GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Eerste Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Oud-Beijerland, de heffingsambtenaar. 1. Loop van het geding 1.1. Van belanghebbende is bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage op 12 mei 2005 een beroepschrift ingekomen, gericht tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar, gedagtekend 11 juni 2004, inzake de met dagtekening 29 februari 2004 aan belanghebbende ter zake van het object A-straat 0 opgelegde aanslag in de baatbelasting A-straat, B-straat, C-straat en D-plein (hierna: de baatbelasting) voor het jaar 2003. 1.2. Bij de uitspraak op bezwaar is het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 18 juli 2006, nr. BK-05/00533, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak alsmede de aanslag vernietigd, een proceskostenvergoeding van € 12,50 toegekend en de heffingsambtenaar gelast het door belanghebbende gestorte griffierecht van € 273 te vergoeden. 1.4. Op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oud-Beijerland heeft de Hoge Raad bij arrest van 27 juni 2008, nr. 43.493, de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage vernietigd, behoudens de beslissing inzake het griffierecht, en het geding verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest. 1.5. Belanghebbende heeft bij brief van 5 september 2008, ingekomen op dezelfde datum, gereageerd op het arrest van de Hoge Raad. De heffingsambtenaar heeft, hoewel daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld bij brief van 11 augustus 2008, niet gereageerd op het arrest van de Hoge Raad. Bij brief van 23 september 2008 is aan de heffingsambtenaar een kopie van de reactie van belanghebbende gezonden. 1.6. Ter zitting van 21 november 2008 is namens belanghebbende verschenen E Namens de heffingsambtenaar is verschenen F, tot bijstand vergezeld van G en H. Het beroep is met toestemming van partijen gelijktijdig behandeld met het door I B.V. ingestelde beroep, door het Hof geregistreerd onder nummer 08/00717. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2. Geding na cassatie De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 juni 2008, voor zover voor het geding na verwijzing van belang, het volgende overwogen: “3.1. Het Hof heeft (in onderdeel 7.8 van zijn uitspraak) geoordeeld dat het geheel van voorzieningen in het heringerichte gebied in vergelijking met de toestand waarin dit zich bij de laatste herinrichting bevond, niet wezenlijk is veranderd, waardoor het gebied naar inrichting, aard of omvang een wijziging heeft ondergaan. Bij dit oordeel heeft het Hof enerzijds (in onderdeel 7.4) in aanmerking genomen aard en karakter van het gebied of de inrichting daarvan en de functie van het gebied als winkel– en verblijfsgebied, en anderzijds (in onderdeel 7.5) de vervanging van de bestaande bestrating en straatverlichting door nieuwe, met gebruikmaking van nieuwe, meer geavanceerde en duurdere materialen. Daarmee heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Indien het Hof (mede) heeft beoordeeld of het heringerichte gebied naar inrichting, aard of omvang wezenlijk veranderd is, heeft het miskend dat beoordeeld dient te worden (zie HR 4 mei 2007, nr. 42457, BNB 2007/233 onder 4.1 (d.1)) of het geheel van voorzieningen in het heringerichte gebied wezenlijk veranderd is. Alsdan zou ’s Hofs oordeel berusten op een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof wél is uitgegaan van de juiste maatstaf, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. De onderdelen 1, 2 en 4 van het middel, die daarop gerichte klachten bevatten, slagen in zoverre. 3.2. Voor zover onderdeel 1 van het middel, waar het betoogt dat het Hof een splitsing had moeten maken in kosten van onderhoud en kosten van verbetering, berust op de opvatting dat ook indien niet is voldaan aan het hiervoor bedoelde vereiste toch nog verhaal van een deel van de kosten van de reeks van voorzieningen door middel van de onderhavige baatbelasting mogelijk is, faalt het, omdat die opvatting onjuist is (zie het onder 3.1 genoemde arrest onder 4.1 (d.2)). 3.3. Onderdeel 3 betoogt dat voor het aanwezig achten van een als verbetering aan te merken voorziening al voldoende is dat de vervanging van de bestrating en verlichting door nieuwe, meer geavanceerde en duurdere materialen (veel) meer geld heeft gekost dan de enkele vervanging door gelijkwaardige materialen. Die opvatting is onjuist (zie het onder 3.1 genoemde arrest onder 4.1 (a.2 tweede volzin)), zodat het onderdeel faalt. 3.4. Op grond van het hiervoor onder 3.1 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De onderdelen 5, 6 en 7 behoeven geen behandeling. De hierin aan de orde gestelde vragen kunnen, voor zover nodig, na verwijzing aan de orde komen. Met betrekking tot onderdeel 5 verdient opmerking dat onjuist is de opvatting dat als er sprake is van “een algehele of radicale vernieuwing” van een bestaande voorziening, de kosten daarvan in hun geheel via de baatbelasting kunnen worden verhaald. Ook dan blijft gelden dat de aan die voorziening bestede kosten slechts via een baatbelasting mogen worden omgeslagen voor zover zij het bedrag overtreffen dat gemoeid zou zijn met alleen het opheffen van opgetreden achteruitgang van die bestaande voorziening (zie het onder 3.1 genoemde arrest onder 4.1 (b)).” 3. Tussen partijen vaststaande feiten 3.1. Het Hof verwijst naar de volgende door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage in de onder 1.3 vermelde uitspraak opgenomen vaststaande feiten. “4.1. De winkeliersvereniging van Oud-Beijerland heeft in april 1997 de gemeente benaderd om te komen tot een zogenoemde revitalisering van het winkelgebied. Daartoe is een stedenbouwkundig plan opgesteld door de bureaus J en K. De kosten van de uitvoering van dit plan bedroegen f 3.200.000 (€ 1.452.096,96). Hiervan is een bedrag van f 750.000 (€ 340.335,16) verhaald op de eigenaren van de gebate onroerende zaken in het desbetreffende gebied. De oorspronkelijke inrichting van het gebied is omstreeks 1990 tot stand gekomen. 4.2. Het onderhavige gebied is een winkelgebied dat bestaat uit een aantal straten en een plein. Alle straten waren voor het treffen van de hiervoor genoemde voorzieningen reeds autoluw en als voetgangersgebied ingericht. Dat is na het treffen van de onderhavige voorzieningen ongewijzigd gebleven. De bestaande lantaarnpalen zijn vervangen door overspanningsverlichting. De oorspronkelijke klinkerbestrating, die deels verzakt was, is grotendeels vervangen door natuursteen. Het midden van de straten bestaat dientengevolge over een breedte circa 3 meter uit natuursteen terwijl de kanten zijn bestraat met klinkers. In de oude situatie was incidenteel sprake van het gebruik van natuursteen. Het plein was een open plein van klinkers met een kiosk en een manshoog muurtje waartegen een aantal zitbanken voor het publiek was geplaatst. Het middengedeelte van het plein is thans trapsgewijs verhoogd tot een terras dat door een derde wordt geëxploiteerd. De drie tot vier treden naar het terras zijn van natuurstenen randen voorzien terwijl de treden zijn belegd met klinkers. Op de hoeken van de treden en het terras zijn grote stenen potten met buxus geplaatst. Het plein is verder bestraat met klinkers. Het oorspronkelijke muurtje en de zitbanken zijn verwijderd. Ter zitting werd niet duidelijk of de kiosk is verplaatst." 3.2. In aanvulling op hetgeen onder 3.1 is opgenomen, stelt het Hof vast dat de zich op het D-plein bevindende kiosk niet is verplaatst. 4. Geschil In geschil is of de in het geding zijnde aanslag baatbelasting terecht is opgelegd. 5. Standpunten van partijen Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding. Voor hetgeen partijen ter zitting hebben aangevoerd wordt verwezen naar het proces-verbaal. 6. Relevante regelgeving Het Hof neemt hier over hetgeen het Gerechtshof te ’s-Gravenhage hieromtrent heeft opgenomen: “Kostenverhaalbesluit 3.1. Op 19 februari 2001 heeft de gemeenteraad van Oud-Beijerland het Kostenverhaalbesluit “A-straat, B-straat, C-straat en D-plein" vastgesteld. Dit besluit ziet op het verhalen van de kosten van de door of met medewerking van de gemeente te treffen voorzieningen van openbaar nut ten behoeve van de realisering van het bestemmingsplan Centrum dat is aangeduid overeenkomstig de bij dat besluit behorende en gewaarmerkte kaart. Zoals blijkt uit artikel 2 van het besluit omvatten die voorzieningen in ieder geval de volgende werken: - het aanbrengen van een puinfundering en zand ten behoeve van natuursteen bestrating; - het aanbrengen van natuursteen bestrating; - het aanbrengen van overspanningsverlichting en lantarenpalen; - het aanbrengen van straatmeubilair; - het ophogen van een deel van het D-plein; - het verplaatsen van de kiosk; - het omleggen van nutsvoorzieningen; - het aanbrengen van een fundering en zand ten behoeve van natuurstenen traptreden; - het aanbrengen van natuurstenen traptreden; - het aanbrengen van groenvoorzieningen. 3.2. Volgens artikel 4 worden de ten laste van de gemeente blijvende kosten van de vorengenoemde voorzieningen ten bedrage van f 750.000 omgeslagen over de genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van door de voorzieningen gebate onroerende zaken via het aangaan van een exploitatieovereenkomst of de heffing van een baatbelasting. De verordening baatbelasting 3.3 De raad van de gemeente Oud-Beijerland heeft bij besluit van 26 mei 2003 de Verordening baatbelasting A-straat, B-straat, C-straat en D-plein vastgesteld (hierna: de Verordening). De op de Verordening gebaseerde heffing van baatbelasting heeft als ingangsdatum 1 augustus 2003. 3.4 De Verordening luidt - voor zover hier van belang - als volgt: ARTIKEL 2: BELASTBAAR FEIT 1. Onder de naam "baatbelasting A-straat, B-straat, C-straat en D-plein" wordt in de vorm van een heffing ineens een directe belasting geheven ter zake van de onroerende zaken gelegen in de gemeente binnen de bolletjesomlijning op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart, die op 1 december 2002 zijn gebaat door de in het tweede lid genoemde voorzieningen die tot stand zijn of worden gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur. 2. De in het eerste lid bedoelde voorzieningen omvatten: b. het aanbrengen van natuursteen bestrating; c. het aanbrengen van overspanningverlichting en lichtmasten; d. het aanbrengen van straatmeubilair; e. het ophogen van een deel van het D-plein; g. het omleggen van nutsvoorzieningen; h. het aanbrengen van een fundering en zand ten behoeve van natuurstenen traptreden; i. het aanbrengen van groenvoorzieningen; j. het plaatsen van muurtjes. ARTIKEL 3: BELASTINGPLICHT 1. De belasting wordt geheven van degene die van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. 2. (...) 3. (…) ARTIKEL 4: MAATSTAF VAN HEFFING 1. De maatstaf van heffing is het aantal volle vierkante meters maximaal bebouwbare oppervlakte van de onroerende zaak eventueel vermenigvuldigd met de bestemmingsfactor als bedoeld in het derde lid en de liggingsfactor bedoeld in het vierde lid. 2. (…) 3. De bestemmingsfactor is voor onroerende zaken, welke ingevolge het bestemmingsplan de bestemming hebben van “Centrumdoeleinden" waarbij; I. de bestemmingsfactor 1,0 wordt gehanteerd voor de begane grond van de onroerende zaken; II. de bestemmingsfactor 0 wordt gehanteerd voor de eerste of tweede bouwlaag dan wel de onderbouw van de onroerende zaken. 4. (...) 3.5. De artikelsgewijze toelichting op de Verordening luidt – voor zover thans van belang – als volgt: Artikel 2 (…) Baat Bij de herinrichting van het winkelcentrum van Oud-Beijerland is als uitgangspunt gehanteerd de verbetering van het winkel- en verblijfsklimaat. Dit uitgangspunt is vastgelegd in het masterplan "Herinrichtingsopties centrum Oud-Beijerland" van 9 maart 2000. (…) Afhankelijk van de getroffen voorzieningen kan er aanleiding zijn de baatbelasting slechts te heffen van bepaalde categorieën onroerende zaken. Bij de herinrichting van het winkelcentrum richten de voorzieningen zich op een verbetering van het winkel- en verblijfsklimaat, waardoor de baatwerking zich beperkt tot onroerende zaken waarop de bestemming “centrumdoeleinden”rust.” 7. Beoordeling van het geschil 7.1. In zijn arrest van 4 mei 2007, nr. 42.457, gepubliceerd in onder meer BNB 2007/233, heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, overwogen: “4.1. Bij de beoordeling van het middel dient - deels ter verduidelijking, deels ter aanvulling van wat de Hoge Raad in eerdere arresten heeft overwogen - het volgende te worden vooropgesteld. (a.1) Onder het tot stand brengen van voorzieningen in de zin van artikel 222, lid 1, van de Gemeentewet (hierna: de Wet) is niet enkel te verstaan het tot stand brengen van een voorheen niet bestaande voorziening. Ook een wijziging of vervanging van een bestaande voorziening kan het tot stand brengen van een voorziening in de zin van genoemde wetsbepaling inhouden, mits zulks in een verbetering van de bestaande voorziening resulteert. (…) (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.