arrestnummer: parketnummer: 23-003669-06 datum uitspraak: 15 juli 2008 TEGENSPRAAK VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2006 in de strafzaak onder parketnummer 13-421785-05 van het openbaar ministerie tegen [verdachte] 1. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 20 juli 2006 en op de terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2008. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg 20 juli 2006 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. 3. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, nu de bewijsconstructie van het hof, mede doordat in hoger beroep nader bewijs is toegevoegd, enigszins afwijkt van de bewijsconstructie van de rechtbank. 4. Bewijsoverweging 4.1. Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 4.1.1. Na een melding bij de politie op 8 november 2005 om 8.50 uur, is in een pand aan de Torensteeg 5 te Amsterdam het stoffelijk overschot gevonden van [slachtoffer]. Toen de politie omstreeks 8.58 uur het pand betrad, trof zij het slachtoffer aan op de vloer in de hal achter de voordeur. Geconstateerd werd dat het luik naar de kelder waar later de verdachte werd aangetroffen, en dat zich onder de wenteltrap in de hal achter de voordeur bevond, gedeeltelijk open stond omdat het werd geblokkeerd door het wiel van een omgevallen kinderfiets. Op grond van het sectierapport van patholoog A. Maes van 21 maart 2006 en het aanvullend rapport van forensisch arts D. Botter, waarin is geconcludeerd dat het slachtoffer is overleden als gevolg van veelvuldig stomp botsend geweld op haar hoofd, gelaat en hals, in combinatie met heftig samendrukkend en/of samensnoerend geweld op de hals en mondbodem (welke laatstgenoemde handelingen meest waarschijnlijk het overlijden hebben veroorzaakt), gaat het hof er vanuit dat zij door gewelddadig handelen om het leven is gekomen. De hoofdbewoonster van het pand, [hoofdbewoonster], heeft verklaard dat zij die ochtend om 7.55 uur samen met haar dochter het pand heeft verlaten en aldaar rond 8.45 uur is teruggekeerd, waarna zij in de hal achter de voordeur het slachtoffer heeft aangetroffen. Bij het verlaten van het pand op eerstgenoemd tijdstip heeft zij niets bijzonders opgemerkt en heeft zij muziek vanuit de kamer van het slachtoffer gehoord. Toen de politie op de plaats van het delict arriveerde, was de verdachte - buiten het slachtoffer - als enige persoon in het pand aanwezig. Op grond van de verklaringen van de bewoners van het pand en van het proces-verbaal van bevindingen van 25 november 20051 gaat het hof ervan uit dat in de tijd na terugkeer van [hoofdbewoonster] tot aan de komst van de politie niemand het pand via de voordeur, of op andere wijze, heeft (kunnen) verlaten. 4.1.2. De verdachte, die met medeweten en instemming van [hoofdbewoonster] sinds drie dagen in haar huis verbleef, werd om 11.19 uur door de politie aangetroffen in de kelder onder de hal, liggend op zijn matras en gekleed in een hemd, (trainings)broek, sokken en sportschoenen. Deze kleding van de verdachte is ter plaatse veiliggesteld en daarna op sporen onderzocht. Op het hemd, de broek, de sokken en op de linkerschoen zijn bloedsporen aangetroffen. Op het hemd van de verdachte zijn enkele zogenoemde overdracht- en veegsporen gevonden, bloedsporen die zijn ontstaan tijdens een (bewegend) contact tussen het hemd en een bewegend bebloed object2. Een van deze bloedsporen is bemonsterd en veiliggesteld3 ten behoeve van DNA-onderzoek. Het gaat om een bloedspoor dat is aangetroffen in nagenoeg het midden van het hemd. Uit de resultaten van het DNA-onderzoek, zoals neergelegd in het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 15 februari 2006, blijkt dat in de bemonstering van dat hemd een DNA-hoofdprofiel is aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van het slachtoffer. De kans dat de DNA-kenmerken van een willekeurig gekozen persoon overeenkomen met de DNA-kenmerken behorend bij het DNA-hoofdprofiel van het bloed/celmateriaal in deze bemonstering bedraagt minder dan één op één miljard (de berekende frequentie)4. 4.1.3. Uit het onderzoek is voorts het volgende gebleken. Op de tweede verdieping van het pand aan de Torensteeg 5 zijn op een douchemat in de (gemeenschappelijke) badkamer bloedspatten aangetroffen, afkomstig van het slachtoffer5. In de (gemeenschappelijke) keuken, eveneens gelegen op de tweede verdieping, is bloed - vermengd met water - aangetroffen op een bord en een babyflesje in een afdruiprek op het aanrecht, welk bloed afkomstig is van de verdachte6. Op de overloop tussen de tweede en de eerste verdieping bevond zich een bloedspoor, afkomstig van het slachtoffer7. De wenteltrap tussen de eerste verdieping en de hal op de begane grond waar het slachtoffer is gevonden, bevatte twee bloedsporen van de verdachte8, alsmede een derde bloedspoor, waarin zich DNA-kenmerken bevonden van (minimaal) twee personen. De DNA-profielen van de verdachte en het slachtoffer komen overeenkomen met dit DNA-mengprofiel. Dit betekent dat het onderzochte bloed/celmateriaal in de bemonstering van dit derde bloedspoor afkomstig kan zijn van de verdachte en het slachtoffer. In de hal waar het slachtoffer is gevonden zijn onder meer op de muur, de vloer en op een omgevallen fiets, grote concentraties bloed van het slachtoffer aangetroffen. Op de binnenzijde van het toegangsluik naar de kelder waar de verdachte zich bij zijn aanhouding bevond is een bloedveeg, afkomstig van de verdachte, gevonden. Op de keldervloer tussen een tafel en het matras bevond zich een bloedspoor, dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer9. Het beddengoed (laken) op het matras bevatte een bloedspoor van de verdachte10. Voorts zijn de nagels van de linkerhand van het slachtoffer bemonsterd en onderzocht. Van het mannelijk DNA in deze bemonstering is een onvolledig Y-chromosomaal DNA-profiel verkregen. Dit onvolledige Y-chromosomale DNA-profiel komt overeen met het Y-chromosomale DNA-profiel van de verdachte. Dit betekent dat de mannelijke component van het celmateriaal in deze bemonstering afkomstig kan zijn van de verdachte of van een in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man, of van een man die niet aan de verdachte verwant is, maar wel hetzelfde Y-chromosomale DNA-profiel heeft 11. 4.2. De onder 4.1. genoemde feiten en omstandigheden zijn voor het hof redengevend voor het bewijs dat de verdachte het slachtoffer op gewelddadige wijze ter dood heeft gebracht. Samenvattend zijn die feiten en omstandigheden: - dat de verdachte in de tijd voorafgaande aan de dood van het slachtoffer als enige in het pand aanwezig is geweest; - dat op veel plaatsen in het pand bloedsporen van hemzelf en van het slachtoffer zijn aangetroffen; - de onder 4.1.2. en 4.1.3. genoemde DNA-sporen zoals daar omschreven en gekwalificeerd. 4.3. De verdachte ontkent dat hij het slachtoffer om het leven heeft gebracht en heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd. Hij is die ochtend omstreeks 7.00 uur wakker geworden van het geluid van de mobiele telefoon in de kamer van een medebewoner, welke kamer is gelegen boven de kelder. De verdachte is vervolgens opgestaan en heeft in de gemeenschappelijke keuken op de tweede verdieping zijn ontbijt genuttigd. Deze verklaring is bevestigd door [hoofdbewoonster], die heeft verklaard dat zij de verdachte die ochtend vóórdat zij omstreeks 7.55 uur samen met haar dochter de woning verliet, in de keuken heeft gezien. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij van plan was na zijn ontbijt te gaan hardlopen, maar dat hij daarvan heeft afgezien omdat hij niet wist of er bij zijn terugkomst iemand thuis zou zijn die voor hem de voordeur kon openen. Naar eigen zeggen is hij in afwachting van de terugkomst van [hoofdbewoonster] weer naar de kelder gegaan en op zijn matras gaan liggen, waarna hij in slaap is gevallen en pas wakker is geworden op het moment dat de politie de kelder betrad. Het hof acht deze lezing van de verdachte niet geloofwaardig. Het slachtoffer is aangetroffen in de boven de kelder gelegen hal. Uit de positie en de verwondingen van het slachtoffer, de in de gang aangetroffen hoeveelheden bloed en de aldaar omgevallen fietsen volgt naar het oordeel van het hof dat in ieder geval een groot deel van de geweldshandelingen in die hal heeft plaatsgevonden, tussen 7.55 uur en 8.58 uur. Mede gelet op de verklaring van de verdachte, dat hij eerder die ochtend was gewekt door het geluid van een mobiele telefoon in een boven de kelder gelegen kamer, alsmede de omstandigheid dat het toegangsluik naar de kelder gedeeltelijk open stond, is het hoogst onwaarschijnlijk dat de verdachte niets heeft gehoord of gemerkt van hetgeen zich direct boven zijn hoofd in de hal heeft afgespeeld. De verdachte heeft zich gedurende het opsporingsonderzoek en het onderzoek te terechtzitting in eerste aanleg voornamelijk op zijn zwijgrecht beroepen. Hoewel hij ter terechtzitting in hoger beroep wel vragen heeft beantwoord, heeft de verdachte ook toen geen ontzenuwende verklaring gegeven voor de aanwezigheid van de aanwezigheid van bloedsporen van hemzelf en van het slachtoffer op diverse plaatsen in het pand en een bloedspoor van het slachtoffer op het hemd dat hij droeg ten tijde van zijn aanhouding in de kelder. Een mogelijke verklaring voor de bloedsporen van hemzelf zouden volgens de verdachte de wondjes kunnen zijn, die hij enige dagen geleden met kluswerkzaamheden in een ander pand zou hebben opgelopen. Het hof hecht aan deze verklaring geen geloof. De hoeveelheid van de gevonden bloedsporen en de plaatsen waarop deze zijn aangetroffen, in relatie met omvang en locatie van de sporen van het slachtoffer, ondersteunen de verklaring van de verdachte allerminst. 5. Bewezengeachte Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij op 8 november 2005 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen (met grote kracht) met een of meer harde voorwerpen en/of met zijn, verdachtes vuist(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.