GERECHTSHOF TE AMSTERDAM ZEVENDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER BESCHIKKING in de zaak van:
(2)opgave van hetgeen verder is gedaan ter verspreiding/bekendmaking van de oproeping/aankondiging. Aangezien in de oproeping is opgenomen dat de indiener van een verweerschrift gelijktijdig met de indiening kopieën daarvan aan de procureurs van de partijen bij de Schikkingsovereenkomst dient te zenden, zal het hof na binnenkomst van enig verweerschrift eigener beweging géén afschrift zenden aan de verzoeksters, maar volstaan met mededeling van zodanige binnenkomst. 5.9 Vervolgens is aan vorenstaande aanwijzingen van het hof voldaan. Een rapport inzake verspreiding/bekendmaking van oproeping en aankondiging, als verzocht, is overgelegd. In dat rapport zijn mede opgenomen de gevraagde, door de deurwaarder opgemaakte processen-verbaal. 5.10 Uit de overgelegde bescheiden, zoals bij de mondelinge behandeling toegelicht, blijkt onder meer het volgende (waarbij de cijfers slechts een benadering vormen; niet is beoogd volstrekte nauwkeurigheid na te streven). In totaal is het (hierboven, onder 5.5, al genoemde) aantal van 111.588 oproepingen uitgegaan. a. Aan 798 potentiële belanghebbenden, van wie de verzoeksters een adres in Nederland bekend was, is door de verzoeksters een oproeping bij gewone brief, per post, aan dat adres toegezonden. In 1 van de 47 gevallen waarin de brief is geretourneerd, is later opnieuw op dezelfde manier een oproeping verzonden. b. Aan 103.685 potentiële belanghebbenden, van wie de verzoeksters een adres in het Verenigd Koninkrijk bekend was, is door een Nederlandse deurwaarder een oproeping bij aangetekende brief (met verzoek om bewijs van ontvangst), per post, aan dat adres toegezonden; bewijs van ontvangst is ten aanzien van 71.911 van deze brieven ingekomen. In 97 van de 12.083 gevallen waarin de brief is geretourneerd, is later opnieuw op dezelfde manier een oproeping verzonden, waarvan evenwel geen bewijs van ontvangst is ingekomen; in 1 geval is de brief opnieuw geretourneerd. c. Van 7.105 potentiële belanghebbenden was de verzoeksters een adres in een ander land dan Nederland en het Verenigd Koninkrijk bekend. d. Aan 340 van die 7.105 is door een Nederlandse deurwaarder gepoogd een oproeping bij exploit aan dat adres (in alfabetische volgorde: in Argentinië tot en met Zwitserland) te doen uitreiken; in 237 gevallen daarvan blijkt dat uitreiking inderdaad op deze wijze tot stand is gekomen. In 5 van de gevallen waarin de stukken zonder zodanige uitreiking waren geretourneerd, is later opnieuw een dergelijke poging gedaan; niet is gebleken dat de poging is geslaagd. e. Aan 1.126 van voornoemde 7.105 potentiële belanghebbenden is door een Nederlandse deurwaarder een oproeping bij aangetekende brief (met verzoek om bewijs van ontvangst), per post, aan dat adres (in alfabetische volgorde: in België tot en met Tsjechië) toegezonden; bewijs van ontvangst is ten aanzien van 822 van deze brieven ingekomen. In 8 van de gevallen waarin de stukken zonder zodanig bewijs van ontvangst waren geretourneerd, is later opnieuw op dezelfde manier een oproeping verzonden, waarvan evenwel geen bewijs van ontvangst is ingekomen; in 4 gevallen is de brief opnieuw geretourneerd. f. Aan 2.722 van voornoemde 7.105 potentiële belanghebbenden is door een Nederlandse deurwaarder een oproeping bij aangetekende brief (zonder verzoek om bewijs van ontvangst), per post, aan dat adres (in alfabetische volgorde: in Andorra tot en met Zuid-Afrika) toegezonden. In 7 van de 260 gevallen waarin de brief is geretourneerd, is later opnieuw op dezelfde manier een oproeping verzonden; in 1 geval is de brief opnieuw geretourneerd. g. Aan de resterende 2.917 van voornoemde 7.105 potentiële belanghebbenden is door een Nederlandse deurwaarder een oproeping bij gewone brief, per post, aan dat adres (in alfabetische volgorde: in Antigua en Barbuda tot en met Zweden) toegezonden. In 5 van de 187 gevallen waarin de brief is geretourneerd, is later opnieuw op dezelfde manier een oproeping verzonden. Uit deze cijfers volgt dat van bijna 73.000 oproepingen vast staat dat zij de geadresseerden hebben bereikt en dat van nog eens bijna 6.000 oproepingen niet is gebleken dat zij de geadresseerden niet hebben bereikt. 5.11 Ten aanzien van ruim 19.000 oproepingen naar adressen in het Verenigd Koninkrijk waarvan geen bewijs van ontvangst is ingekomen, maar die ook niet retour zijn gekomen, deelt het hof de mening van de verzoeksters dat, mede gelet op de overgelegde brief van 4 november 2008 van Royal Mail Netherlands, het ervoor gehouden mag worden dat circa 98% van die oproepingen de geadresseerden in feite wel heeft bereikt. 5.12 Verder blijkt uit de overgelegde bescheiden, zoals bij de mondelinge behandeling toegelicht, het volgende. De oproeping van de aan de verzoeksters bekende potentiële belanghebbenden in Nederland is geschied bij gewone brief aan hun laatste aan de verzoeksters bekende woonplaatsen in Nederland en daarvoor hebben de verzoeksters zorg gedragen. Voor de oproeping van de aan de verzoeksters bekende potentiële belanghebbenden van wie geen laatste woonplaats in Nederland aan de verzoeksters bekend is, maar die wel een bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf hebben in een ander land dan Nederland, hebben de verzoeksters zorg gedragen door deze oproeping te doen geschieden door een gerechtsdeurwaarder en met inachtneming van de voormelde, door het hof gegeven aanwijzingen. Met name is gebleken dat de voorschriften van de EG-Betekeningsverordening van 29 mei 2000, het Haagse Betekeningsverdrag 1965, het Rechtsvorderingsverdrag 1954, het Nederlands-Brits Rechtsvorderingsverdrag 1933 en het Rechtsvorderingsverdrag 1905 genoegzaam in acht zijn genomen. Voor zover zich het geval voordoet, waarin niet het in artikel 7, eerste lid, Uitvoeringswet EG-Betekeningsverordening, respectievelijk artikel 10, eerste lid, Uitvoeringswet Haags Betekeningsverdrag 1965, bedoelde bewijs is ontvangen, kan het hof niettemin in de onderhavige zaak beslissen, nu aan de in die artikelleden gestelde eisen is voldaan, waarbij het hof in elk zodanig afzonderlijk geval de daar bedoelde termijn op zes maanden stelt, te rekenen vanaf 14 mei 2008, de dag van toezending van de oproeping. 5.13 Met betrekking tot de oproeping van de belanghebbenden die niet aan de verzoeksters bekend waren, of wier woonplaatsen niet bekend waren, heeft het hof geen andere expliciete aanwijzingen gegeven dan dat aankondiging van die oproeping diende plaats te vinden in bepaalde nieuwsbladen en op websites, conform het bepaalde in artikel 1013, vijfde lid, Rv. Als belanghebbenden wier woonplaatsen niet bekend waren, moeten ook worden aangemerkt degenen ten aanzien van wie de verzoeksters aanvankelijk wél over woonplaatsgegevens beschikten maar achteraf (bijv. door retournering wegens onjuist adres) moet worden aangenomen dat die woonplaatsgegevens niet juist waren. Gelet op het eerder overwogene gaat het hier om meer dan 400.000 (rechts)personen. Voor beantwoording van de vraag of zij deugdelijk zijn opgeroepen, moet ook worden gelet op de verdere publiciteit. De oproeping voor de mondelinge behandeling is aangekondigd, op de door het hof aangegeven wijze, op of omstreeks 15 mei 2008 in 47 nieuwsbladen (verschenen in edities voor 22 landen, daarnaast voor Azië, Zuid-Amerika, Europa en de hele wereld) en op 7 oktober 2008 nogmaals in The Times. Van elk land waar ten minste 50 bekende potentiële belanghebbenden woonplaats hadden, met uitzondering van landen als Eiland Man, Guernsey en Jersey, is ten minste één in dat land verschijnend nieuwsblad onder genoemd aantal van 47 begrepen. De aankondiging is tevens op een aantal websites geplaatst. Voorts is de mondelinge behandeling bekendgemaakt door middel van verzending via de Routing Information Service. Ten slotte is, op 7 oktober 2008, een Engelstalig persbericht waarin de mondelinge behandeling werd aangekondigd, door ANP Pers Support uitgebracht. Uit de stukken blijkt nog van verdere publicitaire activiteiten van de verzoeksters en van aandacht voor de mondelinge behandeling in de media. Tegen deze achtergrond mag het ervoor worden gehouden dat in toereikende mate is voldaan aan de voorschriften voor oproeping van personen wier woonplaats niet bekend is, die door het nationale procesrecht van de afzonderlijke landen waarom het hier gaat, zijn gesteld. 5.14 Alles overziende bevindt het hof de gegevens die in de processen-verbaal van deurwaarders en in schriftelijke rapporten zijn vastgelegd en ter terechtzitting door de verzoeksters zijn toegelicht, van dien aard zijn dat in voldoende mate is voldaan aan de eisen van de wet, van verordeningen en verdragen. Internationale rechtsmacht 5.15 Het hof is ingevolge artikel 1013, derde lid, Rv bij uitsluiting bevoegd tot kennisneming van het verzoek, maar aan die bepaling kan het hof geen internationale rechtsmacht ontlenen. 5.16 Voor zover het verzoek betrekking heeft op personen ten aanzien van wie verzocht wordt dat de Settlement Agreement verbindend zal worden verklaard, die op de dag waarop het oorspronkelijke verzoekschrift werd ingediend (11 april 2007), géén woonplaats hadden in Nederland of in één van de hierna, onder 5.17, te noemen staten, kan het hof internationale rechtsmacht ontlenen aan artikel 3, aanhef en onder a, Rv. Immers zoals hierboven, onder 5.1, al is overwogen hebben vijf van de verzoeksters hun woonplaats in Nederland. 5.17 Voor zover het verzoek betrekking heeft op belanghebbenden die op voormelde dag van indiening (11 april 2007) woonplaats hadden op het grondgebied van één van de staten die destijds al deelnamen aan de EEX-verordening, dan wel (nog) deelnamen aan het EEX-verdrag, of het EVEX-verdrag (hierna ook: de verordening- en verdragstaten), kan het hof slechts internationale rechtsmacht ontlenen aan de relevante artikelen van deze verordening en verdragen. De onderhavige verzoekschriftprocedure moet immers worden geacht te behoren tot de burgerlijke en handelszaken als bedoeld in artikel 1, eerste lid, EEX-verordening, EEX-verdrag en EVEX-verdrag en de thans besproken belanghebbenden moeten immers worden geacht personen te zijn, van wie de artikelen 2, eerste lid, en 3, eerste lid, van genoemde verordening en verdragen bepalen, voor zover thans van belang, dat zij worden opgeroepen voor een gerecht van de staat op wiens grondgebied zij woonplaats hebben, en dat zij slechts voor een gerecht van een andere staat kunnen worden opgeroepen krachtens de regels die in de relevante artikelen van deze verordening en verdragen zijn neergelegd. 5.18 Met betrekking tot de belanghebbenden die destijds woonplaats hadden in Nederland – daarbij gaat het in elk geval om één van de verweerders, namelijk Dexia, en eventueel om ten minste 751 (zie hierboven, onder 5.10.
- a)(rechts)personen met aan de verzoeksters bekende woonplaats – kan het hof internationale rechtsmacht ontlenen aan artikel 2, eerste lid, van genoemde verordening en verdragen. 5.19 Met betrekking tot de belanghebbenden die destijds woonplaats hadden buiten Nederland in één van de andere verordening- en verdragstaten, kan het hof internationale rechtsmacht ontlenen aan artikel 6, aanhef en onder 1, van genoemde verordening en verdragen, mits aan de in die bepaling omschreven voorwaarde is voldaan. Het hof is immers “het gerecht van de woonplaats” (in de zin van bedoeld artikel 6, aanhef en onder 1, in verband met artikel 1013, derde lid, Rv) van Dexia en voormelde 751 (rechts)personen. 5.20 Te onderzoeken staat dus of aan die voorwaarde is voldaan. De voorwaarde verlangt “dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven”. 5.21 Bij de “vorderingen” in de zin die de voorwaarde daaraan kennelijk toekent, moet in het onderhavige geval worden gedacht aan door Shell aan te spannen zaken tegen personen aan wie, naar de stellingen van die personen, schade is veroorzaakt door de gebeurtenissen die hierboven, onder 3.15, al aan de orde kwamen, en hun rechtverkrijgenden. Voor zover die personen woonplaats hebben in Nederland, is één van die “vorderingen” het onderhavige verzoek tot verbindendverklaring op de voet van artikel 1013 Rv. De andere verordening- en verdragstaten kennen een dergelijke “vordering” niet; in die landen moet men bijv. denken aan vorderingen gericht op een verklaring voor recht dat aan die personen slechts een aanspraak onder de Settlement Agreement toekomt en dat Shell daarnaast uit hoofde van onrechtmatige daad niet aansprakelijk is. Het is aanstonds evident dat in geval van beslechting van deze geschillen in de afzonderlijke landen, en zelfs bij verschillende rechters binnen één land, zich niet alleen een grote divergentie zal voordoen maar ook dat daarbij tegenstrijdige en onverenigbare beslissingen zullen worden gegeven, nu de divergentie zich tevens zal voordoen in het kader van eenzelfde feitelijke en juridische situatie. Daarbij is van betekenis dat de feiten waarop de vorderingen gegrond zullen zijn, niet in alle afzonderlijke landen maar alleen in Nederland en Engeland zijn begaan. 5.22 Bij de mondelinge behandeling heeft het hof – gegeven de bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van de in beginsel door Nederlands recht beheerste rechtsverhouding tussen de in Den Haag gevestigde Nederlandse vennootschap (Shell Petroleum) enerzijds en gelaedeerde aandeelhouders van deze Nederlandse vennootschap anderzijds - de vraag aan de orde gesteld of aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van de rechtsverhouding tussen de in Londen gevestigde Engelse vennootschap (Shell Transport and Trading) enerzijds en gelaedeerde aandeelhouders van deze Engelse vennootschap anderzijds in de weg staan omstandigheden als: dat deze rechtsverhouding mogelijk door vreemd recht, in het bijzonder Engels recht, wordt beheerst; dat verbindendverklaring tot gevolg zou hebben dat bijv. de Engelse rechter deze zou moeten erkennen, zodat de aandeelhouders van de Engelse vennootschap geen (volledige) toegang meer zouden hebben tot de, anders bevoegde, Engelse rechter tenzij een opt-outverklaring is afgelegd. 5.23 Het hof is van oordeel dat de mogelijkheid dat de schadevorderingen van aandeelhouders van de Engelse vennootschap geheel of ten dele door een ander rechtsstelsel worden beheerst dan die van de aandeelhouders van de Nederlandse vennootschap, op zichzelf genomen nog niet meebrengt dat tussen die schadevorderingen niet de nauwe band bestaat, die de voorwaarde verlangt. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de aandeelhouders van de Engelse vennootschap geen (volledige) toegang meer zouden hebben tot de, anders bevoegde, Engelse rechter tenzij een opt-outverklaring is afgelegd. 5.24 Het moge immers zo zijn dat een buiten Nederland woonachtige benadeelde aandeelhouder van de Engelse vennootschap er in de regel niet op bedacht zal zijn, dat de rechtsverhouding tussen hem en de Engelse vennootschap door een verbindendverklaring in Nederland wordt gewijzigd, dat daardoor ook het op die rechtsverhouding toepasselijke recht wordt gewijzigd (immers de Settlement Agreement en de Eerste Wijziging bevatten een keuze voor Nederlands intern recht) en dat de aanvankelijk bevoegde rechter geheel of ten dele zijn bevoegdheid verliest, maar dat is nog geen reden om het belang dat artikel 6, aanhef en onder 1, van de genoemde verordening en verdragen beoogt te dienen, te doorkruisen. Dit belang is immers het zwaar wegende belang van de goede rechtsbedeling. 5.25 Om dezelfde reden kan ook niet als juist worden aanvaard de opvatting dat een verbindendverklaring in beginsel slechts werking zou hebben wanneer een gelaedeerde verhaal zoekt binnen het territoir van Nederland, naar analogie van het akkoord in faillissement. Ook dat zou immers een onaanvaardbare doorkruising van voormeld belang opleveren. 5.26 Het hof is voorts van oordeel dat ook het feit dat het hier om schade gaat, die naar de stellingen van de belanghebbenden veroorzaakt is door onrechtmatig handelen respectievelijk van de Nederlandse vennootschap jegens een bepaalde categorie van haar aandeelhouders en van de Engelse vennootschap jegens een bepaalde categorie van dier aandeelhouders, niet afdoet aan de meer genoemde nauwe band tussen de vorderingen van de aandeelhouders van beide categorieën. Weliswaar zijn de Nederlandse en de Engelse vennootschap zelfstandige rechtspersonen, die ieder eigen aandelen, met onderling verschillende nominale waarden hebben (althans hadden), maar daar staat tegenover dat de Nederlandse en de Engelse vennootschap onderling sterk verweven waren, zoals hierboven, onder 3.1, is omschreven, en dat zij op het punt van de gebeurtenissen die tot de Settlement Agreement aanleiding hebben gegeven, steeds dezelfde koers volgden en geen materieel van elkaar te onderscheiden handelingen hebben verricht. Zij bedienden zich van één groepsjaarrekening en -verslag, die op geconsolideerde basis waren samengesteld. Mededelingen inzake de reserves in deze jaarrekening en dit jaarverslag, dan wel het ontbreken ervan, zijn gelijkelijk toerekenbaar aan beide vennootschappen. Het deed er niet toe of die mededelingen door de Nederlandse of door de Engelse vennootschap werden gedaan en niet werden gedaan, hetgeen de verzoeksters bij de mondelinge behandeling ook met zoveel woorden hebben erkend. Daarom bestaat tussen de vorderingen tegen de Nederlandse en de Engelse vennootschap de vereiste nauwe band. 5.27 De gevolgtrekking moet dan zijn dat aan de voorwaarde van artikel 6, aanhef en onder 1, van de genoemde verordening en verdragen is voldaan. Het hof kan derhalve internationale rechtsmacht ontlenen aan die bepaling. 6. Inhoudelijke beoordeling De vereisten van artikel 7:907, eerste lid, BW 6.1 De Settlement Agreement voorziet in de toekenning van vergoedingen aan bepaalde benadeelden voor schade die is veroorzaakt, kort gezegd (zie ook hierboven, onder 3.15), doordat in de periode van 8 april 1999 tot en met 18 maart 2004 door Shell openbaar gemaakte informatie betreffende de categorisatie van olie- en gasreserves en koolwaterstofreserves, waarover zij destijds beschikte, mogelijk niet in overeenstemming was met de wijze waarop deze reserves krachtens de toepasselijke regelgeving hadden moeten worden gecategoriseerd, alsmede door de bekendmakingen door Shell op 9 januari 2004 en op 18 maart 2004 van de desbetreffende mogelijke onregelmatigheden en van haar voornemen tot hercategorisatie van de betrokken reserves, waarbij de eerder opgegeven omvang daarvan zou worden verminderd. De aanvankelijke mogelijk onjuiste categorisatie van de betrokken reserves, waardoor van de omvang daarvan een te rooskleurig beeld werd gegeven, heeft de koers van het aandeel Shell op beurzen waarop dit werd verhandeld, in opwaartse richting gestuwd. De bekendmakingen van de mogelijke onregelmatigheden en het voornemen tot hercategorisatie hebben een tegengesteld effect gehad en juist tot koersdalingen geleid. Personen die in de periode van 8 april 1999 tot en met 18 maart 2004 aandelen Shell hebben gekocht, kunnen schade hebben geleden doordat zij hebben gekocht tegen een koers die niet in overeenstemming was met de werkelijke omvang van de reserves waarover Shell beschikte en die in zoverre te hoog was, terwijl de werkelijke omvang van die reserves kan worden geacht tot uitdrukking te zijn gekomen in de lagere koers van het aandeel Shell die is tot stand gekomen na de bekendmakingen op 9 januari 2004 en op 18 maart 2004. 6.2 Gebeurtenissen zoals de hierboven genoemde mogelijke onjuistheid van door Shell openbaar gemaakte informatie betreffende de categorisatie van olie- en gasreserves en koolwaterstofreserves, de latere bekendmaking van mogelijke onregelmatigheden dienaangaande en de bekendmaking van het voornemen tot hercategorisatie, kunnen worden beschouwd als gebeurtenissen als gevolg waarvan derden, namelijk personen die in de betrokken periode aandelen Shell hebben gekocht, door de wijze waarop die gebeurtenissen de koersvorming van het aandeel Shell hebben beïnvloed, schade hebben geleden. Een overeenkomst die voorziet in de toekenning van vergoedingen voor schade die is teweeggebracht door de genoemde gebeurtenissen, zoals de Settlement Agreement, is derhalve een overeenkomst waarop artikel 7:907, eerste lid, BW van toepassing is en die op de voet van deze bepaling verbindend kan worden verklaard, als aan de overige vereisten voor verbindendverklaring is voldaan. Dit wordt niet anders doordat de Settlement Agreement de kring van benadeelden ten behoeve van wie zij in een vergoeding voorziet, beperkt tot, kort gezegd, personen die in de periode van 8 april 1999 tot en met 18 maart 2004 aandelen Shell hebben gekocht, personen die buiten de Verenigde Staten woonden of verbleven toen zij die aandelen kochten, en personen die de desbetreffende aandelen hebben gekocht op een effectenbeurs buiten de Verenigde Staten, aan al welke maatstaven moet zijn voldaan. Artikel 7:907 BW eist niet dat de overeenkomst waarvan de verbindendverklaring wordt verzocht, voorziet in vergoedingen voor al degenen die als gevolg van de betrokken gebeurtenissen schade hebben geleden en laat dergelijke beperkingen daarom in beginsel toe, tenzij – naar volgt uit artikel 7:907, derde lid onder b, BW – deze tot gevolg zouden hebben dat de hoogte van de toegekende vergoedingen niet redelijk is (waarover nader onder 6.19). 6.3 Artikel 907, eerste lid, BW voorziet uitsluitend in de mogelijkheid van verbindendverklaring van een overeenkomst tot vergoeding van schade zoals in dat artikellid bedoeld, als deze overeenkomst is gesloten door (
- i)een of meer partijen die zich bij de overeenkomst tot schadevergoeding hebben verbonden en (
- ii)een of meer stichtingen of verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid die de belangen van de personen aan wie de schade is veroorzaakt, ingevolge hun statuten behartigen. Aan voorwaarde (
- i)is voldaan, nu Shell zich als partij bij de Settlement Agreement heeft verbonden tot vergoeding van schade. Aan voorwaarde (
- ii)is voldaan ten aanzien van de Stichting en VEB. De eerste is een stichting, de tweede een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid. De Stichting behartigt krachtens artikel 3 van haar statuten uitdrukkelijk (mede) de belangen van de personen voor wie de Settlement Agreement in een vergoeding voorziet ter zake van schade teweeggebracht door de onder 6.1 genoemde gebeurtenissen. VEB behartigt krachtens artikel 3 van haar statuten “de belangen van effectenbezitters in de ruimste zin des woords”, waaronder de behartiging van de belangen van de zojuist bedoelde personen, die immers alle effectenbezitters zijn of waren en in deze hoedanigheid schade hebben geleden, mede valt te begrijpen. Hieraan doet niet af dat de werkzaamheid van VEB, naar het hof begrijpt, feitelijk tot Nederland beperkt is, op welke grond zou kunnen worden betoogd dat VEB niet kan worden geacht ingevolge haar statuten (ook) de belangen te behartigen van personen buiten Nederland die door de onder 6.1 genoemde gebeurtenissen schade hebben geleden. De wet eist immers niet dat iedere verzoekende stichting of vereniging afzonderlijk ingevolge haar statuten de belangen behartigt van alle personen aan wie de schade is veroorzaakt. 6.4 Aan voorwaarde (
- ii)is niet voldaan ten aanzien van ABP en PGGM. ABP en PGGM zijn pensioenfondsen die krachtens hun statuten tot doel hebben, kort gezegd, het verzekeren van pensioenen van werknemers en nagelaten betrekkingen van dezen, van bij de fondsen aangesloten lichamen, en het verrichten van hieraan dienstbare handelingen. Onder deze doelstelling, ook indien in ruime zin uitgelegd, kan niet worden begrepen de behartiging van de belangen van personen aan wie de onder 6.1 genoemde gebeurtenissen schade hebben veroorzaakt. Het gaat daarbij immers om personen die op zeker moment aandelen Shell hebben gekocht, niet om personen voor wie bij ABP of PGGM een pensioen is verzekerd en van wie deze zich de belangen aantrekken. Dat ABP en PGGM zelf aandelen Shell hebben gekocht en zelf schade hebben geleden, als gevolg waarvan laatstbedoelde personen onrechtstreeks zijn benadeeld, door een vermindering van het voor pensioenuitkeringen beschikbare vermogen, brengt niet mee dat ABP en PGGM kunnen worden geacht de belangen van eerstbedoelde personen ingevolge hun statuten te behartigen. Nu ten aanzien van ABP en PGGM derhalve niet is voldaan aan voorwaarde (ii), kan de Settlement Agreement ten aanzien van deze partijen niet verbindend worden verklaard. De vereisten van artikel 7:907, tweede lid, BW 6.5 Om in aanmerking te komen voor verbindendverklaring voor zover zij tussen Shell, de Stichting en VEB is gesloten, dient de Settlement Agreement de gegevens te bevatten waarvan artikel 7:907, tweede lid, BW voorschrijft dat de overeenkomst deze bevat. De Settlement Agreement volgt de opzet van het genoemde artikellid niet en is hierdoor op de desbetreffende punten weinig inzichtelijk. Desalniettemin kan in de Settlement Agreement een omschrijving worden gevonden van de (onder 6.2 genoemde) groep van personen ten behoeve van wie de overeenkomst is gesloten (in de definitie van “Participating Shareholders” in artikel XIII.A.54), een aanduiding van het aantal personen dat tot deze groep behoort (meer dan vijfhonderdduizend, genoemd in de inleidende overwegingen op bladzijde 5), en de vergoeding die aan die personen zal worden toegekend (bestaande uit een hoofdsom van USD 340.100.000,-, genoemd in de inleidende overwegingen en in artikel XIII.A.80, en een aanvullend bedrag van USD 12.500.000,-, genoemd in de inleidende overwegingen en in artikel XIII.A.89, welke bedragen over de personen ten behoeve van wie de Settlement Agreement is gesloten, dienen te worden verdeeld en die indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, waarover nader onder 6.13, zullen worden verhoogd met een deel van het door Shell aan de SEC betaalde bedrag). 6.6 De voorwaarden waaraan de hiervoor bedoelde personen moeten voldoen om voor een vergoeding in aanmerking te komen, kunnen deels worden begrepen uit de omschrijving van “Participating Shareholders” in artikel XIII.A.54 van de Settlement Agreement, deels uit de artikelen II.C en II.D van de Settlement Agreement en deels uit het “Plan of Allocation of the Proceeds of the Settlement among Participating Shareholders” dat als bijlage C deel uitmaakt van de Settlement Agreement. Uit de zojuist genoemde artikelen II.C en II.D en de genoemde bijlage C kan tevens worden opgemaakt op welke wijze de vergoeding die toekomt aan daarvoor in aanmerking komende personen, zal worden vastgesteld en kan worden verkregen. Met het vorenstaande en het onder 6.5 vermelde bevat de Settlement Agreement de gegevens waarvan vermelding is voorgeschreven in artikel 7:907, tweede lid onder a tot en met e, BW. 6.7 Krachtens artikel 7:907, tweede lid onder f, BW dient de Settlement Agreement voorts een opgave te bevatten van de naam en de woonplaats van degene aan wie in geval van verbindendverklaring van de Settlement Agreement, gerechtigden tot een vergoeding door een schriftelijke mededeling kunnen laten weten dat zij niet aan de verbindend verklaarde overeenkomst gebonden willen zijn. De Settlement Agreement bepaalt in artikel VII.A, kort gezegd, dat een hiertoe strekkende schriftelijke mededeling moet worden gericht aan de “Administrator”, waarna artikel XIII.A.4 deze Administrator omschrijft als degene die door de Stichting is aangezocht om mee te werken aan de uitvoering van het in de Settlement Agreement bepaalde, daaronder naar blijkt uit dat artikel onder (iii) mede begrepen het in ontvangst nemen en bijhouden van mededelingen zoals zojuist bedoeld. Noch de naam, noch de woonplaats van de Administrator zijn in de Settlement Agreement (in engere zin) vermeld. 6.8 In artikel D van de Eerste Wijziging (waarover hierboven, onder 3.27, al werd overwogen) is evenwel opgenomen dat Administrator is de vennootschap naar buitenlands recht Epiq Systems, Inc., (mede) gevestigd te Portland, Oregon, Verenigde Staten, die als zodanig door de Stichting is uitgekozen en die naar het hof begrijpt de desbetreffende opdracht heeft aanvaard. Het hof leidt af, uit de inhoud van de eerste pagina van de door/namens de verzoeksters gebezigde oproeping voor de mondelinge behandeling in deze zaak, dat Epiq Systems, Inc., voor het doel van haar werkzaamheden als Administrator werkzaam zal zijn vanuit Londen, Verenigd Koninkrijk, en hierbij mede zal handelen onder de naam “Royal Dutch Shell Settlement Administrator”, vanaf het adres 128-129 Cheapside, London EC2V 6BT, United Kingdom. Het hof verstaat dat verzoeksters hebben bedoeld de Settlement Agreement met deze gegevens aan te vullen. Er is geen rechtsregel die zich hiertegen verzet, zodat de Settlement Agreement thans kan worden geacht de naam en de woonplaats te bevatten, zoals zojuist vermeld, van degene aan wie in geval van verbindendverklaring van de Settlement Agreement, gerechtigden tot een vergoeding kunnen laten weten niet gebonden te willen zijn. 6.9 Het hierboven overwogene leidt tot de gevolgtrekking dat de Settlement Agreement voldoet aan artikel 7:907, tweede lid, BW. De grond voor afwijzing van het verzoek genoemd in artikel 7:907, derde lid onder a, BW doet zich derhalve niet voor. Het vereiste van artikel 7:907, derde lid onder b, BW 6.10 Volgens artikel 7:907, derde lid aanhef en onder b, BW moet het verzoek worden afgewezen als de hoogte van de vergoedingen waarin de Settlement Agreement voorziet, niet redelijk is, mede gelet op de omvang van de schade, de eenvoud en snelheid waarmee de vergoedingen kunnen worden verkregen en de mogelijke oorzaken van de schade. De hoogte van de vergoedingen kwam hierboven, onder 3.16 e.v., al ter sprake; daarnaar wordt hier allereerst verwezen. Met het oog op de toetsing die thans aan de orde is, verdient het volgende vermelding. De (totale) vergoeding die aan degenen ten behoeve van wie de Settlement Agreement is gesloten, zal worden toegekend, bestaat uit een hoofdsom van USD 340.100.000,- en een aanvullend bedrag van USD 12.500.000,-, welke bedragen onder voorwaarden nog zullen worden verhoogd. Het geheel van de onvoorwaardelijk toe te kennen vergoeding beloopt derhalve USD 352.600.000,-. 6.11 De genoemde hoofdsom van USD 340.100.000,- zal worden verdeeld volgens bepaalde criteria die zijn vastgelegd in onderdeel D van het onder 6.6 genoemde “Plan of Allocation of the Proceeds of the Settlement among Participating Shareholders”. Die criteria verdelen de aandeelhouders die kunnen worden geacht door de onder 6.1 genoemde gebeurtenissen schade te hebben geleden, in drie groepen naargelang van de omvang van hun schade. Hierbij wordt aangeknoopt bij de datum waarop zij aandelen Shell hebben gekocht (vanaf 8 april 1999), de datum waarop zij die aandelen mogelijk weer hebben verkocht (vóór 9 januari 2004 of tussen 9 januari 2004 en 18 maart 2004) en de mogelijkheid dat zij de gekochte aandelen nog steeds hielden op 18 maart 2004, alsmede bij de hoogte van de koopprijs in vergelijking met een referentieprijs. Voor ieder van deze groepen zijn parameters opgenomen aan de hand waarvan de vergoeding die aan daartoe behorende aandeelhouders toekomt, dient te worden berekend. Ten slotte is een regeling opgenomen voor de berekening van vergoedingen aan aandeelhouders behorend tot één van de hiervoor bedoelde groepen, die, kort gezegd, op 8 april 1999 reeds aandelen Shell hielden of die in de periode van 8 april 1999 tot en met 18 maart 2004 meer aan- en verkopen hebben gedaan. 6.12 Het aanvullende bedrag van USD 12.500.000,- zal, naar volgt uit artikel II.D van de Settlement Agreement, gelijkelijk (“equally”) worden verdeeld over de aandeelhouders die in aanmerking komen voor een vergoeding zoals bepaald in het Plan of Allocation of the Proceeds of the Settlement among Participating Shareholders en die te kennen hebben gegeven zo’n vergoeding te willen ontvangen. Het hof begrijpt hieruit, mede in aanmerking genomen de door verzoeksters gegeven toelichting, dat de vergoeding die uit het bedrag van USD 12.500.000,- aan ieder van de betrokken aandeelhouders zal worden toegekend, dient te worden berekend door dit bedrag te delen door de som van het aantal in aanmerking komende personen, ongeacht het aantal aandelen Shell dat zij hebben gehouden en ongeacht het aantal aan- of verkopen daarvan dat zij in de periode van 8 april 1999 tot en met 18 maart 2004 hebben verricht. De Settlement Agreement, in het bijzonder artikel II.D, moet derhalve aldus worden verstaan. 6.13 De hierboven genoemde bedragen zullen worden verhoogd met een gedeelte van het bedrag dat Shell aan de SEC heeft betaald (USD 120.000.000,-) en mogelijke rente daarover, indien de SEC besluit dat bedrag, vermeerderd met eventuele rente, beschikbaar te stellen voor het doen van uitkeringen aan personen die door de onder 6.1 genoemde gebeurtenissen schade hebben geleden. Het beschikbaar komende bedrag zal in dit geval moeten worden verdeeld over (
- i)de personen ten behoeve van wie de Settlement Agreement is gesloten, (
- ii)personen die in de Verenigde Staten woonden of verbleven toen zij aandelen Shell kochten (in de periode van 8 april 1999 tot en met 18 maart 2004), en (iii) personen die de desbetreffende aandelen hebben gekocht op een effectenbeurs in de Verenigde Staten, ongeacht hun toenmalige woon- of verblijfplaats. Voor zover het gaat om personen behorend tot groep (i), voorzien artikel I.H van de Settlement Agreement en de (eerste) “Ancillary Agreement to Settlement Agreement”, die als bijlage A deel uitmaakt van de Settlement Agreement, in de toekenning van vergoedingen. De hoogte van die vergoedingen zal, voor alle zojuist genoemde groepen, worden bepaald “on equal and equitable terms”, zoals vermeld in de brief van 30 maart 2007 van de SEC die als bijlage F tot de Settlement Agreement behoort. Het hof begrijpt uit de (eerste) Ancillary Agreement to Settlement Agreement dat hiertoe een verdelingsplan zal worden opgesteld (het “SEC Distribution Plan” zoals omschreven in artikel XIII.A.75 van de Settlement Agreement), dat zal worden uitgevoerd door de onder 6.7 en 6.8 bedoelde Administrator. Uit de toelichting van verzoeksters tijdens de mondelinge behandeling begrijpt het hof dat de SEC inmiddels heeft besloten dat het gehele bedrag dat Shell aan de SEC heeft betaald (USD 120.000.000,-), beschikbaar zal worden gesteld voor uitkering aan personen behorend tot de hiervoor genoemde groepen, zodat thans vast staat dat een gedeelte van dit bedrag zal worden uitgekeerd aan personen ten behoeve van wie de Settlement Agreement is gesloten. Uit de door verzoeksters overgelegde opinies van de professoren A. Ferrell en M.A. Perino, waarover nader onder 6.16, begrijpt het hof voorts dat dit gedeelte omstreeks USD 96.000.000,- bedraagt. 6.14 Teneinde in aanmerking te komen voor vergoedingen zoals onder 6.11 tot en met 6.13 bedoeld, zullen de desbetreffende personen een aanvraagformulier (een “Claim Form” zoals omschreven in artikel XIII.A.19 van de Settlement Agreement) moeten invullen en indienen bij de Administrator. Het hof begrijpt uit artikel II.C.2 van de Settlement Agreement en artikel I.C.4.a van de (eerste) Ancillary Agreement to Settlement Agreement dat één formulier volstaat om in aanmerking te komen voor alle hiervoor bedoelde vergoedingen, zodat de Settlement Agreement aldus moet worden verstaan. Op het aanvraagformulier moeten, kort gezegd, de gegevens worden ingevuld die noodzakelijk zijn om vast te stellen of de indiener behoort tot de personen die op grond van de Settlement Agreement recht hebben op een vergoeding, en die noodzakelijk zijn om de hoogte van de desbetreffende vergoeding respectievelijk vergoedingen te berekenen. Voorts dient op het aanvraagformulier te worden vermeld, kort gezegd, dat aan Shell kwijting wordt verleend ter zake van haar aansprakelijkheid uit hoofde van de onder 6.1 genoemde gebeurtenissen. De beoordeling van de aanvraagformulieren, de berekening van de hoogte van de vergoedingen en de uitbetaling hiervan ligt, naar volgt uit artikel VIII.A.4 van de Settlement Agreement, in handen van de Administrator. 6.15 Er is geen grond om aan te nemen dat de hoogte van de vergoeding van USD 352.600.000,-, aangevuld met een deel van USD 120.000.000,- (omstreeks USD 96.000.000,-), die de Settlement Agreement toekent aan de personen ten behoeve van wie zij is gesloten, uitgaande van de in de Settlement Agreement aangelegde maatstaven voor verdeling, niet redelijk is. Het verzoek zal derhalve niet op deze grond worden afgewezen. Hierbij is op de eerste plaats van belang dat de Settlement Agreement brede steun heeft gekregen, waarover nader onder 6.23 tot en met 6.25, uit kringen van personen die kunnen worden geacht door de onder 6.1 genoemde gebeurtenissen schade te hebben geleden, en dat tot degenen die van hun steun blijk hebben gegeven, als ter zake kundig en goed ingelicht te beschouwen belanghebbenden behoren, zoals institutionele beleggers en organisaties die voor de belangen van beleggers opkomen. 6.16 Op de tweede plaats hebben verzoeksters, uitgaande van de onvoorwaardelijke vergoeding van USD 352.600.000,-, onweersproken en ondersteund door opinies van een tweetal Amerikaanse hoogleraren (A. Ferrell en M.A. Perino) aangevoerd dat dit bedrag ruim bemeten is ten opzichte van en in ieder geval vergelijkbaar is met vergoedingen die zijn overeengekomen in vergelijkbare zaken in de Verenigde Staten. Professor Ferrell noemt (op bladzijde 6 van zijn opinie) de vergoeding waarin de Settlement Agreement voorziet, “quite generous” in verhouding tot schikkingsbedragen in laatstbedoelde zaken en professor Perino spreekt (op bladzijde 2 van zijn opinie) van “a recovery that is equivalent to and likely better than settlements that have been approved as fair in similar cases” in de Verenigde Staten. Beide opinies worden door daarin vermelde empirische gegevens ondersteund. In dit verband heeft professor Perino onder meer berekend (op bladzijde 16 van zijn opinie) dat de Settlement Agreement voorziet in een vergoeding van 9,79% tot 12,46% van de geschatte schade van personen buiten de Verenigde Staten als gevolg van de onder 6.1 genoemde gebeurtenissen, welke percentages hij omschrijft als “much better than the typical plaintiff could hope to recover” in een procedure in de Verenigde Staten en (op bladzijde 18 van zijn opinie) als “a seemingly far superior result” in verhouding tot schikkingsbedragen in vergelijkbare zaken in de Verenigde Staten. 6.17 Op de derde plaats kan niet worden gezegd dat het stelsel van vergoedingen waarin de Settlement Agreement voorziet, niet redelijk is, indien acht wordt geslagen op de onzekerheid van de uitkomst van eventuele rechtsgedingen tegen Shell van personen ten behoeve van wie de Settlement Agreement is gesloten, ter zake van de onder 6.1 genoemde gebeurtenissen, de kosten die voor deze personen met het voeren van dergelijke gedingen zouden zijn gemoeid, en de belangen van bedoelde personen bij het beëindigen van die onzekerheid en het voorkomen van die kosten. Bij dit oordeel is mede van belang dat verzoeksters onweersproken hebben gesteld, terwijl het hof niet anders gewaar is geworden, dat de onder 6.1 genoemde gebeurtenissen buiten de Verenigde Staten geen aanleiding hebben gegeven tot rechtsgedingen waarin personen die kunnen worden geacht door die gebeurtenissen schade te hebben geleden, Shell tot vergoeding daarvan hebben aangesproken. Hieruit kan geen andere gevolgtrekking worden gemaakt dan dat de onzekerheid van de uitkomst van dergelijke gedingen en de met het voeren hiervan gemoeide kosten klaarblijkelijk, in ieder geval buiten de Verenigde Staten, een obstakel voor belanghebbenden vormen om te trachten langs die weg vergoeding van hun schade te verkrijgen, welk obstakel de Settlement Agreement voor de personen ten behoeve waarvan zij is gesloten, tot het bedrag van de daarbij toegekende vergoedingen wegneemt. 6.18 Andere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de hoogte van de vergoedingen waarin de Settlement Agreement voorziet, niet redelijk is, zijn het hof niet gebleken. Dat de omvang en de mogelijke oorzaken van de geleden schade een zodanig oordeel niet kunnen dragen, volgt reeds uit het onder 6.15 tot en met 6.17 overwogene. Dat personen die in aanmerking willen komen voor een vergoeding op grond van de Settlement Agreement, een formulier moeten invullen en indienen zoals onder 6.14 beschreven, is gelet op de feitelijke gegevens die zijn benodigd voor de uitvoering van het in de Settlement Agreement bepaalde, in het bijzonder de berekening en de uitbetaling van vergoedingen, onvermijdelijk. Daarin kan derhalve geen beletsel voor de eenvoud en de snelheid waarmee vergoedingen kunnen worden verkregen (zoals bedoeld in artikel 7:907, derde lid onder b, BW), worden gevonden, terwijl een dergelijk beletsel evenmin anderszins is gebleken. Dat de Settlement Agreement uitsluitend vergoedingen toekent in Amerikaanse dollars, ofschoon de personen ten behoeve van wie zij is gesloten buiten de Verenigde Staten woonden of verbleven, en hiermee het risico van een waardedaling van de Amerikaanse dollar ten opzichte van andere valuta neerlegt bij de ontvangers van de vergoedingen, leidt evenmin tot het oordeel dat de hoogte van de toegekende vergoedingen niet redelijk is. De keuze voor de Amerikaanse dollar als enige munteenheid is verdedigbaar, nu (
- i)dit een in het internationale betalingsverkeer gangbare munteenheid is, die in het algemeen eenvoudig in andere valuta kan worden omgewisseld, (
- ii)degenen die voor een vergoeding in aanmerking komen in landen met uiteenlopende munteenheden wonen of verblijven, en nu (iii) die keuze uniformiteit in de hoogte van de toegekende vergoedingen bewerkstelligt. 6.19 Aan het onder 6.15 tot en met 6.18 overwogene doet niet af dat de kring van personen die voor een vergoeding op grond van de Settlement Agreement in aanmerking komen, beperkt is doordat de Settlement Agreement uitsluitend voorziet in vergoedingen aan, kort gezegd, personen die in de periode van 8 april 1999 tot en met 18 maart 2004 aandelen Shell hebben gekocht, personen die buiten de Verenigde Staten woonden of verbleven toen zij die aandelen kochten, en personen die de desbetreffende aandelen hebben gekocht op een effectenbeurs buiten de Verenigde Staten, aan al welke maatstaven moet zijn voldaan wil men voor een vergoeding in aanmerking komen. De eerste, temporele, beperking vindt een verklaring in het feit dat de eerste openbare bekendmaking door Shell waarbij reserves mogelijk onjuist zijn gecategoriseerd, is gedaan op 8 april 1999, terwijl de volle omvang van de mogelijke onjuistheden en van het voornemen van Shell tot hercategorisatie van de betrokken reserves kan worden geacht openbaar bekend te zijn geworden door de daarop betrekking hebbende bekendmaking van Shell op 18 maart 2004 (na haar eerdere bekendmaking op 9 januari 2004). De koersvorming van het aandeel Shell op de grondslag van een mogelijk onjuiste opgave van reserves door Shell heeft dus plaatsgevonden van 8 april 1999 tot en met 18 maart 2004, zodat de schade die houders van aandelen Shell daardoor (kunnen) hebben geleden, zich tot dit tijdvak beperkt. De tweede en derde, geografische, beperkingen volgen uit het feit dat ten behoeve van personen die in de Verenigde Staten woonden of verbleven toen zij aandelen Shell kochten en ten behoeve van personen die de desbetreffende aandelen kochten op een effectenbeurs in de Verenigde Staten, een afzonderlijke schikking is overeengekomen, die voor zulke personen in vergelijkbare vergoedingen voorziet als de Settlement Agreement. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de hoogte van de vergoedingen waarin de Settlement Agreement voorziet, wegens de hiervoor genoemde beperkingen niet redelijk is. 6.20 Het verweer van Dexia c.s. erop neerkomend dat de hoogte van de bij de Settlement Agreement toegekende vergoedingen niet redelijk is, moet worden verworpen voor zover het steunt op gronden die hierboven reeds aan de orde zijn geweest. Hetzelfde geldt voor zover het verweer steunt op de stelling dat uit de Settlement Agreement niet duidelijk is of ook personen die (in de periode van 8 april 1999 tot en met 18 maart 2004) aandelen Shell hebben gekocht op een andere wijze dan op een effectenbeurs, voor een vergoeding in aanmerking komen, alsmede voor zover het verweer inhoudt dat een zodanige beperking zou leiden tot onredelijkheid van de hoogte van de vergoedingen. Uit de overweging op bladzijde 4 van de Settlement Agreement dat de overeenkomst bedoelt schade te vergoeden van personen (buiten de Verenigde Staten) die aandelen Shell hebben gekocht “on markets or exchanges outside of the United States”, in samenhang met de omschrijving van Participating Shareholders in artikel VIII.A.54 en de verdere omschrijvingen in de artikelen VIII.A.41 en VIII.A.42, is voldoende duidelijk dat de Settlement Agreement slechts vergoedingen toekent aan personen die aandelen Shell hebben gekocht op een effectenbeurs. Het Plan of Allocation of the Proceeds of the Settlement among Participating Shareholders, dat als bijlage C deel uitmaakt van de Settlement Agreement, bevestigt dit in de artikelen D.1 en D.2, die uitsluitend voorzien in vergoedingen aan personen die aandelen Shell hebben gekocht “on the open market”, waarna een opsomming van bij naam genoemde effectenbeurzen wordt gegeven. De Settlement Agreement dient derhalve aldus te worden verstaan dat uitsluitend personen die aandelen Shell hebben gekocht op een effectenbeurs (en die aan de overige vereisten van de overeenkomst voldoen) voor een vergoeding op grond van de Settlement Agreement in aanmerking komen. Een zodanige beperking maakt de hoogte van de toegekende vergoedingen niet onredelijk, nu de koersvorming van aandelen Shell op de grondslag van door Shell openbaar gemaakte informatie (waaronder informatie betreffende de categorisatie van reserves) tot stand pleegt te komen op effectenbeurzen en schade door de onder 6.1 genoemde gebeurtenissen derhalve in beginsel kan worden geacht te zijn geleden door kopers van aandelen ter beurze. Hierbij komt nog dat aandelen Shell in het algemeen ter beurze plegen te worden verhandeld en dat daar tot stand gekomen aankopen en prijzen achteraf in de regel eenvoudig aantoonbaar zijn, hetgeen in mindere mate geldt voor aankopen die niet op een effectenbeurs hebben plaatsgevonden, zodat toekenning van een vergoeding aan personen die aandelen Shell anders dan op een effectenbeurs hebben gekocht, ook op praktische bezwaren zou stuiten. Het vereiste van artikel 7:907, derde lid onder f, BW 6.21 Artikel 7:907, derde lid aanhef en onder f, BW bepaalt dat een verzoek tot verbindendverklaring moet worden afgewezen als de stichting of vereniging die de overeenkomst is aangegaan waarop het verzoek betrekking heeft, niet voldoende representatief is ter zake van de belangen van degenen ten behoeve van wie de overeenkomst is gesloten. Het hof moet daarom de vraag beantwoorden of de rechtspersonen die met Shell de Settlement Agreement zijn aangegaan, voldoende representatief zijn in de zojuist bedoelde zin. Deze vraag behoeft uitsluitend te worden beantwoord voor de Stichting en VEB, aangezien de Settlement Agreement, zoals onder 6.4 overwogen, ten aanzien van ABP en PGGM hoe dan ook niet verbindend kan worden verklaard, nu de statutaire doelstellingen van deze rechtspersonen niet voldoen aan hetgeen artikel 7:907, eerste lid, BW dienaangaande vereist. 6.22 Waar het op aankomt, is of de Stichting en VEB tezamen voldoende representatief zijn ter zake van de belangen van de personen ten behoeve van wie de Settlement Agreement is gesloten. De wet eist niet dat zij dit ieder afzonderlijk zijn ten aanzien van al die personen, mits elk van hen voldoende representatief is voor een voldoende omvangrijk deel daarvan. Bij de beantwoording van de vraag of de Stichting en VEB voldoende representatief zijn, moet in ogenschouw worden genomen dat een duidelijke meerderheid van de personen ten behoeve van wie de Settlement Agreement is gesloten, buiten Nederland woont of verblijft, althans woonde of verbleef ten tijde van de onder 6.1 genoemde gebeurtenissen. Volgens opgave van verzoeksters (onder 3.2.12 van het verzoekschrift) werd in 1999 omstreeks 27% van de aandelen Shell gehouden door in Nederland woonachtige personen, 40% door in het Verenigd Koninkrijk woonachtige personen, 9% door personen woonachtig in andere Europese landen en 24% door in de Verenigde Staten woonachtige personen. In 2003 (het laatste jaar waarover verzoeksters opgave hebben gedaan) werd omstreeks 39% van de aandelen Shell gehouden door personen woonachtig in het Verenigd Koninkrijk, 41% door personen woonachtig in andere Europese landen (voor Nederland is over 2003 geen afzonderlijke percentage opgegeven), 19% door personen woonachtig in de Verenigde Staten en 1% door elders woonachtigen. De Settlement Agreement is niet gesloten ten behoeve van in de Verenigde Staten wonende aandeelhouders, zodat deze groep buiten beschouwing kan worden gelaten bij de beoordeling van de representativiteit van de Stichting en VEB. 6.23 VEB behartigt, zoals onder 6.3 vermeld, krachtens haar statuten “de belangen van effectenbezitters in de ruimste zin des woords” en zij ontplooit metterdaad tal van activiteiten die onder de noemer van gemeenschappelijke belangenbehartiging ten behoeve van in Nederland wonende of verblijvende aandeelhouders kunnen worden geschaard. Zij is daarom zonder meer voldoende representatief in de hierboven bedoelde zin ten aanzien van in Nederland wonende of verblijvende personen ten behoeve van wie de Settlement Agreement is gesloten. Dit betreft, uitgaande van de door verzoeksters opgegeven percentages, omstreeks een kwart van de houders van aandelen Shell ten tijde van de onder 6.1 genoemde gebeurtenissen. 6.24 De Stichting, die krachtens haar statuten de belangen behartigt van personen ten behoeve van wie de Settlement Agreement is gesloten, is een stichting waarvan de statuten de mogelijkheid kennen dat zogeheten “deelnemers” zich bij haar aansluiten door middel van het aangaan van een participatieovereenkomst met de Stichting. “Deelnemer” kunnen zijn institutionele beleggers en belangenbehartigers die opkomen voor de belangen van institutionele en/of particuliere beleggers, een en ander zoals in de statuten van de Stichting nader omschreven. Tot degenen die met de Stichting een participatieovereenkomst zijn aangegaan en aldus “deelnemer” zijn geworden, behoren, volgens opgave van verzoeksters, institutionele beleggers uit Nederland, het Verenigd Koninkrijk en andere Europese landen, waaronder pensioenfondsen en beleggingsmaatschappijen, alsmede verenigingen van beleggers in effecten, waaronder VEB en vergelijkbare verenigingen uit andere Europese landen. De United Kingdom Shareholders’ Association, een vereniging van aandeelhouders gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, heeft bij brief van 10 april 2007 (productie 11 bij het verzoekschrift) haar steun betuigd aan hetgeen bij de Settlement Agreement is overeengekomen. Schriftelijke steunverklaringen zijn voorts gegeven door institutionele beleggers uit verschillende Europese landen die niet als “deelnemer” kunnen worden aangemerkt (productie 12 bij het verzoekschrift). 6.25 Tot degenen die zich als “deelnemer” bij de Stichting hebben aangesloten of die een steunverklaring ten gunste van de Settlement Agreement hebben gegeven, behoren niet alleen institutionele beleggers maar ook verenigingen die (mede) opkomen voor de belangen van particuliere beleggers, en niet alleen in Nederland gevestigde rechtspersonen maar ook rechtspersonen uit het Verenigd Koninkrijk en andere Europese landen. Het gaat bovendien om betekenisvolle aantallen, waarbij volgens verzoeksters (onder 3.2.24 van het verzoekschrift) een meerderheid van de grootste bekende aandeelhouders van Shell buiten de Verenigde Staten de Settlement Agreement steunt. Mede in aanmerking genomen hetgeen onder 6.22 is overwogen met betrekking tot de geografische spreiding van aandeelhouderschap van Shell, volgt uit het voorgaande dat de Stichting in ieder geval tezamen met VEB voldoende representatief worden geacht ter zake van de belangen van de personen ten behoeve van wie de Settlement Agreement is gesloten. De grond voor afwijzing genoemd in artikel 7:907, derde lid onder f, BW doet zich derhalve niet voor. De overige vereisten van artikel 7:907, derde lid, BW 6.26 Dit laatste geldt ook voor de overige, hierboven niet reeds besproken afwijzingsgronden van artikel 7:907, derde lid, BW. Ten aanzien van de vraag of voldoende zekerheid is gesteld voor de voldoening van de vorderingen van degenen ten behoeve van wie de Settlement Agreement is gesloten (artikel 7:907, derde lid onder c, BW), is van belang dat de Settlement Agreement in artikel I.A bepaalt dat Shell binnen twintig dagen na de verbindendverklaring de bedragen van USD 340.100.000,- en USD 12.500.000,- die zullen worden betaald aan degenen die voor een vergoeding in aanmerking komen, zal overmaken naar een geblokkeerde rekening (de “escrow account”). Met betrekking tot deze rekening hebben Shell en de Stichting zich verplicht een afzonderlijke overeenkomst aan te gaan (de “escrow agreement”), zoals neergelegd in bijlage E bij de Settlement Agreement. Over de geblokkeerde rekening zullen Shell en de Stichting gezamenlijk het beheer voeren. De genoemde bedragen blijven op de geblokkeerde rekening staan totdat de mogelijkheid van beëindiging van de Settlement Agreement, die in artikel XI daarvan is voorzien, niet meer bestaat. Daarna zullen zij worden overgemaakt naar een andere rekening (de “cash settlement account”) die onder het uitsluitende beheer van de Stichting staat, vanaf welke rekening zij vervolgens zullen worden uitbetaald aan de gerechtigden volgens de verdeelsleutels die in de Settlement Agreement zijn bepaald. Dat de zojuist beschreven opzet onvoldoende zekerheid biedt voor de voldoening van de vorderingen van degenen die op grond van de Settlement Agreement aanspraak op een vergoeding kunnen maken, kan niet worden gezegd. Hierbij is mede van belang dat er geen reden is om in twijfel te trekken dat Shell daadwerkelijk in staat en bereid is om de hierboven genoemde bedragen te betalen. 6.27 Dat de Settlement Agreement niet voorziet in een onafhankelijke vaststelling van de vergoedingen waarop krachtens die overeenkomst aanspraak kan worden gemaakt (artikel 7:907, derde lid onder d, BW), kan evenmin worden gezegd. Die vaststelling is opgedragen aan de onder 6.7 en 6.8 genoemde “Administrator”, derhalve de van verzoeksters onafhankelijke rechtspersoon Epiq Systems, Inc., naar volgt uit de taakomschrijving van de Administrator in artikel XIII.A.4 onder (vi). Uit deze taakomschrijving blijkt immers dat “calculating and distributing settlement relief consistent with Section II above” (het gedeelte van de Settlement Agreement aan de hand waarvan de vergoedingen dienen te worden bepaald) is voorbehouden aan de Administrator. Artikel XIII.A.4 onder (vii) bepaalt vervolgens uitdrukkelijk dat tot de taak van de Administrator behoort “acting as and performing the duties of the Independent Reviewer”, waarna artikel XIII.A.43 met verwijzing naar artikel 7:907, derde lid, BW buiten twijfel stelt dat met deze “Independent Reviewer” wordt gedoeld op degene die is belast met de onafhankelijke vaststelling van de vergoedingen krachtens de Settlement Agreement. 6.28 Het beheer van de rekening vanaf welke de vergoedingen krachtens de Settlement Agreement zullen worden betaald, berust, zoals onder 6.26 overwogen, bij de Stichting. De Stichting moet daarom worden geacht die vergoedingen te verstrekken en zij is bovendien, naar volgt uit de opzet van de Settlement Agreement, in het bijzonder de artikelen II.A en II.B, rechtens verantwoordelijk voor de verstrekking van de vergoedingen. De betrokkenheid van Epiq Systems, Inc., bij de uitvoering van de Settlement Agreement (en het als bijlage C daarvan deel uitmakende Plan of Allocation of the Proceeeds of the Settlement among Participating Shareholders) maakt het vorenstaande niet anders. Epiq Systems, Inc., is ter zake van die uitvoering slechts opdrachtneemster van de Stichting. Zij is dus niet een rechtspersoon die ingevolge de Settlement Agreement de vergoedingen verstrekt, zonder zelf partij bij die overeenkomst te zijn. Hieruit volgt dat ook de afwijzingsgrond genoemd in artikel 7:907, derde lid onder h, BW zich niet voordoet. 6.29 Voorts kan niet worden gezegd dat de groep van personen ten behoeve van wie de Settlement Agreement is gesloten, van onvoldoende omvang is om een verbindendverklaring te rechtvaardigen (artikel 7:907, derde lid onder g, BW), gelet op de door verzoeksters onder 5.3.3 van het verzoekschrift opgegeven omvang van die groep, die tevens is vermeld in de inleidende overwegingen van de Settlement Agreement. Het daar genoemde aantal van meer dan vijfhonderdduizend spreekt voor zichzelf. 6.30 Dat de belangen van de personen ten behoeve van wie de Settlement Agreement is gesloten, onvoldoende gewaarborgd zijn in andere opzichten dan onder 6.10 tot en met 6.20, 6.26 en 6.27 besproken, kan evenmin worden gezegd, zodat ook de afwijzingsgrond genoemd in artikel 7:907, derde lid onder e, BW niet aan de orde is, een en ander behoudens hetgeen hierna onder 6.33 en verder zal worden opgemerkt. 6.31 Hierbij verdient op de eerste plaats nog overweging dat de Settlement Agreement in artikel II.C.5 voorziet in een regeling voor het geval dat een geschil mocht ontstaan over de vraag of een persoon die meent aanspraak te kunnen maken op een vergoeding krachtens de Settlement Agreement, daartoe gerechtigd is, of over de hoogte van een toegekende vergoeding. In zo’n geval moet de betrokken persoon het geschil binnen dertig dagen na het ontstaan ervan voorleggen hetzij aan de rechtbank te Amsterdam (het hof begrijpt: door een geding aanhangig te maken tegen de Stichting), hetzij aan een geschillencommissie bestaande uit drie personen, die bij wijze van bindend advies naar Nederlands recht uitspraak zal doen. Verzoeksters hebben aan het hof medegedeeld dat deze commissie zal bestaan uit mr. A.H. van Delden, mr. E.H. Swaab en prof. mr. E.C. du Perron. Een door de geschillencommissie bij haar werkzaamheden in acht te nemen reglement is ter kennis van het hof gebracht. De hier bedoelde geschillenregeling biedt voldoende waarborgen voor de personen ten behoeve van wie de Settlement Agreement is gesloten, mocht bij de uitvoering daarvan een geschil ontstaan over de vraag of recht op een vergoeding bestaat dan wel over de hoogte van die vergoeding. De korte termijn (dertig dagen na het ontstaan) waarbinnen een geschil moet worden voorgelegd aan de rechtbank of aan de geschillencommissie, wordt gebillijkt door de wenselijkheid van een spoedige afwikkeling, voor alle gerechtigden, van de in de Settlement Agreement neergelegde schikking. 6.32 Op de tweede plaats verdient overweging dat alle kosten samenhangend met de totstandkoming en de uitvoering van de Settlement Agreement, met inbegrip van de bestuurskosten van de Stichting en de kosten van de zojuist bedoelde geschillencommissie, voor rekening komen van Shell (naar onder andere blijkt uit de artikelen I.E, I.F en I.G). Deze kosten komen dus niet in mindering op de vergoedingen waarop de personen ten behoeve van wie de Settlement Agreement is gesloten, aanspraak kunnen maken, zodat hun belangen ook in dit opzicht voldoende zijn gewaarborgd. Gedeeltelijke nietigheden 6.33 Bij de mondelinge behandeling heeft het hof gewezen op een aantal passages in de Settlement Agreement (met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bijlagen) die in strijd met de wet lijken te komen, of die zinledig lijken te zijn. De verzoeksters hebben te kennen gegeven dat indien zou blijken dat een passage in strijd met de wet komt of zinledig is, zij ermee instemmen dat het hof zulke passages schrapt of zo leest dat zij wel met de wet stroken. 6.34 Settlement Agreement, artikel II.C.6, bepaalt dat een recht op vergoeding vervalt op de dag na Claim Date. Deze bepaling is, gelet op artikel 7:907, zesde lid, BW, slechts rechtsgeldig indien die Claim Date gelegen is ten minste één jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de gerechtigde met de opeisbaarheid van zijn vergoeding bekend is geworden. In die zin zal het hof de bepaling dan ook lezen. 6.35 Settlement Agreement, artikel VII.A en B, verlangt dat de opt-outverklaring, naar haar vorm, onder meer (VII.A.1) geschreven moet zijn, (VII.A.2 en B) per post (met een poststempel) moet worden verzonden aan de Administrator en, naar haar inhoud, onder meer (VII.A.3) moet inhouden een opgave van aankoop- en verkoopdata en –prijzen. Artikel 7:908, tweede en derde lid, BW verlangen echter als vorm slechts een schriftelijke mededeling en als inhoud dat men niet gebonden wil zijn. Blijkens de wetsgeschiedenis gaat het om een licht vereiste dat geen drempels moet opwerpen, en kan de mededeling ook per e-mail worden gedaan. De verzoeksters hebben, onder meer bij de mondelinge behandeling, meegedeeld dat de mededeling ook per e-mail kan worden gedaan en dat ontbreken van een opgave van voormelde informatie niet afdoet aan de geldigheid van de opt-outverklaring. Het hof acht de bepalingen van de Settlement Agreement nietig, voor zover zij niet stroken met de wettelijke bepalingen. Het hof leest deze bepalingen dan ook in de zin dat de opt-outverklaring hetzij per post hetzij per e-mail kan worden gedaan en dat als inhoud volstaat de mededeling dat men niet gebonden wil zijn, waaraan desgewenst de verdere onder VII.A.3 bedoelde informatie kan worden toegevoegd, met dien verstande dat degenen die niet gebonden willen zijn, niet verplicht zullen zijn die informatie te verstrekken en dat hun ook niet mag worden voorgehouden dat zij daartoe verplicht zijn. 6.36 Settlement Agreement, artikel VII.B, verwijst mede naar artikel XIII.A.111 (de definitie van de Unknown Claim), dat op zijn beurt verwijst naar artikel XIII.A.32 (de definitie van de Exclusion Termination Date). Dit samenstel van bepalingen heeft betrekking op de opt-outverklaring in het bijzondere geval waarin de belanghebbende niet met zijn schade bekend kon zijn binnen de reguliere termijn voor de opt-outverklaring. Met artikel 7:908, derde lid, BW stroken de volgende onderdelen niet. Bij voorbaat wordt de opt-outtermijn voor dit bijzondere geval op zes maanden gesteld, ingaande zodra de belanghebbende bekend raakt met zijn claim en aan Shell is het ook nog toegestaan, als eenmaal de reguliere opt-outtermijn is verstreken, die zesmaandstermijn onbeperkt te reduceren. Bovendien wordt verlangd dat de belanghebbende in de opt-outverklaring tevens meedeelt waarom hij niet met zijn schade bekend kon zijn binnen de reguliere termijn, en verklaart dat hij zich onderwerpt aan de rechtsmacht van de rechtbank Amsterdam, zonder recht van appel, met betrekking tot de vraag of hij niet met zijn recht op schadevergoeding had kunnen of had moeten kennen binnen de reguliere termijn. Artikel 7:908, derde lid, BW verlangt niet meer dan een schriftelijke mededeling dat men niet gebonden wil zijn en bepaalt de termijn op ten minste zes maanden; deze termijn begint echter eerst te lopen als hij schriftelijk aan de gerechtigde is gesteld, hetgeen pas gebeurt zodra degene die de uitkeringen moet doen, heeft vernomen dat er een gerechtigde is als hier bedoeld. Het hof acht de bepalingen van de Settlement Agreement nietig, voor zover zij niet met de wettelijke bepalingen stroken. Het hof leest deze bepalingen dan ook in de zin dat de opt-outverklaring ook in dit bijzondere geval hetzij per post hetzij per e-mail kan worden gedaan, dat als inhoud volstaat de mededeling dat men niet gebonden wil zijn, waaraan desgewenst de verdere in artikel XIII.A.111 bedoelde informatie kan worden toegevoegd (met dien verstande dat degenen die niet gebonden willen zijn, niet verplicht zullen zijn die informatie te verstrekken en dat hun ook niet mag worden voorgehouden dat zij daartoe verplicht zijn), en dat de termijn eerst begint te lopen als hij schriftelijk aan de gerechtigde is gesteld, hetgeen pas gebeurt zodra degene die de uitkeringen moet doen, heeft vernomen dat er een gerechtigde is als hier bedoeld, terwijl de termijn dan op ten minste zes maanden moet worden gesteld, zonder dat Shell de bevoegdheid heeft die termijn te reduceren. 6.37 Settlement Agreement, artikel XI.B tot en met E, voorziet in gevallen waarin de Settlement Agreement van rechtswege wordt beëindigd of op verlangen van Shell of de Stichting kan worden beëindigd. De mogelijkheid van een dergelijke beëindiging wordt voor die gevallen ook nog voorzien na de datum van een toewijzende beschikking van het hof. In zoverre komt deze bepaling in strijd met artikel 7:908, vierde lid, eerste zin, BW, waarin, voor zover thans van belang, een dergelijk beding met werking “na een verbindendverklaring” nietig wordt verklaard. Anders dan de verzoeksters treft het hof in de memorie van toelichting ten aanzien van artikel 7:908, vierde lid, BW en in artikel 1015, tweede lid aanhef en onder f, Rv geen steun aan voor de opvatting dat een beëindigingsmogelijkheid kan worden bedongen voor de periode tot het tijdstip waarop de toewijzende beschikking onherroepelijk is geworden. Het hof zal de onderhavige passages zo lezen dat zij slechts voorzien in de mogelijkheid van beëindiging tot het tijdstip van een toewijzende beschikking van het hof, zijnde het tijdstip van uitspraak van de onderhavige beschikking. 6.38 In de Plan of Allocation etc., artikel F, zal het hof als niet geschreven beschouwen de woorden “dismissing this Action”, die kennelijk op een vergissing berusten. 7. Slotsom over de toewijsbaarheid van het verzoek tot verbindendverklaring De slotsom waartoe het voorgaande leidt is dat het verzoek tot verbindendverklaring van de bij de Eerste Wijziging gewijzigde Settlement Agreement voldoet aan de daaraan te stellen eisen, indien zij wordt gelezen met inachtneming van het hierboven, onder 6.34 tot en met 6.38, overwogene. Niet is gebleken dat er aanleiding is de verzoeksters gelegenheid tot (verdere) aanvulling of wijziging van de overeenkomst te geven. De overeenkomst kan niet ten aanzien van ABP en PGGM verbindend worden verklaard. Er is geen grond gevonden om het verzoek ten aanzien van andere onderdelen af te wijzen. De verbindendverklaring zal daarom ten aanzien van de verzoeksters 1 tot en met 4 worden uitgesproken. 8. Verdere afhandeling Duur van de opt-outperiode 8.1 Er is geen aanleiding de duur van de opt-outperiode niet te bepalen overeenkomstig hetgeen is verzocht. De duur zal worden bepaald zoals hierna te doen. Toepassing van artikel 1017, derde lid, Rv 8.2 In deze zaak komt het doelmatig en verantwoord voor dat aan artikel 1017, derde lid, Rv als volgt uitvoering wordt gegeven. 8.3 Gelet op het grote aantal belanghebbenden en de grote omvang van deze beschikking, is het aanvaardbaar dat de verzoeksters 1 tot en met 4 afschrift op papier van de beschikking alleen op aanvraag behoeven te verstrekken, nu de beschikking al meteen op diverse websites zal worden gepubliceerd. 8.4 De verzoeksters 1 tot en met 4 dienen voorts aankondiging te doen van: - het feit dat de Settlement Agreement (met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bijlagen) bij deze beschikking verbindend is verklaard en dat deze beschikking onherroepelijk is geworden, en bij de aankondiging melding te maken van: - een korte omschrijving van die overeenkomst en in het bijzonder van de wijze waarop vergoeding kan worden verkregen en de termijn waarbinnen daarop aanspraak dient te worden gemaakt; - de gevolgen van de verbindendverklaring; - de termijn waarbinnen en de wijze waarop de belanghebbenden zich van de gevolgen van de verbindendverklaring kunnen bevrijden; - de mogelijkheid de beschikking en de overeenkomst in te zien op de websites van de verzoeksters, met vermelding van de adresgegevens van die websites zoals opgegeven in de brief van mr. Eisma van 13 november 2008; - de mogelijkheid voor de belanghebbenden, op aanvraag, een afschrift (op papier; of als de aanvrager dat wenst, een elektronische versie) van de beschikking en de overeenkomst te verkrijgen bij één of meer van de verzoeksters 1 tot en met 4, met vermelding van een postadres in Nederland en in Engeland en een e-adres waar de aanvraag kan worden gedaan; - de mogelijkheid de beschikking en de overeenkomst in te zien op de website van het gerechtshof te Amsterdam (www.rechtspraak.nl en vervolgens ‘actualiteiten/dossier’) en, voor de belanghebbenden, op aanvraag, bij de griffie van de handelssector van dit hof. 8.5 De onder 8.4 bedoelde aankondiging en melding moeten zo spoedig mogelijk nadat deze beschikking onherroepelijk is geworden, worden gedaan: - bij gewone brief of bij e-bericht aan de bij de verzoeksters 1 tot en met 4 bekende potentiële “gerechtigden” tot een vergoeding (in de zin van artikel 1017, derde lid, Rv); - bij advertentie in de nieuwsbladen die het hof eerder (bij brief van 25 maart 2008 en bij e-bericht van 8 mei 2008) heeft aangewezen; - bij bericht op de onder 8.4 bedoelde websites van de verzoeksters. 8.6 Bovendien moet de tekst van deze beschikking en die van de overeenkomst op de meer genoemde websites van de verzoeksters 1 tot en met 4 worden geplaatst. 8.7 Zo spoedig mogelijk nadat namens of door een belanghebbende, nadat deze beschikking onherroepelijk is geworden, aan de verzoeksters 1 tot en met 4, op één van de overeenkomstig 8.4 opgegeven adressen, is verzocht om afschrift (op papier; of een elektronische versie) van de beschikking en/of de overeenkomst, dient Shell, op haar kosten, ervoor zorg te dragen dat aan dit verzoek wordt voldaan. 9. Beslissing Het hof: verstaat dat de artikelen II.C.6, II.D, VII.A en B, XIII.A.32 en 111, alsmede XI.B tot en met E, van de Settlement Agreement (in engere zin) en artikel F van het (van de Settlement Agreement deel uitmakende) Plan of Allocation etc. worden gelezen zoals hierboven, in het bijzonder onder 6.8, 6.12 en 6.34 tot en met 6.38 overwogen; verklaart de Settlement Agreement van 11 april 2007, zoals gewijzigd bij de Eerste Wijziging van 27 februari 2008, (met inbegrip van de aan de Settlement Agreement in engere zin voorafgaande Précis – Statement of Intent, alsmede de erop volgende gewijzigde Exhibit C, Plan of Allocation etc. met de twee daarbij behorende tabellen, en Exhibit D, Steps for Calculating etc.) ten aanzien van de verzoeksters 1 tot en met 4 verbindend voor de personen die in de artikelen XIII.A.54 (Participating Shareholders) en 41 (Home Exchange Purchasers), in onderlinge samenhang beschouwd, zijn gedefinieerd, alsmede voor hun rechtverkrijgenden als bedoeld in artikel 7:907, eerste lid, laatste zin, BW; bepaalt dat de termijn waarbinnen een gerechtigde als voormeld door een schriftelijke mededeling kan laten weten niet gebonden te willen zijn (de opt-outperiode), begint op de dag van aankon