arrestnummer: parketnummer: 23-003421-06 datum uitspraak: 28 januari 2009 TEGENSPRAAK PROMIS VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 mei 2006 in de strafzaak onder parketnummer 13-993222-04 van het openbaar ministerie tegen Cornelis Harry VAN DER HOEVEN, [geboorteplaats en –datum], [adres], hierna (ook) te noemen Van der Hoeven. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 13, 14 en 20 oktober 2004, 9 februari 2005, 13 juni 2005, 10 oktober 2005, 23 januari 2006, 6, 7, 9, 13, 28 en 30 maart 2006, 4, 10, 11, 13, 20 en 26 april 2006 en 8 mei 2006 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 29 november 2007, 28 januari 2008, 7 april 2008 2, 4, 9, 11, 23 en 25 juni 2008, 15, 17, 22 en 24 september 2008, 6, 8, 10, 27 en 29 oktober 2008, 10, 12, 14, 24 en 26 november 2008 en 14 januari 2009. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzittingen in eerste aanleg van 13 juni 2005 en 26 april 2006 op vordering van de officier van justitie en de op de terechtzittingen in hoger beroep van 29 november 2007 en 14 januari 2009 op vordering van de advocaat-generaal toegestane wijzigingen tenlastelegging. Van die dagvaarding en vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. (Hoofdstukken 1 t/m 4 gelijkluidend aan arrest A.M. Meurs, zie LJN: BH1789) HOOFDSTUK 5 De verdachte Van der Hoeven 5.1. Motivering van de vrijspraak Van der Hoeven is in eerste aanleg veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden en een geldboete van € 225.000,= vanwege een veelheid aan delicten. Aan de bewezenverklaring ter zake ligt de veronderstelling ten grondslag dat Van der Hoeven wetenschap had van het bestaan en de valsheid van alle controlletters, van het gebruik daarvan jegens de externe accountant, van het verhullen van de tweede sideletters, en van de gevolgen van een en ander voor de financiële verslaggeving naar maatstaven van US GAAP. De rechtbank heeft dit bewijsoordeel omtrent de hier bedoelde wetenschap van Van der Hoeven bij vonnis van 22 mei 2006 als volgt gemotiveerd. Van feitelijk leiding geven door verdachte kan onder omstandigheden sprake zijn indien verdachte hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden maatregelen ter voorkoming van deze gedraging achterwege laat en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen. Er kan pas sprake zijn van een bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans indien verdachte persoonlijk op de hoogte was van de verboden gedragingen. Verdachte ontkent wetenschap te hebben gehad van de gedragingen van Meurs. Volgens verdachte raakte hij pas op 23 oktober 2002 op de hoogte van de side letters inzake ICA Ahold en op 16 november 2002 van de overige side letters. Op grond van de vastgestelde feiten staat vast dat verdachte via de vergaderingen van de Raad van Bestuur op 27 oktober 1997, 6juli 1998 en 7 september 1998 en via de managementletters op de hoogte was van het feit dat de accountant voor de consolidatie van de joint ventures volgens het Amerikaanse jaarrekeningenrecht een aanpassing van de shareholders agreement nodig achtte. In de vergadering van de Raad van Bestuur werd blijkens de notulen beslist dat er een brief zou worden opgesteld waarin zou worden opgenomen dat Ahold de overwegende zeggenschap had. Vervolgens ondertekent verdachte dan de tweeregelige side letter gedateerd 17 mei 1999 van [getuige 21] waaruit blijkt dat de inhoud van de control letter teniet wordt gedaan. Verdachte verklaart daarover blijkens het ambtsedig proces-verbaal van verhoor (V-2/2 p. 13) dat hij zich de situatie kan herinneren dat Meurs bij hem binnenliep en hem vroeg om bij te tekenen. Dat verdachte zoals hij heeft verklaard de brief blind tekende acht de rechtbank niet geloofwaardig gelet op ‘de korte inhoud van de brief en de verklaring van Meurs bij de rechter commissaris op 2 februari 2006 p. 14 waarin staat dat Meurs aan Van der Hoeven heeft uitgelegd wat de functie van de control letter en de side letter voor Bompreço was en waar zij die voor gebruikt hebben. Meurs heeft toen ook aan Van der Hoeven uitgelegd dat de control letter naar D&T zou gaan. Indien Ahold dan onder deze omstandigheden Bompreço naar Amerikaans jaarrekeningenrecht volledig blijft consolideren, staat naar het oordeel van de rechtbank de wetenschap van verdachte van de valsheid in geschrift inzake Bompreço vast. Voor bewezenverklaring van het feitelijk leidinggeven aan de soortgelijke verboden gedragingen inzake Disco Ahold, Paiz Ahold en ICA Ahold is voldoende dat verdachte bekend was met eenzelfde valsheid inzake Bompreço. Door na te laten maatregelen te nemen, neem je bewust het aanmerkelijk risico dat een soortgelijke gedraging zich nog een keer zal voordoen, hetgeen ook is gebeurd. De daarop volgende control- en side letters zijn nagenoeg identiek. Het hof oordeelt puntsgewijs als volgt. 1. Voor zowel het begaan van de aan Van der Hoeven tenlastegelegde misdrijven als voor het feitelijk leidinggeven aan door Ahold begane misdrijven is vereist dat de verdachte persoonlijk opzet op de verboden gedraging heeft gehad, waaronder voorwaardelijk opzet wordt begrepen. In dit verband kunnen de wetenschap en intenties van anderen dus niet aan de verdachte worden toegerekend. Voldoende voor strafbaarheid van feitelijk leidinggeven aan de verboden gedraging van een rechtspersoon kan zijn dat verdachte als bestuurder van die rechtspersoon op die gedraging toezicht heeft gehad. Niet noodzakelijk is dat de verdachte zelf als deelnemer in de zin van de artikelen 47 en 48 Sr bij de verboden gedraging was betrokken. Het opzetvereiste geldt echter onverminderd: de feitelijk leidinggever moet weet hebben gehad van de verboden gedraging van de rechtspersoon, dan wel de aanmerkelijke kans op het begaan daarvan willens en wetens hebben aanvaard. 2. Evenmin kan eventueel aanwezige schuld in de zin van verwijtbaarheid leiden tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Strafrechtstoepassing leidt niet tot risico-aansprakelijkheid. In onoplettendheid en onachtzaamheid ligt geen opzet besloten, ook niet in voorwaardelijke zin. 3. Beslissend is de vraag vanaf welk moment Van der Hoeven op de hoogte is gekomen van het valselijk opmaken van de controlletters. Aan de hand van die maatstaf wordt niet alleen beoordeeld in hoeverre Van der Hoeven zelf of als feitelijk leidinggevende strafbaar betrokken is bij het valselijk opmaken van de controlletters, het voorhanden hebben ervan en het gebruik ervan jegens de externe accountant. Ook het vereiste opzet op de valsheid van de reconciliation note in de annual reports on Form 20-F is daarvan afhankelijk. De externe accountant stemde immers op grond van de controlletters in met voortzetting van consolidatie naar maatstaven van US GAAP. Indien de verdachte gelijk de externe accountant op goede gronden heeft aangenomen dat die controlletters correspondeerden met de werkelijkheid, is dat een sterke aanwijzing dat de verdachte evenals de externe accountant ervan uit mocht gaan dat consolidatie voldeed aan de consolidatiecriteria van US GAAP. 4. Van der Hoeven was er ten minste vanaf augustus en september 1998 van op de hoogte dat de externe accountant geen genoegen meer nam met de wijze waarop de financiële gegevens van de joint ventures werden verwerkt in de jaarrekening van Ahold indien daartoe de maatstaven van US GAAP in ogenschouw werden genomen. De reconciliation note in de annual reports on Form 20-F was naar het oordeel van de accountant dus in strijd met US GAAP. De accountant drong aan op bewijs van ‘control’ en heeft het gebruik van sideletters voorgelegd aan Meurs. De brief waarin hiervan gewag werd gemaakt is besproken in de door Van der Hoeven voorgezeten vergadering van de raad van bestuur van 7 september 1998. 5. Het consolidatievraagstuk behoorde tot het takenpakket van Meurs. Een divergerend consolidatiebeleid, dat wil zeggen consolidatie naar Nederlandse maatstaven en deconsolidatie bij toepassing van Amerikaanse maatstaven, werd klaarblijkelijk onwenselijk geacht. Staande de vergadering is besloten gebruik te maken van wat later controlletters werden genoemd. Deze controlletters moesten aan de externe accountant worden verstrekt en jegens hem voorzien in het bewijs van zeggenschap ten behoeve van consolidatie naar US GAAP, aldus wist ook Van der Hoeven. 6. Van der Hoeven werd aantoonbaar op de hoogte gehouden van de door Meurs geboekte vooruitgang in de onderhandelingen met [getuige 21] die strekten tot het bemachtigen van een controlletter inzake Bompreço. Het hof neemt – met Van der Hoeven zelf – aan dat hem op enig moment ter ore zal zijn gekomen dat [getuige 21] de controlletter had ondertekend. Niet blijkt dat Van der Hoeven op de hoogte was van de inhoud van de controlletter. 7. Op enig moment in of omstreeks de maand november 1999 verzocht Meurs aan Van der Hoeven om zijn handtekening te plaatsen op een brief die later de tweede sideletter zou worden genoemd. In de zaak tegen Van der Hoeven staat de vraag centraal wat Meurs bij die gelegenheid aan hem heeft meegedeeld. 8. Er is namelijk geen enkele aanwijzing dat Van der Hoeven voorafgaande aan dit hier besproken moment in 1999 weet heeft gekregen van de precieze bewoordingen van de controlletter en van het bestaan van de tweede sideletter. Van der Hoeven heeft geen bemoeienis gehad met het opstellen van de tekst van de controlletter noch met die van de tweede sideletter, althans aanwijzingen van het tegendeel zijn er niet. Meurs heeft ter terechtzitting beaamd dat hij over het opmaken van de tweede sideletter inzake Bompreço geen overleg heeft gehad met Van der Hoeven of andere leden van de raad van bestuur. 9. Alleen al om die reden kan Van der Hoeven niet worden verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van de controlletter inzake Bompreço. Enige feitelijke betrokkenheid daarbij heeft hij immers niet gehad en voor zover al van het houden van toezicht op deze (verboden) gedraging als CEO van Ahold kan worden gesproken, zijn er – zoals reeds overwogen - geen aanwijzingen dat hij op het moment van het – valselijk - opmaken van die controlletter weet had van het opmaken ervan, laat staan van de valsheid. 10. Het strafdossier behelst een aanzienlijk aantal verklaringen van Meurs over het hier bedoelde moment waarop hij aan Van der Hoeven vroeg om bij te tekenen op de tweede sideletter. Van der Hoeven heeft inderdaad bijgetekend. De brief is in 2.6.4 besproken. Voor de goede orde: van de tweede sideletter wordt door geen van de procesdeelnemers volgehouden dat hij valselijk is opgemaakt en niet correspondeert met de werkelijkheid. Dat is terecht. De tweede sideletter geeft ook in de visie van het hof de werkelijke rechtsverhouding tussen de joint venture-partners correct weer. Met andere woorden, de enige van de in deze strafzaak besproken sideletters waarop de handtekening van Van der Hoeven is aangetroffen, is niet valselijk opgemaakt. 11. Van der Hoeven heeft over het moment van bijtekenen onder meer verklaard: Ik heb op dit onderwerp verschillende verklaringen van Meurs gelezen. Dat begon met dat hij zich dat niet goed kon herinneren en daarna herinnerde hij zich steeds meer. Ik geloof dat het uiteindelijk eindigde dat hij zich het niet meer zo goed kon herinneren. Dat zijn verschillende verklaringen die in de loop van de tijd door u zijn opgenomen. Eind november 2002 vertelde Meurs in een halve bijzin “je weet toch wel dat je de 2e side letter van Bompreço hebt bijgetekend”. Tot op dat moment had ik daar totaal nul herinneringen aan. Dan heb ik het over helemaal eind november 2002, rond 30 november. Die herinnering is niet bij mij opgekomen toen de ICA side letters opkwamen op 23 oktober 2002. En die herinnering werd ook niet getriggerd door Meurs zijn opmerking op 16 november 2002 dat er nog andere side letters waren. Onder andere die van Bompreço. Dat geeft al een beetje aan, welke lading ik daarbij heb gevoeld bij het zetten van mijn handtekening. Maar wat belangrijker is heb ik langzaam maar zeker weer het beeld terug gekregen hoe dat toen gebeurd is. Juist omdat de gebeurtenis zo’n impact heeft gehad op het heden zoals dat nu wordt geïnterpreteerd. Dit is mijn herinnering ervan: Michiel en ik komen, dat zal in november 1999 zijn geweest, terug van de lunch en Michiel zegt mij dat ik nog een briefje moet meetekenen voor João Carlos (hof: [getuige 21]). Meurs duikt zijn kamer in, ik loop door naar mijn kamer. Meurs komt enkele minuten later terug. Ik zit nog niet eens achter mijn bureau en ik teken het bij op de rand van mijn conferentie tafel. Meurs laat niet de 1e brief zien. Meurs vertelt niet wat de bedoeling ervan is. Meurs vertelt niet dat de brief niet aan de accountant wordt getoond. Het enige wat Meurs heeft gezegd dat João Carlos het op prijs zou stellen als ik mee zou tekenen. U vraagt mij of ik dan niet gelezen heb hetgeen ik getekend heb. Daar heb ik al over verklaard. U vraagt mij naar november 1999. Dat heeft Meurs mij verteld. Ik heb geen enkele herinnering van de datum. U vraagt mij of mij niet is opgevallen bij ondertekening van de 2e side letter in november 1999 dat er de datum 21 mei 1999 op stond. Dat heb ik niet gezien en ik kan ik mij daarover niets meer herinneren. U vraagt mij waarom ik Meurs wel geloof voor wat betreft de datum van ondertekening in november 1999 en voor wat de rest wat Meurs verklaard heeft omtrent de ondertekening en doel van de side letter Bompreço niet. Omdat ik geen specifieke herinnering heb aan de datum en voor het overige heb ik dat wel. 12. Meurs is niet consistent in zijn verklaringen over hetgeen hij bij die gelegenheid heeft besproken met Van der Hoeven. Waar Meurs in de ene verklaring veronderstelt dat hij een mededeling van een bepaalde strekking zal hebben gedaan, is die veronderstelling in een andere verklaring getransformeerd tot een herinnering. Dit maakt het buitengewoon wankel om op die passages vaststellingen omtrent de feiten te baseren. Gelet op de proceshouding van Meurs mag worden aangenomen dat hij Van der Hoeven niet heeft gezegd dat de tweede sideletter onderdeel is van een constructie waarmee de externe accountant wordt opgelicht. Evenmin zal hij hebben meegedeeld dat de controlletter vals is. Meurs heeft ten overstaan van de FIOD verklaard (onderstreping hof): U vraagt mij of ik op het moment dat ik met C. v/d Hoeven heb gesproken over de 2e side letter heb aangegeven dat deze 2e side letter niet was verstrekt aan Deloitte & Touche. Hierop kan ik verklaren dat ik niet meer precies weet wat ik heb gezegd. Ik heb C. v/d Hoeven aangegeven wat de bedoeling was van de control letter en 2e side letter en daarbij zal ik gezien de context van de 2e side letter, naar ik aanneem ook wel hebben aangegeven dat deze 2e side letter niet was verstrekt aan Deloitte & Touche. Meurs heeft voorts verklaard bij een andere gelegenheid: U vraagt mij of ik met C. v/d Hoeven heb gesproken over de werking van de 2e side letter ten aanzien van Bompreço. Hierop kan ik verklaren dat ik volgens mijn herinnering met C. v/d Hoeven heb gesproken over het doel van de 2e side letter ten aanzien van Bompreço. Zoals ik eerder heb verklaard was het doel van de 2e side letter ten aanzien van Bompreço niet het ontkennen van de control letter. Het had een ander doel dat ik naar mijn beste herinneringen met Van der Hoeven heb besproken voordat hij de 2e side letter ondertekende. Zoals ik eerder heb verklaard was het doel dat [getuige 21] niet gebonden wilde zijn aan de control letter als er weer een liason officer zou komen waar hij niet mee overweg kon (zoals met [getuige 22]). Verder was [getuige 21] aan het nadenken wat te doen met zijn aandelen in de joint venture Bompreço aangezien hij geen goede opvolger had. Het was duidelijk dat Ahold de meest voor de hand liggende koper zou zijn. Het tekenen van de control letter zou de waarde van zijn aandelenpakket naar beneden kunnen brengen. Om bij de onderhandeling die gevoerd zouden moeten worden over de prijs van de aandelen die [getuige 21] hield in Bompreço, moest [getuige 21] een goede positie in die onderhandeling met Ahold kunnen innemen. Met het tekenen van de control letter zou het voor [getuige 21] heel moeilijk worden om zijn pakket aandelen aan een derde partij te kunnen verkopen. Dit was dan ook de reden voor het tekenen van de 2e side letter. Door de 2e side letter had Ahold in wezen dezelfde positie die een derde zou innemen met betrekking tot het overnemen van de aandelen van [getuige 21] in de joint venture Bompreço. Ik heb deze werking en doel ook met C. v/d Hoeven besproken op het moment dat hij de 2e side letter tekende. Ik heb van [getuige 23] begrepen dat C. v/d Hoeven ergens in november 1999 heeft getekend. Ik weet niet hoe zij dit weet, zij heeft het mij verteld toen ik nog bij Ahold werkte. Ter terechtzitting van dit hof van 22 september 2008 is de hiervoor aangehaalde verklaring Meurs voorgehouden. Hij antwoordde op vragen van de jongste raadsheer blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal: Meurs: Ik ben apart met de brief naar hem toe gegaan. Dat het een kopie was van de brief klinkt plausibel, gelet op de uitleg van [getuige 23]. Jongste raadsheer: Kunt u vertellen hoe het gesprek verliep, nadat u naar Van der Hoeven was gegaan? Meurs: Ik heb hem uitgelegd hoe het zat, wat de zorgen van [getuige 21] waren en dat [getuige 21] het op prijs zou stellen als hij mee zou ondertekenen. Jongste raadsheer: Hier op de zitting maken we het onderscheid tussen control- en sideletter. Destijds werd er over eerste en tweede sideletters gesproken. Ik begrijp u zo, ook gelet op uw eerdere verklaring, dat u heeft toegelicht dat er een eerdere sideletter was ondertekend, de controlletter, en dat het hier ging om een tweede sideletter? Meurs: Ja. Jongste raadsheer: Was Van der Hoeven ermee bekend of heeft u hem moeten uitleggen dat er een eerdere sideletter was, de controlletter dus, die door [getuige 21] was ondertekend en dat dus aan het verzoek van D&T was voldaan? Mr. Verbruggen: Hoewel het de ondervraging van de verdachte Meurs betreft, wil de verdediging van Van der Hoeven graag weten op welke verklaringen van Meurs met betrekking tot Van der Hoeven u de ondervraging baseert. Jongste raadsheer: Het betreft verklaring V3/12, blz. 4-5, waar Meurs onder meer verklaart dat hij volgens zijn herinnering met Van der Hoeven heeft gesproken over het doel van de 2e sideletter ten aanzien van Bompreço, dat deze sideletter een ander doel had dan het ontkennen van de controlletter en dat hij dat naar zijn beste herinnering met Van der Hoeven heeft besproken voordat hij de 2e side letter ondertekende.” Vervolgens licht Meurs de zorgen van [getuige 21] toe met betrekking tot de liaison officer en de komst van een andere aandeelhouder dan Ahold. Meurs sluit de passage af met: “Ik heb deze werking en doel ook met C. v/d Hoeven besproken op het moment dat hij de 2e side letter tekende.” Dat bevestigt u? Meurs: Ja. Jongste raadsheer: Tijdens onder meer diverse maandagochtendbesprekingen heeft u de voortgang in de besprekingen met [getuige 21] besproken. Wist Van der Hoeven dat [getuige 21] de controlletter had ondertekend of heeft u het hem uitegelegd toen u enkele maanden na mei 1999 bij hem binnenliep? Meurs: Ik moest een handtekening van Van der Hoeven hebben onder de tweede sideletter en ik heb hem toen uitgelegd hoe het zat, de zorgen van [getuige 21], en dat het uiteraard sloeg op de controlletter die we al ondertekend hadden. Op zich is die brief niet relevant als je het niet ook over de controlletter hebt. Jongste raadsheer: De controlletter had Van der Hoeven niet ondertekend en die heeft hij op het moment dat u binnenkwam met de tweede sideletter ook niet gezien? Meurs: Dat weet ik niet meer. Jongste raadsheer: U hebt uitgelegd wat het doel van de tweede sideletter was en dat deze geen invloed had op de controlletter, niet relevant daarvoor was? Meurs: Ja. Het was om de zorgen van [getuige 21] weg te nemen. Jongste raadsheer: Het komt erop neer dat u de afweging die u had gemaakt van de tweede sideletter, de interpretatie die u eraan gaf, samengevat aan Van der Hoeven heeft medegedeeld voordat hij ondertekende? Meurs: Ja. 13. Slotsom is dat deze en - vele - andere door het hof bestudeerde verklaringen van Meurs zekere tegenstrijdigheden vertonen waardoor het hof geen geloof kan hechten aan zijn meest verstrekkende uitlatingen . Die worden bij andere gelegenheden immers niet herhaald, dan wel teruggenomen. Er is evenwel een zekere consistentie te bespeuren voor zover Meurs herhaaldelijk heeft verklaard dat hij Van der Hoeven in ieder geval enige toelichting heeft verstrekt én dat hij daarbij de zorgen van [getuige 21] heeft aangesneden. Dit ligt ook wel zeer voor de hand. In dat geval moet Meurs dus hebben meegedeeld dát er een controlletter was ondertekend door [getuige 21] en dat deze zich zorgen maakte over het effect daarvan. 14. Op basis van de verklaringen van Meurs kan in elk geval niet worden vastgesteld dat Meurs expliciet aan Van der Hoeven zou hebben medegedeeld dat de tweede sideletter niet aan Deloitte zou worden verstrekt. 15. Het hof acht aannemelijk dat de (goede) verstandhoudingen binnen de raad van bestuur van Ahold een vertrouwensbasis verschaften, waardoor Van der Hoeven en Meurs elkaar niet buitengewoon kritisch of wantrouwend benaderden. Aangenomen wordt voorts dat Van der Hoeven een vluchtige blik heeft geworpen op de tekst van de tweede sideletter alvorens deze te ondertekenen. Het hof roept in herinnering dat de tekst van de tweede sideletter als volgt luidt: Dear Michael, Aware of the contents of your May 12, 1999’s letter, reference AMM/bm 1696c, this is to inform you that we do not agree with the interpretation given by you of our Shareholders’ Agreement. Deze zin mag bepaald cryptisch worden genoemd. Dat klemt te meer als de precieze bewoordingen van de brief waarnaar hij verwijst onbekend zijn, en dat is waarvan het hof uitgaat gelet op de afwezigheid van voldoende aanwijzingen van het tegendeel. 16. Bij die stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat Van der Hoeven minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de reeds eerder opgemaakte controlletter vals was en niet overeenstemde met de werkelijkheid. De valsheid van de controlletter kan niet zonder meer worden vastgesteld aan de hand van de tekst van de tweede sideletter. Voor het oordeel dat Van der Hoeven moet hebben begrepen dat de controlletter vals is en de tweede sideletter niet aan de accountant zou worden overgelegd, kan mede gelet op de stellige ontkenning daarvan door Van der Hoeven, geen grondslag worden gevonden in de verklaringen van Meurs. Het verwijt dat Van der Hoeven meer opmerkzaam had moeten zijn, en had kunnen begrijpen dat de tweede sideletter onderdeel was van een constructie waarin de externe accountant opzettelijk onjuist en onvolledig werd geïnformeerd, kan – indien gegrond – niet leiden tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Slechts indien kan worden vastgesteld dat Van der Hoeven niet alleen had kunnen beseffen dat de tweede sideletter zich niet verhield met de controlletter en om die reden niet aan de externe accountant zou worden overhandigd, maar dat hij zich dit ook werkelijk realiseerde, kan zijn handelwijze binnen het bereik van het strafrecht worden gebracht. 17. Het hof gaat er dus vanuit dat Van der Hoeven niet reeds in november 1999 bekend is geworden met de door Meurs opgetuigde constructie van valse controlletter en achtergehouden sideletter die de accountant ertoe bracht om ‘auditors’ reports’ af te geven. 18. Evenmin volgt zijn wetenschap uit verwikkelingen voorafgaande aan de emissie in mei 2000. Aan het telefoongesprek met Kangas moet Van der Hoeven de zekerheid hebben ontleend dat de accountant zonder controlletters geen goedkeurende ‘auditors’ reports’ zou verstrekken. Over de meergenoemde constructie met tweede sideletters is indertijd niets bekend geworden. 19. Nadat bekendheid was gegeven aan het bestaan van de ICA controlletter en tweede sideletter in oktober 2002 is het volgende ijkmoment de dag van 16 november 2002, waarop Van der Hoeven telefonisch vernam van het bestaan van nog drie tweede sideletters. Naar zeggen van zowel Meurs als Van der Hoeven, viel Van der Hoeven in het (eerste) gesprek stil en zou hij ‘de hoorn op de haak’ hebben gesmeten. Hoewel aan dergelijke reacties slechts met gepaste voorzichtigheid gevolgtrekkingen kunnen worden verbonden, laat deze reactie zich niet goed rijmen met de lezing dat Van der Hoeven en Meurs beiden al lange tijd op de hoogte waren van de voor de accountant achtergehouden tweede sideletters, en dat ook van elkaar wisten. 20. Het hof volstaat met een korte verwijzing naar een gesprek dat Van der Hoeven heeft gehad met [getuige 50] en [getuige 30] in oktober 2002 en de mededeling dat ook daaraan niet kan worden ontleend dat Van der Hoeven op dat moment reeds bekend was met het bestaan van de achtergehouden tweede sideletters inzake Bompreço, Disco Ahold en Paiz Ahold. 21. Het hof neemt tot uitgangspunt, en acht voor zover nodig bewezen dat Van der Hoeven niet eerder dan 16 november 2002 op de hoogte is gesteld van het bestaan van de hier bedoelde tweede sideletters. Reeds om die reden wordt Van der Hoeven vrijgesproken van het tenlastegelegde onder 1 en 3 tot en met 7 tenlastegelegde. De vrijspraak voor het onder 8 tenlastegelegde heeft het hof reeds gemotiveerd onder 2.7.4. Voorts heeft het hof hierboven in hoofdstuk 2 en 3 reeds omstandig uitgelegd welke onderdelen van de tenlastelegging ook met berispelijke wetenschap van Van der Hoeven in vrijspraak zouden eindigen. Met andere woorden, naar het oordeel van het hof is dus niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte 1 primair en subsidiair, 3, 4 primair en subsidiair, 5 primair en subsidiair, 6 primair en subsidiair, 7 primair en subsidiair en 8 primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. 5.2. Bewezenverklaring Resteert de bespreking van het onder 2 tenlastelegelegde. Van der Hoeven heeft over de gebeurtenissen van 16 november 2002 verklaard dat hem door Meurs telefonisch werd meegedeeld dat niet alleen ten aanzien van ICA Ahold maar ook ten aanzien van Bompreço, Disco Ahold en Paiz Ahold zowel controlletters als tweede sideletters waren opgesteld en dat de tweede sideletters voor de accountant waren achtergehouden. Onbetwist is derhalve dat Van der Hoeven vanaf dat moment kennis droeg van het bestaan van de andere tweede sideletters dan die van ICA Ahold. Van der Hoeven heeft er voor gekozen dat bestaan te verzwijgen en dat rekent het hof hem thans in strafrechtelijk opzicht aan. Het hof deelt niet zijn standpunt dat deze tweede sideletters inmiddels irrelevant waren voor Aholds financiële rapportage. Hieraan heeft het hof reeds overwegingen gewijd in 2.6.14. Voorts oordeelde het hof reeds gemotiveerd dat Van der Hoeven van de relevantie van de tweede sideletters afwist. Om die reden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat hij in of omstreeks de periode van 16 november 2002 tot en met februari 2003 te Zaandam, gemeente Zaanstad valse geschriften voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist en redelijkerwijs moest vermoeden dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als echt en onvervalst, te weten: brieven (zogeheten sideletters D/137, p.2, D/138, p.2 en D/140, p.2) - zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – bestaande die valsheid telkens hierin dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.