Parketnummer: 13-421390-08 GERECHTSHOF TE AMSTERDAM, ZESDE MEERVOUDIGE STRAFKAMER BESCHIKKING in raadkamer op het hoger beroep in de zaak van tegen de beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 20 oktober 2008, voor zover houdende bevel tot zijn gevangenhouding. De feiten en de rechtsgang Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank te Amsterdam van 22 oktober 2008, waarbij namens de verdachte hoger beroep is ingesteld van voormelde beschikking van die rechtbank. Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte en heeft gehoord de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte, mr. H.R. Kant. De beoordeling De raadsman van de verdachte, mr. H.R. Kant, heeft ter zitting in raadkamer aangevoerd dat de officier van justitie geen vordering tot gevangenhouding had mogen doen, en dat de rechtbank deze vordering niet had mogen toewijzen, omdat ten tijde van het indienen van die vordering verdachte zich niet meer in voorlopige hechtenis bevond, op grond van een eerder door de rechter-commissaris gegeven bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte. De raadsman heeft nog naar voren gebracht dat artikel 65 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering slechts voorziet in de mogelijkheid van een bevel tot gevangenhouding door de rechtbank te geven ten aanzien van een verdachte die zich in bewaring bevindt. Nu de verdachte ten tijde van de ingangsdatum van het bevel tot zijn gevangenhouding geschorst was uit zijn voorlopige hechtenis, had de rechtbank de vordering van de officier van justitie niet ontvankelijk dienen te verklaren. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de relevante stukken in het dossier het volgende:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.