GERECHTSHOF AMSTERDAM nevenzittingsplaats Arnhem Sector civiel recht zaaknummer 104.003.906 (zaak/rolnummer rechtbank: 212189/HAZA 06-1181) arrest van de derde civiele kamer van 9 juni 2008 inzake 1. [appellant sub 1] en 2. [appellante sub 2], beiden wonende te [woonplaats], appellanten, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, tegen: 1. [geïntimeerde sub 1] en 2. [geïntimeerde sub 2], beiden wonende te [woonplaats], geïntimeerden, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer. 1. Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 28 juni 2006 en 3 januari 2007 die de rechtbank Utrecht tussen appellanten (hierna ook te noemen: [appellanten] in meervoud) als eisers en geïntimeerden (hierna ook te noemen: [geïntimeerden] in meervoud) als gedaagden heeft gewezen; van het laatste vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in hoger beroep 2.1 [appellanten] hebben bij exploot van 29 maart 2007 [geïntimeerden] aangezegd van het vonnis van 3 januari 2007 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellanten] twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, en bewijs aangeboden. [appellanten] hebben gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, primair – samengevat – de zaak ter verdere behandeling zal (terug)verwijzen naar de rechtbank; subsidiair – eveneens samengevat – de koopovereenkomst zal ontbinden, met hoofdelijk veroordeling van [geïntimeerden] om aan [appellanten] het bedrag van € 37.811,40 te betalen met wettelijke rente en voorts [geïntimeerden] zal veroordelen tot betaling van de overigens nog geleden en te lijden schade, met wettelijke rente, nader op te maken bij staat en tenslotte [geïntimeerden] zal veroordelen in de kosten van beide instanties. 2.3 Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden en bewijs aangeboden. Zij hebben geconcludeerd, samengevat weergegeven, dat het hof bij uitvoerbaar verklaard arrest het bestreden vonnis van de rechtbank zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van [bedoeld zal zijn:] het hoger beroep. 2.4 Daarna hebben [appellanten] een akte, houdende bewijsaanbod genomen, waarop [geïntimeerden] bij antwoordakte hebben gereageerd. 2.5 Ter zitting van 15 april 2009 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellanten] door mr. H.L. van der Aa, advocaat te Utrecht en [geïntimeerden] door mr. B.J. Blindenbach, eveneens advocaat te Utrecht, beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. 2.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd. 3. De vaststaande feiten De rechtbank heeft in haar vonnis van 3 januari 2007 onder 2.1 tot en met 2.9 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan. 4. De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 1 december 2005 is tussen [appellanten] als verkopers en [geïntimeerden] als kopers een schriftelijke (standaard NVM-)koopovereenkomst gesloten betreffende een (bestaande eengezins)woning te [woonplaats] voor de koopsom van € 220.000,-. De levering zou plaatsvinden op 3 januari 2006. [appellanten] werden bijgestaan door makelaarskantoor [het makelaarskantoor] (verder: het makelaarskantoor). In de koopovereenkomst is in art. 16, samengevat weergegeven, de ontbindende voorwaarde opgenomen ten behoeve van kopers ([geïntimeerden]) voor het geval dat [geïntimeerden] de financiering van de woning niet rond kunnen krijgen. Als uiterste termijn is in deze bepaling 12 december 2005 opgenomen, doch deze termijn is in overleg tussen partijen verschoven naar 28 december 2005. [geïntimeerden] hebben brieven in het geding gebracht van 13 en 15 december 2005 van PBA Personal Banking (Banque Artesia Nederland N.V.) respectievelijk de ING Bank N.V. (kantoor Houten) waaruit afgeleid kan worden dat [geïntimeerden] geen hypothecaire lening hebben kunnen verkrijgen. Begin januari 2006 hebben [geïntimeerden] van het makelaarskantoor een door beide partijen nog te ondertekenen “ontbindings-overeenkomst” ontvangen. [geïntimeerden] hebben deze ontbindingsovereenkomst op 18 januari 2006 ondertekend; [appellanten] hebben geweigerd deze ontbindingsovereenkomst te ondertekenen. Per brief van 5 februari 2006 hebben [appellanten] [geïntimeerden] ingebreke gesteld (conform art. 10 lid 1 van de koopovereenkomst). Per brief van 10 februari 2006 hebben [geïntimeerden] hierop gereageerd en uitvoerig de feiten en omstandigheden toegelicht waarom zij de financiering niet rond hebben kunnen krijgen en voorts hebben zij aansprakelijkheid van de hand gewezen. Per brief van 11 april 2006 hebben [appellanten] de koopovereenkomst (buitengerechtelijk) ontbonden. 4.2 Met de inleidende dagvaarding van 28 april 2006 zijn [appellanten] de onderhavige procedure gestart. [appellanten] hebben hiervoor aangevoerd dat [geïntimeerden] niet hebben voldaan aan de vereisten voor het inroepen van de ontbindende voorwaarde als verwoord in art. 16 van de koopovereenkomst. Na conclusie van antwoord heeft de rechtbank (tussenvonnis van 28 juni 2006) een comparitie van partijen gelast, die op 18 september 2006 heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft bij eindvonnis van 3 januari 2007 de vorderingen van [appellanten] afgewezen. 4.3 In hoger beroep zijn [appellanten] met twee grieven hiertegen opgekomen. Met deze grieven beogen [appellanten] het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. 4.4 De eerste vraag die beantwoord moet worden is of [geïntimeerden] op rechtens goede gronden een beroep hebben kunnen doen op de ontbindende voorwaarde in art. 16 van de koopovereenkomst. Deze bepaling luidt aldus: 16.1 Deze overeenkomst kan door koper worden ontbonden indien uiterlijk: (…) b. op 12 december 2005 koper voor de financiering van de onroerende zaak voor een bedrag van koopsom + kopers- en financieringskosten, zegge koopsom + kopers- en financieringskosten geen hypothecaire geldlening of het aanbod daartoe van een erkende geldverstrekkende instelling heeft verkregen (…). (…) 16.3 Partijen verplichten zich over en weer al het redelijk mogelijke te doen teneinde de hierboven bedoelde (…) financiering (…) te verkrijgen. De partij die de ontbinding inroept dient er voor zorg te dragen, dat de mededeling dat de ontbinding wordt ingeroepen, uiterlijk op (…) door de wederpartij of diens makelaar is ontvangen. Deze mededeling dient goed gedocumenteerd*) te geschieden bij “aangetekende brief met bericht handtekening retour” of “telefaxbericht met ontvangstbevestiging”. Als dan zijn beide partijen van deze overeenkomst bevrijd. (…) *) als aanvulling op artikel 16 ontbindende voorwaarden geldt:”Onder “goed gedocumenteerd” wordt verstaan dat kopers minimaal van 2 banken c.q. erkende geldinstellingen afwijzingen dient te overleggen. In deze afwijzingsbrieven dient minimaal vermeld te staan de namen van de aanvragers, de reden van afwijzing en het aangevraagde hypotheekbedrag. Tevens is de verkoper verplicht om kopieën af te geven van alle informatie en bescheiden welke hij in het kader van de hypotheekaanvraag aan de banken c.q. erkende geldinstellingen heeft verstrekt. 4.5 [geïntimeerden] menen dat zij wel voldaan hebben aan (de vereisten
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.