GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Beslissing van 16 september 2008 in de zaak onder nummer 200.000.810/01 GDW van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam] , gevestigd te [plaats] APPELLANTE, gemachtigde: W.E. van Bentem, t e g e n 1.[naam] gerechtsdeurwaarder te [plaats]] 2. [naam] gerechtsdeurwaarder te [plaats] 3. [naam], waarnemend gerechtsdeurwaarder te [plaats], 4. [naam] oud-gerechtsdeurwaarder te [plaats] en [plaats], GEïNTIMEERDEN, gemachtigde: mr. D.L.G.M. Bruls. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Ter griffie van het hof alhier is per faxbericht op 2 januari 2008 ingekomen een verzoekschrift - met bijlagen - namens appellante, verder te noemen klaagster, waarbij zij tijdig hoger beroep instelt tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 20 november 2007, waarbij de onderdelen 1, 6 en 8 van de klacht van klaagster tegen geïntimeerden, verder te noemen: de gerechtsdeurwaarders, gegrond zijn verklaard zonder oplegging van een maatregel aan de gerechtsdeurwaarders, en de klacht voor het overige ongegrond is verklaard. 1.2 Van de zijde van de gerechtsdeurwaarders is op 1 februari 2008 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen. 1.3. Op 10 juni 2008 is per fax nog een productie namens klaagster ter griffie van het hof ingekomen. 1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 12 juni 2008, alwaar de beide gemachtigden zijn verschenen en het woord hebben gevoerd. 2. De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de behandeling van de zaak in eerste aanleg, alsmede van de hiervoor vermelde stukken. 3. De feiten Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in haar beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat. 4. Het standpunt van klaagster 4.1. Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarders – behoudens gerechtsdeurwaarder sub 4 – dat zij onzorgvuldig hebben gehandeld bij de uitvoering van hun opdracht. Zij hebben niet dan wel volstrekt onvoldoende toegezien op het vervolgen van het gelegde derdenbeslag. De derdenbeslagene is niet aangesproken op het ontbreken van de verklaring. Zij hebben niet toegezien op het doen van tijdige afdrachten. Zij hebben de derdenbeslagene pas na negen maanden hieromtrent aangeschreven. De derdenbeslagene heeft zich in verband met het beschermingsbewind kennelijk op het standpunt gesteld dat het onder hem gelegde beslag geen verplichtingen schiep. Het beslag heeft echter voorrang op het beschermingsbewind. Dit misverstand omtrent de invloed van het beschermingsbewind op het beslag is onnodig lang in stand gehouden. 4.2. Klaagster verwijt gerechtsdeurwaarder sub 3 dat hij zijn eigen verantwoordelijkheid als beslagleggend gerechtsdeurwaarder heeft miskend. 4.3. Voorts wordt de gerechtsdeurwaarders verweten dat zij in de brief van 27 maart 2006 hebben vermeld dat zij in afwachting waren van de eerste inhouding. Daardoor hebben zij de indruk gewekt dat het beslag kleefde en dat er afdrachten zouden volgen, terwijl de verklaring nog niet was gedaan en de derdenbeslagene daar nog niet op was aangesproken. Ook later hebben zij geen melding gedaan van het niet afleggen van de verklaring. 4.4. Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarders tevens zij de indruk hebben gewekt dat niet zeker was dat de debiteur onder beschermingsbewind stond, terwijl zij bekend waren met de beschikking van de kantonrechter. Zij hebben de opdrachtgever informatie onthouden door de beschikking en de brief van de bewindvoerder niet aan de advocaat te doen toekomen, zodat deze zelf contact op kon nemen. 4.5. Ook wordt de gerechtsdeurwaarders verweten dat zij niet hebben gereageerd op de vraag in de brief van 29 augustus 2006 of het mogelijk was beslag roerende zaken te leggen. In wezen was dit een instructie waaraan geen gevolg is gegeven. 4.6. Eveneens verwijt klaagster de gerechtsdeurwaarders dat zij niet hebben vermeld op grond van welke feiten het beslag zou zijn vervallen en dat niet blijkt dat zij die feiten hebben geverifieerd. Dit lag wel voor de hand, omdat bij een overgang van onderneming in principe de arbeidsovereenkomsten ook meegaan. 4.7. Gerechtsdeurwaarder sub 1 wordt bovendien verweten dat hij in strijd met de waarheid heeft meegedeeld dat het inkomen van debiteur onder de beslagvrije voet bleef. 4.8. Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarders buitendien dat zij ten onrechte genoegen hebben genomen met een telefonische reactie van de werkgever. Zij hadden een en ander moeten verifiëren en de advocaat daarvan op de hoogte moeten stellen. 4.9. De gerechtsdeurwaarders wordt mede verweten dat de inhoud van de brief van 21 maart 2007 deels misleidend is. 4.10. Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarders dat geen deugdelijk register is bijgehouden zoals in artikel 17 van de Gerechtsdeurwaarderswet is voorgeschreven, omdat niet alle stukken aan de advocaat zijn gezonden en het daardoor niet mogelijk was een kopie aan de gemachtigde te verstrekken. 4.11. Ten slotte wordt gerechtsdeurwaarder sub 1 verweten dat hij willens en wetens onjuiste feiten heeft gesteld. 5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarders 5.1. De gerechtsdeurwaarders betwisten de stellingen van klaagster gedeeltelijk en verweren zich als volgt. 5.2. De gerechtsdeurwaarders hebben toegegeven dat de afwikkeling van het derdenbeslag niet voldoende adequaat is afgehandeld. Er is te veel afgegaa[naam]p berichtgeving van [naam] te [plaats] verder: [naam] aan welke instelling het volledige loon werd overgemaakt, omdat de debiteur werkzaam was via de sociale dienst, en op de berichtgeving van de Volkskredietbank, verder: VKB. Er is wel toegezien op het doen van tijdige afdrachten door de werkgever. Meermalen is getracht om contact te krijgen met de werkgever, maar er is geen verdere actie ondernomen gelet op de berichten van [naam] en de VKB. Van deze instanties mag verwacht worden dat zij correcte informatie verstrekt. 5.3. Voort hebben de gerechtsdeurwaarders naar voren gebracht dat gerechtsdeurwaarder sub 3 zich voldoende van zijn taak heeft gekweten toen de afdrachten uitbleven. Hij heeft op 16 december 2005 derdenbeslag gelegd en voor de juiste betekening van het beslag zorg gedragen. 5.4. De gerechtsdeurwaarders hebben erkend dat de brief van 27 maart 2006 bepaalde verwachtingen heeft gewekt. Per abuis is de mededeling “in afwachting van inhoudingen” in de statusoverzichten nadien blijven staan. 5.5. Ten aanzien van het klachtonderdeel met betrekking tot het gestelde in de brief van 27 maart 2006 hebben de gerechtsdeurwaarders opgemerkt dat doordat zij tegenstrijdige berichten hebben ontvangen met betrekking tot de bewindvoering, zij voormelde tekst hebben laten staan. Aan de (voormalig) bewindvoerder is het vonnis en exploot toegestuurd. Ook de advocaat is geïnformeerd over de bewindvoering. 5.6. Voorafgaand aan de brief van 29 augustus 2006 hebben de gerechtsdeurwaarders een schuldbemiddelingsvoorstel van de VKB ontvangen, waaruit bleek dat de debiteur aanzienlijke schulden had, waaronder een aantal preferente vorderingen. Dit was redengevend om niet tot beslaglegging over te gaan. In dat verband wijzen de gerechtsdeurwaarders er op dat zij naar eigen inzicht een dossier afwikkelen en niet voor iedere te nemen maatregel contact opnemen met de opdrachtgever. 5.7. Een medewerker van de gerechtsdeurwaarders is afgegaan op een mededeling van Administratiekantoor en Adviesbureau [naam] dat het bedrijf waar de debiteur werkzaam was in andere handen was overgegaan en dat bij deze overname geen personeel was betrokken. De gerechtsdeurwaarders erkennen dienaangaande dat de terugkoppeling van deze informatie tot verwarring aan de zijde van de opdrachtgever kan hebben geleid. 5.8. Bij brief van1 februari 2007 heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 laten weten dat de beslaginkomsten onder de beslagvrije voet vielen en dat daarom geen afdrachten zijn ontvangen. Hierbij is gerechtsdeurwaarder sub 1 afgegaan op de telefonische mededeling van [naam] van 26 januari 2006. Daarom is in latere correspondentie aan de werkgever vermeld dat het beslag prevaleert boven het beschermingsbewind. 5.9. De gerechtsdeurwaarders hebben erkend dat afgegaan is op de telefonische mededeling van [naam] van 26 januari 2006. Nader onderzoek had voor de hand gelegen. Anderzijds mocht er ook op worden vertrouwd dat informatie van [naam] juist was. 5.10. Namens de gerechtsdeurwaarders wordt erkend dat aan de gemachtigde het volledige dossier had moeten worden toegestuurd. Per abuis was dit niet geheel gescand en daarmee gearchiveerd. Erkend wordt ook dat de dossierbehandeling op onderdelen beter had gekund. De ontvangen tegenstrijdige informatie had aanleiding moeten zijn tot nader recherchewerk. Dit had onnodige verwarring over de voortgang van het dossier zowel bij de opdrachtgever als bij klaagster kunnen voorkomen. Maar een andere aanpak had niet tot een ander resultaat geleid. Er had zorgvuldiger moeten worden gehandeld. Er zijn foutieve statusoverzichten verstuurd, maar de wijze waarop is afgewikkeld valt te billijken. 6. De beoordeling 6.1. Het hof stelt voorop dat de opdracht tot betekening van de grosse van het vonnis bij brief van 22 augustus 2005 is gericht aan gerechtsdeurwaarder sub 1 en dat hij daarom aangemerkt kan worden als de behandelaar van het dossier. Blijkens het beslagexploot van 16 december 2005 heeft gerechtsdeurwaarder sub 3 executoriaal beslag gelegd onder de werkgever van de debiteur. Het behoorde dan ook tot zijn taak voor juiste afwikkeling daarvan zorg te dragen. Uit deze werkzaamheden spruit de onderhavige klacht voort. Uit het dossier noch uit het verhandelde tijdens de terechtzitting is gebleken welke verwijtbare gedragingen de gerechtsdeurwaarders sub 2 en sub 4 kunnen worden toegerekend. Hier uit volgt dat de klacht niet ziet op handelingen van gerechtsdeurwaarders sub 2 en 4. Zij zullen verder niet bij de beoordeling worden betrokken. Ten aanzien van hen wordt de klacht dan ook ongegrond verklaard. 6.2. Het hof is van oordeel dat het klachtonderdeel met betrekking tot het onzorgvuldig handelen ter uitvoering van de opdracht van 22 augustus 2005 doel treft. Namens gerechtsdeurwaarder sub 1 is gesteld dat de afwikkeling van deze opdracht te wensen over heeft gelaten. Het had op de weg van de gerechtsdeurwaarder sub 1 gelegen om zorg te dragen voor een correcte afwikkeling. De klacht is gegrond. 6.3. Dit geldt evenzeer voor het onder 4.2. vermelde klachtonderdeel ten aanzien van gerechtsdeurwaarder sub 3. Het had op zijn weg gelegen het beslag op juiste wijze af te wikkelen, in dier voege dat hij er op diende toe te zien dat er tijdig een verklaring derde-beslagene diende af gelegd te worden. Indien de derde-beslagene hiermee in gebreke mocht blijven diende er verder actie ondernomen te worden teneinde hem te bewegen deze verklaring af te leggen. Dit klachtonderdeel is gegrond. 6.4. Het hof zal de klachtonderdelen zoals genoemd in 4.3., 4.4. en 4.6. gezamenlijk behandelen, aangezien deze klachtonderdelen betrekking hebben op de brief van 27 maart 2006 en in het verlengde daarvan op de brief van 18 oktober 2006. Het hof is van oordeel dat ook deze klachtonderdelen doel treffen. Gerechtsdeurwaarder sub 1 heeft onvoldoende openheid van zaken gegeven door de illusie te wekken dat er een eerste afdracht zou plaats vinden. Hieruit kon de conclusie worden getrokken dat het beslag kleefde. Bovendien wekte de tekst van de brief de indruk dat niet zeker was dat de debiteur onder beschermingsbewind stond, terwijl de gerechtsdeurwaarder sub 1 op de hoogte was van de beschikking van de kantonrechter inzake het beschermingsbewind, uitgesproken op 27 juni 1997. Bovendien is de gerechtsdeurwaarder sub 1 afgegaan op de enkele mededeling van een administratiekantoor dat het bedrijf van de werkgever van de debiteur in andere handen was overgegaan. Uit het verhandelde ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder sub 1 zich te veel heeft laten leiden door de berichtgeving van andere instanties zoals [naam] en VKB in plaats van – zoals uit een behoorlijke taakuitoefening van een gerechtsdeurwaarder voortvloeit – zelfstandig de zaak te onderzoeken. Dit kan hem worden verweten; de gerechtsdeurwaarder diende zich kritischer op te stellen. Deze klachtonderdelen zijn gegrond. 6.5. De klacht met betrekking tot de brief van 29 augustus 2006 is tweeledig. De gerechtsdeurwaarder diende informatie te verschaffen met betrekking tot de voortgang van de afwikkeling van de opdracht, hetgeen hij niet heeft gedaan. Ook werd hem verzocht na te gaan of er op de roerende zaken van de debiteur beslag kon worden gelegd. Op deze instructie is de gerechtsdeurwaarder niet ingegaan. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder dat hij naar eigen inzicht een dossier kan afwikkelen faalt, in dit geval, nu de brief van 29 augustus 2006 een duidelijke vraag en instructie bevatte, die de gerechtsdeurwaarder niet zonder meer naast zich neer heeft mogen leggen. Het klachtonderdeel is gegrond. 6.6. Het klachtonderdeel met betrekking tot het vervallen van het beslag is gegrond. De gerechtsdeurwaarders hebben erkend dat zij zijn afgegaan op de enkele mededeling van een administratiekantoor en dat zij daar verder geen gevolg aan hebben gegeven en dat deze informatie voor de opdrachtgever wellicht voor verwarring zou kunnen zorgen. 6.7. Ten aanzien van de klachtonderdelen zoals genoemd in 4.7. en 4.8. is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder sub 1 in strijd met de waarheid heeft medegedeeld dat het beslagen inkomen van de debiteur onder de beslagvrije voet bleef. Wel diende hij dit nader te onderzoeken, gelet op de algemene informatie die hem ter beschikking stond, zoals de leeftijd van de debiteur. De gerechtsdeurwaarder sub 1 is afgegaan op de telefonische mededeling van 26 januari 2006 van [n[naam]] dit is onvoldoende. Dit klachtonderdeel is deels ongegrond voor wat betreft de vermeende opzettelijke berichtgeving aan de gemachtigde van klaagster, voor het overige is de klacht gegrond. 6.8. Het klachtonderdeel met betrekking tot de brief van 21 maart 2007 is ongegrond. In de brief van 1 februari 2007 is reeds aangegeven waarom er op grond van het derdenbeslag wegens gebrek aan voldoende inkomsten geen afdracht mogelijk was. De gerechtsdeurwaarder sub 1 heeft in de brief van 21 maart 2007 nogmaals aangegeven hoe de zaak is verlopen en dat er ten aanzien van het WSNP-traject een onjuiste code in de correspondentie met betrekking tot het traject is blijven staan. De gerechtsdeurwaarder sub 1 heeft deze onjuistheid erkend. Dit leidt er echter niet toe dat er sprake is van misleiding. Klaagster heeft voor het overige onvoldoende gesteld waaruit de misleiding zou bestaan. Dit klachtonderdeel is ongegrond. 6.9. Dit geldt evenzeer voor het klachtonderdeel met betrekking tot het archiefdossier. Dat er geen deugdelijk archiefdossier zou zijn heeft klaagster niet aannemelijk gemaakt. Het enkel ontbreken van de brief van 16 maart 2006 is onvoldoende voor de stelling dat het archiefdossier ondeugdelijk is en er een ondeugdelijk register is aangelegd. Dit klachtonderdeel is ongegrond. 6.10. Het hof heeft meer klachtonderdelen gegrond bevonden dan de kamer, maar oordeelt dit niet redengevend voor het opleggen van een verdergaande maatregel aan gerechtsdeurwaarder sub 1. Volstaan kan worden met de maatregel van berisping. Ten aanzien van gerechtsdeurwaarder sub 3 is het hof van oordeel dat het derdenbeslag zorgvuldiger afgewikkeld diende te worden. Echter het handelen van de gerechtsdeurwaarder sub 3 is niet dusdanig tuchtrechtelijk verwijtbaar dat aan hem een maatregel dient te worden opgelegd. Nu het hof tot een ander oordeel is gekomen dan de kamer, kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven. 6.11. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel thans niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven. 6.12. Dit leidt tot de volgende beslissing. 7. De beslissing Het hof: - vernietigt de beslissing van de kamer van 20 november 2007, en opnieuw rechtdoende: - verklaart de klachtonderdelen zoals genoemd in 4.1, 4.3, 4.4, 4.5, 4.6, 4.8. en 4.9 ten aanzien gerechtsdeurwaarder sub 1 gegrond; - legt gerechtsdeurwaarder sub 1 de maatregel van berisping op; - verklaart de klachtonderdeel zoals genoemd in 4.2. ten aanzien van gerechtsdeurwaarder sub 3 gegrond zonder oplegging van een maatregel; - verklaart de klacht voor het overige ongegrond ten aanzien van de gerechtsdeurwaarders sub 1 en sub 3; - verklaart de klacht tegen de gerechtsdeurwaarders sub 2 en sub 4 ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en L.J Saarloos en uitgesproken op dinsdag 16 september 2008 door de rolraadsheer. Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam Beschikking van 20 november 2007 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met het nummer 181.2007 ingesteld door: [ ], gevestigd te [ ], klaagster, gemachtigde: [ ] , rechtskundig adviseur, gevestigd te [ ], tegen: 1. [ ], gerechtsdeurwaarder te [ ], 2. [ ], gerechtsdeurwaarder te [ ], 3. [ ], waarnemend-gerechtsdeurwaarder te [ ], 4., oud-gerechtsdeurwaarder te [ ] en [ ], beklaagden, gemachtigde; [ ]. Verloop van de procedure Bij klaagschrift met bijlagen van 26 maart 2007 heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna de gerechtsdeurwaarders. Bij aangehechte brief met bijlagen van 26 april 2007 hebben de gerechtsdeurwaarders op de klacht gereageerd. Klaagster heeft voorafgaande aan de mondelinge behandeling bij brief van 1 oktober 2007 een schriftelijke repliek ingediend. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2007. Namens klaagster zijn verschenen [ ], bijgestaan door de gemachtigde. Namens beklaagden zijn verschenen [ ], bijgestaan door de gemachtigde. Van de behandeling is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 20 november 2007. 1. De feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.