GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk P08/215 uitspraak van de achtste enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van X te B, belanghebbende, tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk 07/3726 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) van 14 januari 2008 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
(2007)in L, langdurig onder behandeling geweest (wat o.a. vele reizen naar J en L betekende), maar tot nu toe tevergeefs.” 2.1.10. In het hoger beroepschrift is onder meer het volgende vermeld: “Het al dan niet inschakelen van een gemachtigde had in dit geval geen verschil gemaakt. (…) In een notitie, aan de rechtbank toegezonden in het kader van mijn beroep tegen de niet-ontvankelijkheid van mijn bezwaar tegen de aanslag 2003 (…) zeg ik daarover het volgende. “Bij de behandeling van mijn beroep tegen de niet-ontvankelijk verklaring van mijn bezwaren tegen de aanslag IB 2002 ter zitting van 30 november j.l. (…) is de opmerking gemaakt dat ik de hulp van een deskundige had kunnen inroepen. Zo’n deskundige is echter nauwelijks te vinden, want het zou iemand moeten zijn die zowel het Nederlands als het Frans voldoende beheerst in woord en geschrift, die niet alleen verstand heeft van de Nederlandse belastingwetgeving, de totstandkoming en de jurisprudentie daarvan, maar ook van de Franse, en die bovendien op de hoogte is van de wetten en regels van de Franse boekhouding, die aanzienlijk afwijken van die in Nederland. Niettemin heb ik getracht zo iemand te vinden door bij dat zoeken advies te vragen aan de advocaat die mijn schadeclaim behartigt tegen het ziekenhuis dat verantwoordelijk is voor mijn invaliditeit. Na twee dagen kon hij mij één bureau dat in staat zou zijn mij te helpen noemen, een bureau in E. Bij het eerste telefonisch contact met dit bureau werd mijn uitleg van de situatie op een gegeven moment onderbroken door de vraag om welke bedragen het ging, want het bureau had als de vaste regel dat, alvorens men met een cliënt in zee ging, van deze cliënt gevraagd werd eerst een bedrag van € 15.000 te storten op een derden-rekening. Het leek mij niet verantwoord deze weg verder te volgen, ook al gezien mijn eerdere ervaringen met een Nederlandse belastingkundige.”. 2.2. Het geschil In hoger beroep is in geschil of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn beroep. Zo die vraag ontkennend wordt beantwoord, is vervolgens de vraag aan de orde of belanghebbende terecht in zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. 2.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft - voor zover hier van belang - het volgende overwogen, waarbij van belang is dat het Hof de door de rechtbank gebezigde termen ‘eiser’ en ‘verweerder’ heeft vervangen door ‘belanghebbende’ en ‘inspecteur’: “3.3. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 12 juni 2007. Nu niet is gesteld of gebleken dat de ze datum is gelegen vóór de datum van de bekendmaking van die uitspraak, ving, gelet op het bepaalde in artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de termijn voor het instellen van beroep tegen die uitspraak aan met ingang van 13 juni 2007. Het op 7 juni 2007 bij de rechtbank Haarlem binnengekomen beroepschrift is derhalve voor het begin van de beroepstermijn ingediend. 3.2. Gelet op het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, van de Awb blijft niet-ontvankelijkheid achterwege ten aanzien van een prematuur ingediend beroepschrift als
- a)het besluit waartegen dit was gericht reeds tot stand was gekomen dan wel
- b)de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit het geval was. Niet is gesteld of gebleken dat het besluit ten tijde van de indiening van het beroepschrift reeds tot stand was gekomen, zodat de hiervoor genoemde uitzondering zich niet voordoet. De grief van eiser dat hij kon menen dat het besluit reeds tot stand was gekomen, omdat het onduidelijk was of de brief van verweerder van 25 april 2007 moest worden aangemerkt als uitspraak op bezwaar, slaagt niet. In de brief van 25 april 2007 wordt allereerst aangegeven dat verweerder van plan is het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Verweerder geeft vervolgens aan wel ambtshalve het bezwaar te zullen beoordelen en geeft de eiser de gelegenheid om bewijsstukken aan te leveren voor het feit dat de aanslag te hoog is. Daarnaast wordt eiser in de gelegenheid gesteld het bezwaar mondeling toe te lichten. De inhoud van de brief van 25 april 2007 geeft, gelet op het vorenstaande, duidelijk weer dat de beslissing op bezwaar nog niet door verweerder is genomen. De brief bevat ook geen rechtsmiddelenclausule. Nu eiser in de beroepstermijn - lopende van 13 juni 2007 tot en met 24 juli 2007 - geen andere geschriften bij de rechtbank heeft ingediend die kunnen worden aangemerkt als een beroepschrift, moet worden geconcludeerd dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn beroep.”. 2.4. Standpunten van partijen 2.4.1. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar hetgeen in de stukken van het geding en in het proces-verbaal is vermeld. 2.5. Overwegingen Ontvankelijkheid van het beroep 2.5.1. Belanghebbende heeft in zijn brieven van 8 en 26 mei 2007 aan de inspecteur ondubbelzinnig kenbaar gemaakt dat hij in onzekerheid verkeerde of de brief van de inspecteur van 25 april 2007 een voor beroep vatbaar besluit behelsde, dan wel slechts een aankondiging daarvan. Nu die stelling niet van elke grond ontbloot was, kon daaraan niet zonder meer worden voorbijgegaan. Het lag dan ook op de weg van de inspecteur op de ter zake in die brieven gestelde vragen te reageren en de gevraagde duidelijkheid te verschaffen, hetgeen deze evenwel heeft nagelaten. Onder deze omstandigheden acht het Hof - anders dan de rechtbank - een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep niet op zijn plaats. Ontvankelijkheid van het bezwaar 2.5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn is ingediend. Gelet op de verklaringen van belanghebbende in de sub 2.1.9. vermelde brief die door de inspecteur niet worden weersproken en mede gelet op hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard, is aannemelijk dat belanghebbende lijdt aan fantoompijnen en een post-traumatisch-stress-syndroom die hem beletten zijn belangen op een behoorlijke manier te behartigen. Voorts is aannemelijk dat belanghebbende reeds geruime tijd aan deze ziekten lijdt. Ook is aannemelijk dat deze ziekten belanghebbende tijdens de bezwaartermijn hebben belet zijn fiscale belangen waar te (laten) nemen en tijdig in bezwaar te komen. 2.5.3. Gelet op het sub 2.5.2 overwogene vormen de genoemde ziekten een omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende bij de overschrijding van de bezwaartermijn in verzuim is geweest. Daarbij is aannemelijk dat belanghebbende in de gegeven omstandigheden het bezwaar heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Dientengevolge is belanghebbende ten onrechte in zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en dienen de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd. 2.5.4. Met toepassing van artikel 8:72, lid 4, van de Algemene wet bestuursrecht zal het Hof de inspecteur opdragen opnieuw - ditmaal ten principale - op het bezwaar te beslissen. Het Hof zal de zaak daartoe terugwijzen naar de inspecteur. 2.5.5. Het hoger beroep is gegrond. 2.6. Proceskosten en griffierecht 2.6.1. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht nu geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook niet is gebleken van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten.. 2.6.2. Het griffierecht van beide instanties, € 38 en € 107, dient aan belanghebbende te worden vergoed. 3. De beslissing Het Hof: - vernietigt de uitspraak van de rechtbank; - verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak van de inspecteur; - wijst de zaak terug naar de inspecteur en draagt hem op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw uitspraak op bezwaar te doen; - wijst de Staat der Nederlanden aan het griffierecht ad € 145 aan belanghebbende te vergoeden. Aldus vastgesteld door mr. A. Bijlsma, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op 14 april 2009 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.