GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk 07/00111 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] Beheer B.V., gevestigd te Vleuten, belanghebbende, gemachtigde mr. A.F. van Vliet (PKF Wallast) te Woerden, tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 05/5880 van de rechtbank Haarlem van 29 januari 2007 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht, de inspecteur. 1. Ontstaan en loop van het geding De inspecteur heeft met dagtekening 31 december 2004 voor de heffing van vennootschaps-belasting het verlies van belanghebbende voor het jaar 2001 bij een beschikking als bedoeld in artikel 20b, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2001; hierna de Wet) vastgesteld op € 783.262. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 20 september 2005, de verliesvaststellingsbeschikking gehandhaafd. Bij uitspraak gedagtekend 29 januari 2007, verzonden op 2 februari 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft (de gemachtigde van) belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 6 maart 2007, bij het Hof ingekomen op 6 maart 2007. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Op 12 oktober 2007 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2007. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2. Overwegingen 2.1. Omtrent de feiten is in de bestreden uitspraak het volgende vermeld: “2.1. [Belanghebbende] is als moedermaatschappij met [A] B.V. (hierna: [A]) verenigd in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. [A] houdt zich bezig met onder meer de handel in kaas en kipproducten. Het bestuur van [belanghebbende] wordt gevormd door haar directeuren [A.C] en [B.C]. 2.2. De aandelen in [belanghebbende] zijn sinds 18 mei 2001 in bezit van [B] Beheer B.V. (hierna: [B]). Laatstgenoemde vennootschap houdt tevens alle aandelen in [C & D] B.V. (hierna: [C & D]). [C & D] exploiteert een groothandel in kaas. 2.3. [B] en [C & D] maken in 2001 deel uit van een fiscale eenheid met [E] Benelux B.V. als moedermaatschappij. Vanaf 2002 maken [belanghebbende] en [A] eveneens deel uit van deze fiscale eenheid. met betrekking tot de buitengewone last 2.4. [A] heeft op 25 april 2001 een overeenkomst met [F] Nederland B.V. (hierna: [F]) gesloten, waarin voor zover van belang het volgende is opgenomen: “11. Partijen gaan met ingang van 14 mei 2001 een distributieovereenkomst aan waarbij [A] zal verkopen en in transito zal leveren aan een door [Ff] aan te wijzen distributiecentrum, uiteindelijk bestemd voor [Ff] verkooppunten (...) het overeengekomen assortiment kaas- en poelierproducten (...) tegen de daarbij vermelde prijsstelling per product en de overige voorwaarden zoals genoemd in de offertes. Deze distributieovereenkomst waarop de navolgende in punten 12 tot en met 16 vermelde voorwaarden van toepassing zijn, wordt aangegaan voor een termijn tot 14 mei 2004. Tenzij één der partijen uiterlijk 6 maanden voor het einde van de distributieovereenkomst deze schriftelijk en aangetekend aan de andere partij heeft opgezegd, wordt de distributieovereenkomst stilzwijgend verlengd met een termijn van 1 jaar, wederom met een opzegtermijn van 6 maanden en zo vervolgens tot rechtsgeldige opzegging en beëindiging. 12. [F] verbindt zich jegens [A] om jaarlijks een netto hoeveelheid producten af te nemen van minimaal 6.150 ton. De minimale jaarlijkse afname zal bestaan uit 2.590 ton Hollandse kaas, welke overeenkomt met een gemiddelde netto inkoopwaarde van NLG 29.600.000 (...) en 3.560 ton poelierproducten met een gemiddelde netto-inkoopwaarde van NLG 33.400.000 (...). (...) 14. Jaarlijks of omstreeks 15 februari zal een evaluatie plaatsvinden waarin zal worden vastgesteld of de hiervoor vermelde minimale afnamen door [F] zijn gerealiseerd. Indien en voor zover de jaarlijkse minimale afname als vermeld in art. 12 door [F] niet wordt gerealiseerd, verbindt [F] zich jegens [A] tot betaling van 20% van de gemiddelde netto inkoopwaarde van de niet afgenomen hoeveelheid, tenzij het niet realiseren daarvan een gevolg is van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan [F] kunnen worden toegerekend. Eenzelfde betaling zal [F] aan [A] verschuldigd zijn indien de overeengekomen verdeling over de twee productgroepen als vermeld in art. 12 niet wordt behaald, tenzij de totale minimale hoeveelheid van 6.150 ton wordt gerealiseerd en de afwijking in de productgroepen niet meer dan 20% per productgroep is of het niet realiseren daarvan een gevolg is van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan [F] kunnen worden toegerekend.” 2.5. In de loop van de tweede helft van 2001 werd duidelijk dat [F] niet aan haar afnameverplichtingen zou kunnen voldoen. Tussen [C & D] en [A] is daarop met dagtekening 28 december 2001 een schriftelijk stuk opgemaakt met onder meer de navolgende inhoud: “overwegende: (...) - dat [A] BV niet beschikte over de logistieke, administratieve en interne organisatie om aan de vraag van [F] Nederland B.V. ([Ff]) te kunnen voldoen en evenmin over voldoende kracht op de inkoopmarkt voor kaas om zich verzekerd te weten van de gevraagde specialiteiten en voldoende concurrerende inkoopprijzen; - dat [A] BV daarom [C & D] BV heeft benaderd om gezamenlijk de bieding bij [F] Nederland B.V. ([Ff]) te doen, waarbij [C & D] zich garant stelde voor de inkoop en voldoende logistieke en andere capaciteit beschikbaar zou stellen om [F] Nederland B.V. ([Ff]) adequaat te beleveren en rekening houdend met de voorziene groei naar ca. 800 [Ff]winkels; - (...) - dat ter dekking van de kosten van de door [A] BV en [C & D] BV aangegane verplichtingen en de beoogde winst in het contract met [F] Nederland B.V. ([Ff]) minimum te leveren hoeveelheden zijn opgenomen alsmede een boeteregeling indien [F] Nederland B.V. ([Ff]) in gebreke blijft bij de afname; - dat [F] Nederland B.V. de geplande algehele ombouw tot [Ff]winkels inmiddels definitief heeft gestaakt; - dat ten gevolge hiervan [F] Nederland B.V. ([Ff]) ten opzichte van [A] BV achterblijft bij de minimaal overeengekomen hoeveelheden kaas; - dat de hiervoor genoemde contractuele boeteregeling in werking zal treden; (...) verklaren te zijn overeengekomen: [C & D] BV doet tegen eenmalige vergoeding algeheel afstand van de aanspraak op haar aandeel in de boete die [F] Nederland B.V. ([Ff]) verschuldigd zal zijn wegens het niet nakomen door [F] Nederland B.V. ([Ff]) van de contractuele afnameverplichting in gevolge de overeenkomst die [A] BV in mei 2001 met steun van [C & D] BV heeft gesloten met [F] Nederland B.V. ([Ff]). De door [A] B.V. per heden aan [C & D] BV verschuldigde vergoeding is gelijk aan de aanspraken waarvan [C & D] BV afstand doet, welke door partijen vooralsnog wordt gesteld op een bedrag van NLG 4.000.000. (...)” Bij het tot stand komen van deze overeenkomst hebben beide partijen zich laten vertegenwoordigen door [B.C]. 2.6. In verband met haar verplichtingen jegens [C & D] uit hoofde van de overeenkomst van 28 december 2001, heeft [belanghebbende] in haar aangifte vennootschapsbelasting een buitengewone last verantwoord van f 4.000.000 (€ 1.815.120). 2.7. Blijkens een verklaring gedateerd 10 april 2006 van [G], lid van het managementteam van [A], bereikte [A] in juli 2003 een akkoord met [F] over aanpassing en verlenging van het op 25 april 2001 gesloten contract. met betrekking tot de werknemersoptieregeling 2.8. [Belanghebbende] heeft op 21 december 2001 aan 6 personen opties op certificaten van cumulatief preferente aandelen in haar kapitaal met een nominale waarde van elk € 500 toegekend. Per persoon zijn 1680 opties toegekend, in totaal derhalve 10.080 opties. 2.9. De bedoelde personen hebben op 22 november 2001 een arbeidsovereenkomst met [belanghebbende] gesloten. Voorheen waren zij werkzaam bij [B], dan wel bij een andere met [belanghebbende] verbonden vennootschap. Op 21 december 2001 zijn de toegekende opties door de werknemers aanvaard. 2.10. Bij aandeelhoudersbesluit van 19 december 2001 is met het oog op de optieregeling besloten om de statuten van [belanghebbende] zodanig te wijzigen dat de mogelijkheid ontstaat tot uitgifte van de cumulatief preferente aandelen. De notulen van de vergadering van aandeelhouders waarin het daartoe strekkende voorstel is gedaan luiden, voor zover relevant: “(...) De voorzitter stelt (...) voor: 1. Om de statuten van de vennootschap te wijzigen overeenkomstig het concept dat daarvoor wordt opgesteld door notaris (...), teneinde daarmee cumulatief preferente aandelen C met bijzondere winstgerechtigdheid te creëren. (...) 2. Om voorzover gebruik wordt gemaakt van voormelde optieregeling nieuw gecreëerde cumulatief preferente aandelen C uit te geven. Tot daadwerkelijke uitgifte door middel van een notariële akte zal worden overgegaan zodra onder de optieregeling opties zijn uitgeoefend.” 2.11. Het in december 2001 vastgestelde optiereglement (hierna: het optiereglement) luidt, voor zover van belang: “Artikel 2: Definities In dit reglement zullen de navolgende woorden en uitdrukkingen de daarbij vermelde betekenis hebben tenzij uitdrukkelijk anders is aangegeven: (...) - Werknemer : een werknemer van [belanghebbende] of met een haar gelieerde besloten vennootschap die van de Optieregeling gebruik heeft gemaakt. - de Aandelen : de certificaten van (zowel geplaatste als nog te plaatsen) cumulatief preferente aandelen C van € 500,- nominaal in het aandelenkapitaal van [belanghebbende] waarvoor aan Werknemers Opties zijn toegekend; - Optie : het recht om gedurende de Looptijd tegen de Uitoefenprijs één Aandeel te verwerven. - Looptijd : de periode gedurende welke de Optie uitgeoefend kan worden; - Uitoefenprijs : het bedrag dat bij uitoefening van de Optie door de Werknemer betaald moet worden ter verkrijging van één Aandeel. (...) Artikel 4: Reservering dividend De Aandelen waarvoor aan Werknemers opties zijn toegekend delen vanaf de uitoefening van de Opties mee in de resultaten van [belanghebbende] doordat zij (steeds na verloop van tien jaar te rekenen vanaf de datum van uitgifte van de Aandelen waarvoor de Opties zijn uitgeoefend) gerechtigd zullen zijn tot een zodanig aandeel in de alsdan bestaande reserves van [belanghebbende] als overeenkomt met het dividend dat op de betreffende Aandelen is gereserveerd vanaf de uitgifte daarvan. Ter bepaling van dit aandeel zal de algemene vergadering van aandeelhouders van [belanghebbende] jaarlijks een zodanig bedrag reserveren als gelijk is aan een marktconforme kapitaalvergoeding over de nominale waarde van de Aandelen verhoogd met voormeld aandeel in de reserves dat aan de Aandelen is verbonden, met dien verstande dat in de jaren tot en met 2006 deze vergoeding zal worden verminderd met één procentpunt per jaar. De algemene vergadering van aandeelhouders zal jaarlijks het niveau van de marktconforme kapitaalvergoeding als hiervoor bedoeld bepalen aan de hand van de ontwikkelingen op de kapitaalmarkt. Als in enig jaar de resultaten onvoldoende zijn voor deze reservering zal de achterwege gebleven reservering in volgende jaren bij voorrang alsnog plaatsvinden. De aldus gereserveerde bedragen zullen steeds na het verstrijken van een periode van 10 jaar te rekenen vanaf de uitgifte van de Aandelen waarvoor de Opties zijn uitgeoefend worden uitgekeerd ten titel van dividend. (...) Artikel 7: De Uitoefenprijs De Uitoefenprijs per optie is gelijk aan de waarde in het economisch verkeer van een Aandeel per heden, uitgaande van uitgifte van de Aandelen per heden. Deze waarde in het economisch verkeer wordt vooralsnog gesteld op 96% van de nominale waarde van een Aandeel. Artikel 8: De Looptijd De Looptijd van de Opties bedraagt twintig jaar, te rekenen vanaf de datum van toekenning van de Opties. Ingeval van beëindiging van het dienstverband van de Werknemer met [belanghebbende] of met een andere met haar gelieerde vennootschap zal de Looptijd echter worden ingekort tot een maand na het einde van het dienstverband. De Opties kunnen worden uitgeoefend gedurende de eerste zes maanden van de Looptijd of gedurende de laatste maand daarvan, alsmede gedurende een maand na het einde van het dienstverband als hiervoor bedoeld.” 2.12. [Belanghebbende] heeft evenbedoelde werknemersoptieregeling voorgelegd aan verweerder, waarna verweerder [belanghebbende] op 18 december 2001 als volgt heeft bericht: “(...) Voorzover de hierna genoemde werknemers in dienst zijn bij [belanghebbende] en voorzover de opties een voordeel uit dienstbetrekking vormen bevestig ik dat is voldaan aan de meldingsplicht ex artikel 10a lid 2 Wet op de loonbelasting 1964. (...)” 2.13. [Belanghebbende] heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting 2001 ter zake van de toegekende opties een last in aanmerking genomen van € 2.520.000. Hiertoe is eerst de waarde per optie bepaald, waarbij aansluiting is gezocht bij de in artikel 20 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 opgenomen formule: P=I+V I: (W-U)/W*100 = (500-480)/500*100 = 4 V: (4,5-0,1t)*t-(0,09-0,002t)*I*t = (4,5-0,1*20)*20-(0,09-0,002*20)*4*20 = 46 P = 4+46 = 50 De waarde per optie is gesteld op een percentage (P, in dit geval 50) van de uitoefenprijs (€ 500). Er zijn aan 6 personen ieder 1680 opties toegekend, zodat de totale last voor [belanghebbende] volgens de ingediende aangifte gelijk is aan (6 * 1680 * 50% * € 500 =) € 2.520.000. 2.14. Bij het vaststellen van de beschikking is [de inspecteur] als volgt van de ingediende aangifte afgeweken: Aangegeven belastbaar bedrag € -/- 5.118.382 Bij: correctie buitengewone last (schadevergoeding) 1.815.120 Bij: correctie werknemersoptieregeling 2.520.000 + Gecorrigeerd belastbaar bedrag: € -/- 783.262” 2.2. Nu partijen de feiten die hiervoor zijn weergegeven niet hebben betwist zal ook het Hof van die feiten uitgaan en zal het daar in de navolgende overwegingen naar verwijzen als wa-ren het feiten die het Hof heeft vastgesteld. Voorzover de feiten aanvulling behoeven zal dat in de navolgende overwegingen worden vermeld. 2.3. In appel zijn in geschil de aftrekbaarheid van de door belanghebbende in aanmerking genomen ‘buitengewone last’ van € 1.815.120 uit hoofde van de overeenkomst van 28 december 2001 tussen [A] en [C & D] (onderdeel 2.5 van de uitspraak van de rechtbank), alsmede de door belanghebbende in aanmerking genomen kosten van € 2.520.000 uit hoofde van in 2001 toegekende werknemersopties (onderdeel 2.8 e.v. van de uitspraak van de rechtbank). De buitengewone last 2.4. Met betrekking tot de buitengewone last heeft de rechtbank een verplichting tot schade-vergoeding door [A] aan [C & D] in beginsel aanwezig geacht. Daarvan uitgaande heeft de rechtbank evenwel niet aannemelijk geacht dat de overeenkomst van 28 december 2001 tussen belanghebbende en [C & D] met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming van belanghebbende is gesloten. In dat verband is in aanmerking genomen dat [A] en [C & D] verbonden vennootschappen waren en voorts dat belanghebbende op geen enkele zichtbare wijze heeft getracht haar schade te mitigeren door zich bijvoorbeeld tegenover [C & D] op overmacht te beroepen. Op – samengevat – deze gronden heeft de rechtbank de buitengewone last niet in aftrek toegestaan. 2.5. In appel heeft belanghebbende onder meer het volgende aangevoerd: - De minimumafname die is vermeld in artikel 12 van de overeenkomst tussen [A] en [F] (onderdeel 2.4 van de uitspraak van de rechtbank) zou het dubbele daarvan bedragen indien de [Ff]-supermarktketen met succes tot een nieuwe winkelformule zou worden omgebouwd; - [A] was niet in staat om haar verplichtingen jegens [F] zelfstandig na te komen en zij heeft daarover met haar zusteronderneming [C & D] een afspraak gemaakt welke evenwel niet schriftelijk is vastgelegd; - Als gevolg van het mislukken van de ombouw van de [Ff]-winkels door [F] heeft [C & D] volgens belanghebbende schade geleden, doordat zij niet meer de kwalitatief hoogwaardige, zogeheten Wapenaerkaas kon leveren waarop zij een hoge winst-marge realiseerde en die exclusief aan [F] zou worden geleverd; - Voorts heeft belanghebbende nog een verklaring van W.A.M.M. Derksen, projectmanager van [B] en destijds werkzaam voor [A], overgelegd waarin onder meer het volgende is vermeld: “[F] kon (…) niet meer voldoen aan haar afnameverplichtingen jegens [A] (…). Omdat [A] de leveranties van kaas had uitbesteed aan Z&V leed deze ernstige schade. (…) Omdat deze omstandigheden geacht werden in de risicosfeer van [A] te liggen is toen aan mij gevraagd een berekening op te stellen van de schade die [A] aan Z&V zou moeten vergoeden.(…)” 2.6. De inspecteur heeft onder meer het volgende verweer gevoerd: - Betwist is dat tussen [A] en [C & D] een overeenkomst is totstand-gekomen op grond waarvan belanghebbende tot betaling van de in geschil zijnde buitenge-wone last zou zijn verplicht; de inspecteur acht het – anders dan de rechtbank – dan ook niet aannemelijk dat [A] heeft bedoeld de schade te vergoeden die [C & D] zou lijden indien zij minder kaas aan [A] zou kunnen leveren. - Voorzover al voor [A] een verplichting tot het van [C & D] afnemen van kaas zou zijn totstandgekomen, heeft de inspecteur betwist dat deze verplichting een minimumafname en een verplichting tot vergoeding van schade in geval van een niet realiseren van die minimumafname zouden inhouden; - Voorts heeft de inspecteur betwist dat schade is geleden. 2.7.1. Naar het oordeel van het Hof volgt uit de ‘overeenkomst van afkoop’ die op 28 decem-ber 2001 tussen [A] en [C & D] is gesloten op zichzelf niet het bestaan van een aan die overeenkomst ten grondslag liggende verplichting. Het heeft op de weg van belanghebbende gelegen het bestaan van een aan de ‘overeenkomst van afkoop’ ten grondslag liggende verplichting te bewijzen. Nu het bestaan van een dergelijke verplichting (ook) in eerste aanleg door de inspecteur is betwist, heeft de rechtbank door desalniettemin in rechtsoverweging 4.3 van haar uitspraak (impliciet) van het bestaan van zo’n verplichting uit te gaan, miskend dat het (primair) op de weg van belanghebbende heeft gelegen om het bestaan van die verplichting aannemelijk te maken. 2.7.2. In haar aanvulling op het beroepschrift in eerste aanleg heeft belanghebbende gesteld dat [C & D] een eigen aandeel zouden hebben in de boete die [F] ver-schuldigd zou worden in geval zij de afnameverplichting uit hoofde van haar overeenkomst met [A] niet zou nakomen. Belanghebbende heeft gesteld dat [A] deze overeenkomst met steun van [C & D] heeft gesloten. Uit laatstvermelde omstandigheid, wat daarvan verder mag zijn, volgt evenwel niet het bestaan van een door [C & D] jegens [A] uit te oefenen recht op schadevergoeding in geval van niet-nakoming van de verplichtingen van [F] jegens [A]. Uit de onder 2.4 van de uitspraak van de rechtbank aangehaalde overeenkomst is niet af te leiden dat ook [C & D] partij was in die overeenkomst. Belanghebbende heeft dit laatste als zodanig ook erkend. 2.7.3. Belanghebbende heeft als grond voor de door [A] betaalde afkoopsom nader aangevoerd dat tussen hen eerder in 2001 mondeling was overeengekomen dat [C & D] ten behoeve van [A] gedurende een periode van drie jaren exclusief capaciteit zou reserveren teneinde [A] in staat te stellen aan haar leveringsverplichting jegens [F] te kunnen voldoen. Naar het oordeel van het Hof houdt een dergelijke overeenkomst op zichzelf niet in dat [A] gehouden zou zijn aan [C & D] een schadevergoeding te betalen indien [F] niet aan haar afnameverplichting jegens [A] zou voldoen. Dat [A] niet aan haar leveringsverplichting jegens [F] heeft kunnen voldoen is overigens niet komen vast te staan. Dat zich een situatie heeft voorgedaan waarin [A] minder van [C & D] heeft afgenomen dan hetgeen zij aan [F] verplicht zou zijn geweest te leveren, is evenmin komen vast te staan. 2.7.4. Voorzover belanghebbende heeft gesteld dat [A] jegens [C & D] een afnameverplichting is aangegaan die overeenkwam met de afnameverplichting van [F] tegenover [A] en dat [A] bij niet-nakoming van die afnameverplichting tot het vergoeden van de als gevolg daarvan bij [C & D] opgetreden schade verplicht zou zijn, oordeelt het Hof dat zij het bestaan van dergelijke verplichtingen tegen-over de betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt. Belangheb-bende heeft in dit verband weliswaar erop gewezen dat de gestelde verplichting(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.