GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Zaaknummer 106.011.277/01 Beslissing van 21 februari 2008 in de zaak onder rekestnummer 787/07 GDW van: DRS. [A], wonende te [plaats], APPELLANT, t e g e n [X], gerechtsdeurwaarder te [plaats], GEïNTIMEERDE. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 9 juli 2007 ingekomen een verzoekschrift - met bijlagen - van appellant, verder te noemen klager, waarbij hij hoger beroep instelt tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 12 juni 2007. 1.2. Bij die met redenen omklede beslissing heeft de kamer het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 28 november 2006 gegrond verklaard, de beslissing van de voorzitter vernietigd en de klacht gegrond verklaard voor zover het, het hierna te noemen, klachtonderdeel 5.5, betreft. Voor het overig is de klacht ongegrond verklaard. Het opleggen van een maatregel aan de gerechtsdeurwaarder is achterwege gelaten. 1.3. Op 8 augustus 2007 is van de zijde van geïntimeerde, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, een verweerschrift ter griffie ingekomen. 1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 22 november 2007, alwaar klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Beiden hebben het woord gevoerd aan de hand van een pleitnotitie. 2. De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de behandeling van de zaak in eerste aanleg en de hiervoor vermelde stukken. 3. Beoordeling van de bestreden beslissing Het hof kan zich niet verenigen met de beslissing van de kamer en zal deze vernietigen. 4. De feiten 4.1. Bij beslissing van 8 oktober 2002 (zaaknummer 26.2002) heeft de voorzitter van de kamer een door klager tegen de gerechtsdeurwaarder ingediende klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. 4.2. De kamer heeft bij beslissing van 6 mei 2003 (zaaknummer 279.2002) het door klager tegen de eerst genoemde beslissing ingestelde verzet gegrond verklaard, klager ontvankelijk geacht in zijn klacht en de klacht als ongegrond afgewezen. 4.3. Op 4 maart 2004 heeft het Gerechtshof te Amsterdam uitspraak - bekend onder rekestnummer 592/2003 GDW - gedaan op het door klager tegen de hiervoor onder 4.2. genoemde beslissing ingestelde hoger beroep. Het Gerechtshof heeft de beslissing van de kamer vernietigd en de door klager tegen de gerechtsdeurwaarder ingediende klachten ongegrond verklaard. 4.4. Bij beslissing van 8 februari 2005 (zaaknummer 114.2004) heeft de voorzitter van de kamer een door klager tegen de gerechtsdeurwaarder ingediende klacht ongegrond verklaard. 4.5. Bij beslissing van 7 juni 2005 (zaaknummer 90.2005) heeft de kamer het door klager tegen de beslissing van 8 februari 2005 ingestelde verzet deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard. 4.6. Bij beslissing van 1 juni 2006 (87/2006 GDW) heeft het Gerechtshof klager niet-ontvankelijk verklaard in het door hem tegen de beslissing van de kamer van 7 juni 2005 ingestelde hoger beroep. 5. Het standpunt van klager 5.1. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat deze hem op 12 juli 2004 heeft gedagvaard voor de kantonrechter terwijl in dezelfde kwestie een tuchtrechtelijke klacht tegen de gerechtsdeurwaarder aanhangig was. Bovendien was de gerechtsdeurwaarder bekend met het feit dat zijn nota van 17 april 2000, waarvan betaling werd geëist in genoemde civiele procedure, werd bestreden door klager. 5.2. Voorts verwijt klager de gerechtsdeurwaarder dat hij, nadat hij in de procedure bij het hof had gesteld zijn ministerieplicht niet langer te zullen weigeren, direct na de uitspraak op 4 maart 2004, een vonnis aan klager retour heeft gezonden. De gerechtsdeurwaarder heeft zo opnieuw zijn ministerie geweigerd. 5.3. Bovendien verwijt klager de gerechtsdeurwaarder dat hij in de procedure bij het hof, die heeft geleid tot de uitspraak op 4 maart 2004, opzettelijk heeft verzwegen dat alle andere opdrachtgevers hun vordering op debitrice hadden ingetrokken. 5.4. Ook wordt de gerechtsdeurwaarder verweten dat hij in de procedure bij het hof opzettelijk heeft verzwegen dat er geen preferente vorderingen op debitrice bestonden. Hij had aangegeven dat hij niets voor klager kon doen vanwege deze preferente crediteuren met hoge vorderingen. Op grond daarvan is het hof tot de onjuiste conclusie gekomen dat de gerechtsdeurwaarder niets voor klager kon betekenen. 5.5. Ten slotte wordt de gerechtsdeurwaarder verweten dat jegens klager het evenredigheidsprincipe voor schuldeisers bij een derdenbeslag de gelijkmatige verdeling onder de crediteuren, is geschonden. Er bestonden geen preferente crediteuren, maar er was wel beslag gelegd voor andere crediteuren op de uitkering van de debitrice. De gerechtsdeurwaarder meent ten onrechte dat hij geen inzage hoefde te geven in de aard, hoogte en duur van de andere vorderingen. Dit is echter onjuist omdat voor de waarheidsvinding in tuchtrechtelijke kwesties in elk geval aan het Bureau Financieel Toezicht opening van zaken gegeven dient te worden. 6. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder 6.1. De gerechtsdeurwaarder stelt voorop dat het door klager gestelde feitencomplex ten grondslag ligt aan eerder ingediende klachten die hebben geleid tot uitspraken van de voorzitter van de kamer, de kamer en dit hof. Er is geen sprake van nieuwe feiten met enige relevantie. Daar komt bij dat klager, aldus de gerechtsdeurwaarder, misbruik maakt van zijn klachtrecht. Klager, zo stelt de gerechtsdeurwaarder, kan dan ook niet worden ontvangen in zijn klacht. 6.2. Meer specifiek stelt de gerechtsdeurwaarder dat ten aanzien van het klachtonderdeel genoemd onder 5.1. is beslist door de voorzitter van de kamer bij beslissing van 8 februari 2005. Dit geldt ook ten aanzien van het klachtonderdeel genoemd onder 5.2. Ten aanzien van beide klachtonderdelen is in hoger beroep beslist door dit hof op 4 maart 2004 (592/03 GDW). Voorts betoogt de gerechtsdeurwaarder dat het klachtonderdeel genoemd onder 5.3. feitelijk onjuist is en elke relevantie mist. Ten aanzien van het klachtonderdeel genoemd onder 5.4. wijst de gerechtsdeurwaarder er op dat hij in een procedure bij de voormalige Landelijke Tuchtkamer van de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders (in 2000) een schriftelijke opmerking heeft gemaakt over preferente schuldeisers en dat het hem voorts ontgaat welke betekenis aan het verwijt van klager moet worden gehecht. Zowel ten aanzien van dit klachtonderdeel als ten aanzien van het klachtonderdeel genoemd onder 5.5. wijst de gerechtdeurwaarder erop dat hij niet bij de verdeling van de executiegelden betrokken is geweest. Ten slotte stelt de gerechtsdeurwaarder ten aanzien van het klachtonderdeel genoemd onder 5.5. dat het in strijd met de goede rechtsorde is om dit handelen na zo veel jaren nog aan de orde te stellen. 7. De beoordeling 7.1. Ten aanzien van klachtonderdeel 5.1. overweegt het hof het volgende. Zoals de voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders in zijn beslissing van 28 november 2006 heeft overwogen is dit klachtonderdeel reeds behandeld in zijn beslissing van 8 februari 2005, met nummer 114.2004. Dit geldt ook ten aanzien van klachtonderdeel 5.2. Het door klager tegen deze beslissing ingestelde verzet is door de kamer ongegrond verklaard. Klager is vervolgens op 1 juni 2006 (87/206 GDW) door dit hof niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep daartegen. Klager kan dan ook niet worden ontvangen in de klachtonderdelen 5.1. en 5.2. 7.2. Klager kan wel worden ontvangen in de klachtonderdelen 5.3. en 5.4. nu de hierin genoemde verwijten aan de gerechtsdeurwaarder geen onderdeel hebben uitgemaakt van eerdere klachten. Naar het oordeel van het hof dient klachtonderdeel 5.3., waarin de gerechtsdeurwaarder wordt verweten dat hij in een eerdere procedure bij dit hof opzettelijk heeft verzwegen dat alle andere opdrachtgevers hun vordering op debitrice hadden ingetrokken, ongegrond te worden verklaard. Klager heeft, ter onderbouwing van dit klachtonderdeel, aangevoerd dat de gerechtsdeurwaarder deze mededeling wel had gedaan in een civiele procedure tegen klager. Het hof is echter van oordeel dat dit onvoldoende is om aan te tonen dat er sprake is geweest van het opzettelijk verzwijgen van deze mededeling in de eerdere procedure bij dit hof. Bovendien heeft de gerechtsdeurwaarder deze opmerking gemaakt als vervolg op zijn mededeling dat de andere opdrachtgevers inzagen dat het op dat moment onmogelijk was om hun vordering te incasseren. 7.3. Dit geldt eveneens voor klachtonderdeel 5.4. waarin klager stelt dat de gerechtsdeurwaarder opzettelijk zou hebben verzwegen dat er geen preferente vorderingen zouden hebben bestaan. Klager heeft deze klacht niet nader onderbouwd en het hof is van oordeel dat het de gerechtsdeurwaarder vrij staat binnen de grenzen van het recht verweer te voeren op de manier die hem goeddunkt aan de hand van de tegen hem ingediende klacht. Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond. 7.4. Klager kan niet worden ontvangen in het klachtonderdeel 5.5., reeds omdat klager zich in zijn klachtbrief van 28 augustus 2006 beroept op een handelen of nalaten dat heeft plaats gevonden in maart 1998. De Gerechtsdeurwaarderswet kent geen termijn waarbinnen een klacht moet worden ingediend. In de verhouding tussen partijen in tuchtrechtelijke procedures als deze geldt dat de gerechtsdeurwaarder, mede gelet op het bepaalde in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens krachtens een op de behandelingstermijn van toepassing zijnde ongeschreven redelijkheidsnorm, zich in beginsel kan beroepen op een tijdsverloop tussen enerzijds het ontstaan en ter kennis van klager gekomen zijn van een klachtfeit en anderzijds het indienen van de klacht. Dit voor het geval dat het tijdsverloop de toets van de redelijkheid en de daarmee verband houdende behoorlijke procesorde niet kan doorstaan. Het komt het hof voor dat een termijn van drie jaar in tuchtprocedures tegen gerechtsdeurwaarders in het algemeen als redelijk kan worden aanvaard. Deze termijn begint te lopen op de dag waarop de klager van het handelen of nalaten van de gerechtsdeurwaarder kennis heeft genomen of heeft kunnen nemen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat gerechtsdeurwaarders in hoog tempo een grote hoeveelheid ambtshandelingen plegen. De herinnering aan verrichte ambtshandelingen zal als gevolg daarvan bij gerechtsdeurwaarders sneller vervagen. Hierdoor worden de gerechtsdeurwaarders bij tijdsverloop bemoeilijkt in het voeren van verweer tegen klachten. 7.5. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven. 7.6. Dit leidt dan ook tot de volgende beslissing. 8. De beslissing Het hof: - vernietigt de beslissing van de kamer van 12 juni 2007 en opnieuw rechtdoende: - verklaart klager niet ontvankelijk in de klachtonderdelen 5.1, 5.2. en 5.5.; - verklaart de klacht voor het overige ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, P.J.N.van Os en L.J. Saarloos en uitgesproken ter openbare terechtzetting van donderdag 21 februari 2008 door de rolraadsheer. Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam Beschikking van 12 juni 2007 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake het verzet in de zaak met nummer 587.2007 ingesteld door: [ ], wonende te [ ], klager, tegen: [ ], gerechtsdeurwaarder te [ ], beklaagde. 1. Verloop van de procedure Bij beschikking van 28 november 2006 (zaaknummer 386.2006) heeft de voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders (hierna: de voorzitter) beslist op een door klager tegen beklaagde ingediende klacht. Bij brief van 4 december 2006 is klager een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden. Bij brief van 18 december 2006 heeft klager tegen de beslissing van de voorzitter verzet ingesteld. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 24 april 2007. Partijen zijn niet verschenen. Klager heeft een pleitnotitie ingediend. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 12 juni 2007. 2. De gronden van het verzet Voor de inhoud van het verzet wordt verwezen naar het verzetschrift waarvan een exemplaar aan deze beslissing is gehecht. 3. De ontvankelijkheid van het verzet Klager heeft het verzet tegen voormelde beslissing van de voorzitter ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in zijn verzet kan worden ontvangen. 4. De beoordeling van de gronden van het verzet 4.1 De Kamer is van oordeel dat het vijfde klachtonderdeel alsnog gegrond dient te worden verklaard, omdat de gerechtsdeurwaarder inzicht van zaken had kunnen geven zonder de identiteit van andere schuldenaren in diskrediet te brengen. Voor het opleggen van een maatregel ziet de Kamer geen aanleiding. 4.2 Het onderzoek in verzet heeft voor het overige naar het oordeel van de Kamer niet geleid tot vaststelling van andere feiten dan wel andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dat die vervat in de beslissing van de voorzitter, waarmee de Kamer zich verenigt. 4.3 Hetgeen partijen nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven. 4.4 Het is de Kamer gebleken dat in de beschikking onder 4.6 ten onrechte productie II is vermeld, waar productie III is bedoeld. 4.5 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt. BESLISSING: De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders: ? verklaart het verzet gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond; ? vernietigt de beslissing van de voorzitter; ? verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond; ? laat het opleggen van een maatregel achterwege. Aldus gegeven door mr. R.G. Kemmers, plaatsvervangend-voorzitter, mr. G.H.I.J. Hage en N.J.M. Tijhuis (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2007 in tegenwoordigheid van de secretaris. Coll.: Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam Beschikking van 28 november 2006 zoals bedoeld in artikel 39 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met het nummer 386.2006 van: J. H. [A], wonende te [plaats], klager, gemachtigde: mr. R.J.G. [A]. tegen: [X] gerechtsdeurwaarder te [plaats], beklaagde. Verloop van de procedure Bij brief van 28 augustus 2006 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtdeurwaarder. Na daartoe verkregen uitstel heeft de gerechtsdeurwaarder bij aangehechte brief van 24 oktober 2006 een verweerschrift ingediend. 1. De feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.