ECLI:NL:GHAMS:2008:BJ2322
(Bij vervroeging) GERECHTSHOF TE AMSTERDAM MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER BESCHIKKING van 17 juli 2008 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.006.842/01 van: […], wonende te […], APPELLANTE, procureur: mr. D.J.I. Kroezen, t e g e n […], wonende te […], GEÏNTIMEERDE, procureur: mr. M.I.T.Manderfeld.
1.2. De vrouw is op 30 mei 2008 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 19 maart 2008 van de rechtbank te Amsterdam met kenmerk 368055 / FA RK 07-2823.
1.3. De man heeft op 10 juni 2008 een verweerschrift ingediend.
1.4. De zaak is op 3 juli 2008 ter terechtzitting behandeld.
1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:
1.6. De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn inleidend verzoek dan wel dit verzoek alsnog af te wijzen. Voorts doet zij – zo begrijpt het hof – ook in hoger beroep het voorwaardelijk verzoek de scheiding van tafel en bed uit te spreken.
3.3. De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.2. De man stelt dat het huwelijk van partijen wel duurzaam is ontwricht. Het huwelijk van partijen is nooit goed geweest. Er is geen uitzicht op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen en een eventuele voortzetting van de samenleving met de vrouw respectievelijk van het huwelijk is voor hem ondraaglijk. Hij heeft reeds vele malen aan de vrouw aangegeven te willen scheiden en woont inmiddels ruim 25 jaar samen met zijn huidige partner, die hij graag bij leven als zodanig wil erkennen. De omzetting van het gegarandeerde nabestaandenpensioen vond plaats per […] 1999. De vrouw ontvangt gewoon het voor haar gereserveerde en opgebouwde nabestaandenpensioen na echtscheiding, zodat van financiële dupering van de vrouw door echtscheiding geen sprake is. Het voorwaardelijk verzoek van de vrouw tot het uitspreken van scheiding van tafel en bed voldoet niet aan de criteria van artikelen 282 lid 4 juncto 827 lid 1 f van het Wetboek van Rechtsvordering (hierna: Rv) en wordt voorts uitgesloten door zijn verzoek tot echtscheiding zodat de vrouw hierin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
4.3. Het hof overweegt als volgt. Op grond van geldende jurisprudentie dient, als één der echtgenoten onder aanvoering van gronden stelt en blijft stellen dat hij, hoe ook, met de andere echtgenoot niet meer kan samenleven, dit door de rechter te worden opgevat als een zeer ernstige aanwijzing dat de toestand van duurzame ontwrichting van het huwelijk als bedoeld in artikel 1:151 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) inderdaad bestaat. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat partijen reeds 25 jaar gescheiden leven, dat de man sindsdien samenwoont met zijn huidige partner, een eventuele voortzetting van samenleving met de vrouw en ook van het huwelijk voor hem ondraaglijk is en hij zijn huidige partner bij leven wil erkennen. Het hof stelt op grond hiervan vast dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Dat voor een huwelijk samenwonen niet noodzakelijk is, zoals de vrouw stelt, doet daaraan niet af. Nu de duurzame ontwrichting van het huwelijk vaststaat, dient het op haar geloofsovertuiging gebaseerde verzoek van de vrouw te worden besproken om, in plaats van echtscheiding, scheiding van tafel en bed uit te spreken.
4.4. Dit verzoek heeft betrekking op de door de man in eerste aanleg verzochte echtscheiding, zodat de vrouw in haar verzoek ontvankelijk is. Anders dan de man meent wordt dit verzoek niet uitgesloten door zijn verzoek tot echtscheiding. Het beroep van de man op het bepaalde in artikel 1:827 lid 1 sub f Rv kan geen doel treffen, aangezien deze bepaling ziet op het verzoek om een nevenvoorziening en het verzoek tot scheiding van tafel en bed niet als zodanig is aan te merken.
4.5. Weliswaar vervult de scheiding van tafel en bed een functie als opheffing der echtelijke samenleving zonder huwelijksontbinding vooreerst ten behoeve van hen wier godsdienstige beginselen zich verzetten tegen het vragen van echtscheiding, maar partijen leven reeds gedurende vele jaren gescheiden, terwijl, zoals ook de vrouw in haar verweer tegen duurzame ontwrichting stelt, de wet gehuwden niet langer verplicht tot samenwonen. Scheiding van tafel en bed zou derhalve geen wijziging brengen in de reeds bestaande feitelijke situatie. Zoals hiervoor overwogen is niet alleen een eventuele voortzetting van samenleving met de vrouw voor de man ondraaglijk, maar ook voortzetting van het huwelijk als zodanig en wenst de man, die thans 84 jaar oud is, voorts zijn huidige partner nog tijdens zijn leven als zodanig te erkennen. Gelet op deze omstandigheden en gezien het feit dat de wet in artikel 1:30 BW het huwelijk alleen in zijn burgerlijke betrekkingen beschouwt, dient naar het oordeel van het hof het verzoek van de vrouw te worden afgewezen.
4.6. Ter terechtzitting in hoger beroep is door de procureur van de vrouw de stelling van de man met betrekking tot de omzetting van het nabestaandenpensioen bevestigd. Het hof stelt derhalve vast dat geen sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 1:153 lid 1 BW die ertoe zou moeten leiden dat de verzochte echtscheiding thans niet kan worden toegewezen.
4.7. Dit leidt tot de volgende beslissing.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.L. Diender, C.G. Kleene-Eijk en J.E. Geuzinge in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2008 door de rolraadsheer.