GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Derde Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op de beroepen – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – van [X] B.V. te [Y], belanghebbende, tegen uitspraken van de Inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest/kantoor Goes, de inspecteur. 1. Loop van het geding 1.1.1. Van belanghebbende is ter griffie van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage een beroepschrift ingekomen op 20 november 2003, ingediend door mr. C.M.H. van der Vorst (Berk Accountants en Belastingadviseurs) als gemachtigde, en aangevuld bij brief met bijlagen van 10 mei 2004. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 15 oktober 2003, betreffende de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1997. 1.1.2. De aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van f 666.780. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur de aanslag verminderd tot een, berekend naar een belastbaar bedrag van f 622.060. 1.2.1. Eveneens op 20 november 2003 is ter griffie van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage een beroepschrift ingekomen, ingediend door voormelde gemachtigde, en aangevuld bij brief met bijlagen van 10 mei 2004, gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 15 oktober 2003, betreffende de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1998. 1.2.2. De aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van f 1.061.546. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur de aanslag gehandhaafd. 1.3. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft de beide zaken gevoegd en heeft bij schriftelijke uitspraak van 21 juni 2005 de beroepen ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage beroep in cassatie ingesteld. Op 22 september 2006 heeft de Hoge Raad der Nederlanden onder nr. 42.335 arrest gewezen, waarbij het beroep gegrond is verklaard, de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage is vernietigd, en de zaak ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van het arrest is verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof). 1.5. Belanghebbende en de inspecteur zijn door de griffier in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het arrest in te dienen. De inspecteur heeft hierop gereageerd bij brief van 7 november 2006, de gemachtigde bij brief van 8 februari 2007. 1.6. Bij brieven van 21 maart 2008 en 27 maart 2008 heeft de inspecteur nadere stukken ingediend. 1.7. Van de gemachtigde is een brief, gedagtekend 25 maart 2008, ontvangen waarin is medegedeeld dat namens haar voor de zitting van 2 april 2008 [A] en [B] als getuigen/deskundigen zijn opgeroepen. 1.8. Het beroep is behandeld ter zitting van 2 april 2008. Ter zitting is [A] als getuige gehoord en is een verklaring voorgedragen en overgelegd door [B]. Van het verhandelde ter zitting en van het getuigenverhoor is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht. De verklaring van [B] behoort tot de gedingstukken. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Het Hof beschouwt de feiten die onder 3.1 tot en met 3.20 zijn vermeld in de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage als vaststaand: “3.1 Belanghebbende is opgericht in 1990 en haar activiteiten bestaan - kort weergegeven - uit het deelnemen in en het beheer voeren over andere vennootschappen, het exploiteren van onroerende zaken, alsmede het ter leen opnemen en verstrekken van gelden en het daartoe verstrekken van zekerheden, garanties en dergelijke. Enig aandeelhouder en directeur van belanghebbende is [C] te [Y] (hierna: [C]). 3.2 Belanghebbende houdt alle aandelen van [Q] B.V. te [Y] (hierna: [Q]) en [R] B.V. te Y (hierna:[R]). [R] houdt voorts alle aandelen van [U] B.V. te Y (hierna: [U]). De aandelen in [R] zijn door belanghebbende in 1995 verkregen en in 1999 weer vervreemd. 3.3 Voor de heffing van vennootschapsbelasting voor de jaren 1997 en 1998 vormt belanghebbende met [Q], [R] en [U] een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Deze fiscale eenheid is per 1 januari 1996 tot stand gekomen. 3.4 De enkelvoudige balansen per 31 december 1995 en 31 december 1996 vermelden onder de financiële vaste activa de post “belegging f 100.000”. In het boekjaar 1997 is deze post afgeboekt en als bijzondere last ten laste van het resultaat van [R] gebracht en dientengevolge op het resultaat van de fiscale eenheid. Voorts vermeldt de balans per 31 december 1995 van [R] een vordering in rekening courant op [U] van f 119.046. 3.5 De enkelvoudige balans per 31 december 1995 van [U] vermeldt onder meer een kortlopende schuld aan haar voormalige aandeelhouder [V] B.V. (hierna: [V]) ter grootte van f 132.000 en een vordering in rekening-courant – op de balans vermeld als een negatieve schuld - op [R] van f 100.000. Volgens de balans per 31 december 1996 is de schuld aan [V] verminderd tot op f 32.000 en de vordering op [R] tot op nihil. 3.6 Op 22 december 1995 ontving [R] van [U] een bedrag van f 100.000. [R] heeft op 27 december 1995 hetzelfde bedrag doorbetaald aan [V]. 3.7 Naar aanleiding van de bevindingen van een boekenonderzoek, dat de Inspecteur bij belanghebbende heeft doen uitvoeren, heeft de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag de onder 3.4. vermelde bijzondere last niet in aftrek toegelaten. 3.8 Het onder 3.7 vermelde boekenonderzoek is uitgevoerd door G. Arendse RA (hierna: Arendse). De aanslag is feitelijk vastgesteld door T.T.J. Geelhoed (hierna: Geelhoed). De bestreden uitspraak is namens de Inspecteur gedaan door Th. J. Droste (hierna: Droste). 3.9 Voor de heffing van vennootschapsbelasting heeft belanghebbende voor het jaar 1997 een belastbare winst aangegeven van f 71.780. De aanslag is opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 666.780. 3.10 In het voorjaar van 1998 is [C] via [A], juridisch adviseur te [Y] (hierna: [A]) in contact gekomen met [I] (hierna: [I]). [I] was directeur van [J] B.V. (hierna: [J]), gevestigd op de luchthaven Schiphol, en was op dat moment op zoek naar investeerders voor het ontwikkelen van diverse plannen op het gebied van computertechnologie. 3.11 Tot de gedingstukken behoort een kopie van een schuldbekentenis, gedagtekend 12 juni 1998, volgens welke [J] van belanghebbende een bedrag van f 600.000 ter leen heeft ontvangen. Deze schuldbekentenis is ondertekend door [I], in diens hoedanigheid als directeur van [J], en luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “1. De hoofdsom inclusief rente zal in principe in zijn geheel worden afgelost binnen 15 maanden na ondertekening van deze schuldbekentenis, doch uiterlijk binnen 18 maanden. 2. Van de hoofdsom of het restant daarvan is een rente verschuldigd van 12% per jaar. De totale rente wordt voldaan bij algehele aflossing. (…) 7. Deze lening zal in 2 gedeelten beschikbaar worden gesteld n.l. een gedeelte van eenhonderd duizend gulden direct naondertekening van deze akte en een gedeelte van vijfhonderd duizend gulden voor eind juni 1998. Deze gelden worden u ter beschikking gesteld door overmaking op de derdengeldrekening van [G] en [A] te [Y].” 3.12 Tot de gedingstukken behoort voorts een kopie van een schuldbekentenis, nagenoeg gelijkluidend aan de onder 3.11 genoemde schuldbekentenis, volgens welke [J] van belanghebbende een bedrag van f 400.000 ter leen heeft ontvangen. Deze schuldbekentenis is gedagtekend 20 augustus 1998 en is eveneens ondertekend door [I]. 3.13 Op 13 juni 1998 heeft [Q] een bedrag van f 100.000 overgemaakt naar de bankrekening van de Stichting Derdengelden [G] & [A] te [Y] (hierna: de Stichting Derdengelden). Op 29 juni 1998 en op 25 augustus 1998 is door belanghebbende respectievelijk f 500.000 en f 400.000 naar deze bankrekening overgemaakt. 3.14 Tot de gedingstukken behoort tevens een kopie van een schriftelijke verklaring van [A], gedagtekend 29 januari 2003, welke verklaring, voor zover hier van belang, als volgt luidt: “Ten vervolge op mijn eerder faxbericht van 18 november jl, bevestig ik dat de door [X] (= belanghebbende) aan de Stichting Derdengelden (…) overgemaakte bedragen volledig zijn doorbetaald aan [J] (…). Door de sinds 8 december 1998 verstoorde relatie met [ G], die als enige de administratie over de derdengelden voerde en als enige tekeningsbevoegd was bij de Bank, kan ik hiervan geen verder bewijs leveren. (…) Zoals bekend heeft ondergetekende eind 1998 het kantoor [G] & [A] verlaten, zulks met achterlating van alle dossiers.” 3.15 [J] is bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 24 augustus 1999 failliet verklaard. Bij vonnis van 24 oktober 2000 is het faillissement bij gebrek aan baten opgeheven. 3.16 In september 1998 maakte [C] via [I] kennis met [E] te [Y] (hierna: [E]). [E], tot dan toe werkzaam als elektrotechnisch reparateur, zou een uitvinding hebben gedaan waardoor het mogelijk zou zijn om binnen zeer korte tijd grote hoeveelheden data de downloaden en op te roepen. Voor het ontwikkelen en in de markt zetten van deze uitvinding was door [I] de onderneming [W] (letterwoord voor [wwww]) te [Y] opgezet. Via de Stichting Derdengelden heeft [Q] op 3 november 1998 f 100.000 aan [W] overgemaakt. 3.17 Tot de gedingstukken behoort een kopie van een staat van herkomst en besteding van middelen inzake [W], welke staat, voor zover hier van belang, als volgt luidt: Staat ver herkomst en besteding van middelen inzake [W] (vanuit Stg. Derdengelden [G] & [A]/ ABN AMRO 00.00.00.000) Herkomst van middelen 16-08-98 [Q] BV 100.000,00 30-06-98 [X] BV 500.000,00 25-08-98 [X] BV 400.000,00 03-11-98 [Q] BV 100.000,00 Totaal herkomst 1.100.000,00 Besteding van middelen 01-04-98 [K repair] 35.010,00 13-06-98 [K repair] 100.010,00 09-07-98 [K repair] 50.010,00 25-07-98 [K repair] 10.000,00 11-08-98 [K repair] 25.010,00 14-08-98 [L] 46.664,00 17-08-98 [L] 46.664,00 22-08-98 [K repair] 25.010,00 24-08-98 [M] 250.010,00 12-09-98 [K repair] 50.010,00 14-10-98 [K repair] 150.000,00 Totaal R&D kosten 788.398,00 Totaal notaris/ oprichtingskosten 15.022,80 Totaal reis- en verblijfkosten 8.210,00 Totaal presentatiekosten 143.450,00 Totaal beveiligingskosten 50.010,00 Totaal organisatie/ kantoorkosten 2.212,27 Totaal kasopnames 132.500,00 Totaal bestedingen 1.139.803,07 3.18 Begin 1999 zijn de rechten op de uitvinding van [E] ondergebracht in [F] N.V. (hierna: [F]), gevestigd op Curaçao, Nederlandse Antillen. Tegen storting van f 2.000 heeft [C] 240 van de 6.000 uit te geven aandelen verkregen, zijnde 4% van het geplaatst kapitaal. In juli 1999 heeft [C] 60 aandelen verkocht voor in totaal f 2.000.000. 3.19 Op haar balans per 31 december 1998 heeft belanghebbende de onder 3.11 en 3.12 bedoelde vorderingen op [J] gewaardeerd op nihil. De afwaardering ter grootte van f 1.000.000 is als buitengewone last ten laste gekomen van het resultaat over 1998 en alsdan mitsdien (…) ten laste gekomen van het resultaat van de onder 3.3 genoemde fiscale eenheid. 3.20 Voor de heffing van de vennootschapsbelasting heeft belanghebbende voor het jaar 1998 een belastbare winst aangegeven van f 43.734 negatief. De aanslag is opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 1.061.546, te weten het belastbare bedrag volgende de aangifte, verhoogd met de onder 3.19 genoemde afwaardering van f. 1.000.000 en f 105.280 voor overige correcties. De aanslag is feitelijk vastgesteld door Geelhoed. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, is namens de Inspecteur uitspraak op het bezwaar gedaan door Droste.” 2.2. De jaarrekening 1998 van belanghebbende is vastgesteld op 15 maart 2000. 2.3. [A] heeft op 29 januari 2003 schriftelijk onder meer als volgt verklaard (bijlage 16 bij het beroepschrift betreffende vennootschapsbelasting 1998): “Ten vervolge op mijn eerder faxbericht (…) bevestig ik dat de door [belanghebbende] aan de Stichting Derdengelden [G] & [A] overgemaakte bedragen volledig zijn doorbetaald aan [J].” 2.4. Op 8 maart 2004 heeft [A] schriftelijk onder meer als volgt verklaard (bijlage 17 bij het beroepschrift betreffende vennootschapsbelasting 1998): “ (…) naar aanleiding van twee leningcontracten de dato 12 juni en 20 augustus 1998, bevestig ik dat het totale, in bedoelde leningcontracten genoemde bedrag, ad Fl 1 miljoen aan het bedrijf [J], dat tevens onder de naam [W], zulks ten behoeve van het door de eigenaar van [J]/[W], [[I]], specifiek ondernomen bedrijf betreffende speciale technologie, ontwikkeld door [E] (…), in feite derhalve leningen betrof aan één en hetzelfde bedrijf.” 2.5. In een proces-verbaal van een verklaring van [G], afgelegd op 26 april 2005 ten overstaan van functionarissen van de FIOD/ECD is onder meer het volgende vermeld: “Vraag: (…) - Waarvoor waren de door [X] B.V. verstrekte leningen bestemd? (…) Antwoord “(…) Die leningen zijn verstrekt vanwege het feit dat [E] geld nodig had voor zijn uitvinding. Deze f 600.000 en f 400.000 zijn gebruikt voor de kosten van het project van [E]. Dat dit via [J] is gegaan is waarschijnlijk om te voorkomen dat [I] de gelden in privé in handen zou krijgen. (…) Ik weet niet of [C] en [D] iets hebben teruggekregen voor deze investeringen. Dat was op dat moment ook niet belangrijk. Iedereen was vol enthousiasme: als de uitvinding op de markt zou komen was het huis te klein om al het geld op te bergen. Men leefde in een euforie.(…)” 2.6. In een proces-verbaal van een verklaring van [A], afgelegd op 4 mei 2005 ten overstaan van functionarissen van de FIOD/ECD is onder meer het volgende vermeld: “Getoond: - een brief van [G] & [A] aan [C] en [D] met dagtekening 17 juni 1998. In de brief is vermeld dat het de bedoeling is dat [C] en [D] beiden 10% verwerven van het geplaatste kapitaal van [W] Holding BV Vraag: 1. Wat kunt u over deze brief verklaren? (…) Antwoord: “Ik ken de brief. (…) Het was de bedoeling dat [C] en [D] ieder 10% in [W] Holding B.V. zouden krijgen, dus samen 20%. Die B.V. zou er komen onder de druk van [E], in plaats van [J]. [E] wilde van [J] af. (…)” (…) Voorgelezen (…) de verklaring van [I] van 15 april 2005: “(…) Het was niet de bedoeling dat die f 600.000 terugbetaald zou worden, maar [C] zou er aandelen van [W] Holding B.V. voor krijgen. (…) Gezien deze twee schuldbekentenissen en de brief moet het zo zijn geweest dat [C] in totaal f 1.000.000 heeft betaald voor 10% van de aandelen. [C] heeft in 1999 nog f 2.300.000 betaald. (…).” Antwoord: “(…) Mijn tweede reactie is dat [I] het geld nooit terug wilde betalen. Er zou zoveel geld komen uit de uitvinding van [E], miljoenen of zelfs miljarden, dat [C] en [D] volgens [I] niet meer zouden zeuren over die f 1.000.000. Het was echter wel afgesproken dat ze die f 1.000.000 terug zouden krijgen en een gedeelte van de aandelen in [W].” 2.7. Tot de stukken behoort een (kopie van een) geschrift, ondertekend op 31 oktober 1998 door onder meer belanghebbende, [D] en [E], waarin afspraken zijn vastgelegd over een vennootschappelijke structuur voor het project-[W], de verkrijging – tezamen met [D] – van 24,5% van de aandelen in [W] Holding BV en een betaling door belanghebbende en [D] van onder meer f 100.000 op de derdenrekening van [G] & [A]. 2.8. Tot de stukken behoort een Business Plan [N] Inc, gedateerd 25 mei 1999, waarin onder meer het volgende is vermeld: “The revolution of communication networks is in full development. The explosion of the internet is just starting. (…) At [N] Inc. we have been working at a new and different network communication principle. (…) The [N] company is currently operating under the name [F]. (…) The names [F] N.V. and (…) will be changed into successively [N] Curacao N.A. and (…) The expected margins and growth rates are hard to forecast, but will be comparable with the best and most successful in the industry at this moment.” 3. Geschil Na verwijzing is tussen partijen blijkens de van hen ontvangen stukken nog in geschil of bij het doen van de uitspraken op bezwaar artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is geschonden, of in 1997 een bijzondere last van f 100.000 bij [R] in aanmerking kan worden genomen, en of in 1998 een afwaardering van f 1.000.000 van de vorderingen van belanghebbende op [J] mag plaatsvinden. 4. Standpunten van partijen Hiervoor verwijst het Hof naar de stukken van het geding en het proces-verbaal van de zitting van 2 april 2008. 5. Beoordeling van het geschil 5.1.1. Anders dan waarvan partijen uitgaan, staat na de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage en het arrest van de Hoge Raad hun geschil na verwijzing niet (meer) in volle omvang ter beoordeling van het Hof. 5.1.2. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft in 6.1, respectievelijk 6.4, van zijn uitspraak, geoordeeld dat de inspecteur bij het doen van uitspraak op bezwaar voor het jaar 1997, respectievelijk 1998, niet het voorschrift van artikel 10:3 Awb heeft geschonden. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het daartegen gerichte cassatiemiddel niet kan slagen. Derhalve dient dit Hof uit te gaan van de juistheid van de desbetreffende oordelen van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage. Voorzover – anders dan waarvan het Hof uitgaat – het geschil na verwijzing ook op dit punt opnieuw beoordeeld dient te worden, verenigt het Hof zich met die oordelen van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage en de gronden waarop dat hof die oordelen heeft doen berusten. Hetgeen belanghebbende na verwijzing ter zake van dit punt nog heeft aangevoerd, werpt daarop geen nieuw of ander licht. 5.1.3. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft in 6.3 van zijn uitspraak geoordeeld dat belanghebbende niet erin is geslaagd het van haar verlangde bewijs (ter zake van de bijzondere last van f 100.000 bij [R]) te leveren. Tegen dit oordeel is in cassatie geen grief gericht, zodat het Hof dient uit te gaan van de juistheid van dat oordeel. Voorzover – anders dan waarvan het Hof uitgaat – het geschil na verwijzing ook op dit punt opnieuw beoordeeld dient te worden, verenigt het Hof zich met het onderhavige oordeel van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage en de gronden waarop dat hof dat oordeel heeft doen berusten. Hetgeen belanghebbende na verwijzing terzake van dit punt nog heeft aangevoerd, werpt daarop geen nieuw of ander licht. 5.1.4. Uit hetgeen is overwogen in 5.1.2. en 5.1.3. volgt dat het beroep inzake het jaar 1997 ongegrond is. 5.1.5. In het geding na verwijzing staat – en dit in volle omvang – ter beoordeling of belanghebbende in het jaar 1998 een afwaardering van f 1.000.000 ter zake van de aan [J] verstrekte gelden (hierna: de afwaardering) ten laste van haar winst mocht brengen. Het Hof zal deze vraag hierna behandelen in 5.2.1. tot en met 5.2.15. 5.2.1. Blijkens de stukken van het geding in eerste aanleg heeft de inspecteur zich met betrekking tot de afwaardering primair op het standpunt gesteld dat de aan [J] overgemaakte gelden zijn gestort ter verkrijging van een belang in [W] en vervolgens in [F], welk belang door [C] is verkregen en niet door belanghebbende, zodat sprake is van een onttrekking van f 1.000.000. Voor het geval sprake zou zijn van een lening aan [J], heeft de inspecteur zich, subsidiair, op het standpunt gesteld dat de vordering niet per ultimo 1998 kan worden afgewaardeerd nu het faillissement van [J] pas in 1999 is opgekomen. 5.2.2. Belanghebbende heeft zich voor het Gerechtshof te ’s-Gravenhage op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een weliswaar risicovolle maar zakelijk verantwoorde lening aan [J] met het oog op (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.