GERECHTSHOF TE AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER BESCHIKKING van 10 juni 2008 in de zaak met rekestnummer 1195/2007 OK de stichting STICHTING JAN REBEL, gevestigd te Amsterdam, VERZOEKSTER, advocaten: MR. I. SPINATH en MR. S.J.H.M. BERENDSEN, procureur: MR. I. SPINATH, t e g e n 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ATR LEASING IV B.V., 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ATR LEASING V B.V., 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ATR LEASING VI B.V., alle gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTERS, niet verschenen, e n t e g e n 1. N.P.J. SANDMANN, wonende te Bonaire, Nederlandse Antillen, BELANGHEBBENDE, advocaat en procureur: mr. R.J. VAN AGTEREN, e n t e g e n 2. MR. WOUTER JOHAN PIETER JONGEPIER, wonende te Amsterdam, 3. MR. JEAN JACQUES KNOL, wonende te Amstelveen, beiden in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van verweersters, BELANGHEBBENDEN, advocaat en procureur: MR. O.R. VAN BRUNSCHOT, e n t e g e n 4. ERIK WIM DE VLIEGER, wonende te Amsterdam, BELANGHEBBENDE, advocaat: MR. R.J.R.M. DE BOK, procureur: MR. A. VAN HEES. 1. Het verloop van het geding 1.1 Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer in de eerste plaats naar de in de met deze zaak samenhangende zaak met rekestnummer 986/2005 OK door haar gegeven beschikkingen van onderscheidenlijk 1 november 2005, 28 december 2005, 4 december 2006 en 28 augustus 2007 en de door haar voorzitter gegeven beschikking van 24 oktober 2007. 1.2 Het verslag met de bijlagen van het bij de beschikking van 1 november 2005 bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van verweersters is bij de laatstgenoemde beschikking ter inzage gelegd voor belanghebbenden. 1.3 Verzoekster (hierna Jan Rebel te noemen) heeft bij op 29 oktober 2007 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift de Ondernemingskamer verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, 1) vast te stellen dat bij verweersters (gezamenlijk de ATR-vennootschappen te noemen en afzonderlijk respectievelijk ATR IV, ATR V en ATR VI) sprake is geweest van wanbeleid in de periode vanaf haar oprichting op 30 december 2002 tot 2 februari 2005, althans in een door de Ondernemingskamer te bepalen periode; 2) vast te stellen dat de verantwoordelijkheid voor dit wanbeleid ligt bij H.J. Prins (hierna Prins te noemen), E.W. de Vlieger (hierna De Vlieger te noemen), N.P.J. Sandmann (hierna Sandmann te noemen) en A.C.W. Corver (hierna Corver te noemen), althans vast te stellen bij welke organen en personen de verantwoordelijkheid voor dit wanbeleid ligt; 3) te bepalen dat de kosten van de procedure - hoofdelijk - voor rekening van Prins, De Vlieger, Sandmann en Corver komen; 4) te bepalen dat de ATR-vennootschappen de kosten van het onderzoek - hoofdelijk - kunnen verhalen op Prins, De Vlieger, Sandmann en Corver. 1.4 Belanghebbende sub 1, Sandmann, heeft bij op 23 november 2007 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift de Ondernemingskamer verzocht - zakelijk weergegeven - Jan Rebel niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans dat verzoek af te wijzen, met veroordeling van Jan Rebel in de kosten van het geding. 1.5 Belanghebbenden sub 2 en 3 (hierna de Curatoren te noemen) hebben bij op 3 maart 2008 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen (onder meer op deze zaak betrekking hebbend) verweerschrift de Ondernemingskamer verzocht het in 1.3 onder 1) weergegeven onderdeel van het verzoek van Jan Rebel toe te wijzen. 1.6 Belanghebbende sub 4, De Vlieger, heeft bij op 6 maart 2008 ter de griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig verzoek, met producties de Ondernemingskamer verzocht - zakelijk weergegeven - bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, 1) Jan Rebel niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans dat verzoek af te wijzen; 2) een onderzoek te gelasten naar de vraag welke persoon in strijd met artikel 2:353 lid 3 BW en artikel 272 Wetboek van Strafrecht mededelingen heeft gedaan naar aanleiding van het verslag van het onderzoek dat op 28 augustus 2007 ter griffie van de Ondernemingskamer is gedeponeerd, met bepaling dat de kosten van dat onderzoek ten laste komen van de bedoelde persoon en dat De Vlieger de resultaten van dat onderzoek mag gebruiken met het oog op het vorderen van vergoeding op de voet van artikel 6:162 BW van de schade die hij als gevolg van de genoemde mededelingen heeft geleden van de bedoelde persoon. 1.7 Corver heeft bij op 6 maart 2008 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift de Ondernemingskamer verzocht - zakelijk weergegeven - Jan Rebel niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans dat verzoek af te wijzen. 1.8 Jan Rebel heeft bij op 17 maart 2008 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen brief de hiervoor in 1.3 onder 2), 3) en 4) weergegeven onderdelen van haar verzoek ingetrokken. In die brief heeft zij tevens verzocht het door haar in de zaak met rekestnummer 1190/2007 OK ingediende verweerschrift te beschouwen als aanvulling op haar verzoek in de onderhavige zaak. 1.9 Corver heeft bij op 18 maart 2008 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen brief de Ondernemingskamer doen weten dat hij zich, gelet op de intrekking door Jan Rebel van de in 1.8 vermelde onderdelen van haar verzoek, aan de procedure onttrekt. 1.10 Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 20 maart, alwaar de advocaten de standpunten van de door hen gerepresenteerde partijen nader hebben toegelicht, wat mr. Spinath en mr. Berendsen betreft aan de hand van aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitnotities. 2. De vaststaande feiten 2.1 Wat de vaststaande feiten betreft verwijst de Ondernemingskamer allereerst naar hetgeen dienaangaande is vermeld in 2.1 tot en met 2.21 in haar hiervoor genoemde beschikking van 1 november 2005, alwaar (in 2.1) per abuis is vermeld dat de onderneming van Air Holland I B.V. "omstreeks 1 januari 2003", in plaats van "omstreeks 1 januari 2004", aan de ATR-vennootschappen is overgedragen. Aan die feiten kan nu het volgende worden toegevoegd. 2.2 Het bij de beschikking van 1 november 2005 bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de ATR-vennootscahppen is verricht door P.J.M. Beerepoot RA en mr. A.E. Driessen, daartoe aangewezen bij de genoemde beschikking van 28 december 2005. Hun onderzoeksverslag, met twee bijlagen, (hierna het Verslag te noemen) is op 28 augustus 2007 ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage van belanghebbenden gelegd. 2.3 Onder het hoofd "5. Conclusies" staat in het Verslag onder meer het volgende vermeld: Onderzoekers stellen voorop dat zij de indruk hebben niet de volledige waarheid te hebben achterhaald over al hetgeen vooraf ging aan de surseance van de ATR vennootschappen. Bij sommige van de gehoorde personen leek een zekere terughoudendheid te bespeuren om volledige opening van zaken te geven. (...) Niettemin menen onderzoekers dat zij een redelijk beeld hebben gekregen en dat de onderstaande conclusies gerechtvaardigd zijn. 5.1 (...) 5.2 Inspectie Luchtvaart Verkeer en Waterstaat De IVW heeft in de hele geschiedenis van Air Holland en Holland Exel [de handelsnaam van ATR VI, die de daadwerkelijke luchtvaartactiviteiten verrichtte; Ondernemingskamer] een grote rol gespeeld. De dienst heeft kennelijk steeds willen meewerken en het niet tot haar taak gerekend om zeer kritisch te zijn ten aanzien van de financiële positie van de verschillende betrokken partijen. (...) Politiek werd het belangrijk geacht dat er voldoende concurrentie zou zijn op de Nederlandse luchtcharter markt. Mede daardoor was het mogelijk dat Air Holland in zeer korte tijd, onder verschillende eigenaren en verschillende namen, driemaal in grote problemen kwam. Daarbij kwam dat de IVW onjuist werd voorgelicht door Holland Exel. Bij de aanvrage van de benodigde vergunningen werden financiële stukken overgelegd, die weliswaar voorzien waren van een verklaring van Deloit[t]e & Touche, maar die geen rekening hielden met de vordering van ca. € 4 miljoen die al was ontstaan op Air Holland I [die toen de luchtvaartactiviteiten voor rekening en risico van Holland Exel verrichtte; Ondernemingskamer] in de tijd dat doorgevlogen werd op de vergunningen van Air Holland, welke vordering van den beginne als oninbaar moest worden beschouwd, noch met de vrij snel teruglopende bevoorschotting van de touroperators. Met geen woord wordt gerept over het voornemen ook middellange afstandsvluchten te gaan uitvoeren, een lijndienst op Curaçao te openen en te komen tot integratie van Air Exel [Air Exel Netherlands B.V., in 2.3 van de beschikking van 1 november 2005 per abuis Exel Netherlands B.V. genoemd; Ondernemingskamer] en Holland Exel. 5.3 De ATR vennootschappen In het navolgende zal voornamelijk worden gedoeld op ATR VI B.V. waarin het vliegbedrijf werd uitgeoefend. De ATR vennootschappen moeten echter als een geheel worden gezien. De splitsing over 3 vennootschappen (...) is voor de overzichtelijkheid een nadeel gebleken. (...) De rekening courant die tussen alle betrokken vennootschappen moest worden bijgehouden werd niet of onvoldoende bijgehouden, zodat per vennootschap geen volledig inzicht in de financiële situatie kon worden verkregen. (...) De gehele Exel Aviation onderneming was een 2-mans operatie met Sandmann als de man op de Antillen en [D]e Vlieger als de man in Nederland. Beiden zijn/waren mensen uit de wereld van het onroerend goed die geen kennis of ervaring van de luchtvaart meebrachten. (...) Zowel Holland Exel als AEN [Air Exel Netherlands B.V.; Ondernemingskamer waren ondernemingen met winstpotentie mits goed geleid. (...) Het was onverantwoord zowel Holland Exel als AEN te belasten met de financiering van het Antillen netwerk. (...) De gehele Antillen operatie werd daarom een molensteen om de nek van zowel Holland Exel als AEN. Het lijkt onderzoekers dat de 3 verschillende operaties, long-haul charter - regionaal Europees netwerk en inter-insulair Antilliaans netwerk - niet complementair zijn. Alle 3 operaties zijn/waren betrekkelijk kleinschalig met weinig mogelijkheden tot cost-sharing. Dit gegeven legde reeds bij aanvang een aanzienlijke financiële en operationele druk op de gehele onderneming. De betrokkenen hebben verzuimd de strategie te laten toetsen door een organisatieadvies bureau met kennis van de luchtvaart. (...) De verschillende ondernemingen lijken te zijn geleid als een onroerend goed project: verwerven, in de steigers zetten, opknappen en vervolgens doorverkopen. Voor het leiden van een luchtvaartonderneming zijn andere management technieken vereist. De operationele leiding van zowel AEN als Holland Exel was in handen van slechts 1 persoon. Deze had bijgevolg onvoldoende tijd om de integratie en samenvoeging van bijvoorbeeld de administratieve afdelingen van Holland Exel, AEN en [DCE (Dutch Carribian Exel N.V., een ten behoeve van de lijndienst Amsterdam-Curaçao opgerichte vennootschap, waarvan alle aandelen werden gehouden door ATR VI; Ondernemingskamer)] te leiden. Hiertoe had de ondernemingsleiding zich behoren te laten bijstaan door een team van externe deskundigen van bijvoorbeeld een van de grote accountantskantoren. De personele bezetting van Holland Exel liet te wensen over. (...) Binnen de leiding was (…) onvoldoende luchtvaartkennis aanwezig. (…) De informatie systemen en de bemanning van de administratieve afdelingen waren ondermaats. Voor het opzetten van een deugdelijk informatiesysteem had de ondernemingsleiding zich ook behoren te laten bijstaan door externe deskundigen die ongetwijfeld rekening zouden hebben gehouden met de navolgende overwegingen. De typologie van de onderneming vereist dat o.m. de navolgende indicatoren pro-actief gevolgd worden: bezettingsgraad, bagage per stoel, brandstofverbruik, brandstofprijzen en vaste en variabele kosten in verhouding tot omzet. (…) Aangezien de bezettingsgraad en vliegtuighuur contractueel vastlag behoefde er dus per vlucht slechts gestuurd te worden op dekking van de brandstofkosten, de personeelskosten en overige algemene kosten in de gecontracteerde verkoopprijs per stoel. De brandstofkosten zijn een functie van brandstofprijzen en verbruik. Het verbruik is, gegeven het type motor, een functie van belading per stoel, luchtweerstand en vluchtroute. Indien men werkt met vaste indicatoren weet men reeds voor iedere vlucht (round-trip) of er voldoende dekking in de stoelprijs wordt gerealiseerd, m.a.w. of deze vlucht winstgevend zal zijn. Niets wijst er op dat dergelijke indicatoren (yard-sticks) intern waren ontwikkeld. Bij vervanging dienen originele door de fabriek geautoriseerde en/of voorgeschreven onderdelen te worden gebruikt. Het niet naleven van deze richtlijn kan leiden tot het verlies van het luchtwaardigheidscertificaat voor het betrokken vliegtuig. Originele onderdelen zijn aanzienlijk duurder dan surrogaten en op kleinere vliegvelden veelal niet uit voorraad leverbaar. In voorkomende gevallen dienen deze onderdelen vanuit de thuisbasis of van elders te worden ingevlogen hetgeen leidt tot vertragingen. Passagiers werden in dergelijke gevallen zoveel mogelijk op kosten van Holland Exel overgeboekt op vluchten van concurrerende maatschappijen. Met dit alles werd onvoldoende rekening gehouden in de begrotingen of zelfs genegeerd. Voor de ATR vennootschappen geldt hetzelfde als hiervoor gesteld ten aanzien van Air Holland I: van het begin af aan was er onvoldoende kapitaal en kennis om succes te kunnen garanderen. Bij het aanvragen van de benodigde vergunningen is aan de IVW een onjuiste voorstelling van zaken gegeven. Of dit bewust gebeurde of door onvoldoende inzicht in de eigen situatie, hebben onderzoekers niet kunnen vaststellen. Waarschijnlijk is de tijd[s]druk mede een oorzaak geweest. In de financiële rapportage aan de IVW is geen rekening gehouden met de teruglopende bevoorschotting door TUI [TUI Nederland N.V., een reisorganisatie en een van de twee grootste klanten van ATR VI waarmee aanvankelijk Air Holland I contracten had afgesloten ten behoeve van charteractiviteiten en welke contracten door Holland Exel waren overgenomen; Ondernemingskamer] en Thomas Cook [Thomas Cook Nederland B.V., de andere reisorganisatie en klant als zojuist bedoeld; Ondernemingskamer], noch met de reeds bestaande en hoogstwaarschijnlijk oninbare vordering van € 4 miljoen op Air Holland I (...), noch met de uit de contracten blijkende verplichting een vordering van TUI en Thomas Cook van € 2 miljoen op Air Holland I over te nemen, welke vordering ongetwijfeld op nul zou moeten worden gewaardeerd (…). Daarbij kwam nog de omstandigheid dat de risico's van stijging van de brandstof prijzen niet, althans onvoldoende, waren afgedekt, ook al was hier van verschillende zijden wel op aangedrongen. De luchtvervoer overeenkomsten die ATR sloot met TUI en Thomas Cook legden uitdrukkelijk het risico voor hogere brandstof prijzen bij ATR. De verklaring van Prins voor het niet indekken van het risico, namelijk dat ATR mee mocht liften op de arrangementen die KLM had gesloten voor de aanschaf van brandstof, cq dat de brandstof prijzen ook konden dalen, getuigt ons inziens van naïviteit. De zogenaamde normalisering van de resultaten over 2004 die later door het management werd gegeven, is dan ook naar het oordeel van onderzoekers onjuist en lijkt meer bedoeld om het falen van het management te excuseren of te verhullen. Een prudent management had met alle daarin aangevoerde zaken (zoals stijging van brandstof prijzen, onderhoud aan vliegtuigen, vertraging bij de ombouw van vliegtuigen en dergelijke) rekening dienen te houden. De administratie van de ATR vennootschappen was er onvoldoende op ingericht om voldoende informatie over het reilen en zeilen van het bedrijf te verkrijgen, zoals bijvoorbeeld een resultaat per vlucht. Zo bleek het in januari 2005 onmogelijk voldoende betrouwbare informatie te verstrekken aan Sandmann, om deze ertoe te bewegen een nieuwe kapitaal injectie in de onderneming te doen. Aangezien de voorgenomen integratie van Holland Exel in de Exel Aviation Group niet gelukt is dan wel niet of onvoldoende van de grond is gekomen, bleven de administratieve afdelingen van Holland Exel structureel onderbemand en kon niet worden geïnvesteerd in de continuïteit van een kwalitatief adequaat intern informatiesysteem. Het management (directie, administratie, vluchtleiding etc.) was onvoldoende gekwalificeerd om leiding te geven aan een bedrijf als dat van de ATR vennootschappen. Geen van de leidinggevenden is dan ook door TUI na de overname in hun positie gehandhaafd. Kennelijk werd door de leiding (en ook door derden zoals TUI en Thomas Cook en leveranciers) steeds vertrouwd op de kapitaalkrachtigheid van de (indirecte) aandeelhouders van ATR en wel met name van de De Vlieger Groep, zonder op enige wijze een verplichting tot bijspringen vast te leggen. Mede daardoor was ATR onvoldoende kritisch over de eigen performance. (…) In alle voor een onderneming belangrijke management-aspecten - strategie, structuur, personele bezetting, kennis van zaken, informatievoorziening en financiering - was onvoldoende voorzien. Naar het oordeel van de onderzoekers had de ondernemingsleiding op al deze aspecten adequate correctieve actie behoren te nemen. (…) 2.4 Onder het hoofd "6. Samenvatting" staat in het Verslag onder meer het volgende vermeld: Samenvattend menen wij dat de oorzaken van het mislukken van Holland Exel vooral gezocht moeten worden in de volgende omstandigheden: 1. Van het begin af aan beschikte Holland Exel over te weinig kapitaal. Eigen vermogen hadden de vennootschappen vrijwel niet. De vooruitbetalingen van TUI en Thomas Cook waren reeds gebruikt voordat Holland Exel werkelijk zelf ging vliegen, door het financieren van de vorderingen op Air Holland I. Bovendien moesten deze voorschotten vrij snel worden terugbetaald. Het was wishful thinking en naïef te geloven dat de benodigde gelden voor die terugbetaling in korte tijd zouden kunnen worden verdiend. 2. Er werd door het management (…) te veel op gerekend dat de IMCA Groep dan wel De Vlieger en/of Sandmann bij zouden springen, terwijl er voor dezen geen enkele juridische verplichting bestond om dit te doen. (…) 3. De belangen van De Vlieger en Sandmann liepen niet parallel. Toen het mis ging, streefde Sandmann andere belangen na dan alleen het overeind houden van Holland Exel. 4. De administratieve organisatie bij de ATR vennootschappen was zwak. Het management had onvoldoende inzicht in de financiële situatie en heeft er onvoldoende aan gedaan om deze organisatie te verbeteren, bijvoorbeeld door het aantrekken van beter gekwalificeerd personeel dan wel een consultancy firma die daarbij had kunnen assisteren. Ook het management zelf was niet voldoende gekwalificeerd om dit luchtvaart bedrijf te leiden. 5. De verschillende vennootschappen werden onvoldoende uit elkaar gehouden, zodat geen inzicht bestond in de financiële situatie van die vennootschappen. Dit gold zowel voor de ATR vennootschappen als voor de vennootschappen die onder Air Exel ressorteerden. 6. De arrestatie van De Vlieger en Prins heeft zonder twijfel ook een negatieve invloed gehad. Over de noodzakelijkheid van die arrestatie op dat moment kan gerechtvaardigde twijfel bestaan. Of het uitblijven van die arrestatie de redding van Holland Exel zou hebben betekend, betwijfelen onderzoekers overigens ook. 7. Het niet tijdig indekken van de risico’s van stijging van de brandstof prijzen kan het management worden aangerekend, vooral waar hiervoor van verschillende kanten wel werd gewaarschuwd. 8. De benodigde vergunningen werden door IVW verstrekt, zonder voldoende controle op de levensvatbaarheid van Holland Exel. Daarbij heeft zeker een rol gespeeld dat de IVW onjuist en onvolledig werd voorgelicht. (…) 3. De gronden van de beslissing 3.1 Sandmann en De Vlieger hebben aangevoerd dat Jan Rebel niet ontvankelijk verklaard dient te worden in haar verzoek, omdat zij onvoldoende duidelijk heeft gesteld welke de gronden zijn van het wanbeleid dat zij vastgesteld wenst te zien. 3.2 De Ondernemingskamer verwerpt dit betoog. Het verzoekschrift maakt, althans met betrekking tot het deel van het verzoek dat thans nog aan de orde is, op voldoende wijze duidelijk op welke gronden Jan Rebel meent dat bij de ATR-vennootschappen sprake is geweest van wanbeleid. Dit vindt ook zijn bevestiging in de verweerschriften van genoemde belanghebbenden. Dat Sandman en De Vlieger niet zouden hebben geweten waartegen zij zich (wat betreft vorenbedoeld onderdeel van het verzoek) dienden te verweren, blijkt uit die stukken geenszins. Van schending van artikel 278 Rv. is dan ook geen sprake. Jan Rebel is dan ook ontvankelijk in haar verzoek. 3.3 Gelet op hetgeen hiervoor in 1.6 is vermeld, is nog slechts aan de orde de vraag of binnen de ATR-vennootschappen sprake is geweest van wanbeleid en, zo ja, gedurende welke periode. 3.4 Jan Rebel heeft - zakelijk weergegeven - ter schraging van haar verzoek, steeds onder verwijzing naar het Verslag, het volgende aangevoerd: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.