17 juni 2008 vierde civiele kamer zaaknummer 104.004.175 (oud) 2007/01140 G E R E C H T S H O F T E A M S T E R D A M Nevenzittingplaats Arnhem Arrest in de zaak van: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante in de hoofdzaak en eiseres in het incident, verder te noemen "de vrouw", procureur: mr. H. Loonstein, tegen: [geïntimeerde], wonende te [woonplaats] (België), geïntimeerde in de hoofdzaak en verweerder in het incident, verder noemen "de man", procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer. 1 Het geding in eerste aanleg Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen van 1 februari 2006 en 2 mei 2007 van de rechtbank Utrecht gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie en verweerster in reconventie en de man als verweerder in conventie en eiser in reconventie. Van het vonnis van 2 mei 2007 is een fotokopie aan dit arrest gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Bij exploot van 1 augustus 2007 heeft de vrouw de man aangezegd in hoger beroep te komen tegen het hiervoor genoemde vonnis van 2 mei 2007 met gelijktijdige dagvaarding van de man voor dit hof. 2.2 De vrouw heeft bij incidentele memorie ex art. 843a Rv gevorderd dat de man wordt veroordeeld binnen 28 dagen na betekening van het arrest in het incident over te gaan tot afgifte in kopie van de in het lichaam van de memorie bedoelde bescheiden, althans dat het hof in goede justitie zal bepalen binnen het kader van art. 843a Rv op welke wijze de vrouw van de bedoelde bescheiden kan kennis nemen, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan, dat de man in strijd met dit arrest in het incident handelt, kosten rechtens. 2.3 De man heeft bij memorie van antwoord in het incident ex art. 843a Rv verweer gevoerd met conclusie dat het hof de vrouw niet-ontvankelijk zal verklaren, subsidiair haar haar vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het incident. 2.4 Ten slotte heeft de man in het incident arrest verzocht en de stukken overgelegd. 3 De beoordeling van het hoger beroep In het incident 3.1 De vrouw stelt dat zij bescheiden nodig heeft om de grieven te kunnen formuleren. Zij stelt dat in het echtscheidingsconvenant d.d. 24 mei 1977 alle aandelen Vroom en Dreesman en alle aandelen Vendefund A en Vendefund B aan de man zijn toegescheiden. In een brief van de belastingadviseur van 28 december 1976 wordt gesproken over 2241 aandelen Vroom en Dreesman B.V. en 4979 certificaten Vendefund “A” en “B” waaraan in die brief een waarde van f 437.000,- respectievelijk f 49.790,- is toegekend maar noch toen, noch later, zijn de aangiften en aanslagen IB van de man overgelegd waaruit blijkt wat aan de fiscus is opgegeven, althans dat de belastingdienst de opgegeven aantallen aandelen/certificaten en/of de gehanteerde waarden heeft gevolgd. Zij stelt voorts dat er (ook) over de juistheid van de door de man opgegeven aantallen aandelen/certificaten op grond van een contact met een medewerkster op het kantoor van Vendex twijfel is gerezen en dat de man de beschikking heeft over relevante bescheiden waaruit meerbedoelde aantallen en/of waarden blijken, zoals een kopie van het aandeelhoudersregister en de aangiften en aanslagen IB 1976 en 1977. Als de aantallen die de man heeft opgegeven niet kloppen is er evident sprake is van bedrog, althans dwaling, hetgeen eerst nu aan het licht komt, zodat er geen sprake is van verjaring. Volgens de vrouw is aan alle vereisten van artikel 843a Rv voldaan, kan zij niet op andere wijze aan die bescheiden komen en waren partijen in gemeenschap van goederen gehuwd, zodat de bescheiden een rechtsbetrekking betreffen waar ook de vrouw partij bij is/was. 3.2 De man bestrijdt de stellingen van de vrouw. Volgens de man is niet aan de vereisten van art. 843a Rv voldaan. Hij is niet in staat meer stukken over te leggen dan hetgeen hij in de loop van de procedure in eerste aanleg al heeft gedaan. De man stelt dat de vrouw eerst van grieven zou moeten dienen waarna het hof kan beoordelen of de gevraagde stukken van belang zijn. 3.3 Het hof stelt voorop dat art. 843a Rv aan de vordering tot inzage of afgifte van een document drie cumulatieve voorwaarden stelt:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.