GERECHTSHOF TE AMSTERDAM ZEVENDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: [Appellante], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente], APPELLANTE, advocaat: mr. M.J. Meijer te Haarlem, t e g e n de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V., gevestigd te Amsterdam, GEÏNTIMEERDE, advocaat: mr. F.R.H. van der Leeuw te Amsterdam. 1. Het geding in hoger beroep De partijen worden hierna respectievelijk [appellante] en Dexia genoemd. Bij dagvaarding van 22 november 2007 is [appellante] in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, hierna “de kantonrechter”, van 17 oktober 2007, in deze zaak onder rolnummer 817267 DX EXPL 06-3628 gewezen tussen haar als eiseres en Dexia als gedaagde. [Appellante] heeft van grieven gediend, daarbij bescheiden in het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [appellante] zoals in eerste aanleg ingesteld geheel zal toewijzen, met veroordeling van Dexia in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep. Daarop heeft Dexia geantwoord en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellante] in (het hof begrijpt:) de kosten van het geding in hoger beroep. Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd. 2. Grieven [Appellante] heeft één grief voorgesteld en toegelicht. Voor de inhoud daarvan wordt verwezen naar de memorie van grieven. 3. Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1, 1.1 tot en met 1.11, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof van de aldus vastgestelde feiten zal uitgaan. 4. Beoordeling 4.1 [Appellante] is sinds 1971 gehuwd met [echtgenoot], hierna [echtgenoot]. Deze is in het tijdvak van oktober 1995 tot en met augustus 2002 twaalf overeenkomsten tot effectenlease aangegaan met rechtsvoorgangsters van Dexia, hierna eveneens aangeduid als “Dexia”. Zeven van deze overeenkomsten zijn geëindigd met een vermogenswinst voor [echtgenoot], in die zin dat de effecten waarin hij had belegd, bij verkoop meer hebben opgebracht dan het aankoopbedrag. Bij brieven van 3 februari 2003, 31 oktober 2005 en 28 december 2005 heeft [appellante] vier andere effectenlease-overeenkomsten buitengerechtelijk vernietigd wegens, kort gezegd, het ontbreken van haar toestemming zoals bedoeld in artikel 1:88, eerste lid aanhef en onder d, BW voor het aangaan daarvan. Die overeenkomsten zijn respectievelijk gedateerd 30 mei 1997, 3 oktober 1997, 24 april 1998 en 10 maart 2000. [Appellante] heeft geen schriftelijke toestemming aan [echtgenoot] verleend voor het aangaan van de desbetreffende overeenkomsten. Dexia heeft de vernietiging niet aanvaard. Zij heeft, hiertoe aangesproken, voorts geweigerd bedragen terug te betalen die [echtgenoot] ter voldoening aan die overeenkomsten aan Dexia heeft betaald. 4.2 In het licht van de hierboven weergegeven, tussen partijen vaststaande feiten vordert [appellante], kort gezegd, een verklaring voor recht inhoudend dat de vier overeenkomsten tot effectenlease die zij heeft bedoeld te vernietigen, rechtsgeldig zijn vernietigd, de veroordeling van Dexia tot terugbetaling aan haar van hetgeen op de voet van die overeenkomsten (door [echtgenoot]) aan Dexia is betaald, met wettelijke rente, alsmede de veroordeling van Dexia om schriftelijk aan de Stichting Bureau Kredietregistratie te Tiel te melden dat ter zake van de vernietigde overeenkomsten geen betalingsachterstanden bestaan, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Tevens vordert [appellante] de veroordeling van Dexia tot betaling van een bedrag wegens door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten. 4.3 Dexia heeft in eerste aanleg allereerst tot verweer aangevoerd dat de hierboven bedoelde overeenkomsten geen overeenkomsten zijn waarop het toestemmingsvereiste van artikel 1:88, eerste lid aanhef en onder d, BW van toepassing is, laat staan dat de schriftelijke toestemming van [appellante] voor het aangaan daarvan was vereist, zodat [appellante] geen bevoegdheid tot vernietiging toekomt. De Hoge Raad heeft intussen in zijn arrest van 28 maart 2008 inzake Dexia/[X en X-Y], onder andere gepubliceerd in Jurisprudentie Onderneming & Recht 2008, 131, ten aanzien van een soortgelijke overeenkomst tot effectenlease een andersluidend oordeel gegeven. Het hof begrijpt uit de memorie van antwoord (onder 5) dat Dexia haar zojuist bedoelde verweer in dit hoger beroep niet wil handhaven. Voor zover zij dit wél zou willen, stuit het verweer af op hetgeen de Hoge Raad in het genoemde arrest heeft overwogen en beslist. 4.4 Dexia heeft voorts aangevoerd dat de bevoegdheid van [appellante] tot vernietiging van de vier hierboven bedoelde overeenkomsten, althans de daartoe strekkende vordering, op grond van artikel 3:52, eerste lid aanhef en onder d, BW is verjaard, omdat [appellante] van die bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt binnen drie jaar nadat deze te haren dienste was komen te staan. Dexia heeft hiertoe betoogd, samengevat, dat [appellante] niet binnen drie jaar nadat zij op de hoogte was van het aangaan van elk van de bedoelde overeenkomsten door [echtgenoot], althans daarvan redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn, heeft gepoogd die overeenkomsten te vernietigen op grond van het bepaalde in de artikelen 1:88 en 1:89 BW, maar dat zij dit pas later heeft gedaan, door haar onder 4.1 genoemde brieven. De kantonrechter heeft dit verweer verworpen met betrekking tot één van de betrokken effectenlease-overeenkomsten en gehonoreerd met betrekking tot de drie andere overeenkomsten. 4.5 Hierop is voor recht verklaard dat eerstbedoelde overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd en is Dexia veroordeeld tot terugbetaling aan [appellante] van bedragen die op de voet van deze overeenkomst zijn betaald, met wettelijke rente, alsmede tot betaling van de gevorderde buitengerechtelijke kosten. De vorderingen die betrekking hebben op de overige overeenkomsten zijn afgewezen. Hetzelfde geldt voor de gevorderde veroordeling van Dexia tot melding aan de Stichting Bureau Kredietregistratie dat geen betalingsachterstanden bestaan. Met haar enige grief bestrijdt [appellante] het oordeel van de kantonrechter dat haar bevoegdheid tot vernietiging van drie overeenkomsten tot effectenlease die [echtgenoot] met Dexia is aangegaan, althans haar daartoe strekkende vordering, is verjaard, zodat haar vorderingen in zoverre niet toewijsbaar zijn. Het hof overweegt hierover als volgt. 4.6 Voorop staat dat een vordering tot vernietiging van een overeenkomst waarvoor een echtgenoot krachtens artikel 1:88 BW de toestemming van de andere echtgenoot behoeft, zoals een effectenlease-overeenkomst, ter zake waarvan de vereiste toestemming ontbreekt, verjaart door verloop van drie jaar nadat de bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan (naar volgt uit artikel 3:52, eerste lid aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89, eerste lid, BW). De bevoegdheid tot vernietiging komt in het algemeen – behoudens uitzonderingen meebrengend dat de uitoefening daarvan niet mogelijk is, zoals een geestelijke stoornis - aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste te staan zodra deze daadwerkelijk met het bestaan van de betrokken overeenkomst bekend is geworden, zodat de verjaring op dit tijdstip gaat lopen. Voor het ten dienste komen te staan van de bevoegdheid tot vernietiging, en hiermee voor de aanvang van de verjaringstermijn, is dus niet bepalend wanneer de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, redelijkerwijs van het bestaan van de betrokken overeenkomst op de hoogte had kunnen zijn, maar wanneer die echtgenoot daadwerkelijk met het bestaan van die overeenkomst bekend is geworden. 4.7 Voor het ten dienste komen te staan van de bevoegdheid tot vernietiging is niet – ook niet mede – bepalend dat de echtgenoot die bekend is geworden met het bestaan van een bepaalde overeenkomst voor het aangaan waarvan zijn toestemming was vereist, tevens bekend is met de juridische beoordeling van de overeenkomst, in het bijzonder in het licht van het bepaalde in artikel 1:88 BW. Evenmin hoeft die echtgenoot bekend te zijn met de rechten die voor hem uit de juridische beoordeling van de betrokken overeenkomst voortvloeien. Voldoende, maar ook noodzakelijk, is – behoudens de hierboven bedoelde uitzonderingen - dat de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, met het feitelijke bestaan van de overeenkomst bekend is geworden. Door verloop van drie jaar na het tijdstip hiervan verjaart niet alleen diens vordering tot vernietiging van de betrokken overeenkomst, maar vervalt ook de bevoegdheid deze op dezelfde grond door een buitengerechtelijke verklaring te vernietigen (naar volgt uit artikel 3:52, tweede lid, BW). 4.8 Het komt er dus op aan wanneer [appellante] daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de drie overeenkomsten tot effectenlease die zij heeft bedoeld te vernietigen en ten aanzien waarvan de kantonrechter het beroep van Dexia op verjaring van haar bevoegdheid daartoe heeft gehonoreerd. De desbetreffende overeenkomsten zijn gedateerd 30 mei 1997, 3 oktober 1997 en 24 april 1998. De brieven waarmee [appellante] deze overeenkomsten heeft bedoeld te vernietigen, zijn gedateerd 31 oktober 2005 (welke brief betrekking heeft op de tweede en derde overeenkomst) en 28 december 2005 (welke brief betrekking heeft op de eerste overeenkomst). Krachtens artikel 1:88, eerste lid aanhef en onder d, BW behoefde [echtgenoot] voor het aangaan van de bedoelde effectenlease-overeenkomsten de toestemming van [appellante], welke toestemming schriftelijk moest worden verleend (naar volgt uit artikel 1:88, derde lid, BW in samenhang met artikel 7A:1576i BW), en vast staat dat deze toestemming ontbreekt, zodat [appellante] op grond van artikel 1:89, eerste lid, BW in beginsel tot vernietiging van de overeenkomsten bevoegd is. 4.9 De partij die zich beroept op de verjaring van een aan haar wederpartij toekomende bevoegdheid tot vernietiging, althans een daartoe strekkende vordering, derhalve Dexia, heeft de plicht feiten te stellen waaruit de gegrondheid van dit beroep kan volgen. Bij een voldoende gemotiveerde betwisting van die feiten rust bovendien op haar de last deze feiten te bewijzen. Dexia heeft in eerste aanleg betoogd – zoals onder 4.4 reeds vermeld - dat [appellante] niet binnen drie jaar nadat zij op de hoogte was, althans redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn, van het aangaan van elk van de betrokken overeenkomsten door [echtgenoot], heeft gepoogd die overeenkomsten te vernietigen, maar dat zij dit pas later – door de hierboven genoemde brieven - heeft gedaan. De kantonrechter heeft hieruit kennelijk begrepen dat Dexia heeft bedoeld te stellen dat [appellante] heeft verzuimd de overeenkomsten te vernietigen binnen drie jaar nadat zij daadwerkelijk bekend was geworden met het bestaan daarvan, waarna het beroep op verjaring aan de hand van deze stelling is beoordeeld. Naar blijkt uit de memorie van antwoord (onder 8, 10 en 12) bedoelt Dexia dit – in ieder geval in hoger beroep – inderdaad te stellen. 4.10 Ter onderbouwing van haar stelling dat [appellante] meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen met de effectenlease-overeenkomsten bekend is geworden, heeft Dexia gewezen op het feit dat [echtgenoot] in totaal twaalf overeenkomsten tot effectenlease met Dexia is aangegaan, op het beslag dat de hieruit voortvloeiende betalingsverplichtingen hebben gelegd op het gezamenlijke gezinsinkomen van [echtgenoot] en [appellante], en op het feit dat op de voet van de overeenkomsten maandelijks betalingen zijn verricht. Zij heeft voorts aangevoerd – in de conclusie van antwoord onder 54 - dat het in Nederland in gezinsverhoudingen gebruikelijk is dat beleggingsbeslissingen, zoals een beslissing tot het aangaan van een overeenkomst tot effectenlease, met medeweten en instemming van beide echtgenoten worden genomen. Dexia leidt uit deze omstandigheden af dat [appellante], als echtgenote van [echtgenoot], ten minste vanaf de datum van de eerste betaling - op of omstreeks 30 juni 1997 - op de voet van de effectenlease-overeenkomsten die zij heeft bedoeld te vernietigen, en in ieder geval vóór 31 oktober 2002, het bestaan van die overeenkomsten heeft moeten opmerken, zodat zij daarmee meer dan drie jaar vóór de beoogde vernietiging bekend was en de verjaring van haar bevoegdheid tot vernietiging dus was voltooid toen zij deze uitoefende. 4.11 [Appellante] bestrijdt de gestelde bekendheid. Zij heeft hiertoe bij de memorie van grieven schriftelijke verklaringen van zichzelf en van [echtgenoot] overgelegd (als productie 1), waarvan de inhoud in die memorie is ingelast. [Echtgenoot] heeft verklaard, samengevat en voor zover van belang, (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.