GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Beslissing van 19 mei 2009 in de zaak zaaknummer 200.001.013/01 GDW van: [...], gerechtsdeurwaarder te [plaats], APPELLANT, gemachtigde: mr. E. van der Hoeden, t e g e n DE KONINKLIJKE BEROEPSORGANISATIE VAN GERECHTSDEURWAARDERS, gevestigd te ‘s-Gravenhage, GEÏNTIMEERDE, gemachtigde: mr. J.D. van Vlastuin. 1. Het geding in hoger beroep 1.1 Door appellant, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, is bij een op 11 januari 2008 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 11 december 2007, waarbij de klacht gericht tegen de gerechtsdeur¬waarder gegrond is verklaard zonder oplegging van een maatregel. 1.2 Op 14 februari 2008 is van de zijde van de gerechtsdeurwaarder een aanvulling op het verzoekschrift, met daarin de gronden, ter griffie van het hof ingekomen. 1.3 Van de zijde van geïntimeerde, verder te noemen klaagster, is bij faxbericht van 26 mei 2008 een verweerschrift ingekomen. 1.4 De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 12 maart 2009. Namens de gerechtsdeurwaarder is verschenen zijn gemachtigde en mr. [A], die het ambt van de gerechtsdeurwaarder momenteel waarneemt. Beiden hebben het woord gevoerd, de gemachtigde onder meer aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. Ook de gemachtigde van klaagster is verschenen en heeft het woord gevoerd. 2. De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken. 3. De feiten Het hof verwijst voor de feiten naar wat de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat. 4. Het standpunt van klaagster 4.1 Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij bij de tenuitvoerlegging van een executoriale titel ten onrechte regelingskosten in rekening heeft gebracht bij een schuldenaar in verband met het treffen van een betalingsregeling. Volgens klaagster heeft de gerechtsdeurwaarder daardoor in strijd gehandeld met het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Btag), waarin vermeld staat – onder meer – welke kosten een gerechtsdeurwaarder bij een schuldenaar in rekening mag brengen voor de daarin omschreven ambtshandelingen. Een gerechtsdeurwaarder mag aan een schuldenaar daarom niet meer of andere kosten in rekening brengen dan de bedragen die zijn opgenomen in het Btag, aldus klaagster. De werkzaamheden van een gerechtsdeurwaarder die is belast met de tenuitvoerlegging van een executoriale titel bestaan volgens klaagster niet alleen uit het verrichten van pure executiehandelingen, maar ook uit het ontvangen van gelden en het treffen van betalingsregelingen. Deze werkzaamheden dienen derhalve te worden begrepen onder ambtshandelingen als bedoeld in het Btag. Indien een gerechtsdeurwaarder betaling in termijnen ontvangt buiten het geval van executoriaal derdenbeslag – waarvoor een tarief in het Btag is opgenomen – kan hij de kosten daarvoor (enkel) in rekening brengen bij zijn opdrachtgever en niet bij de schuldenaar. Dat de schuldenaar de afspraak over de regelingskosten in alle vrijheid heeft gemaakt, doet volgens klaagster aan het voorgaande niet af. 4.2 Het bezwaar van klaagster tegen het in rekening brengen van regelingskosten bij de schuldenaar is er mede in gelegen dat, aangezien er geen vast tarief bestaat voor deze kosten, elke gerechtsdeurwaarder naar willekeur, zonder enige rechterlijke toetsing, een tarief zou kunnen vaststellen. Voorts wijst klaagster erop dat het in rekening brengen van regelingskosten er toe zou kunnen leiden dat een dubbele vergoeding voor dezelfde werkzaamheden in rekening wordt gebracht, aangezien eventuele in een procedure toegewezen buitengerechtelijke kosten mede zien op kosten van het innen van vorderingen na vonnis. Klaagster wijst erop dat, voor zover in de praktijk behoefte zou bestaan aan het in rekening brengen van regelingskosten, het de individuele gerechtsdeurwaarder niet vrij staat daarvoor zelf criteria en tarieven vast te stellen; die verantwoordelijkheid is voorbehouden aan de Minister van Justitie. Klaagster concludeert dat de gerechtsdeurwaarder heeft gehandeld in strijd met artikel 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet in verbinding met artikel 434a Rv en artikel 1 van de beroeps- en gedragsregels. 5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder 5.1 De gerechtsdeurwaarder betwist de stellingen van klaagster en verweert zich als volgt. 5.2 De gerechtsdeurwaarder stelt zich allereerst op het standpunt dat klaagster geen concrete zaak aan haar klacht ten grondslag legt, maar slechts een algemene vraagstelling, zodat een deugdelijke grondslag voor het indienen van een klacht ontbreekt. Om een klacht te kunnen beoordelen moeten volgens hem alle feiten en omstandigheden van het dossier ter kennis van de tuchtrechter worden gebracht. Dit is hier niet het geval, aldus de gerechtsdeurwaarder, zodat hij in zijn mogelijkheden tot het voeren van verweer wordt geschaad. 5.3 Voorts stelt de gerechtsdeurwaarder zich op het standpunt dat het berekenen van regelingskosten is gebaseerd op artikel 6:47 BW, waarin is bepaald dat de kosten van betaling voor laste komen van degene die de verbintenis, in dit geval de betalingsregeling, nakomt. Dat de hoogte van het tarief niet in het Btag is vastgelegd, brengt niet met zich dat de gerechts¬deurwaarder bij het treffen van een betalingsregeling geen kosten in rekening mag brengen. Volgens de gerechtsdeurwaarder handelt een gerechts¬deurwaarder die een betalingsregeling treft niet in het kader van de tenuitvoerlegging van de executoriale titel. In dat geval is sprake van een overeenkomst waarbij de gerechtsdeurwaarder namens de schuldeiser de afspraak met de schuldenaar maakt om voorlopig af te zien van tenuitvoerlegging door het treffen van een minnelijke betalingsregeling. Het treffen van een betalingsregeling behoort dan ook niet tot de ambts¬handelingen, maar de gerechtsdeurwaarder handelt in zijn hoedanigheid als incassogemachtigde. Waar de gerechtsdeurwaarder gemachtigd is namens zijn opdrachtgever een regeling te treffen, is hij evenzeer gerechtigd namens die opdrachtgever voorwaarden aan de regeling te verbinden. De schuldenaar was volgens de gerechtsdeurwaarder voorts niet verplicht de regeling te accepteren, nu het een overeenkomst betreft die door aanbod en aanvaarding tot stand komt. 5.4 De gerechtsdeurwaarder wijst er verder op dat voor de afwikkelingen van derden¬beslagen wel tarieven zijn opgenomen in het Btag en dat deze hoger zijn dan de kosten die hij bij de schuldenaar in rekening heeft gebracht om executiemaatregelen te voorkomen. Zowel schuldeiser als schuldenaar hebben belang bij dat voorkomen van executiemaatregelen, aldus de gerechtsdeurwaarder. Hij stelt zich op het standpunt dat hij dan ook geen misbruik heeft gemaakt van zijn positie. 6. De beoordeling 6.1 Het hof verwerpt het betoog van de gerechtsdeurwaarder dat klaagster geen concrete zaak aan haar klacht ten grondslag heeft gelegd. De bij de kamer op 26 oktober 2006 ingediende klacht had blijkens de daarbij gevoegde bijlagen (correspondentie tussen klaagster en de gerechts¬deurwaarder, gedateerd respectievelijk 23 januari 2006 - met als bijlage een kopie van een brief van 25 augustus 2005 uit een specifiek dossier van de gerechtsdeurwaarder - en 22 juni 2006) betrekking op een door de gerechtsdeurwaarder getroffen betalingsregeling met L.J.G. Coenraad in een zaak met de Postbank N.V. als schuldeiseres. De kamer heeft bij de weergave van de feiten naar voornoemde correspondentie verwezen. Uit het appelschrift en het verhandelde ter mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder ook wist dat de klacht betrekking had op de desbetreffende schuldenaar en voorts dat hij zich voldoende concreet tegen de klacht heeft kunnen verweren. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat klaagster haar substantiëringsplicht heeft geschonden of dat de gerechtsdeurwaarder in zijn verweer is geschaad. Klaagster kan daarom in haar klacht worden ontvangen. 6.2. Vooropgesteld dient te worden dat het treffen van een betalingsregeling door de gerechtsdeurwaarder met de schuldenaar geen ambtshandeling is. De kamer heeft met juistheid vastgesteld dat ook het ontvangen van gelden van de schuldenaar geen ambtshandeling betreft. Dit is ook af te leiden uit artikel 20 lid 3 onder c van de Gerechtsdeurwaarderswet, dat bepaalt dat het innen van gelden voor derden een (toegestane) nevenwerkzaamheid van de gerechtsdeurwaarder is. 6.3. Met het treffen van een betalingsregeling komt in feite door tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder een overeenkomst tot stand tussen de schuldeiser en de schuldenaar. De inhoud van die overeenkomst is dat aan de schuldenaar wordt toegestaan het verschuldigde in termijnen te voldoen, in plaats van ineens. Hiertegenover verbindt de schuldeiser zich om de executie tegen de schuldenaar te staken, zolang deze zich aan de afgesproken regeling houdt. De vraag in deze procedure is of de gerechtsdeurwaarder namens de schuldeiser tevens als voorwaarde voor die overeenkomst mag stellen dat de schuldenaar een vergoeding dient te voldoen voor het administreren en controleren van de regeling, alsmede het innen van de termijnbedragen. De ambtelijke hoedanigheid van de gerechtsdeurwaarder gaat bij het treffen van een betalingsregeling met de schuldenaar over in de hoedanigheid van incassogemachtigde. In de eerste hoedanigheid is de gerechtsdeurwaarder gebonden aan specifieke wettelijke regelingen, zoals het Btag. In de hoedanigheid van incassogemachtigde is dat niet het geval. Uiteraard is de gerechtsdeurwaarder dan wel aan de algemene regels van het burgerlijk recht gebonden. Klaagster en de gerechtsdeurwaarder zijn het er over eens dat in casu sprake was van een perfecte en beide partijen bindende overeenkomst. Voor een schuldenaar zal het onderscheid tussen de beide hoedanigheden van de gerechtsdeurwaarder niet altijd duidelijk zijn. Terecht heeft de kamer overwogen dat de gerechtsdeurwaarder in zijn hoedanigheid van incassogemachtigde kritisch moet staan ten opzichte van zijn doen en laten jegens de schuldenaar van zijn opdrachtgever. Het hof voegt hier aan toe: kritischer dan een incassogemachtigde die geen gerechtsdeurwaarder is. 6.4. Met inachtneming van de belangen van zowel zijn opdrachtgever als de schuldenaar dient de gerechtsdeurwaarder een afweging te maken tussen enerzijds (het doorzetten van) de executie van het tegen de schuldenaar gewezen vonnis en anderzijds het toestaan van betaling van het verschuldigde in termijnen. Daarbij dient de gerechtsdeurwaarder te waken voor misbruik van zijn positie. Hij heeft immers in beginsel het recht om beslag te leggen ten laste van de schuldenaar. Het hof acht het in beginsel toelaatbaar dat de gerechtsdeurwaarder namens de schuldeiser aan het treffen van een betalingsregeling de voorwaarde verbindt tot het voldoen van een bepaald bedrag per betaling, als vergoeding voor de werkzaamheden van de incassogemachtigde. In de concrete omstandigheden van dit geval heeft de schuldenaar zelf om een betalingsregeling verzocht. De totale kosten zijn juist door de getroffen betalingsregeling (zonder beslag) laag gebleven. Bij een derdenbeslag onder de werkgever van de schuldenaar zouden die kosten hoger zijn geweest. Bovendien heeft de gerechtsdeurwaarder per deelbetaling een lager bedrag aan de schuldenaar in rekening gebracht (€ 4,45), dan hij in rekening had kunnen brengen bij deelbetalingen uit een gelegd loonbeslag. Onder deze omstandigheden heeft de gerechtsdeurwaarder een correct evenwicht bewaard tussen zijn ambtelijke en niet-ambtelijke taak en hij heeft geen misbruik gemaakt van zijn positie als gerechtsdeurwaarder. Het hof is daarom van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder niet tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. De beslissing van de kamer kan niet in stand blijven. 6.5. Anders dan klager is het hof van oordeel dat het Btag op deze situatie niet van toepassing is; de daarin opgenomen tarieven zien immers slechts op ambtshandelingen. Zoals hiervoor is overwogen is van een ambtshandeling van de gerechtsdeurwaarder geen sprake. Het is juist dat in het Btag niet alleen de kosten van de ambtshandeling zelf zijn opgenomen, maar dat die tarieven mede dienen tot dekking van de rechtstreeks met de ambtshandeling samenhangende voorbereidende, uitvoerende en afrondende werkzaamheden die voor een goede verrichting van die ambtshandeling noodzakelijk zijn. Niet valt echter in te zien dat het treffen van een regeling een voorbereidende, uitvoerende of afrondende werkzaamheid is, die noodzakelijk is voor een ambtshandeling. Voor het leggen van een beslag is immers geen voorafgaande regeling noodzakelijk. Hiermee wordt ook het standpunt van klager verworpen dat een gerechtsdeurwaarder slechts de in het Btag opgenomen tarieven aan de schuldenaar in rekening mag brengen. Dat standpunt is juist, voor zover het ziet op ambtshandelingen, maar het gaat niet op voor (andere) werkzaamheden, die de gerechtsdeurwaarder in zijn hoedanigheid van incassogemachtigde verricht. 6.6. Klaagster heeft, onder verwijzing naar het rapport Voor-Werk II, nog aangevoerd dat het in rekening brengen van regelingskosten er toe zou kunnen leiden dat een dubbele vergoeding voor dezelfde werkzaamheden in rekening wordt gebracht, aangezien eventuele in een procedure toegewezen buitengerechtelijke kosten mede zien op kosten van het innen van vorderingen na vonnis. Dat standpunt is onjuist. In genoemd rapport wordt aan de rechterlijke macht aanbevolen om een forfaitaire vergoeding toe te kennen voor verrichte buitengerechtelijke kosten. Die vergoeding ziet echter uitsluitend op de werkzaamheden, die vóór een procedure zijn verricht. Aangezien de regelingskosten uitsluitend zien op werkzaamheden na een vonnis, is dus geen sprake van een dubbele vergoeding. 6.7. Ten overvloede overweegt het hof nog dat de gerechtsdeurwaarder in zijn beroepschrift op juiste wijze heeft betoogd dat bij niet-nakoming van de regeling, geen executie van de regelingskosten mogelijk zal zijn. Die kosten zijn immers niet ingevolge het vonnis verschuldigd, maar ingevolge de overeenkomst tussen de schuldeiser en de schuldenaar. 6.8. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven. 6.9 Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing. 7. De beslissing Het hof: - vernietigt de beslissing van de kamer van 11 december 2007, en, opnieuw beslissende - verklaart de klacht ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, L. Verheij en L.J. Saarloos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 19 mei 2009 door de rolraadsheer. Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam Beschikking van 11 december 2007 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met het nummer 488.2006 ingesteld door: DE KONINKLIJKE BEROEPSORGANISATIE VAN GERECHTSDEURWAARDERS, gevestigd te [ ], klaagster, gemachtigde mr. J.D. van Vlastuin, tegen: [ ], gerechtsdeurwaarder te [ ], beklaagde, gemachtigde: [ ]. Verloop van de procedure Bij brief met bijlagen van 25 oktober 2006 heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder. Bij brief van 26 januari 2007 heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend op de klacht. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2007. Klaagster is verschenen bij mr. J.D. van Vlastuin en beklaagde bij zijn [ ]. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 11 december 2007. 1. De Feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.