arrestnummer: parketnummer: 23-002828-06 datum uitspraak: 28 januari 2009 TEGENSPRAAK PROMIS ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 mei 2006 in de strafzaak onder parketnummer 13-993016-03 van het openbaar ministerie tegen Adriaan Michiel MEURS, [geboorteplaats en –datum], [adres], hierna (ook) te noemen Meurs. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 13, 14 en 20 oktober 2004, 9 februari 2005, 13 juni 2005, 10 oktober 2005, 23 januari 2006, 6, 7, 14, 15, 28 en 30 maart 2006, 4, 10, 11, 13, 20 en 26 april 2006 en 8 mei 2006 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 29 november 2007, 28 januari 2008, 7 april 2008, 2, 4, 9, 11, 23 en 25 juni 2008, 15, 17, 22 en 24 september 2008, 6, 8, 10, 27 en 29 oktober 2008, 10, 12, 14, 24 en 26 november 2008 en 14 januari
- Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadslieden naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzittingen in eerste aanleg van 13 juni 2005 en 26 april 2006 op vordering van de officier van justitie en de op de terechtzittingen in hoger beroep van 29 november 2007 en 14 januari 2009 op vordering van de advocaat-generaal toegestane wijzigingen. Van die dagvaarding en vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Overwegingen en bewezenverklaring Inhoudsopgave van eerste vier hoofdstukken 3 Hoofdstuk 1: De strafzaak 6 1.
- De omvang van het hoger beroep 6 1.
- De kern van de strafzaken 6 1.
- De wijziging van de tenlastelegging ter zitting van 20 april 2006 8 1.3.
- Inhoudelijk verweer tegen toevoeging inzake annual reports on Form 20-F 1.3.
- Inhoudelijk verweer tegen toevoeging D/336 1.3.
- Formeel verweer – wijziging strijdig met beginselen van goede procesorde 1.
- De geldigheid van de dagvaarding 12 1.4.
- Kaders van beoordeling 1.4.
- Openbaarmaking onware jaarverslagen 1.4.
- Publieksmisleiding 1.4.
- Valse letters of representations 1.4.
- Valsheid in geschrift ten aanzien van de annual reports on Form 20-F 1.4.
- Oplichting van de externe accountant Bewijsoverwegingen Hoofdstuk 2: Algemeen deel 17 2.
- De verdachten, Ahold en de accountant 2.1.
- Ahold 2.1.
- Van der Hoeven 2.1.
- Meurs 2.1.
- Andreae 2.1.
- Fahlin 2.
- De joint ventures 21 2.2.
- Missie en strategie van Ahold 2.2.
- JMR 2.2.
- Bompreço 2.2.
- Disco Ahold 2.2.
- Paiz Ahold 2.2.
- ICA Ahold 2.2.
- Conclusies 2.
- De beoordeling van jaarrekeningen 29 2.3.
- Het beoordelingskader in strafzaken 2.3.
- Afwijking van het wettelijke regime vanwege het wettelijk vereiste inzicht 2.3.
- De beoordelingsruimte van het ondernemingsbestuur en de rechterlijke toets 2.
- De geconsolideerde jaarrekening 33 2.4.
- Consolidatie 2.4.
- Consolidatiemethoden a. Integrale consolidatie b. Proportionele consolidatie c. De vermogensmutatiemethode / “equity method” 2.4.
- De effecten van consolidatie 2.4.
- Werden deze effecten door Ahold beoogd? a. Persoonlijk gewin van leden van de raad van bestuur? b. Banken c. Leveranciers 2.4.
- Beleggers en aandeelhouders; en “Consolideren is niet misleidend” 2.
- Financiële verslaggeving en de externe accountant 49 2.5.
- De jaarrekening in jaarverslagen, Form 20-F’s en prospectussen a. Nederlandse jaarverslagen b. Annual reports on Form 20-F c. Prospectus-supplementen 2.5.
- De aansluiting naar US GAAP en de ‘reconciliation note’ 53 a. Annual reports on Form 20-F b. Jaarverslagen c. Prospectus-supplementen 2.5.
- De consolidatiekring in de jaarrekeningen 56 a. Jaarverslagen b. Annual reports on Form 20-F en prospectus-supplementen 2.5.
- Zijn verschillen in consolidatiekring van invloed op de aansluiting? 61 a. De eerste vraag wat betreft verloopschema’s in aansluiting en reconciliation b. De eerste vraag wat betreft de condensed financial statements in note 23 c. De tweede vraag wat betreft de reconciliation note d. De tweede vraag wat betreft de aansluiting naar US GAAP 2.5.
- Letters of representations 70 a. De brieven zelf b. Verweren en oordelen 2.5.
- De goedkeurende verklaring van de externe accountant 73 a. De schriftelijke vorm b. Het onderzoek van de externe accountant c. Het bereik van de goedkeurende verklaring in de Nederlandse jaarverslagen d. Het bereik van de goedkeurende verklaring in het annual report on Form 20-F e. Instemming van Deloitte US vereist 2.
- De totstandkoming, de betekenis en gevolgen van de controlletters en tweede sideletters 82 2.6.
- De aanloop 2.6.
- De brief van 24 augustus 1998 2.6.
- De totstandkoming van de controlletter Bompreço – “the foreseeable future” 2.6.
- De control- en de tweede sideletter Bompreço 90 2.6.
- Verklaringen van Meurs over de controlletter en de tweede sideletter 2.6.
- Vaststellingen 2.6.
- De betekenis van de controlletter en de tweede sideletter Bompreço 104 a. Het kader van de beoordeling van de controlletter b. De toetsing c. “Aware” d. De tweede sideletter e. “De controlletter diende een ander doel dan de tweede sideletter” f. Meurs’ verwijzing naar “the foreseeable future” 2.6.
- Het belang van controlletters voor consolidatie naar US GAAP 112 2.6.
- Disco Ahold a. De Brieven b. Verklaringen c. Vaststellingen 2.6.
- ICA Ahold 118 a. b. De brieven c. Het NFI-rapport d. Verklaringen over het gebruik van de ICA-sideletters 2.6.
- De totstandkoming van de controlletter en de tweede sideletter ICA 122 a, b, c, d, e. Zijn concepten al in februari 2000 opgemaakt en voorgelegd aan Fahlin? f. De toedracht van de ondertekening van de controlletter en de tweede sideletter g. Het oordeel over het tenlastegelegde valselijk opmaken van de controlletter 2.6.
- Paiz Ahold 139 a. De brieven b. Verklaringen c. Vaststellingen 2.6.
- Bekendmaking van ICA-sideletter en voortzetting geheimhouding 144 2.6.
- Strafbepalingen en de beoordeling van de controlletters en de tweede sideletters a. Valsheid in geschrift b. Opzettelijk gebruik maken c.q. opzettelijk voorhanden hebben c. Oplichting van de externe accountant 2.
- De ICA putoptie, het onvermeld laten van strafrechtelijke risico’s en de derde sideletter 158 2.7.
- De ICA putoptie 2.7.
- Onvermeld laten van strafrechtelijke risico’s in de toelichting op de jaarrekening 2.7.
- Onvermeld laten van de control- en sideletters bij gelegenheid van de roadshows 2.7.
- De derde sideletter Hoofdstuk 3: De consolidatieplicht in het Nederlandse jaarrekeningenrecht 167 3.
- Het wettelijk kader van de verplichting tot consolidatie in Boek 2 BW 3.
- De wettelijke ondergrens van de consolidatieplicht 3.
- Richtlijnconforme interpretatie 3.
- De Zevende EEG-richtlijn betreffende de geconsolideerde jaarrekening 3.
- De ondergrens van de mogelijkheden tot het vestigen van een consolidatieplicht 3.
- De geschiedenis van de Wet van 10 november 1988 174 3.
- De richtlijnen van de Raad voor de Jaarverslaggeving 3.
- Voorlopige conclusie 3.
- Wijzigingen in de Zevende EEG-richtlijn en nieuwe wetgeving 3.
- Overheersende c.q. overwegende zeggenschap 3.
- Slotconclusie over het Nederlandse jaarrekeningenrecht 3.
- Het oordeel van de rechtbank 3.
- De toetsing van de feiten 186 3.13.
- Overwegende zeggenschap 3.13.
- Documenten’ 3.13.
- Verklaringen 3.13.
- Wederom overwegende zeggenschap 3.13.
- De controlletters 3.
- Het oordeel over de consolidatie naar Nederlands jaarrekeningenrecht Hoofdstuk 4: Consolidatie naar Amerikaans jaarrekeningenrecht (US GAAP) 4.
- De gevoerde verweren 200 4.
- Hiërarchie US GAAP. Relevante regelgeving FASB en SEC 203 4.
- FASB-regelgeving nader beschouwd 4.3.
- Accounting Research Bulletins No. 51 210 4.3.
- Statement of Financial Accounting Standards No. 94 212 4.3.
- Accounting Principles Board Opinion No. 18 217 4.3.
- Emerging Issues Task Force Issue No. 96-16 221 4.3.
- Emerging Issues Task Force Issue No. 97-2 229 4.
- SEC-regelgeving nader beschouwd 4.4.
- Regulation S-X 236 4.4.
- SEC Opinion and Order inzake Coopers & Lybrand and M. Bruce Cohen 241 4.4.
- SEC Release ‘Technical Amendment to Rule 3A-02’ 248 4.
- Toetsing consolidatie naar US GAAP van de vijf joint ventures 4.5.
- SEC Litigation Release en Court Complaints inzake Ahold en de vier verdachten 253 4.5.
- SEC-oordeel over het consolidatievraagstuk vóór opstellen control- en sideletters 255 4.5.
- SEC-oordeel over situatie na opstellen control- en sideletters 263 4.5.
- Conclusie 268 4.
- Gevolgen voor de ten laste gelegde feiten gerelateerd aan consolidatie naar US GAAP 4.6.
- Consolidatie naar US GAAP voor de boekjaren 1997 en 1998 269 4.6.
- Consolidatie naar US GAAP voor de boekjaren 1999, 2000 en 2001 271 HOOFDSTUK 1 De strafzaak 1.
- De omvang van het hoger beroep Van der Hoeven, Meurs en Andreae zijn in hoger beroep gekomen van de veroordelingen die de rechtbank bij vonnissen van 22 mei 2006 heeft uitgesproken. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen alle vonnissen, inbegrepen het vonnis in de strafzaak tegen Fahlin, die door de rechtbank was vrijgesproken de gehele tenlastelegging. Wat betreft de strafzaken tegen Meurs, Van der Hoeven en Andreae geldt in het bijzonder telkens nog het volgende: Uit de akte rechtsmiddel blijkt niet dat de officier van justitie het door hem ingestelde hoger beroep op de voet van artikel 407 lid 2 Sv heeft beperkt tot één of meer van de gevoegde zaken. Evenmin bevindt zich bij de processtukken een akte waarin ligt besloten dat de officier van justitie of de advocaat-generaal de omvang van het hoger beroep alsnog door een – partiële - intrekking ex artikel 453 Sv heeft beperkt tot de daarvoor krachtens artikel 407 lid 2 Sv vatbare onderdelen van de vonnis. Gelet op vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan aan de mededelingen van de advocaat-generaal dat het hoger beroep van het openbaar ministerie niet is gericht tegen de vrijspraken die zijn gevallen voor - het onder 4 en 7 aan Andreae tenlastegelegde, - het onder 8 aan Van der Hoeven tenlastegelegde, - het onderdeel ‘annual report on Form 20-F 1997’ in het onder 6 aan Meurs en Van der Hoeven tenlastegelegde, niet de betekenis worden toegekend dat deze onderdelen van het tenlastegelegde buiten het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep vallen. Uit deze mededelingen kan alleen worden opgemaakt dat de reden van het – onbeperkt ingestelde - hoger beroep van het openbaar ministerie niet is gelegen in het verkrijgen van een ander rechterlijk oordeel dienaangaande. Het hof zal de mededelingen van de advocaat-generaal aldus opvatten dat zijn vorderingen ten aanzien van deze onderdelen van het tenlastegelegde in de strafzaken tegen Andreae, Meurs en Van der Hoeven telkens strekken tot vrijspraak. Een en ander betekent dat de vier strafzaken, waarvan de grenzen worden bepaald door de meermalen gewijzigde tenlastelegging, thans in volle omvang aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. 1.
- De kern van de strafzaken Het verwijt dat het openbaar ministerie de verdachten maakt is globaal weergegeven het volgende:
(1). Het was Ahold niet toegestaan om de financiële gegevens van de vijf hieronder te bespreken joint ventures integraal te consolideren in de geconsolideerde jaarrekeningen van Ahold, noch naar maatstaven van het Nederlandse jaarrekeningenrecht, noch naar die van het Amerikaanse jaarrekeningenrecht.
(2). Om de (Amerikaanse tak van de) externe accountant van het tegendeel te overtuigen werden successievelijk (vier) brieven opgesteld en ondertekend namens zowel Ahold als de betreffende joint venture-partners, waarin telkens per joint venture werd vastgelegd dat Ahold bij de besluitvorming binnen die joint venture uiteindelijk de doorslaggevende stem had (de ‘controlletters’). Vrijwel tegelijkertijd werd echter een viertal andere brieven opgesteld en ondertekend namens telkens dezelfde partijen, waarin het in de betreffende controlletter gestelde werd ontkracht (de ‘tweede sideletters’, samen met de controlletter: de ‘sideletters’).
(3). Drie van de vier controlletters werden verstrekt aan de externe accountant, die mede op basis daarvan zijn goedkeuring hechtte aan de jaarrekening van Ahold die is opgenomen in de jaarverslagen en de ‘annual reports on Form 20-F’. De ‘tweede sideletters’ werden ten onrechte niet verstrekt aan de externe accountant.
(4). In zogeheten ‘letters of representations’ deelde het management van Ahold de externe accountant ten onrechte mede dat de betreffende jaarrekening, het betreffende annual report on Form 20-F en het prospectus een getrouw beeld gaven in overeenstemming met algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving, dat de externe accountant beschikte over alle financiële administratie (‘financial records’) en daarmee verband houdende gegevens (‘related data’), en in één geval werd bovendien ten onrechte gemeld dat Ahold (overwegende) zeggenschap / ‘control’ had over de joint ventures.
(5). De jaarverslagen en de ‘annual reports on Form 20-F’ van Ahold, en de jaarrekeningen daarin, werden opgemaakt naar Nederlands jaarrekeningenrecht. De jaarverslagen zijn onwaar voor zover de joint ventures daarin integraal waren geconsolideerd, en de annual reports on Form 20-F zijn in zoverre om diezelfde reden valselijk opgemaakt.
(6). In de jaarverslagen werd een aansluiting gemaakt van resultaat en eigen vermogen naar Amerikaans jaarrekeningenrecht, en in de annual reports on Form 20-F is naar analogie daarvan telkens een zogeheten ‘reconciliation note’ te vinden. Voor zover daarin de joint ventures - naar maatstaven van Amerikaans jaarrekeningenrecht ten onrechte - integraal zijn geconsolideerd en overigens niet is vermeld dat consolidatie niet was toegestaan, is het jaarverslag en het annual report on Form 20-F voor wat betreft deze ‘aansluiting’, respectievelijk ‘reconciliation note’ valselijk opgemaakt.
(7). Publiek is getracht tot inschrijving op effecten te bewegen door het uitgeven van prospectussen waarin ten onrechte geconsolideerde posten zijn gepresenteerd in zogeheten ‘pro forma combined statements’, door tijdens zogeheten ‘roadshows’ geen melding te maken van de elkaar tegensprekende sideletters, en door bij die gelegenheden ten onrechte te stellen dat Ahold (overwegende) zeggenschap had in de joint ventures.
(8). In bepaalde jaarverslagen, prospectussen en annual reports on Form-20F is ten onrechte geen melding gemaakt van een putoptie die door Ahold aan de Partners binnen de ICA-joint venture was verstrekt (de ‘Partners Put Option’).
(9). Ten slotte is na bekendwording van het bestaan van de (tweede) sideletter inzake ICA Ahold alsnog een ‘supplement to the Shareholders’ Agreement’ (de ‘derde sideletter’) opgemaakt waarin ten onrechte wordt gesteld dat Ahold – kort gezegd – uiteindelijk doorslaggevende zeggenschap had. In de kern genomen ziet het hof zich dus gesteld voor de vragen of Ahold de joint ventures mocht consolideren naar Nederlands en naar Amerikaans jaarrekeningenrecht, en of de controlletters vals zijn. Hieronder zal het hof in afzonderlijke hoofdstukken uitgebreid stilstaan bij de algemene kaders, de hiervoor genoemde jaarverslagen en annual reports, de totstandkoming en de juridische duiding van de controlletter en de tweede sideletter (hoofdstuk 2), alsmede bij de consolidatiecriteria naar Nederlands jaarrekeningenrecht en toetsing van de feiten daaraan (hoofdstuk 3), en de consolidatiecriteria naar Amerikaans jaarrekeningenrecht en de toetsing van de feiten daaraan (hoofdstuk 4). De hoofdstukken 1 tot en met 4 zijn in elke strafzaak gelijkluidend. In de daaropvolgende hoofdstukken worden de getrokken conclusies nader uitgewerkt per strafzaak en wordt zo nodig nader stilgestaan bij de rol en wetenschap van de betreffende verdachte. In dit hoofdstuk 1 wordt een oordeel gegeven over de omvang van het hoger beroep en de geldigheid van de dagvaarding. 1.3. De wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 20 april 2006 De verdediging heeft zich in alle zaken verzet tegen toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging die door de officier van justitie is gedaan ter zitting van de rechtbank van 20 april 2006. Van het tussenvonnis d.d. 26 april 2006 waarbij deze wijziging werd toegestaan is de verdediging in hoger beroep gekomen, maar dit tevergeefs. De toegewezen vordering behelst op twee onderdelen na niet meer dan enkele verbeteringen en specificaties waartegen de verdediging inhoudelijk geen bezwaar heeft gemaakt. 1.3.1. Inhoudelijk verweer tegen toevoeging inzake annual reports on Form 20-F De meest essentiële wijziging is opgenomen in het aan Meurs en Van der Hoeven onder 6, het aan Andreae onder 5 en aan Fahlin onder 2 tenlastegelegde – kort gezegd – valselijk opmaken van de daarin genoemde annual reports on Form 20-F. De zin in ieder geval werd in strijd met de waarheid gesuggereerd dat Ahold (overwegende) zeggenschap (‘control’) had over alle in de ‘Annual report on Form 20-F’ genoemde geconsolideerde rechtspersonen werd door die wijziging vervangen door en/of wordt in voormeld(
- e)geschrift(
- en)in strijd met de waarheid gesuggereerd en/of vastgelegd en/of verwerkt dat Ahold (overwegende) zeggenschap (‘control’) had over alle in de ‘Annual report on Form 20-F’ genoemde geconsolideerde rechtspersonen terwijl dat in werkelijkheid naar maatstaven van Nederlands en/of Amerikaans jaarrekeningenrecht niet het geval was. Het inhoudelijke bezwaar tegen deze wijziging is volgens de verdediging dat daarmee de grenzen van het feitbegrip van artikel 68 Sr worden overschreden en dat daardoor aan de verdachte(
- n)een ander feit in de zin van die bepaling wordt tenlastegelegd dan voordien het geval was. Met name zou hierdoor het verwijt van – kort gezegd – consolideren in strijd met maatstaven van US GAAP zijn toegevoegd, hetgeen betrekking heeft op de zogeheten reconciliation note in Item 18 van de onderscheidene annual reports on Form 20-F. De rest van het annual report is immers opgemaakt naar maatstaven van Nederlands jaarrekeningenrecht, aldus begrijpt het hof dit inhoudelijke bezwaar. Op zich moet worden toegegeven dat de consolidatiemaatstaven naar enerzijds Nederlands en anderzijds Amerikaans jaarrekeningenrecht niet volledig gelijk zijn. Verschillen in maatstaven brengen mee dat zich onder bepaalde omstandigheden een uiteenlopende uitkomst van de toetsing kan voordoen. Daar staat tegenover dat Ahold in de annual reports on Form 20-F een dergelijk onderscheid klaarblijkelijk niet maakte, en evenmin in de Nederlandse jaarverslagen. Uitlatingen van Ahold over – kort gezegd – de gronden voor consolidatie zijn enkel in algemene zin gedaan. Daarin is geen verwijzing opgenomen naar Amerikaanse maatstaven. De consolidatiekring was – naar zal blijken – telkens gelijk. Beoordeeld moet dus worden of het ingevoegde onderdeel van de tenlastelegging
(1)juridisch voldoende verwantschap vertoont met de - gehele – tenlastelegging, en
(2)of het feitencomplex dat door de wijziging in de tenlastelegging wordt ingeweven mede wat betreft de gelijktijdigheid in voldoende nauw verband staat met de feiten die aan de tenlastelegging ten grondslag waren gelegd. Hierbij dient de gehele tenlastelegging (dus voor alle genummerde feiten) vóór wijziging in aanmerking te worden genomen. Dit onderdeel van de tenlastelegging is inderdaad niet heel helder over het daarin gemaakte verwijt voor zover dat betrekking zou hebben op consolideren van deelnemingen naar maatstaven van US GAAP. Het begrippenpaar “overwegende zeggenschap” stamt uit literatuur en jurisprudentie omtrent het Nederlandse jaarrekeningenrecht. De term “control” daarentegen stamt evident uit het Amerikaanse jaarrekeningenrecht. Anderzijds is ook verdedigbaar dat de aanhaling van de term “control” in de tenlastelegging slechts verwijst naar het gebruik van die term in de zinnen die de steller van de tenlastelegging uit de annual reports heeft gelicht, kort gezegd de geciteerde ‘consolidatiefrasen’. De verdediging begrijpt de tenlastelegging aldus, en is het standpunt toegedaan dat die consolidatiefrase alleen ziet op toepassing van maatstaven naar Dutch GAAP. Dan rijst in dit verband dus de vraag of die in de tenlastelegging aangehaalde consolidatiefrase telkens enkel verwijst naar Dutch GAAP (zoals de verdediging ingang wil doen vinden), of ook naar US GAAP. Dat is namelijk niet evident. De volzin zelf geeft geen uitsluitsel. De zin houdt de vermelding van consolidatiegronden in, en die zouden in dit geval – indien correct, en dat is nou juist de vraag - zowel onder Dutch GAAP als onder US GAAP tot consolidatie aanleiding kunnen geven. In de annual reports on Form 20-F wordt deze volzin telkens voorafgegaan door een andere volzin, en wel met de strekking dat de financial statements “presented herein and in the notes thereto” zijn gebaseerd op geconsolideerde basis in overeenstemming met Dutch GAAP. Die voorafgaande volzin is evident niet helemaal correct, want in de reconciliation notes worden financial statements weergegeven die uitdrukkelijk zijn opgemaakt naar maatstaven van US GAAP. Die voorafgaande volzin heeft ook niet slechts betrekking op het consolidatievraagstuk, maar is veel algemener geformuleerd: de geconsolideerde ‘financial statements’ zijn opgemaakt overeenkomstig Dutch GAAP, kort gezegd. Voorts zijn (wellicht mede om die reden) deze twee volzinnen in het annual report on Form 20-F over 2001 gescheiden van elkaar en is de in de tenlastelegging aangehaalde consolidatiefrase gepositioneerd in een paragraaf waarin in de volgende alinea expliciet melding wordt gemaakt van consolidatie naar maatstaven van zowel Dutch als US GAAP en van de gevolgen van gebrek aan ‘control’. Het is dus nog maar de vraag of de bedoelde consolidatiefrase onverbrekelijk is verbonden met de niet geheel correcte volzin die in de annual reports on Form 20-F tot en met 2000 daaraan voorafgaat. Daar komt nog bij dat in het Andreae, Van der Hoeven en Meurs onder 3 tenlastegelegde en het aan Fahlin onder 1 tenlastegelegde, de onwaarheid van de jaarrekening c.q. valsheid van de aansluiting in de jaarverslagen, wel uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van de toetsing naar maatstaven van US GAAP. In zoverre brengt de vordering tot wijziging ten opzichte van de hele tenlastelegging al niets nieuws, maar daaraan kan ook de uitleg worden ontleend dat de officier van justitie onder 6 eveneens heeft beoogd een onjuiste toepassing van zowel het Nederlandse als het Amerikaanse jaarrekeningenrecht ten laste te leggen. Met andere woorden de tenlastelegging lijdt aan een euvel waarin moet worden voorzien: gebrek aan duidelijkheid omtrent de maatstaven aan de hand waarvan de consolidatiekring moet worden beoordeeld. Het hof begrijpt de tenlastelegging voorafgaande aan de wijziging dus niet zodanig dat de officier van justitie daarmee enkel en alleen onjuiste toepassing van het Nederlandse jaarrekeningenrecht in de annual reports on Form 20-F had beoogd ten laste te leggen. Het is aan de officier van justitie om die duidelijkheid te geven, en wel zo nodig door middel van wijziging van de tenlastelegging, tot de vordering waarvan hem de wettelijke bevoegdheid ook is gegeven. Wat wél duidelijk is, maar dat is een andere kwestie, is de verwijzing in het onder 6 tenlastegelegde naar de meerbedoelde consolidatiefrasen. Die zijn gespecificeerd met vindplaatsen, zelfs geciteerd. De officier sneed hiermee dus enkel de onjuistheid van die consolidatiefrasen aan en is daarenboven – het zij herhaald – onduidelijk over de maatstaven waarmee de (on)juistheid van die volzinnen moet worden beoordeeld. De vordering tot wijziging brengt dus ook andere onderdelen van de annual reports on Form 20-F binnen de reikwijdte van de tenlastelegging. Waar voorafgaande aan de wijziging voor zover relevant slechts werd verwezen naar de consolidatiefrasen en er naar ’s hofs oordeel onduidelijkheid bestond over de toetsingsmaatstaven, wordt ten gevolge van de wijziging onder meer ingevoegd dat in voormelde geschriften in strijd met de waarheid (…) is vastgelegd dat Ahold (…) ‘control’ had over alle in de ‘annual report on Form 20-F’ genoemde geconsolideerde rechtspersonen terwijl dat in werkelijkheid naar maatstaven van (…) Amerikaans jaarrekeningenrecht niet het geval was. Daarmee wordt de consolidatie naar maatstaven van US GAAP als verwerkt in de reconciliation notes thans mede onder het verwijt van het onder 6 tenlastegelegde gebracht, daar waar eerder – voor zover relevant – enkel de consolidatiefrasen waren opgesomd. Het hof acht die toevoeging echter niet strijdig met de voorwaarde die artikel 313 Sv aan wijziging van de tenlastelegging stelt. De wijziging betreft andere passages uit telkens hetzelfde (valselijk opgemaakte) geschrift. De feitelijke grondslag voor de gestelde valsheid is dezelfde, te weten onterechte consolidatie van bepaalde deelnemingen over dezelfde boekjaren. Bovendien, en dat geldt ook indien de tenlastelegging voorafgaande aan de wijziging niet anders had kunnen worden verstaan dan enkel te zijn gericht op toetsing van consolidatie naar maatstaven van Nederlands jaarrekeningenrecht, de toetsing van dezelfde consolidatie van dezelfde deelnemingen over dezelfde boekjaren (met uitzondering van één, namelijk over 1997) was reeds tot uitdrukking gekomen in het aan Andreae, Meurs en Van der Hoeven onder 3, tweede onderdeel tenlastegelegde en Fahlin onder 1, tweede onderdeel tenlastegelegde verwijt dat de aansluitingen naar US GAAP in de Nederlandse jaarverslagen telkens valselijk waren opgemaakt. De tenlastelegging als geheel beschouwd is door de wijziging niet een ander feit in de zin van artikel 68 Sr gaan inhouden. De strekking van het verwijt is in zowel juridisch opzicht (de eis van gelijke strekking van de strafbepaling) als in feitelijk opzicht (samenhang in handelen en schuld) ongewijzigd gebleven. 1.3.
- Inhoudelijk verweer tegen toevoeging D/336 De verdediging heeft zich in de tweede plaats verzet tegen een wijziging van de tenlastelegging waarin het verwijt is vervat dat de externe accountant is opgelicht. De gewraakte vordering tot wijziging strekte voor zover hier van belang tot toevoeging van de vermelding van document D/336 aan de tenlastelegging. Dit document betreft de op schrift gestelde, ondertekende accountantsverklaring van 6 maart 2001, die ziet op de Nederlandse jaarrekening over het boekjaar 2000, en is gesteld in de Engelse taal. De verdediging voert aan dat hierdoor de tenlastelegging wordt uitgebreid met een feit in de zin van artikel 68 Sr. Die stelling is echter niet juist. Klaarblijkelijk werden de originele, ondertekende, goedkeurende accountantsverklaringen op schrift gesteld in zowel de Nederlandse als de Engelse taal. Document D/335 is van beide een voorbeeld, betrekking hebbend op het jaarverslag over
- De tekst daarvan werd vervolgens opgenomen in het betreffende Nederlandstalige jaarverslag, respectievelijk het Engelstalige jaarverslag, waarvan documenten D/123 en D/124 voorbeelden zijn. Het een is slechts een vertaling van het ander. Het gewraakte document D/336 betreft derhalve de (in de Engelse taal gestelde) goedkeurende verklaring over het boekjaar
- De vermelding van dit ‘goed’ (de brief zelf) was inderdaad nog niet opgenomen in de tenlastelegging, maar naar deze goedkeurende verklaring werd al wel reeds verwezen door opneming van de specificatie D/101, p. 75, te weten de in de Nederlandse taal gestelde tekst van de goedkeurende verklaring, zijnde een woordelijke vertaling van de inhoud van D/
- De wijziging behelst dus geen tenlastelegging van een ander feit in de zin van artikel 68 Sr. 1.3.
- Formeel verweer – wijziging strijdig met beginselen van goede procesorde In de derde plaats heeft de verdediging aangevoerd dat de (vordering tot) wijziging van de tenlastelegging in strijd is met beginselen van een goede procesorde. Ook dit verweer kan niet slagen. Aan de enkele omstandigheid dat de vordering tot wijziging van de tenlastelegging werd ingediend ter zitting van 20 april 2006, na afloop van het repliek dat die dag werd voorgedragen, kan niet het gerechtvaardigde en dus rechtens te honoreren vertrouwen worden ontleend dat de officier van justitie van zijn bevoegdheid om wijziging van de tenlastelegging te vorderen geen gebruik meer zou maken. Die bevoegdheid strekt er immers toe om onduidelijkheden waaraan de tenlastelegging mank gaat weg te nemen. Het is niet uitgesloten dat onduidelijkheden pas bij gelegenheid van of na de pleidooien naar voren komen. Uiteraard dient de raadsman tijd en gelegenheid te krijgen zich te preparen op het voeren van de verdediging. Een wijziging van de tenlastelegging kan onder omstandigheden ertoe nopen de raadsman daartoe de noodzakelijke tijd te gunnen. Indien zulks in eerste aanleg niet is gebeurd, dient dat in hoger beroep te worden hersteld. Mede daartoe strekt immers het hoger beroep. Thans heeft het hof zich over de door de raadsman opgeworpen vraag of wijziging in strijd was met beginselen van een goede procesorde te beraden niet alleen naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg, maar ook naar aanleiding van dat in hoger beroep. In elk geval kan thans worden vastgesteld dat de verdachte en zijn raadsman tot op heden voldoende tijd en gelegenheid hebben gehad zich te verweren tegen de (gewijzigde) tenlastelegging. Dat wordt ook niet betwist. Daarmee is ’s hofs oordeel echter gegeven: er is niet gehandeld in strijd met beginselen van een goede procesorde. Ten overvloede overweegt het hof dat ook in eerste aanleg de vermeende c.q. gewraakte toevoeging van toepassing van maatstaven naar US GAAP bepaald niet uit de lucht kwam vallen. Zoals gezegd moest daarvan reeds een beoordeling plaatsvinden op de grondslag van het onder 3 tenlastegelegde en was die toepassing een belangrijk discussiepunt in de hele Aholdzaak. De door de officier op 20 april 2006 gevorderde wijziging was derhalve niet zodanig ingrijpend dat zij zonder meer tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting had moeten leiden, zonder welke schorsing – aldus begrijpt het hof - de wijziging in strijd zou zijn met beginselen van een behoorlijke procesorde. Het hoger beroep tegen het tussenvonnis wordt afgewezen. 1.
- De geldigheid van de dagvaarding 1.4.
- Kader van beoordeling Alvorens kan worden voortgegaan met het schetsen van de kaders van deze strafzaak zal het hof naar aanleiding van tot nietigverklaring strekkende verweren de geldigheid van de dagvaarding beoordelen. Daarbij neemt het hof in ogenschouw dat het hof gedurende de vele terechtzittingen die zijn gewijd aan deze strafzaken geen enkel moment heeft kunnen vaststellen of zelfs maar de indruk heeft gekregen dat er tussen één of meer van de procesdeelnemers verschil van mening was c.q. er bij één of meer van hen misverstanden of onbegrip bestonden omtrent het door het openbaar ministerie in de tenlastelegging geformaliseerde verwijt zoals het hof dat in paragraaf 1.1.2 globaal heeft weergegeven. Bij de beoordeling van de geldigheid van de dagvaarding naar aanleiding van nietigheidsverweren die de tenlastelegging tot onderwerp hebben, slaat het hof tegen de achtergrond van alle processtukken acht op de gehele tenlastelegging en - voor zover van toepassing - de samenhang daarin, en niet slechts op het op het door de verdediging aangesneden onderdeel daarvan. Het hof bespreekt de onderscheidene verweren gerubriceerd naar het onderwerpelijke delict uit de tenlastelegging. De nietigheidsverweren houden steeds in dat de hieronder besproken onderdelen van de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig, onbegrijpelijk, onvoldoende specifiek en overigens onduidelijk zijn. Voor het overzicht van de lezer stelt het hof telkens een parafrase van de tenlastelegging voorop, wordt vervolgens verkort melding gemaakt van het verweer en volgt daarna ’s hofs oordeel. 1.4.
- Openbaarmaking onware jaarverslagen – feit 3 in de zaken Van der Hoeven, Meurs en Andreae, feit 1 inzake Fahlin Het gaat hier om het verwijt dat de genoemde verdachten opzettelijke een onware jaarrekening openbaar hebben gemaakt. Daarin is mede verwoord dat de consolidatie die aan de jaarrekeningen ten grondslag heeft gelegen telkens is gebaseerd op een valse sideletter. De verdediging, althans de raadsman van Meurs, heeft aangevoerd dat ten aanzien daarvan niet duidelijk is wat wordt bedoeld met "sideletter" en dat het evident is dat de sideletterdiscussie niet over het algemeen gevoerd kan worden, maar per deelneming en per jaar. Het hof oordeelt evenwel anders. Mede tegen de achtergrond van het onderliggende dossier is duidelijk dat met “valse sideletters” worden bedoeld de vier brieven die thans te boek staan als ‘controlletters’, en die volgens een ander onderdeel van de tenlastelegging als middel tot misleiding zijn gehanteerd ten opzichte van de externe accountant. In die betekenis is – volgens de steller van de tenlastelegging – daarop de consolidatie gebaseerd. Van de (achtergehouden) tweede sideletter is nimmer betoogd en bediscussieerd dat daarin enige valsheid is gelegen. Onder die omstandigheden kan van enig misverstand geen sprake zijn, en daarvan is dan ook niet gebleken. Inmiddels heeft de advocaat-generaal door wijziging van de tenlastelegging de daarin genoemde documenten voorzien van een specificatie zodat ieder mogelijk misverstand is weggenomen. 1.4.
- Publieksmisleiding – feit 4 in de zaken Van der Hoeven, Meurs en Andreae Deze tenlastelegging bevat voor zover relevant het verwijt dat is getracht het publiek tot inschrijving of deelneming te bewegen door het opzettelijk verzwijgen of verminken van ware feiten c.q. voorspiegelen van valse feiten of omstandigheden. In de periode van december 1999 tot en met mei 2000 zijn potentiële beleggers tijdens roadshows en via uitbrengen van persberichten voorgelicht, waarbij verdachte en anderen ten onrechte stelden dat Ahold (overwegende) zeggenschap had in vijf met name genoemde rechtspersonen en is het bestaan van relevante informatie verzwegen, namelijk elkaar tegensprekende sideletters. Voor wat betreft dit feit heeft de verdediging aangevoerd dat niet duidelijk is welke roadshows in de tenlastelegging worden bedoeld. Die is dan ook onvoldoende specifiek. Noch blijkt welke onderwerpen aan de orde zijn gekomen en wie er als publiek aanwezig waren. Niet duidelijk is op welke sideletters hier wordt gedoeld, aldus de verdediging. Dit verweer kan niet slagen. Uit de tenlastelegging van dit feit in samenhang bezien met de verwijzing naar de prospectussen en de publicatiedata daarvan volgt dat de roadshows die de steller van de tenlastelegging voor ogen stonden samenhingen met de emissie in mei 2000 en de informatievoorziening die daarmee gepaard ging van de zijde van Ahold. Voor de verdachte was dan ook zonneklaar dat met de roadshows wordt gedoeld op de bijeenkomsten die onder die noemer plaatsvonden ten behoeve van de in aandelen Ahold geïnteresseerde belegger. Meurs en Van der Hoeven hebben beiden reeds bij hun FIOD-verhoren verklaard over de bedoelde roadshows, en op welke categorie bijeenkomsten de tenlastelegging het oog heeft is dan ook voldoende duidelijk. Dat over die roadshows in het dossier betrekkelijk weinig informatie is te vinden, betreft een andere kwestie. Het openbaar ministerie is niet gehouden in de tenlastelegging te vermelden wanneer precies waar een roadshow is gehouden, wat daarbij aan de orde is gekomen en wie daarbij behalve verdachte(n) nog meer aanwezig waren. Het verwijt is duidelijk: tijdens geen enkele van de roadshows ten behoeve van de emissie van mei 2000 is melding gemaakt van de elkaar tegensprekende sideletters. Met elkaar tegensprekende sideletters kan niet anders zijn bedoeld dan enerzijds de vier controlletters en anderzijds de daaraan tegengestelde tweede sideletters. Op geen enkel moment heeft het hof ook maar de indruk gekregen dat bij de verdachten en hun raadslieden hierover misverstanden bestonden. 1.4.
- Valse letters of representations – feit 5 inzake Van der Hoeven en Meurs Deze tenlastelegging bevat het verwijt dat “letters of representations” valselijk zijn opgemaakt doordat daarin in strijd met de waarheid is gesteld - dat de betreffende jaarrekening, het annual report on Form 20-F’s en het prospectus een getrouw beeld gaven in overeenstemming met (in Nederlandse en Amerikaanse jaarrekeningenrecht) algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving (punt 1 in die documenten); - dat alle financiële administratie (‘financial records’) en daarmee verband houdende gegevens (‘related data’) waren verstrekt aan de accountant; - dat de joint ventures geconsolideerd waren omdat Ahold (overwegende) zeggenschap (‘control’) uitoefende over deze rechtspersonen (‘partnerships’) (zie D/129, 10e punt); - dat zich na 2 januari 2000 geen feiten hebben voorgedaan die nopen tot aanpassingen van of openbaarmaking in de financiële verslaggeving (zie D/367, pt. 2). De verdediging heeft betoogd dat de steller van de tenlastelegging vijf boekjaren op één hoop heeft gegooid terwijl de feitelijke situatie in die boekjaren totaal verschillend was. Voor wat betreft het eerste gedachtestreepje van feit 5 heeft de verdediging aangevoerd dat er sprake is van een gebrekkige aansluiting tussen de Nederlandse tekst van de tenlastelegging en de in het Engels gestelde onderliggende documenten. Er zijn termen in de tenlastelegging die in de lucht hangen, zoals "getrouw beeld" en "jaarrekening". Hierdoor wordt de tenlastelegging onduidelijk en innerlijk tegenstrijdig. De omstandigheden van het geval worden niet in de tenlastelegging betrokken. Door het gebrek aan precisering mist de verdediging de noodzakelijke oriëntatie. De gedachte dat het niet getrouwe beeld zou worden veroorzaakt doordat joint ventures ten onrechte werden geconsolideerd, wordt weer ontkracht door de separate vermelding van deze onterechte consolidatie onder het derde gedachtestreepje. Voor wat betreft het tweede gedachtestreepje heeft de verdediging aangevoerd dat tegen de achtergrond van de omvang van Ahold en de bijbehorende administratie, het openbaar ministerie gehouden was meer specifiek te zijn omtrent wat wordt verstaan onder "alle (financiële) administratie en daarmee verband houdende gegevens". Ten aanzien van het derde gedachtestreepje heeft de verdediging betoogd dat het Openbaar Ministerie had moeten preciseren welke deelnemingen ten onrechte zijn geconsolideerd. Alle door Ahold geconsolideerde deelnemingen worden hier over één kam geschoren. Bovendien is volgens de raadsman van Meurs evident dat het hierop betrekking hebbende debat in rechte niet op deze wijze over het algemeen gevoerd kan worden, maar dat het tenlastegelegde feit in zoverre duidelijker per deelneming en per jaar omschreven dient te worden. Ten aanzien van het vierde gedachtestreepje voert de verdediging aan dat het onduidelijk is op welk feit of welke feiten dit deel van de tenlastelegging ziet. Het hof volgt de verdediging hierin niet. De met nummers en data gespecificeerde letters of representations waarvan de tenlastelegging melding maakt zijn telkens in de Engelse taal gesteld. In de tenlastelegging zijn klaarblijkelijk de passages in die brieven die als strijdig met de waarheid worden aangemerkt, uitgelicht en in het Nederlands vertaald, alsmede voorzien van een verwijzing. Daardoor kan er geen enkel misverstand zijn over welke onderdelen van de onderscheidene brieven volgens de tenlastelegging als vals moeten worden bestempeld. Ook de vertaling van “financial statements” in ‘jaarrekening’ en “fairly presented” in ‘getrouw beeld’ geeft meer dan voldoende specifiek aan welke passages in de brieven wordt bedoeld, en met die vertaling is naar ’s hofs oordeel niets mis. Aan precisering ontbreekt het dus beslist niet. Voorts zijn geen vijf boekjaren op één hoop gegooid, maar zijn wel zes brieven over vijf boekjaren in één tenlastelegging opgenomen; de splitsing die daarbij per brief en per boekjaar moet worden aangebracht kan aan de hand van deze tenlastelegging probleemloos plaatsvinden. Wat daarentegen wel ontbreekt in de tenlastelegging is een beschrijving van de gronden waarop zou moeten worden aangenomen dat de betreffende passages in strijd met de waarheid zouden zijn opgemaakt. In zoverre is de tenlastelegging a-specifiek. Dit gemis wordt evenwel ruimschoots gecompenseerd door de gehele tenlastelegging, waarin uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van valselijk opgemaakte c.q. achtergehouden sideletters, alsmede van onware en valselijk opgemaakte jaarrekeningen, jaarverslagen en annual reports on Form 20-F, zijnde globaal gesproken oorzaak en gevolg van de consolidatieproblematiek waardoor de gestelde valsheid van de letters of representations wordt teweeggebracht. De deelnemingen die ten onrechte zijn geconsolideerd, zijn in diverse andere onderdelen van de gehele tenlastelegging met name genoemd. Het deel van de administratie van Ahold en de ‘relevant data’ die zijn achtergehouden kunnen niet anders betreffen dan de verhulde tweede sideletters. Dat nog meer documenten of gegevens verborgen zijn gehouden, is gesteld noch aannemelijk geworden. In het licht van die toelichting is er geen enkel misverstand over het hier besproken onderdeel van de tenlastelegging, en deze toelichting is zelfs met enkel globale kennis van de strafzaak te bevatten. Dat geldt temeer voor de verdachten en hun raadslieden. Van enig misverstand van de zijde van de verdachten en hun raadslieden is geheel niet gebleken bij gelegenheid van de vele langdurige terechtzittingen. 1.4.
- Valsheid in geschrift ten aanzien van de annual reports on Form 20-F – feit 6 inzake Van der Hoeven en Meurs, feit 5 inzake Andreae en feit 2 inzake Fahlin Deze (gewijzigde) tenlastelegging bevat in de kern genomen het verwijt dat de annual reports on Form 20-F valselijk zijn opgemaakt door daarin in strijd met de waarheid een aantal uitspraken te doen over de gronden voor consolidatie (hierboven de consolidatiefrasen genoemd) namelijk all companies in which Ahold can exercise control or where Ahold has a direct or indirect interest of more than 50% are included in the consolidation en Ahold consolidates all companies over which it exercises control, as evidenced by majority ownership (51%) or through control of management en door in voormeld geschrift in strijd met de waarheid te suggereren, vast te leggen en te verwerken dat Ahold (overwegende) zeggenschap (‘control’) had over alle in de annual report on Form 20-F genoemde geconsolideerde rechtspersonen, terwijl dat in werkelijkheid naar maatstaven van Nederlands en Amerikaans jaarrekeningenrecht niet het geval was. De verdediging voert aan dat het openbaar ministerie een ‘zoekplaatje’ heeft gecreëerd over een reeks van jaren met een oneindig aantal geconsolideerde partnerships. Het openbaar ministerie was gehouden per jaar gespecificeerd aan te geven ten aanzien van welke partnerships het Openbaar Ministerie van oordeel is dat deze ten onrechte geconsolideerd werden. Het hof verwerpt dit verweer. In dit onderdeel van de tenlastelegging heeft de opsteller ervan zeer specifiek melding gemaakt van die passages in de onderscheidene annual reports on Form 20-F die als vals zouden moeten worden aangemerkt. De gronden voor die valsheid worden niet gespecificeerd, maar volgen voldoende duidelijk uit de tekst. Bijvoorbeeld, de volzin waarin Ahold kort gezegd stelt dat het alle deelnemingen consolideert waarover het zeggenschap uitoefent, is in strijd met de waarheid opgemaakt, aldus de tenlastelegging. Niet wordt vermeld om welke reden die zin onwaar is, maar tegen de achtergrond van de gehele tenlastelegging is duidelijk dat hiermee wordt bedoeld dat Ahold méér deelnemingen heeft geconsolideerd dan waarover het zeggenschap uitoefende, en dat zulks in strijd is met de toepasselijke maatstaven van het jaarrekeningenrecht. Welke deelnemingen dat dan precies waren is evenmin vermeld, en dat had niet misstaan. Wederom is duidelijk aan de hand van de gehele tenlastelegging en aan de hand van het dossier welke deelnemingen hier worden bedoeld. De gehele tenlastelegging betreft geen ‘zoekplaatje’. 1.4.
- Oplichting van de externe accountant – feit 7 inzake Van der Hoeven en Meurs, feit 6 inzake Andreae, feit 3 inzake Fahlin Deze (gewijzigde) tenlastelegging bevat het verwijt dat met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen de externe accountant (Deloitte) is bewogen tot afgifte van goedkeurende accountantsverklaringen en/of “auditors’ reports” (D/100 p. 77, D/101 p. 75, D/102 p. 72, D/120 p. 49, D/121 p.64, D/122 p. 69, D/330, D/335, D/336), door - telkens een brief te overhandigen waarin in strijd met de waarheid was opgenomen dat (tussen Ahold en haar wederpartij is overeengekomen dat) in het geval geen consensus zou worden bereikt over een bepaalde kwestie, het voorstel van Ahold uiteindelijk doorslaggevend zou zijn; - telkens een brief waarin de inhoud van bovenstaande brief wordt betwist en weersproken aan Deloitte te onthouden; ad D/137, D/138 en D/139; - een brief waarin staat vermeld dat (tussen Ahold en haar wederpartij is overeengekomen dat) alle beslissingen ten aanzien van Paiz Ahold N.V. in consensus zullen worden genomen aan Deloitte te onthouden; - het bestaan van relevante informatie (namelijk de ‘side letters’) met betrekking tot de zeggenschap over met name genoemde joint ventures te verzwegen. Voor Fahlin en Andreae geldt dat deze tenlastelegging beknopter is dan hier globaal weergegeven. Het hof verwijst naar de aangehechte bijlagen. De verdediging van Andreae en Fahlin heeft betoogd dat het document D/120, zoals genoemd in de tenlastelegging, het annual report on Form 20-F over het jaar 1999 betreft. Aangezien de joint venture ICA Ahold AB (ICA Ahold) nog niet bestond in 1999, is het uitgesloten dat de tenlastegelegde oplichtingshandelingen, die alle betrekking hebben op ICA Ahold, de accountant hebben kunnen bewegen tot het afgeven van een goedkeurende verklaring over het jaar
- In zoverre is de tenlastelegging dan ook innerlijk tegenstrijdig en dus nietig, aldus de verdediging. Daarnaast heeft de verdediging van Andreae en Fahlin aangevoerd dat nu de originele accountantsverklaringen niet aan het dossier zijn toegevoegd en voorts de in de tenlastelegging genoemde documenten geen "accountantsverklaringen" of "auditors’ reports" zijn, dit subsidiair zou moeten leiden tot een nietig, want tegenstrijdig, onderdeel van de tenlastelegging. Het hof verwerpt deze verweren. Indien de tenlastegelegde oplichtingshandelingen geen betrekking kunnen hebben op het annual report on Form 20-F zal dat aanleiding kunnen zijn voor vrijspraak. Innerlijk tegenstrijdig is de vermelding van D/120 niet, want dat zou reeds uit de tekst van de tenlastelegging moeten voortvloeien, en dat doet het niet. Op de stelling van de verdediging dat de in de tenlastelegging genoemde documenten geen accountantsverklaringen en ‘auditors’ reports’ betreffen komt het hof terug bij de bespreking van dit onderdeel van de tenlastelegging. Het hof volstaat thans met de opmerking dat geen aanleiding wordt gezien de dagvaarding op dit punt nietig te verklaren, aangezien de tenlastelegging niet innerlijk tegenstrijdig is. BEWIJSOVERWEGINGEN HOOFDSTUK 2: ALGEMEEN DEEL 2.
- De verdachten, Ahold en de externe accountant 2.1.
- Ahold Sinds 1948 zijn de aandelen van Koninklijke Ahold N.V., destijds Albert Heijn N.V. geheten, genoteerd aan de Amsterdamse effectenbeurs. De vestigingsplaats van Ahold is (was) Zaandam, gemeente Zaanstad , alwaar het kantoor van Ahold was gelegen. Sedert 1973 heet de vennootschap Ahold N.V., ten teken dat zij een houdstermaatschappij is geworden. Met ingang van 1987, honderd jaar na de oprichting van de onderneming, draagt zij het predicaat ‘Koninklijke’. In 1977 begon de internationale expansie van Ahold, met de aanschaf van BI-LO in de Verenigde Staten. Vanaf 1988 stond Ahold genoteerd aan de Nasdaq, en daarna, sinds 1993, aan de New York Stock Exchange. Genoteerd waren niet aandelen in het kapitaal van Ahold, maar zogeheten American Depositary Receipts, die het economisch eigendom van de aandelen vertegenwoordigen. Deloitte & Touche (thans: Deloitte Accountants B.V.) is de externe accountant van Ahold vanaf in elk geval 1992 tot heden. Zij wordt hierna ook Deloitte genoemd. 2.1.
- Van der Hoeven C.H. van der Hoeven, hierna: Van der Hoeven, is in 1985 tot de raad van bestuur van Ahold toegetreden. In eerste instantie vervulde hij de taak van CFO (Chief Financial Officer). Van 1993 tot 1997 combineerde hij deze functie met die van CEO (Chief Executive Officer). Vanaf 1997 tot 2003 was hij CEO . Zelf heeft Van der Hoeven over zijn achtergrond verklaard: Ik heb na mijn middelbare school, economie gestudeerd in Groningen. Ik ben in 1970 afgestudeerd. Toen ben ik bij de Shell begonnen. Eerst als assistent bij de Interne accountantsdienst bij de NAM. Ik heb 15 jaar carrière bij Shell gehad. Daarna heb ik gewerkt in Londen, Curaçao weer in Londen als financieel directeur/commercieel directeur bij de NAM. Dat was van 1980 tot
- Vervolgens een directiepositie in Oman bij de Shell. Ik ben in 1985 bij Ahold in de Raad van Bestuur gekomen. Ik was in eerste instantie verantwoordelijk voor de financiële zaken bij Ahold. Later in 1989 ben ik ook verantwoordelijk geworden voor Albert Heijn werkmaatschappij binnen de Raad van Bestuur. Begin 1993 ben ik voorzitter van de Raad van Bestuur geworden tot februari
- 2.1.
- Meurs A.M. Meurs, hierna Meurs genoemd, is in 1997 toegetreden tot de raad van bestuur van Ahold. Vanaf 1992 is Meurs binnen Ahold werkzaam, eerst als directeur administratie. Meurs vervulde vanaf 1997 de taak van CFO. Zelf heeft Meurs meer uitgebreid het volgende verklaard: Ik ben afgestudeerd als doctorandus bedrijfskunde aan de universiteit te Rotterdam en Delft. (…) In de periode 1976 tot 1991 heb ik in diverse functies gewerkt bij de ABN en de ABN AMRO Bank, zowel in Nederland als in het buitenland. Bij de ABN AMRO Bank ben ik onder andere directeur geweest bij het kantoor in Rotterdam, verder ben ik directeur geweest van een afdeling die zich bezig hield met derivaten. Verder heb ik een periode in Singapore gewerkt als vertegenwoordiger van de ABN Bank inzake investment banking. Vanaf 1992 ben ik in dienst gekomen bij Ahold. In de periode 1992 t/m 1995 was ik directeur financiën. In 1996 was ik directeur business development. Ik de periode 1997 t/m 2002 was ik lid van de raad van bestuur van Ahold. In deze periode 1997 t/m 2002 was ik CFO (Chief Financial Officer). Als Nederlandse vertaling zou ik kunnen geven financieel directeur. In deze hoedanigheid rapporteerden alle financiële disciplines in de Holding aan mij, als eindverantwoordelijke. Met andere woorden de financieel directeur van Albert Heijn rapporteerde niet aan mij. Ik was uiteindelijk verantwoordelijk voor het financiële afdelingen van de Holding. Over het consolidatievraagstuk heeft Meurs verklaard: Consolidatie was mijn verantwoordelijkheid, maar ik was natuurlijk ook afhankelijk van een staf die er meer gespecialiseerd in was dan ik. 2.1.
- Andreae J.G. Andreae, hierna Andreae, is toegetreden tot de raad van bestuur in
- Daarbinnen was hij als ‘Liaison Officer Europe’ verantwoordelijk voor alle Europese activiteiten van Ahold. Zelf heeft Andreae meer uitgebreid verklaard: Ik ben Delfts ingenieur. Vervolgens ben ik gaan werken in Spanje bij Olivetti. Daarna heb ik 7 jaar in diverse functies bij Nutricia gewerkt. Eind 1979 ben ik begonnen bij Ahold. De volgende functies heb ik binnen Ahold vervuld. Site manager in Tilburg, hier was op dat moment het logistieke centrum van Ahold gevestigd. Na 3 jaar ben ik directeur van Marvelo te Zaandam geworden. Dit betreft het productiebedrijf van de private labels van o.a. Albert Heijn. Vervolgens ben ik een jaar area manager te Utrecht geweest. Dit was een soort vooropleiding om te kunnen toetreden tot de directie van Albert Heijn. In 1987 ben ik toegetreden tot de directie van Albert Heijn. Mijn verantwoordelijkheid was directeur operations, dit houdt in het management over alle winkels. Na ongeveer 4 jaar ben ik president van Albert Heijn geworden. Dit houdt in dat ik de totale verantwoordelijkheid had over geheel Albert Heijn. Dit heb ik 5 jaar gedaan. In 1997 ben ik lid geworden van de Raad van Bestuur van Ahold. Binnen de Raad van Bestuur ben ik verantwoordelijk voor alle Europese activiteiten van Ahold. Deze functie heb ik nu nog steeds. U vraagt mij of binnen de Raad van Bestuur iedereen een eigen taak had. Ik kan hierop verklaren dat dit het geval is. Ahold heeft de wereldkaart in 3 delen opgesplitst. Voor elk deel is iemand van de Raad van Bestuur verantwoordelijk, dit is in 1997 ingevoerd. Verder is er één voorzitter, dit was C. v/d Hoeven. Daarnaast is er één financiële man, dit was M. Meurs. Bij de komst van US Food service bij Ahold is besloten de verantwoordelijke voor die activiteiten lid te maken van de Raad van Bestuur, hetgeen een uitzondering is op de regionale regel. Zoals ik heb verklaard ben ik verantwoordelijk voor alle activiteiten in Europa. Dit houdt in het management van de diverse bedrijven, zoals Albert Heijn, Deli XL, Ahold Polska, Ahold Espana etc.. Verder hebben wij joint ventures in Europa, zoals ICA Ahold, Jéronimo en Schuitema, waar ik zitting heb in de Board. Ook andere personen van Ahold zitten in deze board. De board is niet het management van de joint venture, maar houdt zich wel meer met de dagelijkse gang van zaken bezig dan dat een Raad van Commissarissen dit zou doen. Mijn primaire verantwoordelijkheid is toe te zien op de groei en de bloei van de betreffende bedrijven. Dit betekent dat ik mij intensief bezig houd met zaken als marketing, positionering van de formules, infrastructuur zoals logistics, informatie technology en sourcing. En naast deze één op één relaties met de werkmaatschappijen, ben ik verantwoordelijk voor het creëren van Europose synergie, zoals gezamenlijke inkopen en groeimodel voor de informatietechnologiestructuur etc.. Bovenop dit alles toezien op een juiste bemanning, c.q. management development van talent om ook de toekomst van het bedrijf veilig te stellen. Daarnaast kijk ik ook naar groeimogelijkheden buiten de bestaande werkmaatschappijen en joint ventures. ICA is ooit mijn initiatief geweest. Hierbij wil ik opmerken dat de besluitvorming met betrekking tot het acquireren van ICA een collectief besluit van de Raad van Bestuur en Raad van Commissarissen is geweest U vraagt mij of ik ook verantwoordelijk ben voor financiële onderdelen. Hierop kan ik verklaren dat ik bij het operationele financiële management betrokken ben. Hierbij wil ik opmerken dat ik bij haute finance, zoals fiscaliteit, audit, treasury etc. niet betrokken ben. Ahold is op een zodanige manier ingericht dat de Liasons Officers, waar ik er één van ben, verantwoordelijk zijn voor de operationele zaken en andere personen voor de zogenaamde ‘corporate’ onderdelen. Andreae is per 20 februari 2004 afgetreden als lid van de raad van bestuur van Ahold . 2.1.
- Fahlin T.R. Fahlin, hierna Fahlin, is per 1 september 2001 lid van de raad van commissarissen geworden van Ahold. Vanaf januari 2002 was hij tevens lid van het audit committee. Meer uitgebreid heeft hij zelf over zijn achtergronden verklaard: Ik heb een diploma in Economie, hetgeen geen universitaire studie is maar voor Zweedse begrippen wel vergelijkbaar. Na mijn studie heb ik ervaring in een locale bank en locale retailer opgedaan en mijn dienstplicht vervuld. In 1963 ben ik gaan werken bij de ICA publishing. Van 1967 tot en met 1970 ben ik gaan werken voor een Brits bedrijf. Toen kwam ik terug bij ICA publishing. Vanaf 1975 ben ik gaan werken bij ICA AB, eerst als communication manager en later in de non food sector. In januari 1986 ben ik managing director van ICA AB geworden, vanaf dat moment ben ik verantwoordelijk geweest zowel ICA AB als ook voor ICA Förbundet, dat was een gecombineerde positie. Deze positie heb ik behouden tot het moment van het samen gaan met Ahold. In het jaar 2000, vanaf mei, na het verkrijgen van 50% door Ahold van ICA AB ben ik president van ICA Förbundet gebleven en voorzitter van het bestuur geworden van ICA Ahold AB. In mei 2001 ben ik met pensioen gegaan. Vanaf 1 september 2001 ben ik commissaris geworden van Ahold NV. Bij Ahold ben ik vanaf januari 2002 lid geworden van de Audit Committee. Ik ben tot op heden lid van deze Audit Committee. Dit is een commissie van de Raad van Commissarissen. Fahlin is in juni 2004 reglementair afgetreden als lid van de raad van commissarissen. 2.
- De joint ventures 2.2.
- Missie en strategie van Ahold Binnen de hierna te bespreken strategie van Ahold paste het aangaan van samenwerkingsverbanden met andere retailers in regio’s die door Ahold als groeimarkten werden aangemerkt. Het jaarverslag over 1999 vermeldt onder meer het volgende: Sterke autonome groei heeft bij Ahold een hoge prioriteit. Daarnaast groeit de onderneming door acquisities en joint ventures, gebaseerd op een evenwichtig investeringsbeleid in volwassen markten en groeimarkten. De raad van bestuur van Ahold berichtte in 2001 het volgende: We streven naar jaarlijks 6 tot 7% autonome omzetgroei en 12 tot 15% autonome groei van het bedrijfsresultaat. Hier bovenop komt nog het aanzienlijke effect van acquisities en samenwerkingsvormen. Winstgevende groei, zowel autonoom als door middel van acquisities, is een pijler van onze strategie. Ons streven is gericht op verdubbeling van de omvang van onze onderneming in de periode 1999 en
- Uit het definitieve prospectus-supplement van 15 mei 2000: Strategy Our mission is to become the world’s best and most successful food provider. Our strategy is to build a profitable network of food retail and related businesses that are regional leaders and are well positioned to act on developments within the global food industry. Our overall financial target is to double net earnings every five years and to maintain double digit earnings per share growth (excluding currency impact) while improving our return on invested capital. For the years 2000 and 2001, we anticipate earnings per share growth of at least 15% per annum (excluding currency impact). Profitable growth is a fundamental part of our strategic mission. In markets where we have established operations, we seek to continually improve profitability and maintain growth, both organically and through selective acquisitions. Organic growth is fuelled by reinvesting nearly all of our cash flow from operations in our existing businesses to support identical sales growth and margin improvement. External growth is governed by the application of strict operational and financial criteria. Meurs verklaarde desgevraagd ter toelichting: De missie van Ahold was en is om de beste global food retailer (later provider) te worden. Beste houdt niet zozeer in de grootste maar wel de beste. U vraagt mij welke criteria daarvoor zijn, ik kan zeggen dat het gaat om hoe onze omgeving naar ons kijkt. Met omgeving bedoel ik onze klanten, leveranciers, ‘peers’ en financieel analisten De strategie was een afgeleide van de missie, de strategie bestond er uit een succesvolle wereld food retailer te creëren op basis van uitwisseling van kennis en de uitbreiding van schaalgrootte. In de strategie van Ahold paste het overnemen van eerste klas bedrijven. Groei op gebieden waar we al zaten, zoals Europa en Amerika en groei op markten waar we nog niet zaten door het aangaan van joint ventures met marktleiders. Groei zag dus op organische groei van bestaande markten bijvoorbeeld door nieuwe winkels, grotere winkels onder bestaande merknamen zoals Albert Heijn in Nederland en hogere omzet per vierkante meter. Daarnaast wilde Ahold groei op nieuwe markten in de wereld, deze groei op voor Ahold nieuwe markten kon via een samenwerking in die landen met een daar al opererend bedrijf. In landen waar Ahold niet bekend was gaven wij de voorkeur aan het aangaan van joint ventures, waarmee we bepaalde kennis konden benutten van de lokale partner. In de VS bijvoorbeeld was Ahold al bekend en daarom is daar nooit overwogen om een joint venture aan te gaan. In 1992 sloot Ahold al een succesvolle joint venture af met de marktleider in Portugal, Jerónimo Martins Holding (JMH). Nadien zijn in met name de nieuwe markten joint ventures gevormd, dit als een belangrijk onderdeel van de strategie. De joint venture in Portugal is Jerónimo Martins Retail (JMR), Ahold heeft daarin een belang van 49% en de partner van Ahold namelijk JMH in Portugal heeft 51%. JMR was de eerste joint venture die Ahold is aangegaan, daarna zouden er nog meer volgen. Van der Hoeven verklaarde: U vraagt mij of omzetgroei een van de pijlers is van de missie van Ahold. Nee, die zit wel in de strategie maar niet in de missie. De missie was om de beste en de meest succesvolste te zijn en niet de grootste. U vraagt mij hoe deze omzetgroei bereikt moest worden. Op twee manieren door autonome omzetgroei en acquisitie. Dat was een onderdeel van de strategie. Van der Hoeven verklaarde ter zitting van het hof dat met het verstrijken der jaren de nadruk meer kwam te liggen op autonome groei (“organic growth”) en minder op groei door acquisities. Een passage uit (wederom) het definitieve prospectus-supplement van 15 mei 2000 geeft daarvan inderdaad blijk: We seek to reach our financial targets by taking advantage of opportunities for cost and expense reductions as well as organic and external growth. We currently anticipate that the majority of our targeted earnings growth in the medium- to long-term will be derived primarily from our existing operations and, to a lesser extent, from acquisitions. Het hof hecht er in dit verband aan op te merken dat Aholds groeistrategie en haar keuze daarvoor in deze strafzaak niet ter discussie staan en geen onderwerp van strafrechtelijk onderzoek zijn. De in dit verband door Ahold aangegane joint ventures waarvan de tenlastelegging melding maakt, worden hierna besproken. Het hof besteedt thans alleen aandacht aan de juridische structuur van de joint ventures. Over de feitelijke gang van zaken binnen de joint ventures komt het hof later te spreken. 2.2.
- Jerónimo Martins Retail Op 29 juli 1992 is Ahold met Jerónimo Martins & Filho S.A. (JMH) een joint venture-overeenkomst aangegaan , die op 29 oktober 1992 een geringe, in casu niet relevante wijziging heeft ondergaan . Op basis van die joint venture-overeenkomst heeft Ahold in de rechtspersoon Jerónimo Martins Retail sgps S.A. (hierna: JMR) een belang van 49% verworven . JMR werd op haar beurt houdster van alle aandelen van de werkmaatschappij Pingo Doce , een supermarktketen, en op enig moment ook van die van Feira Nova , een hypermarktketen. De ‘Board of Directors’ van JMR bestaat uit zeven leden, waarvan JMH vier leden en Ahold drie leden mag benoemen . De Board of Directors besluit op basis van unanimiteit . De gegevens van JMR zijn vanaf 1992 tot februari 2003 volledig geconsolideerd in de geconsolideerde jaarrekeningen van Ahold die zijn opgenomen in de jaarverslagen, annual reports on Form 20-F en de zich in het dossier bevindende prospectussen . 2.2.
- Bompreço Op 4 november 1996 is een ‘Letter of Intent’ getekend, waarmee de samenwerking van Ahold met Bompreço S.A. in gang werd gezet. Naar volgt uit de Shareholders’ Agreement, d.d. 23 december 1996 is het de intentie dat Ahold (door tussenkomst van haar 100%-deelneming Br Participaçous e Empreendimentos S.A.) en Bompreço S.A. ieder 50% van de stemgerechtigde aandelen in Bompreço S.A Supermercados do Nordeste (hierna: Bompreço) zullen houden. Bompreço is een ‘foodretailer’ in het noorden en oosten van Brazilië. In de Shareholders’ Agreement is omtrent de zeggenschap in deze joint venture het volgende opgenomen: a. De ‘Board of Directors’ is het leidinggevende orgaan binnen de organisatie van de joint venture (artikel 4.1); b. De joint venture-partners hebben het recht ieder vier leden van de Board of Directors te benoemen (artikel 4.2), waarbij Bompreço S.A. de voorzitter levert; c. ‘Major Decisions’ als bedoeld in artikel 4.4 worden binnen de Board of Directors met een gewone meerderheid van stemmen genomen; d. Deze Major Decisions houden o.m. het volgende in: wijziging van statuten, de uitgifte van aandelen, dividendpolitiek, aangaan van joint ventures, goedkeuren business-plannen, aangaan van leningen boven een bepaalde omvang, benoeming en beloning van leden van de ‘Executive Board’; e. Een Deadlock Event als omschreven in de definitiebepalingen kan leiden tot beëindiging van de Shareholders’ Agreement (artikel 6, lid 1, sub (vi)); f. Een ‘Change of Control’ bij één van de joint venture-partners kan leiden tot beëindiging van de Shareholders’ Agreement (artikel 6, lid 1, sub (v)); dit kan zich ten aanzien van Ahold voordoen indien een ander 50% of meer van het stemgerechtigde aandelenkapitaal van Ahold verwerft, dan wel 20% daarvan indien tevens de raad van bestuur van Ahold vaststelt dat zulks niet enkel ter investering is verworven; g. Een overdracht van aandelen door één van de partners, hetgeen resulteert in een kapitaalbezit van minder dan 30% van het aandelenkapitaal, kan leiden tot beëindiging van de Shareholders’ Agreement, zulks ter keuze van de andere aandeelhouder. Het Annual Report on Form 20-F over 1998 vermeldt over Bompreço : Acquisition of 38.9% of the common shares (representing a 50% voting interest) of Bompreço, a food retailer with 50 retail stores in northeastern Brazil, for approximately BRL 285 million (NLG 475 million) in cash (December 1996). Subsequent to the acquisition in August 1998, Ahold increased its percentage of ownership to 47.9%.. Blijkens het jaarverslag over 2000 heeft Ahold in juni 2000 de resterende stemgerechtigde aandelen van haar joint venture-partner in Bompreço overgenomen. 2.2.
- Disco Ahold De Shareholders’ Agreement d.d. 13 januari 1998 vermeldt dat Ahold Americas Holdings, Inc. en Velox Retail Holdings ieder 50% van de stemgerechtigde aandelen in het op 9 januari 1998 opgerichte Disco International Holdings N.V. zullen gaan houden. Ahold Americas Holdings, Inc. is een 100% dochteronderneming van Ahold . De naam Disco International Holdings N.V. is op 9 juni 1998 gewijzigd in Disco Ahold International Holdings N.V. , hierna Disco Ahold genoemd. De Shareholders’ Agreement vermeldt onder meer: a. De ‘Board of Directors’ beslist met gewone meerderheid van stemmen (aldus volgt uit artikel 3.4 sub b), zij het dat voor bepaalde besluiten (‘Major Decisions’) unanieme besluitvorming is vereist (artikel 3.5); b. Major Decisions zijn o.a. beslissingen omtrent wijziging statuten, uitgifte van aandelen, aangaan van joint ventures, goedkeuren business-plannen, aangaan van leningen, bepaalde belangrijke beslissingen omtrent bestuursleden van werkmaatschappijen, etc. c. Iedere joint venture-partner heeft het recht vier leden van de Board of Directors te benoemen (artikel 3.1); d. Een ‘Deadlock Event’ als omschreven in de definitiebepalingen kan leiden tot beëindiging van de Shareholders’ Agreement (artikel 5, lid 1, sub e); e. Een ‘Change of Control’ als omschreven in de definitiebepalingen bij één van de joint venture-partners kan leiden tot beëindiging van de Shareholders’ Agreement (artikel 5, lid 1 onder d); dit kan zich ten aanzien van Ahold voordoen indien een ander 50% of meer van het stemgerechtigde aandelenkapitaal van Ahold verwerft indien tevens de raad van bestuur van Ahold vaststelt dat zulks niet enkel ter investering is verworven, dan wel indien Ahold niet langer Ahold America Holdings Inc. beheerst; g. De Shareholders’ Agreement kan worden beëindigd naar keuze van de ene aandeelhouder indien de andere aandeelhouder voor minder dan 50% economisch eigenaar is van de aandelen. Deze laatste bepaling is op 1 september 1999 gewijzigd en wel in die zin dat indien een aandeelhouder minder dan 1/3de van het aandelenkapitaal bezit de overeenkomst beëindigd wordt . Velox Retail Holdings heeft op 13 januari 1998 1250 B-aandelen in Disco Ahold aan Ahold Americas Holdings, Inc. overgedragen , waarmee een 50/50-verhouding, zoals weergegeven in de Shareholders’ Agreement, werd gerealiseerd. Ahold heeft op 17 juli 2001 haar belang in Disco Ahold uitgebreid van 50% naar 55,9%, maar dit bracht nog geen verandering teweeg in de wijze van besluitvorming van de joint venture. In de periode van 30 juli 2002 tot 7 augustus 2002 verwierf Ahold in ruil voor verstrekte leningen tot (bijna) 100% van de stemgerechtigde aandelen . In juli 2002 werd de kritieke grens van 2/3e van het aandelenkapitaal overschreden , waardoor de voorschriften over de wijze van besluitvorming in de (gewijzigde) ‘Shareholders’ Agreement’ niet meer golden. 2.2.
- Paiz Ahold De Shareholders’ Agreement van 21 december 1999 vermeldt dat het de intentie van Ahold Guatemala B.V. en Coban Holdings, Inc. is dat ieder van hen 50% van de stemgerechtigde aandelen in Paiz Ahold N.V. (Paiz Ahold), een op de Nederlandse Antillen gevestigde vennootschap, zal gaan houden. De dag daarvoor is de Stock Purchase Agreement ondertekend, waarbij (onder meer) Coban Holdings, Inc. aandelen in Paiz Ahold heeft verkocht aan Ahold Guatemala B.V.. Deze besloten vennootschap is een 100% dochteronderneming van Ahold . Paiz Ahold hield 80,5% van het aandelenkapitaal van La Fraqua S.A, de grootste supermarkt- en hypermarkt onderneming in Guatemala . In genoemde Shareholders’ Agreement is verder onder meer het volgende opgenomen: a. Het management van de joint venture staat onder toezicht van een ‘Supervisory Board’ (artikel 4.1); b. Beide partijen hebben het recht één Managing Director te kiezen (artikel 4.
- onder b); c. Zodra het belang in het kapitaal van de joint venture van één der partijen daalt onder de 30%, verliest die partij het recht een Managing Director aan te wijzen en treedt de door haar gekozen Managing Director af (artikel 4.
- onder c); d. Coban Holdings heeft het recht vijf leden (waaronder de voorzitter) te kiezen van de Supervisory Board, en Ahold Guatemala B.V. heeft het recht vier leden van de Supervisory Board te kiezen (artikel 4.
- onder a); zodra het belang van een partij in het kapitaal van de jont venture daalt onder de 30%, vermindert het aantal leden van de Supervisory Board dat door deze partij kan worden gekozen met één; e. Voor ‘Major Decisions’ geldt - zolang de oorspronkelijke aandeelhouders ten minste 30% van de aandelen bezitten - unanieme besluitvorming (artikel 4.5); f. Onder Major Decisions worden onder meer verstaan beslissingen over statutenwijziging, uitgifte van aandelen, dividendpolitiek, goedkeuring van businessplannen, etc. g. De Shareholders’ Agreement wordt beëindigd bij ‘Deadlock Event’ (als omschreven in de definitiebepalingen) (artikel 6.1.(vi)); h. De Shareholders’ Agreement kan worden beëindigd bij een ‘Change of Control’ van de ander aandeelhouder, als omschreven in de definitiebepalingen (artikel 6.1.(v)); i. Voorts eindigt de Shareholders’ Agreement onder meer indien één van de aandeelhouders direct of indirect zakt onder de grens van 20% belang in het kapitaal van de joint venture (artikel 6.1.(vii)). Per 1 januari 2002 is Paiz Ahold gedeconsolideerd aangezien – naar het hof begrijpt - Paiz Ahold een joint venture is aangegaan met CSU onder de naam CARHCO en het indirecte belang van Ahold daalde tot 1/3de van het aandelenkapitaal . 2.2.
- ICA Ahold De onderhandelingen gericht op de totstandkoming van een samenwerkingsverband met ICA, een geïntegreerde detail- en groothandel in de levensmiddelensector in (hoofdzakelijk) Zweden, zijn in juli 1999 van start gegaan . Op 6 of 7 december 1999 vond een bespreking plaats in het aan Ahold toebehorende restaurant dat – verkort - ‘De Walvis’ werd genoemd. Daaropvolgend werd op 9 december 1999 een document getiteld de ‘Heads of Agreement’ ondertekend . In dit geschrift is vastgelegd dat Ahold enerzijds en ICA Förbundet Invest AB (ICA Förbundet) en Canica AS (Canica) anderzijds (tezamen de Partners) gelijke aantallen aandelen en stemrechten krijgen in ICA Ahold en dat uiteindelijk de stemgerechtigde aandelen als volgt zullen worden verdeeld: - Ahold: 50% - ICA Förbundet AB: 30% - Canica AS: 20% In een door de Partners (ICA Förbundet en Canica) op 24 februari 2000 ondertekende Partners Agreement staat dat de Shareholders’ Agreement gebaseerd is op een fifty-fifty balance of influence between on the one hand Ahold and on the other hand the Partners, and this balance is based upon that the Partners in matters where this is provided for in the Shareholders Agreement, will act or vote in accordance with mutually agreed positions. De Partners Agreement bewerkstelligt dat wat betreft beslissingen binnen de joint venture Canica (als de kleinere aandeelhouder) ‘as a last resort’ in ‘Material Matters’ de grotere aandeelhouder (ICA Förbundet) zal volgen. In de Heads of Agreement is het zogeheten “ICA Idea” vermeld. Dit houdt kort gezegd in dat de Zweedse, met ICA Förbundet verbonden retailers zelfstandige winkeliers zijn en dat zij toegang hebben tot schaalvoordelen van de ICA Group . Hierin staat tevens dat Ahold en de Partners ermee instemmen dat het ICA Idea zonder toestemming van ICA Förbundet geen wezenlijke verandering zal ondergaan. Op 24 februari 2000 is een Shareholders’ Agreement door Ahold, ICA Förbundet en Canica ondertekend. In de Shareholders’ Agreement is onder meer het volgende opgenomen: a. Een verdeling van het stemgerechtigde aandelenkapitaal over Ahold en de Partners op de hierboven genoemde wijze (50/30/20) (zie artikel 4); b. Een gelijke verdeling van de leden van de ‘Board’, dat wil zeggen Ahold en de Partners hebben ieder het recht vier leden te benoemen, (afgezien van plaatsvervangende leden, en leden die door de werknemers worden aangewezen), (artikel 7.1.1.); c. Alle beslissingen binnen de Board dienen met unanimiteit te worden genomen onder de aanwezige door Ahold en de Partners benoemde leden (artikel 7.1.6); d. ‘Major Decisions’ dienen altijd in de Board besproken te worden; e. Major Decisions zijn opgesomd in Schedule 7.1.7 en die behelzen o.a. beslissingen over statutenwijziging, uitgifte van aandelen, dividendpolitiek, goedkeuring van businessplannen, materiële wijzigingen in ‘business principles’, etc. f. Indien geen consensus bereikt kan worden is sprake van een ‘Deadlock’ (artikel 11.1); g. De ‘Deadlock’-procedure voorziet in ‘mediation’ en ‘arbitration’ (11.1 onder 2 en 3); h. Het ‘ICA idea’ is uitgesloten van de ‘Deadlock’-procedure (artikel 11.2). De joint venture ICA Ahold is op 27 april 2000 van start gegaan, en vanaf die datum zijn de Shareholders’ Agreement en diverse Stock Purchase Agreements van kracht . 2.2.
- Conclusies Het hof laat de praktijk van besluitvorming en de verdere feitelijke gang van zaken binnen de joint ventures thans nog buiten beschouwing. Indien de hierboven globaal weergegeven bepalingen van de onderscheidene joint venture-overeenkomsten in ogenschouw worden genomen, volgt zonder meer dat de ‘belangrijke’ beslissingen binnen het samenwerkingsverband op basis van gelijkwaardigheid van de onderscheidene joint venture-partners worden genomen. Dergelijke belangrijke beslissingen kunnen (bovendien) niet door de ene partner tegen de uitgesproken wil van de andere partner worden doorgedrukt. Het juridische instrumentarium van de joint ventures is derhalve in alle gevallen opgesteld volgens een consensusmodel. ICA wijkt hiervan niet af, aangezien de minderheidsaandeelhouders ICA Förbundet en Canica door middel van een Partners Agreement zijn overeengekomen samen op te trekken, en aldus volgens de toepasselijke contracten evenveel zeggenschap hebben als Ahold, ondanks het feit dat laatstgenoemde de grootste aandeelhouder is. 2.
- De beoordeling van jaarrekeningen 2.3.
- Het beoordelingskader in de strafzaken Onder het indertijd vigerende jaarrekeningenregime verstaat de wet onder een jaarrekening: een balans en een winst- en verliesrekening, een en ander met toelichting . Bedoeld wordt dan de enkelvoudige jaarrekening, ook wel vennootschappelijke jaarrekening genoemd. De geconsolideerde jaarrekening vormt in dit regime een onderdeel van de toelichting op de (enkelvoudige) jaarrekening. In de terminologie van de wet is het de raad van bestuur van een rechtspersoon die een jaarrekening opmaakt , het bevoegde orgaan dat de jaarrekening vervolgens vaststelt of goedkeurt , en de rechtspersoon die zodoende een jaarrekening opstelt . In het geval van Ahold was het tot vaststelling c.q. goedkeuring bevoegde orgaan de algemene vergadering van aandeelhouders. De rechtspersoon is verplicht de jaarrekening openbaar te maken. In deze strafzaak onderwerpt de tenlastelegging de juistheid van onderdelen van de jaarrekeningen van Ahold aan het oordeel van het hof. De tenlastelegging is in dit verband gestoeld op drie strafbepalingen.
(1). Strafbaar is het opzettelijk (doen) openbaar maken van een jaarrekening die op onderdelen van enige betekenis onwaar is in de zin van artikel 336 Sr.
(2). Een geschrift met bewijsbestemming als een jaarverslag of een Engelstalig jaarverslag op ‘Form 20-F’ kan valselijk zijn opgemaakt als bedoeld in artikel 225 Sr indien en voor zover in dat geschrift (in de jaarrekening) onderdelen van enige betekenis zijn opgenomen die niet corresponderen met de werkelijkheid, of een onjuiste voorstelling van zaken geven.
(3). Strafbaar is het uitgeven van een prospectus waarin jaarrekeningen zijn opgenomen en waarin met een bepaald oogmerk opzettelijk ware feiten zijn verzwegen of verminkt, dan wel valse feiten of omstandigheden zijn voorgespiegeld (artikel 47 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud)). De strafrechter zal zich binnen het bestek van deze bepalingen een oordeel hebben te vormen over de juistheid van onderdelen van de jaarrekening. Een veroordeling ter zake ligt alleen in de rede indien kan worden bewezen dat bepaalde onderdelen daarin onjuist zijn, dat wil zeggen een onjuiste voorstelling van zaken geven, dan wel in strijd zijn met de kenbare werkelijkheid of waarheid. Artikel 2:362 (oud) BW luidt voor zover van belang:
- De jaarrekening geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de rechtspersoon. (…)
- De balans met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het vermogen en zijn samenstelling in actief- en passiefposten op het einde van het boekjaar weer. (…)
- De winst- en verliesrekening met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het resultaat van het boekjaar en zijn afleiding uit de posten van baten en lasten weer. (…) De geconsolideerde jaarrekening moet dus voldoen aan de wettelijke regels van titel 9, Boek 2 BW, behoudens indien de bepalingen van afdeling 13 nopen tot afwijking van de algemene regels van die titel. Dit betekent dat de rubricering, benaming, bijeenvoeging en uitsplitsing van gegevens, alsmede de waarderingsgrondslagen moeten overeenstemmen met de normen die uit deze artikelen voortvloeien. De jaarrekening dient bovendien krachtens artikel 2:362, lid 1 BW een zodanig inzicht te geven dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede (doorgaans) omtrent de solvabiliteit en liquiditeit van de rechtspersoon. De geconsolideerde jaarrekening moet overeenkomstig artikel 2:362, lid 1 BW inzicht geven betreffende de groep. Een geconsolideerde jaarrekening is onjuist en weerspiegelt niet de werkelijkheid indien de grootte van het vermogen en zijn samenstelling, respectievelijk de grootte van het resultaat en zijn afleiding uit diverse posten geen getrouw beeld van de werkelijkheid geven. Een geconsolideerde jaarrekening is bovendien onjuist en onwaar indien daarin gegevens zijn opgenomen die niet stroken met normen van financiële verslaggeving die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, en de geconsolideerde jaarrekening als gevolg daarvan tekortschiet in het geven van het wettelijk vereiste inzicht. 2.3.
- Afwijking van het wettelijke regime vanwege het wettelijk vereiste inzicht Artikel 2:362, lid 4 BW luidt: Indien het verschaffen van het in lid 1 bedoelde inzicht dit vereist, verstrekt de rechtspersoon in de jaarrekening gegevens ter aanvulling van hetgeen in de bijzondere voorschriften van en krachtens deze titel wordt verlangd. Indien dit noodzakelijk is voor het verschaffen van dat inzicht, wijkt de rechtspersoon van die voorschriften af; de reden van deze afwijking wordt in de toelichting uiteengezet, voor zover nodig onder opgaaf van de invloed ervan op vermogen en resultaat. Indien noodzakelijk voor het verschaffen van het wettelijk vereiste inzicht mag derhalve van de bijzondere – maar daarmee nog niet van alle - voorschriften van en krachtens titel 9 van Boek 2 BW worden afgeweken. Die afwijking moet bovendien worden toegelicht, zo nodig onder opgave van de invloed op het vermogen en resultaat. Ahold heeft zich nimmer beroepen op deze voorziening, zodat een discussie over de vraag of het een rechtspersoon is toegestaan om enkel met een verwijzing naar het wettelijk vereiste inzicht de consolidatiekring uit te breiden met vennootschappen die niet tot de groep behoren vruchteloos is. In iets ander verband (de vraag of consolidatie misleidend kan zijn) komt het hof hierop terug. 2.3.
- De beoordelingsruimte van het ondernemingsbestuur en de rechterlijke toets Uit het voorgaande volgt dat de strafrechter naar aanleiding van een tenlastelegging die is geënt op de strafbepalingen van de artikelen 225 en 336 Sr, en artikel 47 Wte 1995 (oud), en waarin de getrouwheid van jaarrekeningen in twijfel wordt getrokken, zich zal moeten buigen over de maatstaven en toepassing van jaarrekeningenrecht. In de onderhavige strafzaak zijn dat het Nederlandse en het Amerikaanse. Accountancy is weliswaar technisch van aard, maar het is geen exacte wetenschap. Op dit terrein spreekt niet alles steeds vanzelf. Vragen over de waardering van activa, voorzieningen en schulden, en de bepaling van het resultaat, laten zich niet noodzakelijkerwijze eenduidig beantwoorden. Zo moeten factoren in aanmerking worden genomen waaromtrent op het moment van vaststelling van de jaarrekening nog geen zekerheid bestaat. Risico’s kunnen hooguit worden ingeschat. Binnen de grenzen van redelijkheid moet dan ook aan (het bestuur van) een rechtspersoon een zekere beoordelingsvrijheid worden gegund bij het maken van keuzes voor de waardering van bepaalde posten op de balans en de bepaling van het resultaat. Indien de rechtspersoon bij de vaststelling van de jaarrekening is gekomen tot waarderingen en bepalingen die stroken met normen van financiële verslaggeving die in het Nederlandse maatschappelijke verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, is dat een aanwijzing dat het wettelijk vereiste inzicht is gegeven en de grenzen van de genoemde beoordelingsvrijheid niet zijn overschreden. Alleen indien de ondernemingsleiding de betrokken post uit de jaarrekening op grond van alle omstandigheden van het geval in redelijkheid niet heeft kunnen presenteren zoals zij heeft gedaan , moet worden geoordeeld dat de jaarrekening in zoverre geen getrouw beeld geeft van de maatschappelijke werkelijkheid en onwaar is. Voorgaande overwegingen, die zijn gestoeld op de aard van de normen van financiële verslaggeving in het algemeen, en de rol en verantwoordelijkheid van het ondernemingsbestuur, dragen naar ’s hofs oordeel een dermate evident karakter dat het hof de daarin verwoorde noties onverkort zal toepassen op zijn toetsing van de feiten en omstandigheden van deze zaak aan de normen van het Amerikaanse jaarrekeningenrecht. Indien normen (in bijvoorbeeld het Amerikaanse jaarrekeningenrecht) stringenter zijn geformuleerd, is de marge waarbinnen het ondernemingsbestuur vrij is te oordelen minder ruim dan in het geval de normen een meer open en vaag karakter dragen. Wanneer een ‘bright line’ is overschreden laat zich nu eenmaal nauwkeuriger vaststellen dan wanneer de grenzen van de beoordelingsvrijheid diffuser zijn. Dit heeft ook gevolgen voor de bewijslast in strafzaken. De toetsingsbevoegdheid van de strafrechter is geen andere, en gaat niet verder dan die van de civiele rechter in procedures die voor de ondernemingskamer van dit hof worden gevoerd. Indien de civiele rechter een jaarrekening onjuist oordeelt, is de jaarrekening in strafrechtelijke zin onwaar, en vice versa. Ten aanzien van de in deze toetsing betrokken feiten en omstandigheden geldt bovendien nog de eis dat de strafrechter alleen van belastende feiten en omstandigheden mag uitgaan indien zij op basis van wettige bewijsmiddelen kunnen bijdragen tot de bewijsovertuiging. Voor het aannemen van strafbaarheid op de grondslag van genoemde strafbepalingen moet voorts niet alleen worden vastgesteld dat de jaarrekening geheel of ten dele onwaar is en niet overeenkomt met de werkelijkheid, maar ook dat zulks opzettelijk is bewerkstelligd, en – wat betreft artikel 225 Sr - met het oogmerk het valse document als echt en onvervalst te gebruiken, en - wat betreft artikel 47 Wte 1995 (oud) – met de bedoeling het publiek tot inschrijving of deelneming te bewegen. 2.
- De geconsolideerde jaarrekening 2.4.
- Consolidatie Zoals overwogen vormde in de door de tenlastelegging gemarkeerde periode een geconsolideerde jaarrekening ‘slechts’ onderdeel van de toelichting op de enkelvoudige jaarrekening die iedere rechtspersoon in beginsel moet opstellen. Desalniettemin stelde Ahold naar goed gebruik van holdingmaatschappijen in haar jaarverslagen de geconsolideerde jaarrekening voorop. Aholds enkelvoudige balans en winst- en verliesrekening, die in verkorte vorm werden opgenomen, kregen telkens een weinig prominente plaats vrijwel achter in de jaarrekening en het jaarverslag. De gedachte achter het opstellen van een geconsolideerde jaarrekening is de volgende. In het handelsverkeer komt het veelvuldig voor dat twee of meer rechtspersonen (ondernemingen ) op bepaalde gronden zozeer hun operationele en financiële beleid op elkaar afstemmen dat zij in economisch opzicht samen als een eenheid optreden. Zij vormen één concern, of - in de terminologie van het Nederlandse jaarrekeningenrecht - een groep. Door middel van een geconsolideerde jaarrekening verschaft de rechtspersoon die aan het hoofd staat van die groep inzicht in de economische prestaties en de vermogenstoestand van zijn groep. De gegevens van de rechtspersonen die onderdeel zijn van deze groep worden in dat geval volledig opgenomen in een geconsolideerde jaarrekening. Dit wordt volledige of integrale consolidatie genoemd, hierna ook wel zonder predicaat: consolidatie. Artikel 2:405, lid 1 (oud) BW omschrijft consolidatie aldus: Een geconsolideerde jaarrekening is de jaarrekening waarin de activa, passiva, baten en lasten van de rechtspersoon en vennootschappen die een groep of groepsdeel vormen, als één geheel worden opgenomen. In de preambule van de hieronder te bespreken Zevende EEG-richtlijn is onder meer overwogen: dat een groot aantal vennootschappen deel uitmaakt van een geheel van ondernemingen; dat een geconsolideerde jaarrekening moet worden opgesteld om de financiële informatie over een dergelijk geheel van ondernemingen ter kennis van aandeelhouders en derden te brengen; (…) dat de geconsolideerde jaarrekening een getrouw beeld moet geven van het vermogen, de financiële positie en de resultaten van het geheel van de ondernemingen die in de consolidatie zijn begrepen; dat te dien einde de consolidatie in beginsel alle ondernemingen van dat geheel moet omvatten; dat die consolidatie alle activa en passiva, alsmede alle baten en lasten van deze ondernemingen moet omvatten, met afzonderlijke vermelding van de belangen van personen buiten dit geheel; dat evenwel de noodzakelijke correcties moeten worden aangebracht om de gevolgen van de financiële betrekkingen tussen de in de consolidatie opgenomen ondernemingen te laten wegvallen. Consolidatie is ook in het Amerikaanse jaarrekeningenrecht een bekend fenomeen. In het hieronder nog te bespreken Accounting Research Bulletin No. 51 wordt de volgende omschrijving gegeven van het doel van ‘consolidated statements’: The purpose of consolidated statements is to present, primarily for the benefit of the shareholders and creditors of the parent company, the results of operations and the financial position of a parent company and its subsidiaries essentially as if the group were a single company with one or more branches or divisions. In de eerste plaats rijst de vraag onder welke omstandigheden moet worden aangenomen dat de ene rechtspersoon onderdeel is van de groep van een andere. Met andere woorden, aan de hand van welke maatstaven wordt bepaald of de financiële gegevens van de eerstgenoemde rechtspersoon – in beginsel - moeten worden verwerkt in de geconsolideerde jaarrekening van de rechtspersoon die aan het hoofd staat van de groep? Dit betreft de vraag naar de consolidatiecriteria. Deze vraag zal in dit arrest uitgebreid aan de orde komen in hoofdstukken die zijn gewijd aan het Nederlandse en het Amerikaanse jaarrekeningenrecht. De vraag zou bovendien kunnen worden opgeworpen in hoeverre het gerechtvaardigd is dat een rechtspersoon de financiële gegevens van een deelneming in volle omvang verwerkt in haar geconsolideerde jaarrekening in het geval zij weliswaar deze deelneming leidt en/of beheerst, maar juridisch niet voor 100% eigenaar is. Een verwerking in volle omvang van de financiële gegevens van een deelneming is onder bepaalde voorwaarden verplicht. Daartoe is niet noodzakelijk dat voor 100% wordt deelgenomen in het kapitaal. Hieronder zal blijken dat niet zozeer de eigendom, maar de zeggenschap doorslaggevend is voor de vraag of volledige consolidatie verplicht is, zij het dat (een vermoeden van) zeggenschap onder omstandigheden kan worden afgeleid uit eigendomsverhoudingen. Het hier aangesneden aspect van de verwerking van de gegevens van een partiële deelneming komt enkel aan de orde bij de techniek van aggregatie van financiële gegevens in een geconsolideerde jaarrekening. In dat geval wordt namelijk een correctie toegepast voor het aandeel van niet tot de groep behorende derden in het vermogen en het resultaat van de groep. 2.4.
- Consolidatiemethoden Hierboven is als eerste aan de orde gekomen de methode van integrale consolidatie. Hieronder komt nog een tweetal andere methodes aan de orde. Ahold heeft de financiële gegevens van de hiervoor beschreven vijf joint ventures verwerkt in haar geconsolideerde jaarrekening volgens de methode van integrale consolidatie. Het hof begrijpt het standpunt van het openbaar ministerie aldus dat Ahold deze methode niet had mogen toepassen, maar had moeten volstaan met de verwerking van de financiële gegevens van de joint ventures in haar geconsolideerde jaarrekening aan de hand van de hieronder onder c te bespreken vermogensmutatiemethode, dan wel - hooguit - langs de weg van proportionele consolidatie die onder b wordt beschreven. a. Integrale consolidatie De techniek van integrale consolidatie houdt meer concreet het volgende in. Alle activa, voorzieningen en schulden van de in de consolidatie betrokken vennootschap worden integraal, dus voor 100%, in de geconsolideerde balans opgenomen. Alle baten en lasten van de in de consolidatie betrokken vennootschap worden integraal in de geconsolideerde winst- en verliesrekening verwerkt. Onderlinge vorderingen en schulden, respectievelijk onderlinge baten en lasten van vennootschappen binnen de consolidatiekring, zoals intercompany leveranties, worden geheel buiten beschouwing gelaten, evenals de op de balansdatum in groepsverband nog ongerealiseerde winsten. In het geval de rechtspersoon die de geconsolideerde jaarrekening opstelt niet direct of indirect voor 100% deelneemt in het kapitaal van de in de consolidatie betrokken vennootschap, wordt (naar Nederlands jaarrekeningenrecht) in de geconsolideerde balans het aandeel van buiten de consolidatiekring vallende derden in het groepsvermogen direct na het eigen vermogen van de consoliderende rechtspersoon als “aandeel van derden in het groepsvermogen” weergegeven. In dat geval wordt in de geconsolideerde winst- en verliesrekening een post “aandeel van derden in groepsresultaat” in mindering gebracht op het resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening na belastingen. In het Amerikaans jaarrekeningenrecht wordt ‘full consolidation’ door Opinion No. 18 van the Accounting Principles Board als volgt omschreven: Consolidated financial statements combine the assets, liabilities, revenues and expenses of subsidiaries with the corresponding items of the parent company. Intercompany items are eliminated to avoid double counting and prematurely recognizing income. Consolidated financial statements report the financial position and results of operations of the parent company and its subsidiaries as an economic entity. De hier beschreven methode van ‘(full) consolidation’ komt overeen met integrale consolidatie. b. Proportionele consolidatie Proportionele of evenredige consolidatie wil zeggen consolidatie naar evenredigheid tot het belang in het kapitaal van de vennootschap die in de consolidatie wordt betrokken. Naar hieronder zal blijken is deze methode naar Nederlands jaarrekeningenrecht alleen toegestaan in geval van joint ventures waarin de joint venture-partners in gelijke mate de zeggenschap binnen de joint venture delen. De techniek van proportionele consolidatie houdt meer concreet het volgende in. Alle activa, voorzieningen en schulden van de in de consolidatie betrokken vennootschap worden naar evenredigheid tot het daarin gehouden belang in de geconsolideerde balans opgenomen. Er is geen post “aandeel van derden in het groepsvermogen” ter correctie voor het aandeel van derden buiten de consolidatiekring, want dat aandeel is reeds buiten beschouwing gelaten bij de proportionele verwerking van de activa en de genoemde passiva. Alle opbrengsten en lasten van de in de consolidatie betrokken vennootschap worden naar evenredigheid tot het daarin gehouden belang in de geconsolideerde winst- en verliesrekening opgenomen. Er is geen post “aandeel van derden in groepsresultaat”. Onderlinge verrichtingen van vennootschappen binnen de consolidatiekring worden zowel in de geconsolideerde balans als in de geconsolideerde winst- en verliesrekening geëlimineerd naar rato van het deelnemingspercentage. In het Amerikaanse jaarrekeningenrecht is de methode van proportionele consolidatie als zodanig niet toegestaan voor retailondernemingen. c. De vermogensmutatiemethode / “equity method” Ten slotte stelt het hof een methode aan de orde waarin deelnemingen van een rechtspersoon worden gewaardeerd tegen nettovermogenswaarde. Van consolidatie in eigenlijke zin is dan geen sprake. Indien de rechtspersoon daartoe voldoende gegevens ter beschikking staan wordt deze methode als volgt toegepast. De activa, voorzieningen en schulden van een deelneming worden gewaardeerd, en het resultaat van de deelneming wordt berekend op dezelfde grondslagen als waarop de rechtspersoon de omvang van de corresponderende posten in de eigen jaarrekening bepaalt. Het aandeel van de rechtspersoon in het aldus vastgestelde eigen vermogen en resultaat van de deelneming wordt op de balans als financieel vast actief onder de post “deelnemingen” verantwoord, en in de winst- en verliesrekening van de rechtspersoon als “aandeel in resultaat deelnemingen”. Hoewel de boekhoudkundige grondslagen dezelfde zijn als bij consolidatie leidt deze vorm van verwerking slechts tot één post (“one line”) op de balans, en één post in de winst- en verliesrekening. In het Amerikaanse jaarrekeningenrecht wordt de vermogensmutatiemethode de “equity method” genoemd. Deze wordt in Opinion No. 18 van the Accounting Principles Board, die deze methode tot onderwerp heeft, als volgt en langs iets andere weg dan hierboven omschreven: An investor initially records an investment in the stock of an investee at cost, and adjusts the carrying amount of the investment to recognize the investor’s share of the earnings or losses of the investee after the date of acquisition. The amount of the adjustment is included in the determination of net income by the investor, and such amount reflects adjustments similar to those made in preparing consolidated statements including adjustments to eliminate intercompany gains and losses, and to amortize, if appropriate, any difference between investor cost and underlying equity in net assets of the investor at the date of investment. The investment of an investor is also adjusted to reflect the investor’s share of changes in the investee’s capital. Dividends received from an investee reduce the carrying amount of the investment. (…) Under the equity method, an investment in common stock is generally shown in the balance sheet of an investor as a single amount. Likewise, an investor’s share of earnings or losses from an investment is ordinarily shown in its income statement as a single amount. 2.4.
- De effecten van consolidatie Bij de samenstelling van geconsolideerde jaarrekeningen worden de financiële gegevens van twee of meer juridisch zelfstandige eenheden dus op een bepaalde manier samengevoegd. Volledige consolidatie leidt in het eenvoudigste geval tot het simpelweg optellen van de bedragen waarvoor activa, voorzieningen en schulden zijn gewaardeerd, en de baten en lasten zijn berekend in de jaarrekening van de in de consolidatie te betrekken vennootschap, bij de corresponderende posten in de geconsolideerde jaarrekening van de moedermaatschappij. Uiteraard moeten de onderscheidene jaarrekeningen gelijke boekjaren betreffen en volgens dezelfde grondslagen zijn opgemaakt. Er wordt vervolgens gecorrigeerd voor het aandeel van derden in het vermogen en het resultaat van de in de consolidatie te betrekken vennootschap, zodat het aandeel van derden niet wordt opgenomen in het eigen vermogen en het nettoresultaat van de moedermaatschappij. Proportionele consolidatie leidt in dit eenvoudigste geval tot optelling van die bedragen naar rato van het in de betreffende vennootschap gehouden belang. De vermogensmutatiemethode leidt niet tot optelling; het betreft een methode waarmee het aandeel in het vermogen en het resultaat van de deelneming worden gewaardeerd. Een en ander heeft onder meer de volgende effecten op kengetallen en ratio’s. De door de moedermaatschappij gerapporteerde omvang van het eigen vermogen en van het nettoresultaat (de nettowinst) blijft gelijk bij toepassing van om het even welke van de drie hier genoemde methodes. Dat is niet alleen een bijkomend effect van de aan deze methoden ten grondslag liggende techniek. Het is in het algemeen een beoogd resultaat, ertoe strekkend een gelijk eigen vermogen en een gelijk nettoresultaat te presenteren in enerzijds de geconsolideerde anderzijds de enkelvoudige jaarrekening. In het Amerikaanse jaarrekeningenrecht wordt eveneens een gelijkheid van eigen vermogen en nettoresultaat bereikt, ongeacht de toegepaste methode, aldus Opinion No. 18 van de Accounting Principles Board: The difference between consolidation and the equity method lies in the details reported in the financial statements. Thus an investor’s net income for the period and its stockholders’ equity at the end of the period are the same whether an investment in a subsidiary is accounted for under the equity method or the subsidiary is consolidated. Ook belangrijke, aan voorgaande grootheden gerelateerde kengetallen als de omvang van de winst per aandeel , de groei daarvan, de jaarlijkse groei van het nettoresultaat en de koers/winst-verhouding zijn ongevoelig voor de toegepaste (consolidatie)methode, als ook de rentabiliteit van het eigen vermogen (‘return on equity’). Verschillen naar gelang de gepraktiseerde methode ontstaan echter wél bij posten als de geconsolideerde netto-omzet (‘net sales’) en het geconsolideerde bedrijfsresultaat (‘operating results’ of ‘operating income’). Volledige consolidatie leidt evident tot de presentatie van een hogere netto-omzet en een hoger bedrijfsresultaat in de geconsolideerde winst- en verliesrekening dan bij toepassing van de twee andere genoemde methoden. Dat is naar Amerikaans jaarrekeningenrecht niet anders. Er is immers geen wezenlijk verschil tussen de gehanteerde consolidatietechnieken. Indien en voor zover de grootte en groei van een onderneming worden afgemeten aan de hand van omzetcijfers, respectievelijk de totale groei van de omzet op jaarbasis, dat wil zeggen zowel autonome groei als groei door acquisities die dat boekjaar hebben plaatsgevonden, heeft volledige consolidatie van die acquisities dus een gunstig effect op de getoonde grootte en groei ten opzichte van het geval waarin de financiële gegevens van de nieuw verworven deelnemingen enkel volgens de vermogensmutatiemethode (of proportioneel) worden verantwoord. Voor de gerapporteerde solvabiliteit heeft consolidatie daarentegen een ongunstig effect indien daartoe de verhouding tussen het eigen vermogen enerzijds en het vreemd vermogen van de gehele groep anderzijds in ogenschouw worden genomen. Er wordt immers op de geconsolideerde balans méér vreemd vermogen getoond. Een andere solvabiliteitsratio, te weten de ‘interest coverage ratio’, is gevoelig voor consolidatie, maar niet noodzakelijkerwijze in hetzij gunstige, hetzij ongunstige zin. De richting van de uitkomst is in concreto namelijk mede afhankelijk van de mate waarin de in de consolidatie te betrekken vennootschap wordt gefinancierd door vreemd vermogen. Integrale consolidatie toont overigens niet alleen méér vreemd vermogen op de geconsolideerde balans. De actiefposten laten eveneens hogere bedragen zien. Ten slotte werden de economische prestaties van Ahold tevens beoordeeld op basis van de verbetering van de economische waarde van de onderneming die het bestuur door zijn management het betreffende boekjaar heeft kunnen genereren, de zogeheten ‘EVA improvement’. Hiervoor geldt dat de omvang en de jaarlijkse groei van de EVA wel kunnen worden beïnvloed door de toegepaste consolidatiemethode, maar niet per definitie in hetzij gunstige, hetzij ongunstige zin. Dit kengetal komt hieronder opnieuw ter sprake. Wat betreft de hier genoemde kengetallen en ratio’s is de conclusie dat volledige consolidatie van joint ventures ten opzichte van de andere genoemde methoden naar zowel Nederlands als Amerikaans jaarrekeningenrecht een gunstige werking heeft op de gerapporteerde omvang van de netto-omzet en het bedrijfsresultaat, alsmede op de groei van deze grootheden, voor zover bewerkstelligd door acquisities die in het betreffende boekjaar hebben plaatsgevonden. 2.4.
- Werden deze effecten door Ahold beoogd? De vraag rijst of deze door consolidatie gesorteerde effecten door Ahold specifiek werden beoogd, dan wel dat zij een bijkomend effect zijn van de al dan niet gerechtvaardigde beslissing om de genoemde joint ventures te consolideren. Daartoe is in zowel het voorbereidend onderzoek als ter zitting stilgestaan bij de eventuele belangen die Ahold of haar management kan hebben gehad bij het majoreren van met name omzet en omzetgroei. Het hof onderzoekt een viertal belangengroepen in deze en de volgende subparagraaf. a. Persoonlijk gewin van leden van de raad van bestuur? De in strafvervolging betrokken leden van de raad van bestuur van Ahold hebben met klem ontkend dat hun persoonlijk gewin voor ogen heeft gestaan bij volledige consolidatie van de vijf joint ventures. De FIOD heeft evenmin een directe relatie kunnen vaststellen tussen integrale consolidatie en de beloning van leden van het management. Daarover het volgende. Op jaarbasis heeft de beloning van leden van de raad van bestuur van Ahold tijdens de tenlastegelegde periode bestaan uit:
(1)een basissalaris, inclusief vergoeding voor pensioenlasten,
(2)een bonus, die afhankelijk was van de groei van de winst per aandeel , en die met ingang van 2002 (voor de Nederlandse leden van de raad van bestuur) afhankelijk was van de verbetering van de EVA van Ahold als geheel (‘global EVA improvement’), en
(3)de toekenning van aandelenoptierechten, waarvan het aantal afhankelijk was van de groei van de winst per gewoon aandeel na preferent dividend. Hierboven heeft het hof reeds overwegingen gewijd aan de te verwachten effecten van volledige consolidatie op de in de jaarrekeningen gerapporteerde kengetallen. Een rechtstreekse relatie tussen volledige consolidatie en de beloning van bestuurders is – naar blijkt – inderdaad niet te leggen. Het openbaar ministerie heeft in navolging van de FIOD gewezen op een vermoedelijk indirect verband tussen volledige consolidatie en de bedoelde beloning, aangezien:
- de waarde van de verkregen aandelenopties een relatie heeft met de beurskoers;
- de hoogte van het basissalaris en het percentage van de bonus mede zouden zijn bepaald door ‘benchmarking’ met vergelijkbare vennootschappen , en vergelijking plaatsvindt aan de hand van omzetcijfers, aldus het openbaar ministerie. Het hof heeft deze stellingen tegen het licht gehouden. Ad
- Uiteraard is er een relatie tussen de waarde van de verworven aandelenopties en (de stijging van) de beurskoers van het aandeel Ahold. Ervan uitgaande dat de (verwachte) prestaties en toestand van de onderneming tot uitdrukking komen in de beurskoers, wordt met het toekennen van aandelenopties immers beoogd het financiële belang van de betrokken leden van de raad van bestuur te verbinden aan het economische belang van de onderneming, althans over de periode waarbinnen de opties (nog) kunnen of moeten worden verzilverd. Of consolidatie het economische belang van de onderneming dient is een kwestie waarover het hof nog komt te spreken. Ad
- Over de door het openbaar ministerie bedoelde vergelijking met andere vennootschappen, zulks met het oog op het bepalen van de beloningen van leden van de raad van bestuur (onderdeel van het “EVA based Incentive Plan to Senior and Top management” ), is niet veel meer vast te stellen dan dat die vergelijking klaarblijkelijk is verricht aan de hand van bepaalde (financiële) kenmerken van Ahold over het boekjaar 2001 en dat zij heeft plaatsgehad op enig moment na medio 2002 . Of volledige consolidatie in deze specifieke context invloed van betekenis heeft uitgeoefend op de uitkomsten van die vergelijking staat niet vast, nu over de “market data” in het strafdossier niet meer informatie vastligt dan dat “market is based on a blend of remuneration data of 30% Eurotop 100 EU-companies and for 70% Eurotop 100 NL companies; source Towers Perrin Survey of Top Executive Remuneration 2001”. Er zijn geen aanwijzingen en het ligt het ook niet in de rede dat leden van de raad van bestuur - behoudens met de beslissing om tot dit ‘EVA based’-managementsysteem over te gaan - bemoeienis hebben gehad met de bedoelde ‘benchmarking’ en vergelijkingen. Er is in deze strafzaak dus geen rechtstreeks verband kunnen worden gelegd tussen volledige consolidatie en de beloning van bestuurders, laat staan een verband tussen de beloningen van bestuurders enerzijds en anderzijds de jaarcijfers die zijn opgesteld overeenkomstig Amerikaans jaarrekeningenrecht. b. Banken Met de deskundige J. Klaassen acht het hof onaannemelijk dat kredietverschaffers als banken en andere kredietinstellingen hun oordeel over de kredietwaardigheid van Ahold zouden laten beïnvloeden door de gerapporteerde hoogte en groei van geconsolideerde omzet en bedrijfsresultaten. Banken maken gebruik van de diensten van gespecialiseerde medewerkers die de jaarverslagen van hun grote cliënten analyseren en beoordelen. De solvabiliteit wordt door hen onderzocht aan de hand van eigen definities van kengetallen en ratio’s, en de vraag welke rechtspersonen in de groep precies borg staan voor welke leningen. Dat zij onder meer – in de woorden van Meurs – “door de consolidatie heenkijken” naar de ontwikkeling van belangrijke kengetallen in de tijd, is buitengewoon aannemelijk. De solvabiliteit van een onderneming als Ahold wordt door banken genuanceerder beoordeeld dan met een enkele blik op de interest coverage ratio van de gepresenteerde groep. c. Leveranciers Ter zitting is langer stilgestaan bij de vraag of leveranciers van werkmaatschappijen van Ahold zich wat betreft hun prijsstelling laten leiden door de omzetcijfers die Ahold in haar jaarverslagen rapporteerde. Daarbij is met name gewezen op een uitspraak die Van der Hoeven blijkens de notulen van een vergadering van het audit committee van de raad van commissarissen van 6 maart 2000 zou hebben gedaan: To the question of mr. [lid raad van commissarissen] mr. Van der Hoeven answered that to show full consolidation is important from a purchasing point of view towards suppliers. Ter zitting noemde Van der Hoeven desgevraagd zijn uitspraak van destijds “te kort door de bocht”, en het hof geeft hem daarin gelijk indien daarmee zou zijn bedoeld dat consolidatie ‘purchase power’ teweegbrengt. De uitspraak slaat echter ook weer niet nergens op. Het verband ligt subtieler. De inkoopkracht van een onderneming is op zichzelf niet afhankelijk van het al dan niet consolideren van bepaalde joint ventures. Indien mede namens die joint ventures wordt ingekocht, zal niet slechts voor het eigen deel van iedere joint venture-partner afzonderlijk worden afgenomen, maar – zo mogelijk en zo nodig - voor de gehele joint venture. Dat zijn immers synergievoordelen die door beide joint venture-partners worden beoogd, ongeacht de zeggenschapsverhoudingen binnen de joint venture en de vraag of die joint venture onderdeel van de groep mag worden genoemd. Bovendien is de leverancier niet zozeer geïnteresseerd in de over het afgelopen boekjaar gerapporteerde omzet van een holdingcompany als Ahold, maar in het bijzonder in wat hij zelf binnen een bepaald segment, binnen een bepaalde regio en/of aan één of meer werkmaatschappijen of joint ventures – in de toekomst - zal kunnen afzetten. Het al dan niet consolideren van een joint venture heeft daarop ‘an sich’ geen invloed. Meurs verwoordde het ter zitting van de rechtbank van 7 maart 2006 aldus: U, voorzitter, vraagt mij of met betrekking tot consolidatie van de omzet het specifieke karakter van Koninklijke Ahold N.V. nog van belang is voor bijvoorbeeld leveranciers of financiers. Ik ben geen inkoper geweest, maar ik kan mij niet voorstellen dat er inkooptransacties plaatsvonden met het jaarverslag in de hand. Ik kan mij wel voorstellen dat het voor inkopers van belang is om te weten hoeveel winkels en distributiecentra men heeft. Het gaat erom wat je gaat afnemen, op grond daarvan kun je kortingen krijgen. De manier van boekhouden heeft daarop geen enkele invloed. Het hof volgt hem daarin. Kortom, de werkmaatschappijen van Ahold kregen bij hun leveranciers wat betreft prijsstelling niet méér voor elkaar door de omzetcijfers van joint ventures te consolideren. Consolidatie creëert geen inkoopkracht. Die inkoopkracht is er (al), of niet. Het hof komt hierop nog terug bij de thans te bespreken vierde belangengroep: beleggers en aandeelhouders. 2.4.
- Beleggers en aandeelhouders, alsmede het verweer “Consolideren is niet misleidend” a. Van der Hoeven en Meurs hebben ter zitting betoogd dat rationele aandeelhouders en beleggers weinig tot geen interesse hebben in de omvang van de omzet van Ahold. Beleggers hebben belangstelling voor kengetallen als de winst, de winst per aandeel, de groei daarvan, en voorts het rendement op het geïnvesteerd kapitaal. Wat betreft omzetgroei is vooral autonome groei van belang. Omzet als zodanig is geen belangwekkend kengetal, zo begrijpt het hof de verdachten. Met andere woorden: waar hebben we het (nog) over? De verdachten moet worden toegegeven dat de grootte van de omzet en de omzetgroei - door acquisities - voor rationele aandeelhouders en beleggers mogelijk niet de belangrijkste kengetallen zijn van de economische prestaties van Ahold. Als beleggers al kennis hebben genomen van de jaarrekeningen van Ahold, is het denkbaar dat zij zich bij de beslissing tot aanschaf van aandelen Ahold zullen laten leiden door andere overwegingen dan die omtrent de omzet en de totale groei daarvan. (Groei van) de winst per aandeel en het rendement op geïnvesteerd kapitaal (ROIC) zijn meer geschikte toetstenen, evenals uiteraard de beurskoers, koers/winstverhouding en de verwachte ontwikkeling daarvan. Anderzijds roept het hof de volgende passages in herinnering, waarvan moet worden aangenomen dat de hele raad van bestuur het daarmee eens was. De toespraak van Van der Hoeven ter gelegenheid van de algemene vergadering van aandeelhouders van Ahold van 15 mei 2001 hield onder meer het volgende in : Het jaar 2000 was voor Ahold het 13e opeenvolgende jaar waarin onze nettowinst sterk is gegroeid. In deze periode heeft Ahold altijd aan haar winstdoelstellingen voldaan. De omzet steeg vorig jaar met 56%, het bedrijfsresultaat met 61%, (…). En het heeft Ahold en u als aandeelhouder geen windeieren gelegd. Ik noem u enkele cijfers. In de afgelopen tien jaar is onze omzet verzesvoudigd, de nettowinst vernegenvoudigd en onze marktkapitalisatie 15 keer zo groot geworden. U zult zich wellicht herinneren dat we in 1995 erg ambitieus klonken, toen we ons ten doel stelden om in 2000 een omzet te halen van 50 miljard gulden en een nettowinst van 1 miljard gulden. We hebben dit doel vorig jaar ruimschoots gehaald en dan niet in guldens maar in Euro’s. Over de laatste vijf jaar is de omzet gestegen van Euro 16,5 naar 52,5 miljard. Uit het jaarverslag over 1999 : RECORDOMZET EN –RESULTATEN In 1999 groeide de omzet 27% tot € 33,6 miljard. (...). De gemiddelde hogere koers van de Amerikaanse dollar (..) beïnvloedde omzet en resultaat positief. Bij een ongewijzigde omrekenkoers van de dollar zou de omzet zijn toegenomen met 25% en het nettoresultaat met 33%. (...). Uit het Jaarverslag over 2000 : BELANGRIJKE GEGEVENS Nettoresultaat steeg 48% naar € 1,1 miljard De op groei gerichte strategie maakt Ahold tot een vooraanstaande onderneming op de wereldmarkt van voeding, zowel in detailhandel als in foodservice. De omzet van 1999 zal naar verwachting in 2002 verdubbeld zijn, waarbij het bedrijfsresultaat over dezelfde periode ook aanzienlijk zal groeien. De missie en de strategie van Ahold in die jaren is al aan de orde gekomen. Meurs heeft hierover onder meer ook verklaard: Ahold had ingezet op groei en dat was acquisitie op volwassen markten en joint ventures op nieuwe markten. U vraagt mij of de groeistrategie gehaald werd door het aangaan van joint ventures. Ik kan daarop zeggen dat Ahold onder andere groeide door het aangaan van joint ventures. Waardoor Ahold verder nog groeide waren acquisities zoals door het overnemen van bijvoorbeeld Stop & Shop. U vraagt of de doelstelling van Ahold zijnde 15% groei van winst per aandeel door Ahold werd behaald mede dankzij de joint ventures. Ik kan daarop aangeven dat de groei mede werd behaald door het aangaan van joint ventures. De groei werd door het geheel behaald. Hiermee bedoel ik autonome groei, aangaan van joint ventures en acquisities. Hierboven gaf het hof twee voorbeelden van passages uit jaarverslagen van Ahold waarin opzichtig melding werd gemaakt van omzet(groei). De toespraak van Van der Hoeven bij gelegenheid van de jaarvergadering maakte eveneens met grote nadruk melding van – uiteraard onder veel meer – de omzetten en de omzetgroei. Daarvan zijn nog diverse voorbeelden te vinden in jaarverslagen, persberichten e.d. De hier bedoelde omzetgroei betreft de totale geconsolideerde omzetgroei van Ahold, dat wil zeggen zonder onderscheid: zowel autonome groei als groei door acquisities en het aangaan van joint ventures. Die omzetgroei is (was) klaarblijkelijk onderdeel van de groeistrategie van Ahold, zoals verwoord door in dit geval Meurs. Groei houdt – wederom – in: autonome groei alsmede groei door acquisities en het aangaan van joint ventures . De crux is naar ’s hofs oordeel tweeledig:
- Niet kan worden staande gehouden dat de vermelding van omzet en totale omzetgroei in de geconsolideerde jaarrekening voor aandeelhouders en beleggers – althans naar de opvattingen van Meurs en Van der Hoeven van destijds - zonder enige betekenis was. De nadruk die in bovenstaande passages op deze grootheden werd gelegd laat zich anders niet begrijpen.
- Omzet en omzetgroei die overeenkomstig de groeistrategie van Ahold worden gegenereerd door acquisities en het aangaan van joint ventures, worden alleen als zodanig gepresenteerd aan de aandeelhouders en beleggers indien de financiële gegevens van de betreffende vennootschappen worden geconsolideerd in de jaarrekening van Ahold. Voor de goede orde: daarmee wordt geen oordeel uitgesproken over de groeistrategie van Ahold en over de beslissing tot het consolideren van de joint ventures. Het hof beoogt hier enkel vast te stellen dat de vermelding van de netto-omzet en de totale omzetgroei in de geconsolideerde jaarrekening van Ahold substantiële betekenis had in het licht van de groeistrategie van Ahold. b. Desalniettemin houden verdachten en hun raadslieden vol dat integrale consolidatie niet misleidend kan zijn. Consolidatie is slechts boekhouden. De waarde van een onderneming hangt niet af van het al of niet consolideren. Integrale consolidatie is hoe dan ook het meest informatief. Ahold hield in dit verband geen informatie achter. “Full consolidation is the most meaningful statement”, aldus telkens de verdediging. Het hof volgt dit standpunt echter niet volledig. Toegegeven, integraal consolideren geeft meer informatie over de financiële gegevens van de in de consolidatie betrokken deelneming dan de vermogensmutatiemethode. De financiële gegevens van de deelneming worden bij consolidatie immers opgenomen in iedere toepasselijke post op de geconsolideerde jaarrekening en niet - zoals bij de vermogensmutatiemethode - slechts verwerkt in de posten ‘deelnemingen’ op de balans, en ‘aandeel in resultaat deelnemingen’ in de winst- en verliesrekening. Deze laatste methode staat om die reden ook wel bekend als ‘one-line consolidation’. Ahold maakte bovendien in de jaarrekeningen inderdaad telkens zichtbaar dat zij slechts voor maximaal 50% deelnam in het stemgerechtigde kapitaal van de betreffende joint ventures. Hieronder zal bij de bespreking van de jaarverslagen van Ahold immers blijken dat in de toelichting op iedere jaarrekening een overzicht van (geconsolideerde) deelnemingen werd gegeven, waarin tevens de omvang van de kapitaaldeelneming was vermeld. Desalniettemin verliest het argument een belangrijk aspect uit het oog.
- Het integraal consolideren van de financiële gegevens van een deelneming heeft meer betekenis dan het enkele presenteren van geaggregeerde finan