten geheven ter zake van het genot van door de gemeentelijke brandweer verstrekte diensten. In het tweede lid, aanhef en onder e, van dit artikel is bepaald dat geen brandweerrechten worden geheven ter zake van het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand. Deze laatste bepaling is ontleend aan artikel 1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Brandweerwet 1985. Daarin is bepaald dat Burgemeester en wethouders de zorg hebben voor het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand. Op grond van artikel 1, zesde lid, van die wet bestaat de taak van de brandweer in elk geval uit onder meer de feitelijke uitvoering van werkzaamheden ter zake van de in het vierde lid genoemde onderwerpen. Deze bepaling is uitgewerkt in de in de gemeente P geldende Verordening brandveiligheid en hulpverlening. 6.7. Het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen bij ongevallen anders dan bij brand is dus een door de Brandweerwet 1985 aan de gemeentelijke brandweer opgedragen taak. Hieruit vloeit voort dat in deze gevallen geen sprake kan zijn van aan heffing van brandweerrechten onderworpen diensten. Van heffing van die rechten kan immers slechts sprake zijn als het gaat om werkzaamheden die liggen buiten het terrein van de publieke taakuitoefening en die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang (vergelijk onder meer Hoge Raad 13 augustus 2004, BNB 2004/369). Partijen verschillen van mening over de vraag of ten aanzien van de onderhavige diensten aan dit criterium is voldaan en in het bijzonder over de betekenis van het begrip ‘ongeval’ in artikel 1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Brandweerwet 1985. 6.8. De taak van de gemeentelijke brandweer in de hier aan de orde zijnde gevallen is in de parlementaire geschiedenis van de Brandweerwet 1985 onder ogen gezien. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 1980-1981, 16 695, nr. 3, blz. 11-12) is hierover het volgende opgemerkt: “De technische hulpverlening waarmee de brandweer zich (…) bezighoudt is ruim (…). In de eerste plaats beperkt de brandweer zich niet tot die gevallen waarin mensen of dieren in gevaar zijn, maar komt zij veelal ook in actie als goederen beschadigd of vernield dreigen te worden (…). Ten tweede wordt in het algemeen het begrip gevaar zo opgevat dat niet alleen bij een directe bedreiging van leven of gezondheid wordt opgetreden: ook bij voorbeeld als personen in een goed geventileerde lift vastzitten kan hulp worden geboden. (…) Aan het feit dat de activiteiten van de brandweer die hier aan de orde zijn als waardevol moeten worden beschouwd, noch aan het gegeven dat zij op steeds ruimere schaal worden verricht, behoeft evenwel (…) de consequentie te worden verbonden dat de formele wetgever het gehele gebied van de technische hulpverlening zoals hiervoor omschreven tot de zorg van de overheid (het gemeentebestuur) zou moeten verklaren (…). (…) Er is echter één onderdeel van de technische hulpverlening waarvoor het vorenstaande niet geldt en waarmee thans bij de Brandweerwet reeds wel het taakgebied van de gemeentelijke brandweer zou moeten worden uitgebreid. Het gaat hierbij om wat in (…) het ontwerp wordt omschreven als “het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen en rampen anders dan bij brand”. (…) Ook is getracht de noodzaak tot concurrentie met particuliere bedrijven uit te sluiten. Zo houdt de term “het beperken en bestrijden van gevaar” in dat de brandweer slechts datgene wat een directe bedreiging inhoudt, zal moeten aanpakken en zich dus bijvoorbeeld niet met de afvoer van gewonden zal bezighouden; het woordje “bij (ongevallen)” sluit bij voorbeeld in de meeste gevallen de verplichting uit om een autowrak te verwijderen, nadat de inzittenden daaruit zijn gehaald (…).” In het Voorlopig Verslag (Kamerstukken II, 1982-1983, 16 695, nr. 11, blz. 7) is hierop als volgt gereageerd: “Met belangstelling had [de G.P.V.-fractie] gelezen hoe uitgebreid de taak van de brandweer is geworden op het terrein van de “technische hulpverlening”. (…) Nu de Regering zelf de verwachting heeft dat deze hulpverlening, al dan niet wettelijk voorgeschreven, ook in de komende jaren zich verder zal uitbreiden, zal de vraag aan de orde moeten komen aan wie de kosten voor deze hulpverleningsactiviteiten kunnen worden toegerekend. Wat is het oordeel van de Regering over het invoeren van een eigen bijdrage voor degene, die profiteert van het hulpverlenende werk van de brandweer? Staat naar de mening van de Regering de huidige brandweerwetgeving, en de komende, het heffen van een dergelijke bijdrage toe?” In de Memorie van Antwoord (Kamerstukken II, 1983-1984, 16 695, nr. 12, blz. 22) antwoordde de regering: “De regering is van oordeel dat het niet aangaat voor het opheffen van een acute gevaarssituatie, waarin het leven van een of meer personen bedreigd wordt, naderhand kosten in rekening te brengen. Anders ligt het, wanneer de brandweer hulp heeft geboden in minder gevaarvolle situaties. De kosten voor dienstverlening kunnen heel wel in rekening worden gebracht, alleen al om niet in een onzuivere concurrentie-positie met het bedrijfsleven te geraken.” 6.9. In de Brandweerwet 1985 en de onder 6.8 aangehaalde wetsgeschiedenis is niet omschreven wat moet worden verstaan onder ‘ongeval’ in de zin van artikel 1, vierde lid, aanhef en onder b, van die wet. Bij gebreke aan andere maatstaven dient dit begrip daarom te worden uitgelegd naar het spraakgebruik. Daarin wordt onder een ongeval verstaan een onverwachte gebeurtenis die (schade
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.