← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2009:2785

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST van 4 september 2009 in de zaak met zaaknummer 200.035.533/01 van: [appellante] , wonende aan [adres] , [woonplaats] , APPELLANTE, advocaat: mr. F. Teuben te Haarlem. 1Het geding in hoger beroep 1.

  1. Appellante – [appellante] - is bij per fax op 23 juni 2009 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de beslissing van de rechtbank Haarlem van 16 juni 2009 met rekestnummer 156159, waarbij het verzoek van [appellante] tot van toepassing verklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen. 1.
  2. Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 25 augustus
  3. Bij die behandeling is [appellante] verschenen, bijgestaan door haar advocaat voormeld. 2De gronden van de beslissing 2.
  4. De rechtbank heeft in de beslissing waarvan beroep het verzoek van [appellante] om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling overeenkomstig het bepaalde in artikel 288 lid 1 sub b van de Faillissementswet (Fw.) afgewezen, daar zij volgens de rechtbank ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Belastingdienst niet te goeder trouw is geweest. 2.
  5. In hoger beroep is het volgende gebleken. 2.2.
  6. [appellante] , geboren op [geboortedatum] , is een alleenstaande moeder met een minderjarige zoon. De totale schuldenlast van [appellante] bedroeg blijkens de verklaring ex artikel 285 Fw. op 30 maart 2009 € 18.443,37, waaronder de schuld aan de Belastingdienst van € 5.818,
  7. De schuld betreft kinderopvangtoeslag over een deel van
  8. Deze toeslag heeft zij ten onrechte ontvangen, daar haar kind in die periode niet in een kinderdagverblijf verbleef. 2.2.
  9. [appellante] heeft ten aanzien van het ontstaan van de schuld betreffende de kinderopvangtoeslag het volgende aangevoerd. Zij heeft zich al in september 2007 aangemeld voor schuldhulpverlening vanwege haar benarde financiële situatie. Zij had schulden die mede waren veroorzaakt door haar ex-partner. De schuld betreffende de kinderopvangtoeslag is ontstaan, daar het in die periode slecht met haar ging. Zij had veel stress vanwege de schulden en vanwege psychische klachten en daarbij had zij ernstige rugklachten. Zij slikte voor deze lichamelijke klachten zware medicijnen. In juli 2008 is zij aan een hernia geopereerd. Zij was niet in staat om te werken en heeft per 1 januari 2008 een bijstandsuitkering aangevraagd. Haar kind is toen thuis gebleven. Zij ontving pas per 1 mei 2008 bijstand, zodat de kinderopvangtoeslag haar enige inkomsten was. Zij heeft zich op dat moment onvoldoende gerealiseerd dat zij daar geen recht op had. Pas na haar hernia-operatie, toen zij weinig medicijnen meer nodig had, werd zij helder van geest en besefte zij dat zij ten onrechte toeslag ontving. Zij heeft toen terstond de overmaking van deze toeslag laten stopzetten. In haar visie is [appellante] bij het ontstaan van de desbetreffende schuld dan ook te goeder trouw geweest. Zij heeft anders dan de rechtbank heeft overwogen de toeslag ook slechts zes maanden ontvangen. Voorts heeft zij er al € 1.200,-- op afbetaald. Zij heeft de geldbedragen alleen voor de dagelijkse onkosten gebruikt. Zo het hof anders mocht oordelen is [appellante] van mening dat zij de omstandigheden die tot het ontstaan van de schuld hebben geleid, thans onder controle heeft. Een en ander blijkt uit het feit dat ze gelijk heeft gemeld dat zij ten onrechte kinderopvangtoeslag ontving, toen zij weer helder kon nadenken. Daarbij heeft zij geen verdere schulden meer gemaakt en is haar leven gestabiliseerd. Ook overigens heeft zij haar problemen onder controle. Zij heeft afbetalings-regelingen voor enkele schulden getroffen en deze bij budgetbeheer aangemeld. Zij heeft vanaf eind september 2008 als onderwijs-assistente gewerkt. Deze werkzaamheden heeft zij in januari 2009 echter vanwege de stress door deurwaardersbezoek moeten stopzetten. Thans ontvangt zij een bijstandsuit-kering. Zij doet haar uiterste best om uit deze uitkeringssituatie te geraken en haar financiën op orde te krijgen. Zij verzoekt voor de schuldsaneringsregeling in aanmerking te komen. 2.
  10. Bij de beoordeling van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling stelt het hof voorop dat de schuldenaar ingevolge artikel 288 lid 1 sub b Fw. voldoende aannemelijk dient te maken dat hij/zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn/haar schulden in vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat haar schuld betreffende de kinderopvangtoeslag te goeder trouw is ontstaan. Onbetwist staat vast dat zij in 2008 kinderopvangtoeslag heeft ontvangen, terwijl zij in de desbetreffende periode geen kind in de opvang had. Haar verweer dat zij zich vanwege moeilijke persoonlijke omstandigheden onvoldoende heeft gerealiseerd dat ze op deze toeslag geen recht had, is onvoldoende vast te stellen. Wat daar ook van zij, een en ander maakt niet dat zij niet gehouden was de haar naderhand toegekende bijstandsuitkering vanaf 1 januari 2008 aan te wenden voor terugbetaling van de kinderopvangtoeslag. Ook in haar eigen stelling kon zij na haar hernia-operatie weer helder nadenken en was zij zich van haar verantwoordelijkheden bewust. Voorts is naar het oordeel van het hof niet gebleken dat [appellante] de omstandigheden die tot het ontstaan van de schulden hebben geleid, thans voldoende onder controle heeft. Zij heeft immers haar werkzaamheden per januari 2009 moeten staken vanwege psychische klachten. Het hof tekent daarbij aan dat niet wordt getwijfeld aan haar inzet om uit haar problematische omstandigheden te geraken. [appellante] wordt dan ook meegegeven dat zij opnieuw een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling kan indienen, indien zij kan aantonen dat haar leven in een stabieler vaarwater is gekomen en zij in staat zal zijn de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling na te komen, waaronder de verplichting tot het verrichten van betaalde werkzaamheden. 2.
  11. Gelet op het vorenstaande zal de beslissing waarvan beroep worden bekrachtigd. 3De beslissing Het hof: - bekrachtigt de beslissing waarvan beroep. Dit arrest is gewezen door mrs. A.D.R.M. Boumans, P.J. Duinkerken en J.W. Hoekzema en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 4 september 2009 in tegenwoordigheid van de griffier. Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.