← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1646

parketnummer 23-000306-08 datum uitspraak 3 juli 2009 TEGENSPRAAK VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte en het openbaar ministerie tegen het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 21 december 2007 in de strafzaak onder parketnummer 15/750018-04 van het openbaar ministerie tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1958], thans gedetineerd in [detentieadres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 18 juli 2006, 6 oktober 2006, 4 januari 2007, 2, 3, 5 en 10 april 2007, 7 mei 2007, 9 juli 2007, 10, 11, 13, 17, 20, 24, 25 en 27 september 2007, 1, 2, 4, 8, 9, 11, 22, 23, 25, 29 en 30 oktober 2007, 1, 5, 8, 9, 12, 19, 26 en 30 november 2007 en 7 december 2007 en de terechtzittingen in hoger beroep van 28 en 29 augustus 2008, 19 september 2008, 10, 11, 17 en 18 december 2008, 14, 16, 21 en 22 januari 2009, 4, 6, 11, 18, 20, 23, 25 en 27 februari 2009, 4, 13, 16, 23 en 27 maart 2009, 8 en 20 april 2009, 4, 6, 7, 12, 20, 25 en 27 mei 2009 en 19 juni 2009. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadslieden voren is gebracht. Omvang van het hoger beroep Het hoger beroep van het openbaar ministerie is, blijkens mededeling van de advocaten-generaal op de terechtzitting van 28 augustus 2008, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissingen ten aanzien van het onder 4, 5 en 14 tenlastegelegde. Het hof zal het openbaar ministerie in zoverre niet ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. Het hoger beroep van de verdachte is, blijkens mededeling van de raadslieden van de verdachte op de terechtzitting van 28 augustus 2008, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissingen ten aanzien van het onder 1, 4, 5 en 14 tenlastegelegde (vrijspraken). Tenlastelegging Aan de verdachte is, na toelating van de nadere omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg van 2 april 2007 en na toelating van de wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 november 2007, ten laste gelegd, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, dat 1. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004, te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4][medeverdachte 8] en/of één of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: - afpersing van [slachtoffer 1] (artikel 317 Wetboek van Strafrecht), en/of - bedreiging van die [slachtoffer 1] met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling (artikel 285 Wetboek van Strafrecht), en/of - mishandeling van die [slachtoffer 1] (artikel 300 Wetboek van Strafrecht), en/of - valsheid in geschrift (artikel 225 Wetboek van Strafrecht), en/of - witwassen van vermogensbestanddelen, afkomstig van (afpersing van, althans enig misdrijf ten nadele van) die [slachtoffer 1] en/of één of meer aan hem gelieerd(

  1. e)bedrijf/bedrijven (artikel 420bis Wetboek van Strafrecht), en/of - handelen in strijd met artikel 26, eerste lid Wet wapens en munitie (artikel 55 Wet wapens en munitie), terwijl hij, verdachte, van deze organisatie oprichter en/of leider en/of bestuurder was, althans binnen deze organisatie een leidinggevende rol heeft vervuld; 2. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004, te Amsterdam en/of/althans (elders) in Nederland en/of in Duitsland en/of in Zwitserland tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of één of meer anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van één of meer geldbedragen, te weten: 1. op of omstreeks 24 december 2002: (ongeveer) € 1.200.000,- en/of (ongeveer) € 1.300.000,-, en/of 2. op of omstreeks 30 december 2002: (ongeveer) € 3.176.461,50, en/of 3. in of omstreeks de periode van 09 tot en met 10 januari 2003: (ongeveer) € 1.361.340,60, en/of 4. in of omstreeks de periode van 28 februari tot en met 01 maart 2003: (ongeveer) € 3.400.000,-, en/of 5. in of omstreeks de periode van 12 tot en met 14 maart 2003: (ongeveer) € 1.500.000,-, en/of 6. op of omstreeks 2 april 2003: (ongeveer) € 900.000,-, en/of 7. in of omstreeks de periode van 18 tot en met 23 april 2003: (ongeveer) € 450.000,-, en/of 8. op of omstreeks 27 april 2003: (ongeveer) € 250.000,-, en/of 9. in of omstreeks de periode van 26 tot en met 28 mei 2003: (ongeveer) € 1.499.920,28, en/of 10. in of omstreeks de periode van 24 tot en met 26 juni 2003: (ongeveer) € 2.800.000,-, en/of 11. in of omstreeks de periode van 18 tot en met 21 juli 2003: (ongeveer) € 400.000,-, en/of 12. in of omstreeks de periode van 24 december 2003 tot en met 07 januari 2004: (ongeveer) USD 2.000.000,-, en/of 13. in de periode 2002 tot en met 2004: (ongeveer) € 50.000,-, in ieder geval (telkens) enig geldbedrag, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1], in ieder geval aan (een) ander(
  2. en)dan verdachte en/of zijn mededader(s), bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s): - meermalen, althans eenmaal, tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat hij, [slachtoffer 1], werd bedreigd door, althans geweld en/of bedreiging met geweld had te duchten van één of meer (al dan niet hem, [slachtoffer 1], onbekende) derde(n), waartegen hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(
  3. s)hem, [slachtoffer 1], zou(den) kunnen beschermen tegen betaling van geld, waardoor die [slachtoffer 1] (al dan niet in toenemende mate) bang werd gemaakt en/of gehouden, en/of in een (min of meer) afhankelijke positie van hem, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(
  4. s)werd gebracht en/of gehouden, en/of - meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer 1] dreigende wijze tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat hij en/of één of meer van zijn gezins- en/of familieleden zou(den) worden gedood als hij niet en/of niet meer en/of niet binnen een gestelde termijn zou betalen, althans woorden van een dergelijke dreigende aard en/of strekking, en/of - meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer 1] dreigende wijze tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat hij moest betalen en anders niet meer hoefde te betalen en/of anders niet meer mocht betalen, en/of dat hij, verdachte, altijd heel snel te weten kon komen waar die [slachtoffer 1] zich bevond, althans woorden van een dergelijke dreigende aard en/of strekking, en/of - meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer 1] dreigende wijze zich heeft opgehouden vóór of bij de woning en/of vóór of bij een locatie waar die [slachtoffer 1] op dat moment aanwezig was, althans in de nabijheid van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 1] thuis heeft/hebben opgezocht, en/of - meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer 1] dreigende wijze een (vuur)wapen, in ieder geval een voor bedreiging geschikt voorwerp, aan die [slachtoffer 1] heeft/hebben voorgehouden en/of getoond en/of op die [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht, en/of - meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer 1] dreigende wijze die [slachtoffer 1] bij een oor heeft/hebben gepakt en/of tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd of laten doorschemeren dat een bepaalde (met name genoemde) persoon (op al dan niet korte termijn) zou worden geliquideerd, en/of - die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, gewelddadig tegen het hoofd en/of/althans het lichaam heeft/hebben geslagen en/of geduwd, en/of - (door één of meer van voornoemde handelingen) een dermate dreigende situatie en/of sfeer voor die [slachtoffer 1] heeft/hebben gecreëerd en/of in stand gehouden, dat de vrees van die [slachtoffer 1] voor geweld van de zijde van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(
  5. s)gerechtvaardigd was; 3. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 januari 2006, te Amsterdam en/of/althans (elders) in Nederland en/of in Duitsland en/of in Zwitserland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(
  6. s)op of omstreeks (één of meer van) de navolgende tijdstippen (één of meer) voorwerpen, te weten (één of meer van) de navolgende geldbedragen en/of vermogensrechten en/of onroerend goed, verworven en/of voorhanden gehad: A) (via de bankrekening van [medeverdachte 3]) op of omstreeks 24 december 2002 een geldbedrag van (ongeveer) € 1.200.000,- (op bankrekening [rekeningnummer] ten name van [medeverdachte 3] met als omschrijving 'koopsom aandelen [bedrijf 1]'), en/of B) (via de bankrekening van [medeverdachte 4]) op of omstreeks 24 december 2002 een geldbedrag van (ongeveer) € 1.300.000,- (op bankrekening [rekeningnummer] ten name van [medeverdachte 4]), en/of C) (contant via een derde) in de periode 2002 tot en met 2004 een geldbedrag van (ongeveer) € 50.000,- (welk geldbedrag contant door [getuige 1] namens [slachtoffer 1] aan verdachte is overhandigd), en/of D) (aan of via de bankrekeningen en/of de bedrijven van [medeverdachte 2]) 1. in (april) 2003 een geldbedrag van (ongeveer) € 250.000,- (welk geldbedrag contant door [getuige 18] namens [slachtoffer 1] aan verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(
  7. s)is overhandigd), en/of 2. op of omstreeks 20 februari 2003 een of meer geldbedragen tot een totaal van (ongeveer) € 4.000.000,- (in de vorm van één of meer overboekingen met als omschrijving (hypothecaire) lening(
  8. en)van € 1.750.000,- en/of € 2.250.000,- van [naam]. aan [bedrijf 2]), en/of 3. in 2002 het appartementsrecht (plaatselijk bekend als:) [adres], en/of 4. in 2002 het appartementsrecht (plaatselijk bekend als:) [adres], en/of 5. in 2002 een perceel grond, gelegen aan de [adres] ([kadastrale aanduiding]), en/of 6. in 2002 het bedrijfspand met erf (plaatselijk bekend als:) [adres] en/of 7. in 2002 het bedrijfspand (plaatselijk bekend als:) [adres], en/of 8. in 2002 het appartementsrecht (plaatselijk bekend als:) [adres], en/of 9. in 2002 het appartementsrecht (plaatselijk bekend als:) [adres], en/of 10. in 2002 het bedrijfspand met erf (plaatselijk bekend als:) [adres] en [adres], (telkens) zulks terwijl hij, en/of zijn mededader(
  9. s)wist(en), althans redelijkerwijs moest(
  10. en)vermoeden, dat dat/die voorwerp(
  11. en)geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit afpersing, in elk geval uit enig misdrijf, en/of E) (via bankrekeningen van [naam A] en/of aan hem gelieerde bedrijven) van één of meer geldbedragen tot een totaalbedrag van (ongeveer) € 17.068.165,-, in elk geval (telkens) van één of meer geldbedragen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(
  12. n)van dat/die geldbedrag(
  13. en)was/waren (te weten [slachtoffer 1] dan wel een of meer rechtsperso(o)n(
  14. en)waarvan (onder meer) die [slachtoffer 1] bestuurder en/of aandeelhouder was), en/of één of meer geldbedragen tot een totaalbedrag van (ongeveer) € 17.068.165,- verworven en/of voorhanden gehad, te weten één of meer van de navolgende geldbedragen: I. een geldbedrag van (ongeveer) € 3.176.461,50, waarbij het verbergen en/of het verhullen er in bestaat dat: - op of omstreeks 30 december 2002 voornoemd geldbedrag (afkomstig van bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 3], aangehouden bij de Deutsche Bank te Amsterdam) giraal wordt ontvangen op bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 14], aangehouden bij Fortis Bank te Rotterdam, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(
  15. s)- op of omstreeks 3 januari 2003 een geldbedrag van € 3.175.000,- wordt overgeboekt van die bankrekening [rekeningnummer], aangehouden bij Fortis Bank naar de coderekening [rekeningnummer], aangehouden bij UBS Bank te Zürich, Zwitserland, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(
  16. s)- op of omstreeks 19 februari 2003 een geldbedrag van € 4.005.000,- wordt overgeboekt van die coderekening [rekeningnummer], aangehouden bij UBS Bank naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam], aangehouden bij Clariden Bank te Genève, Zwitserland, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), en/of II. een geldbedrag van (ongeveer) € 1.361.340,60, waarbij het verbergen en/of het verhullen er in bestaat dat: - op of omstreeks 10 januari 2003 voornoemd geldbedrag (afkomstig van bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 3], aangehouden bij de Deutsche Bank te Amsterdam) giraal wordt ontvangen op bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 14], aangehouden bij Fortis Bank te Rotterdam, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), - op of omstreeks 15 januari 2003 een geldbedrag van € 1.360.000,- wordt overgeboekt van die bankrekening [rekeningnummer], aangehouden bij Fortis Bank naar de coderekening [rekeningnummer], aangehouden bij UBS Bank te Zürich, Zwitserland, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), - op of omstreeks 19 februari 2003 een geldbedrag van € 4.005.000,- wordt overgeboekt van die coderekening [rekeningnummer], aangehouden bij UBS Bank naar de bankrekening [rekeningnummer], op naam van [naam], aangehouden bij Clariden Bank te Genève, Zwitserland, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), en/of III. een geldbedrag van (ongeveer) € 3.400.000,-, waarbij het verbergen en/of het verhullen er in bestaat dat: - op of omstreeks 28 februari 2003 voornoemd geldbedrag (afkomstig van bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 5], aangehouden bij de Deutsche Bank te Amsterdam) giraal wordt ontvangen op bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 14], aangehouden bij Fortis Bank te Rotterdam, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), - op of omstreeks 4 maart 2003 een geldbedrag van € 3.000.000,- wordt overgeboekt van die bankrekening [rekeningnummer], aangehouden bij Fortis Bank naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam A], aangehouden bij de Deutsche Bank te Amsterdam, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(
  17. s)- op of omstreeks 11 maart 2003 een geldbedrag van € 400.000,- wordt overgeboekt van die bankrekening [rekeningnummer], aangehouden bij Fortis Bank, naar de coderekening [rekeningnummer], aangehouden bij UBS Bank te Zürich, Zwitserland, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), en/of IV. een geldbedrag van (ongeveer) € 1.500.000,-, waarbij het verbergen en/of het verhullen er in bestaat dat: - op of omstreeks 14 maart 2003 voornoemd geldbedrag (afkomstig van [bedrijf 22] te Basel, Zwitserland) giraal wordt ontvangen op coderekening [rekeningnummer], aangehouden bij UBS Bank te Zürich, Zwitserland, welke coderekening ter beschikking staat van verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(
  18. s)- op of omstreeks 14 maart 2003 een geldbedrag van € 2.000.000,- wordt overgeboekt van die coderekening [rekeningnummer], aangehouden bij USB Bank naar een depositorekening, aangehouden bij USB Bank te St Helier, Jersey, welke depositorekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), en/of V. een geldbedrag van (ongeveer) € 900.000,-, waarbij het verbergen en/of het verhullen er in bestaat dat: - op of omstreeks 2 april 2003 voornoemd geldbedrag (afkomstig van bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 5], aangehouden bij de Deutsche Bank te Amsterdam) giraal wordt ontvangen op bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 14], aangehouden bij Fortis Bank te Rotterdam, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), - op of omstreeks 3 april 2003 een geldbedrag van € 900.000,- wordt overgeboekt van die bankrekening [rekeningnummer], aangehouden bij Fortis Bank naar coderekening [rekeningnummer], aangehouden bij UBS Bank te Zürich, Zwitserland, welke coderekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), en/of VI. een geldbedrag van (ongeveer) € 450.000,- waarbij het verbergen en/of het verhullen er in bestaat dat: - op of omstreeks 23 april 2003 voornoemd geldbedrag (afkomstig van bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 5], aangehouden bij de Deutsche Bank te Amsterdam) giraal wordt ontvangen op bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 14], aangehouden bij Fortis Bank te Rotterdam, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), - op of omstreeks 2 mei 2003 een geldbedrag van € 200.000,- wordt overgeboekt van die bankrekening [rekeningnummer], aangehouden bij Fortis Bank naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 29], aangehouden bij Rabobank te Rotterdam, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), - op of omstreeks 22 mei 2003 een geldbedrag van € 150.000,- wordt overgeboekt van die bankrekening [rekeningnummer], aangehouden bij Fortis Bank naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 7], welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), en/of VII. een geldbedrag van (ongeveer) € 1.499.920,28, waarbij het verbergen en/of het verhullen er in bestaat dat: - op of omstreeks 27 mei 2003 voornoemd geldbedrag (afkomstig van derdengeldrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 23][naam] giraal wordt ontvangen op bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 14] aangehouden bij Fortis Bank te Rotterdam, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), - op of omstreeks 28 mei 2003 een geldbedrag van € 1.100.000,- wordt overgeboekt van die bankrekening [rekeningnummer], aangehouden bij Fortis Bank naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 8] aangehouden bij Deutsche Bank te Amsterdam, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), - op 28 mei 2003 een geldbedrag van € 400.000,- wordt overgeboekt van die bankrekening [rekeningnummer], aangehouden bij Fortis Bank, naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 9] aangehouden bij ABN-Amro Bank te Amsterdam, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), en/of VIII. een geldbedrag van (ongeveer) € 2.800.000,- waarbij het verbergen en/of het verhullen er in bestaat dat: - op of omstreeks 26 juni 2003 voornoemd geldbedrag (afkomstig van bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 10], aangehouden bij Hauck & Aufhäuser privatbankiers te Frankfurt, Duitsland) giraal wordt ontvangen op coderekening [rekeningnummer], aangehouden bij UBS Bank te Zürich, Zwitserland, welke coderekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), - op of omstreeks 27 juni 2003 een geldbedrag van € 400.000,- wordt overgeboekt van die coderekening [rekeningnummer], aangehouden bij UBS Bank, naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 11] aangehouden bij ING Bank te Amsterdam, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), - op of omstreeks 27 juni 2003 een geldbedrag van € 400.000,- wordt overgeboekt van die coderekening [rekeningnummer], aangehouden bij USB Bank, naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 9] aangehouden bij ABN-Amro Bank te Amsterdam, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), - op of omstreeks 27 juni 2003 een geldbedrag van € 2.000.000,- wordt overgeboekt van die coderekening [rekeningnummer], aangehouden bij USB Bank, naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 12] aangehouden bij Rabobank te Rotterdam, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), en/of IX. een geldbedrag van (ongeveer) € 400.000,- waarbij het verbergen en/of het verhullen er in bestaat dat: - op of omstreeks 21 juli 2003 voornoemd geldbedrag (afkomstig van bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 5], aangehouden bij de Deutsche Bank te Amsterdam) giraal wordt ontvangen op bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 14], aangehouden bij Fortis Bank te Rotterdam, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), - op of omstreeks 24 juli 2003 een geldbedrag van € 250.000,- wordt overgeboekt van die bankrekening [rekeningnummer], aangehouden bij Fortis Bank, naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 7], welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), - op of omstreeks 25 juli 2003 een geldbedrag van € 150.000,- wordt overgeboekt van die bankrekening [rekeningnummer], aangehouden bij Fortis Bank, naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 9] aangehouden bij ABN-Amro Bank te Amsterdam, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), en/of X. een geldbedrag van USD 2.000.000,- (zijnde of vertegenwoordigende een (tegen)waarde van (ongeveer) € 1.580.373,37), waarbij het verbergen en/of het verhullen er in bestaat dat: - op of omstreeks 7 januari 2004 voornoemd geldbedrag (afkomstig van bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 27], aangehouden bij de Deutsche Bank te Amsterdam) giraal wordt ontvangen op bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam], aangehouden bij ABN Amro bank te Curaçao, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), - op of omstreeks 8 januari 2004 een geldbedrag van € 1.500.000,-wordt overgeboekt van die bankrekening [rekeningnummer], aangehouden bij ABN Amro Bank, naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam A], aangehouden bij ABN Amro Bank te Amsterdam, welke ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), - op of omstreeks 12 januari 2004 een geldbedrag van € 1.100.000,- wordt overgeboekt van die bankrekening [rekeningnummer], aangehouden bij ABN Amro Bank naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 8], aangehouden bij Deutsche Bank te Amsterdam, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), - op of omstreeks 12 januari 2004 een geldbedrag van € 150.000,- wordt overgeboekt van die bankrekening [rekeningnummer], aangehouden bij ABN-Amro Bank naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam], aangehouden bij Staalbankiers, welke bankrekening ter beschikking staat van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), en/of waarbij het verhullen en/of verbergen van de werkelijke aard van voornoemd(
  19. e)geldbedrag(
  20. en)er mede uit bestaat dat er één of meer valse en/of onjuiste betalingstitels wordt/worden opgegeven en/of één of meer aandelentransacties wordt/worden teruggedraaid, (telkens) zulks terwijl hij, en/of zijn mededader(
  21. s)wist(en), althans redelijkerwijs moest(
  22. en)vermoeden, dat dat/die voorwerp(
  23. en)geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit afpersing, in elk geval uit enig misdrijf; 6. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 1998 tot en met 31 december 1998, te Amsterdam en/of /althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
  24. en)wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van (ongeveer) fl. 600.000,- en/of fl. 300.000,-, althans van één of meer geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3], in ieder geval aan (een) ander(
  25. en)dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte en/of zijn mededaders - naar (de woning van) die [slachtoffer 2] is gegaan en/of die [slachtoffer 2] heeft gewaarschuwd voor een probleem dat die [slachtoffer 2] en/of (diens zoon) [slachtoffer 3 ] zou(den) hebben en/of (kunnen) krijgen (in verband met de omgang van die [slachtoffer 3 ] met een meisje), en/of - naar (de woning van) die [slachtoffer 2] is gegaan en/of tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat twee of één op dat moment met hem, verdachte, daar aanwezige perso(o)n(
  26. en)hem, [slachtoffer 2], wilde(
  27. n)spreken, en/of naar (de woning van) die [slachtoffer 2] is/zijn gegaan en/of dreigend bij en/of om die [slachtoffer 2] is/zijn gaan staan en/of dreigend tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd dat die [slachtoffer 2] en/of (diens zoon) [slachtoffer 3] een probleem had(den) en/of dat er geld moest worden betaald om dat/een probleem op te kunnen lossen, althans woorden van een dergelijke dreigende aard en/of strekking, en/of - dreigend tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd dat hij en/of (één of meer van) zijn familieleden zou(den) worden gedood, en/of - die [slachtoffer 2] dreigend een (vuur)wapen, in ieder geval een voor bedreiging geschikt voorwerp, heeft/hebben voorgehouden en/of getoond; 7. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 2 november 2005, te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of één of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: - afpersing van [slachtoffer 4] (artikel 317 Wetboek van Strafrecht), en/of - bedreiging van die [slachtoffer 4] met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling (artikel 285 Wetboek van Strafrecht), en/of - mishandeling van die [slachtoffer 4] (artikel 300 Wetboek van Strafrecht), en/of - valsheid in geschrift (artikel 225 Wetboek van Strafrecht), en/of - witwassen van vermogensbestanddelen, afkomstig van (afpersing van, althans enig misdrijf ten nadele van die [slachtoffer 4] en/of één of meer aan hem gelieerd(
  28. e)bedrijf/bedrijven (artikel 420bis Wetboek van Strafrecht), en/of - handelen in strijd met artikel 26, eerste lid Wet wapens en munitie (artikel 55 Wet wapens en munitie), terwijl hij, verdachte, van deze organisatie oprichter en/of leider en/of bestuurder was, althans binnen deze organisatie een leidinggevende rol heeft vervuld; 8. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met 2 november 2005, te Amsterdam en/of /althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
  29. en)wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van (ongeveer) € 1.000.000,- , althans een of meer geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 4], in ieder geval aan (een) ander(
  30. en)dan verdachte en/of zijn mededader(s), bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s): - naar (de woning van) die [slachtoffer 4] is/zijn gegaan en/of dreigend tegen die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd dat hij dat/een geldbedrag moest betalen omdat anders zijn woning zou worden opgeblazen en/of hij, [slachtoffer 4], en/of (één of meer van) zijn familieleden zou(den) worden gedood, althans woorden van een dergelijke dreigende aard en/of strekking, en/of - meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer 4] dreigende wijze een (vuur)wapen, in ieder geval een voor bedreiging geschikt voorwerp, aan die [slachtoffer 4] heeft/hebben voorgehouden en/of getoond en/of op die [slachtoffer 4] heeft/hebben gericht, en/of - meermalen, althans eenmaal, dreigend die [slachtoffer 4] (in café De Hallen) heeft/hebben toe gesproken en/of (in een hoek) klem gezet, en/of - meermalen, althans eenmaal, dreigend die [slachtoffer 4] (vanuit café De Hallen) heeft/hebben meegenomen, en/of - (door één of meer van voornoemde handelingen) een dermate dreigende situatie en/of sfeer voor die [slachtoffer 4] heeft/hebben gecreëerd en/of in stand gehouden, dat de vrees van die [slachtoffer 4] voor geweld van de zijde van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(
  31. s)gerechtvaardigd was; 9. hij op een tijdstip of omstreeks de maand juni 2005 of juli 2005, te Amsterdam (in of bij café Bolle Jan aan de Korte Reguliersdwarsstraat 3) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer 5], meermalen, althans eenmaal (hard) tegen het hoofd, althans het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of geduwd, waardoor voornoemde [slachtoffer 5] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; 10. hij op of omstreeks 29 augustus 2002, in elk geval op een tijdstip in augustus 2002, te Amsterdam, [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 6] (onder meer) gezegd: "je moet maar oppassen en ik zou maar goed achterom kijken als je over straat loopt" en/of "je zou niet de eerste zijn die dood terug gevonden wordt", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 7] (onder meer) gezegd: "als je een echte kerel bent dan kom je nu mee naar buiten en dan sla ik je kop van je romp" en/of "als jij een vent bent dan sla ik ook je hersens eruit", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; 11. hij in of omstreeks de nacht van 31 december 1999 op 1 januari 2000, te IJmuiden, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer 8], meermalen, althans eenmaal, (hard) tegen het hoofd en/of het gezicht, althans het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer 8] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; 12. hij in of omstreeks de maand juli 2005, in elk geval op enig tijdstip in 2005, te Amsterdam, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer 9], meermalen, althans eenmaal, (hard) tegen de nek en/of tegen de maag, althans het lichaam heeft geschopt en/of geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer 9] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; 13. hij op of omstreeks 6 november 2004, althans op een tijdstip in de maand november 2004, te Amsterdam (in of bij café De Hallen aan de Willem de Zwijgerlaan 161) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer 10], meermalen, althans eenmaal, (hard) tegen het (achter)hoofd, althans het lichaam heeft geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer 10] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep -voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen- zal worden vernietigd. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging Hierna zal worden geconstateerd dat bepaalde gebreken kleven aan het opsporingsonderzoek in deze zaak. Deze gebreken zijn echter niet van dien aard dat een ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Ook andere feiten of omstandigheden die in de weg staan aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging, zijn niet aannemelijk geworden. A. Verweer en verzoek op grond van gestelde partijdigheid rechtbank en schending onschuldpresumptie Bij pleidooi in hoger beroep is onder meer betoogd dat in de onderhavige strafzaak waarheidsvinding en een eerlijk proces voor politie en justitie geen vanzelfsprekende uitgangspunten zijn geweest. De verdediging heeft terzake vooreerst aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat [naam K], toenmalig chef van de eenheid Randstad Noord van de politie, mr. F. Teeven, lid van de Tweede Kamer en voormalig officier van justitie in deze zaak, en mr. M.J.M. Verpalen, voorzitter van de strafkamer van de rechtbank Haarlem die het vonnis heeft gewezen waartegen thans het hoger beroep dient, in de media uitlatingen over de verdachte hebben gedaan die strijdig zijn met de onschuldpresumptie en dat geen onpartijdige berechting in eerste aanleg heeft plaatsgevonden. Eerder, ter terechtzitting in hoger beroep van 28 augustus 2008, heeft de verdediging bij wijze van preliminair verweer aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk diende te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, zulks op een aantal gronden, waaronder de uitlatingen van [naam K], mr. Teeven en mr. Verpalen. Bij beslissing van 19 september 2008 heeft het hof dit verweer verworpen en geoordeeld dat niet gebleken was van omstandigheden die in de weg staan aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging. Wat betreft de uitlatingen van [naam K], mr. Teeven en mr. Verpalen en de overige gronden waarop het preliminaire verweer berustte, zijn door de verdediging geen argumenten aangevoerd die het hof aanleiding geven thans terug te komen van zijn ter terechtzitting van 19 september 2008 gegeven beslissing. De uitlatingen van mr. Verpalen zullen hierna nader aan de orde komen; de overige gronden waarop het preliminaire verweer berustte, waaronder de uitlatingen van [naam K] en mr. Teeven, behoeven geen nadere bespreking. Het preliminaire verweer was onder meer gegrond op de stelling dat door de uitlatingen in De Telegraaf van 21 juni 2008 van mr. Verpalen de vrees is gerechtvaardigd dat de klassieke waarden van strafvordering, te weten de objectieve waarheidsvinding, een eerlijk proces en het onschuldvermoeden, niet meer overtuigend tot gelding zouden kunnen komen. Het hof heeft het verweer opgevat als strekkende ten betoge dat een ongeoorloofde inbreuk is gemaakt op het onschuldvermoeden en op het recht op een eerlijke behandeling van de strafzaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het hof heeft bij zijn beslissing tot verwerping van het verweer, voor zover hier van belang, mede verwezen naar de, in een brief van het bestuur van de rechtbank Haarlem van 6 augustus 2008 vermelde, uitdrukkelijke ontkenning door mr. Verpalen van aan hem toegeschreven uitlatingen. Ter terechtzitting van 14 januari 2009 heeft de verdediging wederom betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk diende te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Subsidiair heeft de verdediging toen verzocht de zaak op de voet van artikel 423, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) te verwijzen naar een andere rechtbank dan de rechtbank Haarlem. Ter onderbouwing daarvan heeft de verdediging aangevoerd dat, gelet op e-mailcorrespondentie op 18 juni 2008 tussen de president van de rechtbank Haarlem, mr. [naam N], en een journalist van De Telegraaf, [naam M], met betrekking tot de eerdergenoemde publicatie, het uitgangspunt dat mr. Verpalen aan hem toegeschreven uitlatingen uitdrukkelijk heeft ontkend, niet langer houdbaar is en dat daaruit volgt dat de rechtbank in eerste aanleg niet onpartijdig was. Het hof heeft ter terechtzitting van 16 januari 2009 medegedeeld dat op het primaire verweer en het subsidiaire verzoek nog niet zou worden beslist, waarna de verdediging ter terechtzitting van 4 februari 2009 het hof heeft verzocht reeds te beslissen op het verzoek tot verwijzing van de zaak, onder verwijzing naar intussen door de raadsman en mr. [naam N] gevoerde correspondentie. Het hof heeft ter terechtzitting van 6 februari 2009 beslist dat het verzoek om verwijzing van de zaak bij arrest zou worden beoordeeld. Bij gelegenheid van haar pleidooi heeft de verdediging ter terechtzitting van 7 mei 2009, onder verwijzing naar een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EHRM) van 5 februari 2009 in de zaak van Olujic tegen Kroatië (appl. nr. 22330/05), betoogd dat reeds het feit dat mr. Verpalen met een journalist over de strafzaak tegen de verdachte heeft gesproken, meebrengt dat het recht op berechting door een onpartijdige rechter in eerste aanleg is geschonden, zelfs indien wordt aangenomen dat mr. Verpalen de hem toegeschreven uitlatingen niet heeft gedaan. Voorts heeft de verdediging medegedeeld het eerder gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in te trekken, omdat de verdachte er de voorkeur aan geeft te worden vrijgesproken. De verdediging heeft het verzoek om verwijzing van de zaak naar een rechtbank gehandhaafd, doch slechts voor het geval de verdachte niet wordt vrijgesproken van alle aan het[slachtoffer 1]dossier, het [slachtoffer 2]dossier en het [slachtoffer 4]dossier gerelateerde feiten. Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gewraakte uitlatingen van mr. Verpalen persoonlijke bespiegelingen zijn die geen rechterlijk oordeel weergeven. Voorts heeft het, onder verwijzing naar jurisprudentie van het EHRM, betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat het bij één of meer leden van de rechtbank heeft ontbroken aan onpartijdigheid ten tijde van de procedure in eerste aanleg en gevorderd dat het verzoek zal worden afgewezen. Aangezien het hof de verdachte niet vrijspreekt van bedoelde feiten is aan de gestelde voorwaarde voldaan, zodat het hof zal beslissen op het gedane verzoek. Daartoe wordt als volgt overwogen. In zijn uitspraak van 5 februari 2009 in de zaak van Olujic tegen Kroatië - op welke uitspraak de verdediging zich heeft beroepen - heeft het EHRM geoordeeld dat artikel 6, eerste lid, EVRM was geschonden doordat rechters in interviews publiekelijk uitlatingen hadden gedaan over de zaak van de klager, die in eerste instantie aan hun oordeel onderworpen was geweest en die nog niet onherroepelijk was afgedaan. Het oordeel over de schending van artikel 6, eerste lid, EVRM had betrekking op de tweede berechting door diezelfde rechters, na vernietiging van hun eerste uitspraak en terugwijzing van de zaak door een hogere instantie, welke tweede berechting plaatsvond nadat zij de gewraakte uitlatingen hadden gedaan. Het EHRM heeft geen oordeel gegeven over de eerste berechting, die plaatsvond vóór de desbetreffende interviews. Aan de uitspraak van het EHRM is dan ook geen aanwijzing te ontlenen dat moet worden geoordeeld dat door de enkele omstandigheid dat mr. Verpalen ná het vonnis in eerste aanleg met een journalist over de strafzaak tegen de verdachte heeft gesproken, het recht op berechting door een onpartijdige rechter in eerste aanleg is geschonden. Desalniettemin kunnen na een uitspraak gedane uitlatingen van een rechter in de media, tot het oordeel leiden dat het bij de daaraan voorafgaande berechting heeft ontbroken aan de vereiste onpartijdigheid of dat de onschuldpresumptie is geschonden. In beginsel heeft de rechter zich te onthouden van uitlatingen in de media over een zaak die aan zijn oordeel onderworpen is geweest (en zeker zolang daarop nog niet onherroepelijk is beslist). Het antwoord op de vraag of dergelijke uitlatingen een schending van artikel 6, eerste en/of tweede lid, EVRM opleveren, is evenwel afhankelijk van de inhoud en strekking van die uitlatingen en de verdere omstandigheden. Het door de verdediging overgelegde e-mailbericht van 18 juni 2008 van [naam M], één van de auteurs van de publicatie in De Telegraaf, aan mr. [naam N], betreft kennelijk een reactie op het commentaar dat door laatstgenoemde is gegeven op de concepttekst van die publicatie. [naam M] heeft in dit e-mailbericht medegedeeld dat hij op verzoek van mr. [naam N] een drietal aan mr. Verpalen toegeschreven citaten heeft aangepast. In antwoord daarop heeft mr. [naam N] bij e-mailbericht van dezelfde datum opgemerkt dat mr. Verpalen zich niet herkende in de exacte formuleringen van de aangepaste tekst, maar dat de strekking daarvan wel weergaf hetgeen hij aan [naam M] vertrouwelijk had medegedeeld. Naar het oordeel van het hof dient op grond van laatstgenoemd e-mailbericht te worden aangenomen dat de weergave van de uitlatingen van mr. Verpalen in De Telegraaf naar de strekking overeenkomt met hetgeen hij tegenover [naam M] heeft verklaard. Ten aanzien van de door [naam M] in zijn e-mailbericht genoemde, aan mr. Verpalen toegeschreven, uitlatingen die niét in de publicatie in De Telegraaf zijn opgenomen, kan niet op grond van het enkele feit dat mr. [naam N] in diens e-mailbericht niet heeft betwist dat mr. Verpalen die uitlatingen heeft gedaan, worden aangenomen dat zij daadwerkelijk uit de mond van mr. Verpalen zijn opgetekend. Deze uitlatingen zullen dan ook verder buiten beschouwing worden gelaten. De door de verdediging gewraakte uitlatingen van mr. Verpalen die in de publicatie zijn opgenomen, zijn de volgende: - de aanduiding van de verdachte als “een schaker”; een uitlating die niet in het bestreden vonnis is genoemd; - de opmerking dat de verdachte op enkele punten zichzelf tegensprak - hetgeen niet in het vonnis is vermeld -, onder meer over de dood van [slachtoffer 4], alsmede dat zijn overtuiging daardoor werd gevoed; hieruit maakt de verdediging op dat de overtuiging is gevoed door (verklaringen over) een niet tenlastegelegd feit; - de uitlating dat de overtuiging geleidelijk werd gevormd, waarna aan het eind is gekeken of die overtuiging ook te bewijzen was; hieruit maakt de verdediging op dat de overtuiging niet op bewijsmiddelen is gebaseerd; en - de wens nog eens een psychologische rapportage over de verdachte te zien. Het hof vermag niet in te zien dat de aanduiding door mr. Verpalen van de verdachte als “een schaker” en zijn wens kennis te nemen van een eventueel over de verdachte op te maken psychologisch rapport, welke aanduiding en wens zijn uitgesproken na afloop van de procedure in eerste aanleg, kunnen wijzen op vooringenomenheid bij mr. Verpalen jegens de verdachte ten tijde van die procedure. Voorts kan noch de opmerking van mr. Verpalen dat zijn overtuiging werd gevoed door tegenstrijdige verklaringen van de verdachte ter terechtzitting over hem tenlastegelegde feiten noch het nalaten deze omstandigheid te vermelden in het vonnis redelijkerwijs tot het oordeel leiden dat de overtuiging van mr. Verpalen niet is gebaseerd op wettige, in de aanvulling op het vonnis opgenomen, bewijsmiddelen. Daarbij komt dat in het licht van het oordeel dat in het vonnis over de verdachte is gegeven, deze uitlatingen niet een zodanig gewicht hebben dat kan worden gezegd dat daarmee een expliciet negatief oordeel over de verdachte is gegeven, waardoor het onschuldvermoeden is geschonden of kan worden gesproken van partijdigheid bij de berechting. Zou mr. Verpalen hebben gezegd dat zijn overtuiging mede is gevoed door tegenstrijdige verklaringen van de verdachte over de moord op [slachtoffer 4], dan zou ook een zodanige uitlating niet tot een ander oordeel leiden. Het is echter niet komen vast te staan dat mr. Verpalen dat heeft gezegd. Uit het al genoemde e-mailbericht van 18 juni 2008 van [naam M] volgt immers dat men zich van de zijde van de rechtbank niet kon verenigen met het volgende, aanvankelijk opgenomen, aan mr. Verpalen toegeschreven citaat: “Over diens dood was hij tegenstrijdig. De moord was hem niet ten laste gelegd, maar het voedde wel de overtuiging.” Vervolgens is in het artikel in De Telegraaf op dit punt de volgende passage opgenomen, waarin de redactie van het citaat is aangepast: “Doordat hij zo veel vertelde kwam hij op enkele punten in tegenspraak met zichzelf.” Zo vertelde [verdachte] onder meer over de dood van [slachtoffer 4], die volgens justitie door [verdachte] was afgeperst. Verpalen en zijn collega-rechters veroordeelden hem later daar ook voor als een van de afpersingen náást die van [slachtoffer 1]. “Ook hier was hij tegenstrijdig. Dat voedde bij mij wel de overtuiging.” Volgens meergenoemde e-mail van mr. [naam N] heeft mr. Verpalen laten weten dat hij zich niet herkende in de exacte formuleringen van de aangepaste tekst, maar dat de strekking daarvan wel weergaf hetgeen hij aan [naam M] vertrouwelijk had medegedeeld. Naar het oordeel van het hof kan als strekking van de tussen aanhalingstekens geplaatste citaten van mr. Verpalen niet meer worden gelezen dan dat de verdachte volgens mr. Verpalen bij de bespreking van het [slachtoffer 4]dossier tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. De omstandigheid dat bij mr. Verpalen eerst de overtuiging over de schuld van de verdachte is ontstaan en hij vervolgens heeft gekeken of die overtuiging was te bewijzen, is uit bedoeld artikel, maar ook uit de overige gegevens, op generlei wijze af te leiden. De door de verdediging in dit verband geciteerde uitlating mag niet van haar context worden losgemaakt en daarnaast moet ook op de verdere beschikbare gegevens worden gelet. Het hof wijst op de uitgebreide processen-verbaal van de behandeling in eerste aanleg, waarin valt te lezen dat het bewijsmateriaal aan de verdachte is voorgehouden en vaak uitvoerig met hem is besproken, waarbij de verdachte van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt daar zijn commentaar op te geven. In het Telegraafartikel is met name de volgende context van belang: - (als citaat van mr. Verpalen:) “Het was geen uitgemaakte zaak. Het onderzoek besloeg ruim tweehonderd ordners, maar dat was zeker niet allemaal bewijs.”; - Hoe is een eerlijk proces mogelijk, als het hele land al van zijn schuld is overtuigd? Toch kwam de overtuiging dat [verdachte] inderdaad wel schuldig moest zijn bij Verpalen geleidelijk, zegt hij. “Dat was geen beslissing helemaal aan het einde, je groeit ernaartoe. Tijdens de zitting moet je een oordeel vormen. Je mag van tevoren geen vooroordeel klaar hebben. Ik kwam in stapjes tot mijn oordeel. Daarna kijk je aan het eind of die overtuiging ook is te bewijzen. Soms is dat niet het geval. Het is misschien wat ondergesneeuwd, maar we hebben hem en de medeverdachten op tal van punten ook vrijgesproken. Daar schoot het bewijs tekort, of was er geen bewijs.” In redelijkheid kan uit de voorgaande gegevens niets anders worden afgeleid dan dat bij mr. Verpalen bij aanvang van de behandeling geen vooringenomenheid heeft bestaan ten aanzien van de schuld of onschuld van de verdachte, dat hij het bewijsmateriaal uitvoerig met de verdachte heeft besproken, dat hij, in het proces dat vele zittingsdagen in beslag heeft genomen, op basis van het besprokene geleidelijk zijn mening over de beschuldigingen heeft gevormd en dat ten slotte, aan het eind (het hof begrijpt: bij de besprekingen in raadkamer), is getoetst of inderdaad op basis van wettige bewijsmiddelen die overtuiging kon postvatten. Dat hij daarbij gedurende de behandeling blijkt heeft gegeven van de schuld of onschuld van de verdachte is niet gesteld, en is overigens gelet op de mededelingen van de verdachte bij zijn laatste woord in eerste aanleg, niet aannemelijk. Aldus heeft mr. Verpalen blijk gegeven van een juiste opstelling en attitude bij de behandeling van de zaak en geven zijn uitlatingen niet blijk van een onjuiste wijze van rechterlijke oordeelsvorming. De stellingen van de verdediging ten aanzien van het optreden van mr. [naam N], die niet aan de berechting heeft deelgenomen, en ten aanzien van de discrepantie tussen de uitlatingen in de brief van mr. [naam N] aan de verdediging van 6 augustus 2008 en zijn uitlatingen aan [naam M] in de voornoemde e-mail van 18 juni 2008, zullen niet worden onderzocht, omdat zij hoe dan ook aan het voorgaande niet kunnen afdoen. Het hof stelt vast dat er geen grond bestaan voor het oordeel dat de rechtbank de in artikel 6, tweede lid, EVRM gegarandeerde onschuldpresumptie heeft geschonden of jegens de verdachte van partijdigheid blijk gevende vooringenomenheid heeft gekoesterd, noch dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het verzoek wordt afgewezen. B. Verweren en verzoek met betrekking tot verscheidene feitencomplexen Het reeds genoemde, bij pleidooi gehouden betoog dat in de onderhavige strafzaak waarheidsvinding en een eerlijk proces voor politie en justitie geen vanzelfsprekende uitgangspunten zijn geweest, is mede gegrond op de thans te bespreken omstandigheden. Ook deze omstandigheden dienen, zo heeft de verdediging gesteld, niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging, omdat de verdachte er de voorkeur aan geeft te worden vrijgesproken. De verdediging heeft uitsluiting van het bewijsmateriaal dat direct wordt getroffen door de gevoerde verweren bepleit, aangezien in die gevallen sprake is van een aanmerkelijke schending van een belangrijk voorschrift. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Gelet op de aan de verweren verbonden conclusie behoeven alleen die verweren bespreking die de bruikbaarheid van het bewijsmateriaal dan wel een van de andere door het hof te nemen beslissingen raken. Voorts ziet een aantal (onderdelen van
  32. de)verweren op afzonderlijke feitencomplexen (het [slachtoffer 1]dossier, het [slachtoffer 2]dossier en het [slachtoffer 4]dossier). De verweren zullen in zoverre bij de beoordeling van die feitencomplexen worden besproken, behoudens hetgeen hierna wordt overwogen. B.1. Achterwege blijven van opsporingsonderzoek en inzet van opsporingsbevoegdheden De verdediging heeft aangevoerd dat opsporingsonderzoek ter toetsing van onder meer de juistheid van de uitlatingen van [slachtoffer 1] tijdens de achterbankgesprekken achterwege is gebleven en dat na de moord op [slachtoffer 1] bijzondere opsporingsbevoegdheden naar willekeur en met schending van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zijn uitgeoefend. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Vooropgesteld moet worden dat het in het kader van de ingevolge de artikelen 348 en 350 Sv te beantwoorden vragen niet aan het hof is te beoordelen of de inzet van bepaalde opsporingsmethoden niet achterwege had mogen blijven, noch te bepalen in welke richting politie en openbaar ministerie nader onderzoek hadden moeten verrichten. Het hof heeft, waar het gaat om de waardering van de resultaten van het opsporingsonderzoek, tot taak te onderzoeken of het voorhanden bewijsmateriaal rechtmatig is verkregen en voldoende (betrouwbaar) is om tot een bewezenverklaring te komen. Het kan in dat verband voorkomen dat de omstandigheid dat bepaald opsporingsonderzoek niet is verricht, van invloed is op de waardering van de beschikbare onderzoeksresultaten, maar dat zal moeten worden bezien in het kader van de vraag of de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Afgezien daarvan treedt het hof niet in de beoordeling van hetgeen op dit punt is aangevoerd. Voor zover hetgeen ter onderbouwing van het verweer is aangevoerd, ziet op de bruikbaarheid voor het bewijs van de achterbankgesprekken en de dagboekaantekeningen van [slachtoffer 1], zal daarop worden ingegaan bij de beoordeling van de verweren inzake het [slachtoffer 1]dossier. De gestelde onrechtmatigheden bij het observeren van de verdachte en [medeverdachte 1] en bij het opnemen en afluisteren van telefoongesprekken van [naam A], [naam B] en [naam C] behoeven geen bespreking, aangezien de toepassing van die opsporingsmethoden geen bewijsmateriaal heeft opgeleverd. B.2. Niet-naleving artikel 152 Sv? De verdediging heeft betoogd dat de verslaglegging in het Kolbakdossier onvolkomen, onvolledig en onjuist is geweest, waardoor is gehandeld in strijd met artikel 152 Sv en de in de rechtspraak ontwikkelde normen. De verdediging heeft daaraan - zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. - Van de telefoongesprekken van verbalisant RN03-049 met [getuige 3] op 17 en 18 december 2004 is pas op 30 mei 2006 proces-verbaal opgemaakt, hetgeen niet tijdig is, terwijl in verband met het tijdsverloop getwijfeld moet worden aan de juistheid van de in het proces-verbaal opgenomen weergave van citaten van [getuige 3]. - Niet is bekend gemaakt dat verhoren van [getuige 3] met audio-apparatuur zijn opgenomen en dat mr. Teeven met hem heeft gesproken. - De officier van justitie mr. Plooij heeft in zijn brief van 20 november 2008 onjuiste mededelingen gedaan over de reden van ondertekening door [getuige 3] van een proces-verbaal van verhoor van 12 februari 2006. - Processen-verbaal van verhoren van [getuige 3] van 26 januari 2005 en 14 maart 2005 vormen een onvolkomen weergave van de inhoud van de verhoren. Voor zover dit wordt gemotiveerd met het argument dat het niet de bedoeling was deze verhoren tactisch te gebruiken, wordt miskend dat aan kluisverklaringen geen andere eisen gesteld mogen worden dan aan reguliere processen-verbaal en dat het uiteindelijk de bedoeling is dat een kluisverklaring aan het dossier wordt toegevoegd. Het is zelfs in strijd met Europese jurisprudentie dat het openbaar ministerie zelfstandig bepaalt of verklaringen in een kluis of in het dossier terechtkomen. - Van diverse gesprekken van [getuige 19], al dan niet in aanwezigheid van [getuige 3] (of getuige C), met politieambtenaren en mr. Teeven is geen proces-verbaal opgemaakt. De omstandigheid dat dit voorgesprekken zouden zijn in de aanloop naar een af te leggen kluisverklaring, brengt niet mee dat de verplichting van artikel 152 Sv niet geldt of dat van zodanige gesprekken geen behoorlijke verslaglegging moet plaatsvinden. Het is niet bekend hoe vaak dergelijke gesprekken hebben plaatsgevonden en wat inhoudelijk is besproken noch is te achterhalen of [getuige 19] in de later door haar afgelegde verklaringen uit eigen wetenschap, waarneming of ondervinding heeft gesproken. - In het Kolbakonderzoek blijkt navraag te zijn gedaan in voormalig Joegoslavië naar betrokkenheid van de verdachte bij investeringen in onroerend goed aldaar. Dat heeft geen resultaat gehad, hetgeen ontlastende informatie is, maar daarvan is geen proces-verbaal opgemaakt. - Ten onrechte is in eerste aanleg niet bekend gemaakt dat de CIE reeds op 28 augustus 2002 een gesprek heeft gehad met [slachtoffer 1] noch dat afzonderlijk onderzoek naar afpersing van [slachtoffer 1] door [naam X] is gedaan. - In het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 4] op 10 februari 2005 is niet opgenomen dat de verbalisanten hem hebben voorgehouden dat allerlei trajecten mogelijk waren. De verdediging heeft bepleit dat het materiaal dat direct wordt getroffen door deze verweren, van het bewijs wordt uitgesloten en dat overigens een uiterst kritische toetsing van het door het openbaar ministerie gepresenteerde bewijsmateriaal moet plaatsvinden. Het hof overweegt als volgt. Opsporingsambtenaren dienen ten spoedigste proces-verbaal op te maken van door hen opgespoorde strafbare feiten en van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden. Dit kan slechts dan achterwege blijven indien hetgeen door hen is verricht of bevonden, redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter te nemen beslissing. Daarbij komt de opsporingsambtenaar een zekere beoordelingsvrijheid toe. Ten aanzien van het horen van getuigen verzet geen rechtsregel zich tegen het maken van een zakelijke samenvatting van hetgeen de getuige heeft verklaard. Dat kan integendeel veelal juist geboden zijn om de leesbaarheid, zeker waar het uitvoerige verklaringen betreft, ten goede te komen. Ook een officier van justitie die in het kader van een (mogelijk) traject als bedoeld in artikel 226a e.v. Sv met een getuige gesprekken voert om vast te stellen of de verklaring van de getuige van belang kan zijn voor een door de rechter te nemen beslissing en of deze getuige bereid is (verder) mee te werken aan vorenbedoeld traject, dient ten minste van zijn verrichtingen een behoorlijk verslag te maken, zodat tijd en plaats van de contacten alsmede de globale inhoud van het besprokene nadien zonodig kunnen worden vastgesteld, daargelaten de vraag of hij verplicht kan worden deze verslaglegging te delen met andere procesdeelnemers en, zo ja, onder welke omstandigheden. Met de verdediging is het hof van oordeel dat in een aantal gevallen onvolkomen en onzorgvuldige verslaglegging heeft plaatsgevonden, in het bijzonder van verhoren van getuigen. Zo kunnen relevante verschillen worden geconstateerd tussen de samenvattende schriftelijke weergaven van verhoren van bepaalde getuigen en de verbatim-uitwerkingen daarvan ten aanzien van de omstandigheden rondom het verhoor en de inhoud van de verklaringen: soms zijn onderdelen van een verklaring die van belang zouden kunnen zijn, weggelaten en ook komt het voor dat de schriftelijke samenvatting onjuistheden bevat. Voorts kan worden vastgesteld dat met een aantal getuigen door een vertegenwoordiger van het openbaar ministerie is gesproken in het kader van hun (mogelijke) medewerking aan een traject als bedoeld in artikel 226a e.v. Sv dan wel de continuering daarvan. Van die gesprekken is geen ander verslag beschikbaar dan hetgeen is vermeld in de processen-verbaal van mrs. Plooij en Teeven ten behoeve van de verhoren van de destijds nog anonieme getuigen bij de rechter-commissaris. In sommige gevallen zijn processen-verbaal pas lange tijd na hetgeen is verricht of bevonden, opgemaakt en is van een aantal onderzoeksactiviteiten pas in hoger beroep verslaglegging beschikbaar gekomen. Een en ander brengt mee dat gesproken kan worden van ernstige tekortkomingen. Voor het antwoord op de vraag of om die reden bewijsuitsluiting van de verklaringen van de desbetreffende getuigen het gevolg moet zijn, geldt het volgende. Van een groot aantal verhoren van getuigen, onder wie [getuige 3], zijn audio-opnamen gemaakt. De verdediging is in de gelegenheid geweest de desbetreffende audio-opnamen te beluisteren en de verslaglegging te controleren en becommentariëren. Tevens is de verdediging in voorkomende gevallen in de gelegenheid geweest getuigen, onder wie [getuige 19], te ondervragen, ook over hetgeen zij bij de politie hebben verklaard. De verdediging heeft daarvan ook gebruik gemaakt. Ook verhorende verbalisanten zijn door de verdediging gehoord, alsmede mr. Teeven. Nu de verdediging de bedoelde verklaringen op deze wijze voldoende heeft kunnen controleren op juistheid en volledigheid, en er dientengevolge omtrent de inhoud en strekking ervan thans naar het oordeel van het hof voldoende duidelijkheid bestaat, leveren de door de verdediging aangevoerde gronden geen reden voor bewijsuitsluiting op. Voor zover van belang zijn immers de gebreken hersteld of gecompenseerd. Hetgeen verder is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. De door de verdediging genoemde, aanvankelijk niet verstrekte informatie is in een later stadium alsnog bekend gemaakt en/of in het dossier gevoegd. Aan de juistheid van de weergave van uitlatingen in een proces-verbaal, dat is opgemaakt lang nadat die uitlatingen zijn gedaan, behoeft niet getwijfeld te worden indien dat proces-verbaal gebaseerd is op een intern verslag van die uitlatingen, gemaakt kort na die uitlatingen. Verder raken onjuistheden in voornoemde brief van mr. Plooij niet de inhoud van het bedoelde proces-verbaal van verhoor van [getuige 3]. Het verweer wordt verworpen. De verdediging heeft in dit verband nog een voorwaardelijk verzoek geformuleerd: indien het hof geneigd zou zijn het openbaar ministerie te volgen in zijn standpunt dat met betrekking tot de onregelmatigheden in processen-verbaal sprake is van incidentele uitglijders, wenst de verdediging alle beschikbare geluidsopnamen van verhoren te beluisteren. Daarmee beoogt de verdediging duidelijk te maken dat er met de wijze waarop getuigen in de Kolbakzaak zijn gehoord en met de wijze van verslaglegging structureel, en niet incidenteel, iets mis is. Het hof heeft hiervóór zijn oordeel gegeven over de gebreken in de verslaglegging van verhoren. Ook heeft het hof geoordeeld dat, voor zover van belang, gebreken zijn hersteld of gecompenseerd. Gelet daarop en op de redengeving van het verzoek, is - voor zover de voorwaarde van het verzoek is vervuld - de noodzaak van het verzochte niet gebleken. Het verzoek wordt afgewezen. B.3. Beginselen van een behoorlijke procesorde en het recht op een eerlijk proces De verdediging heeft aangevoerd dat de beginselen van een behoorlijke procesorde en het recht op een eerlijk proces zijn geschonden, doordat: a. [getuige 19] is voorgedragen voor de status van bedreigde getuige terwijl redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij op enig moment op naam door de verdediging zou worden opgeroepen; b. [getuige 19], na haar verhoor bij de rechter-commissaris op 22 maart 2007, op 27 augustus 2007 buiten aanwezigheid van de verdediging door de politie is gehoord; c. [getuige 3] is voorgedragen voor de status van anonieme bedreigde getuige terwijl redelijkerwijs voorzienbaar was dat hij op enig moment op naam door de verdediging zou worden opgeroepen. d. nadat [getuige 5] ter terechtzitting in hoger beroep is gehoord, hij nogmaals buiten aanwezigheid van de verdediging door de politie is gehoord op 2 februari 2009, bij welk verhoor onderwerpen die ten overstaan van het gerechtshof zijn besproken, nogmaals aan de orde zijn gesteld; e. nagelaten is resultaten van het onderzoek naar afpersing van [slachtoffer 1] (en van [getuige 20]) aan het dossier toe te voegen; f. [getuige 21], de erven [slachtoffer 1] en de erven [slachtoffer 4] niet zijn vervolgd, hetgeen willekeur oplevert. Het hof overweegt als volgt. Zoals eerder overwogen behoeven alleen die verweren bespreking die de bruikbaarheid van het bewijsmateriaal dan wel een van de andere door het hof te nemen beslissingen raken. Om die reden behoeft het verweer ten aanzien van de hier onder e en f genoemde gronden geen bespreking. Het verweer ten aanzien van de hier onder a, b, c en d genoemde gronden strekt kennelijk tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van de getuigen [getuige 19], [getuige 3] en [getuige 5]. Ad a en c. De wetgever heeft in de artikelen 226a e.v. Sv de procedure vastgelegd die door de officier van justitie gevolgd moet worden gevolgd indien deze van oordeel is dat ter gelegenheid van het verhoor van een getuige diens identiteit verborgen moet worden gehouden. Daarbij zijn tevens de criteria geformuleerd wanneer daarvan sprake kan zijn. De rechter-commissaris toetst en beoordeelt een vordering, met dat doel door de officier van justitie gedaan, en beslist daarop. Tevens zijn in genoemde artikelen voorwaarden gesteld die er toe strekken dat de identiteit van die getuige gedurende het vervolg van de procedure verborgen blijft. De opvatting van de verdediging komt hierop neer dat in het geval het voor het openbaar ministerie redelijkerwijs voorzienbaar is dat de verdediging een getuige op naam zal willen doen oproepen, het om die reden – naast hetgeen in voormelde regelgeving is bepaald – de getuige niet mag betrekken in een traject als bedoeld in artikel 226a Sv. Deze opvatting kan niet als juist worden aanvaard, nu daarvoor in het recht geen aanknopingspunten zijn te vinden. Overigens is niet aannemelijk geworden dat de verdachte enig nadeel heeft ondervonden als gevolg van de bedoelde handelwijze van de officier van justitie. De identiteit van de desbetreffende getuigen is nadien bekend geworden. De verdediging heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheden de verklaringen van de getuigen te toetsen. Zo is [getuige 19] bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris gehoord en heeft toen ook de verdediging de getuige ondervraagd. Op band opgenomen verklaringen van [getuige 3] zijn door de verdediging beluisterd en verbatim uitgewerkt. Voor bewijsuitsluiting is op grond van het voorgaande geen plaats. Ad b. [getuige 19] is, na op 22 maart 2007 door de rechter-commissaris te zijn gehoord, in opdracht van de officier van justitie mr. Plooij opnieuw door de politie gehoord op 27 augustus 2007. Kennelijk had dit verhoor de strekking meer duidelijkheid te krijgen over de door haar bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring met betrekking tot een eerder door haar afgelegde verklaring op 3 november 2005. De verdediging kan worden toegegeven dat het voor de hand had gelegen haar uit te nodigen bij dit verhoor aanwezig te zijn om zonodig vragen te stellen. Zij is echter nadien in hoger beroep in de gelegenheid gesteld de getuige opnieuw te ondervragen bij het verhoor van de getuige door de raadsheer-commissaris. Nu ook overigens niet aannemelijk is geworden dat de gewraakte handelwijze enig nadeel voor de verdachte ten gevolg heeft gehad, is voor bewijsuitsluiting geen plaats. Ad d. [getuige 5] is, na op 10 december 2008 als getuige ter terechtzitting in hoger beroep te zijn gehoord, door de politie gehoord op 2 februari 2009. Dit verhoor vond niet plaats in het onderhavige Kolbakonderzoek, maar in het Enclave-onderzoek. In dit verhoor zijn deels onderwerpen aan de orde geweest die ook op de terechtzitting van het hof aan de orde zijn geweest, hetgeen geen bevreemding wekt, daar het Enclave-onderzoek veel raakvlakken kent met, en de resultaten ervan voor een groot deel zijn gevoegd in, het Kolbakdossier. Van de zijde van de verdediging zijn geen verzoeken gedaan om na kennisneming van de inhoud van het bedoelde politieverhoor de getuige opnieuw te ondervragen. Nu evenmin is aangevoerd, noch aannemelijk geworden, dat de verdachte enig nadeel heeft ondervonden als gevolg van de gewraakte handelwijze, is voor bewijsuitsluiting geen plaats. Het verweer wordt verworpen. B.4. Inbreuk op verschoningsrechten? Door de verdediging is betoogd dat het verschoningsrecht van de voormalige raadsman van de verdachte, mr. [naam O], en het daarvan afgeleide verschoningsrecht van diens voormalige secretaresse, [getuige 6], is geschonden, zodat hun uitlatingen niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Daartoe is het volgende aangevoerd. Voorafgaand aan haar verhoren op 24 februari 2005 en 18 juli 2006 is [getuige 6] weliswaar gewezen op haar verschoningsrecht, maar bij gelegenheid van haar verhoor bij de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat haar daarbij tevens is medegedeeld dat de te stellen vragen niet onder het verschoningsrecht vielen. Van afstand van het verschoningsrecht door [getuige 6] kan geen sprake zijn geweest, nu er geen informed consent was, omdat [getuige 6] in de veronderstelling verkeerde dat zij zou worden gehoord over het lekken van een strafdossier of over een diefstal op het kantoor van mr. [naam O] Bovendien was het aan mr. [naam O], als degene van wie het verschoningsrecht van [getuige 6] was afgeleid, te beoordelen of [getuige 6] kon afzien van de bevoegdheid tot verschoning. De omstandigheid dat zijn oordeel niet is ingewonnen, brengt reeds mee dat inbreuk is gemaakt op het verschoningsrecht. Voorts is het verschoningsrecht van mr. [naam O] geschonden doordat [verbalisant] en mr. Van Straelen uitlatingen van mr. [naam O] in een proces-verbaal hebben gerelateerd, niettegenstaande de geheimhoudingsplicht van mr. [naam O] en het uiterst vertrouwelijke karakter van zijn gesprek met [verbalisant] en mr. Van Straelen. Naar de Hoge Raad heeft geoordeeld, mogen gegevens die vallen onder het professionele verschoningsrecht immers geen deel uitmaken van de processtukken. Het hof overweegt en beslist als volgt. Hoewel het aanbeveling verdient verschoningsgerechtigden te wijzen op hun bevoegdheid zich te verschonen, heeft de wetgever opsporingsambtenaren daartoe niet verplicht (HR 30 augustus 2005, NJ 2005, 543). [getuige 6] heeft, nadat zij voorafgaand aan haar verhoor op 24 februari 2005 op haar verschoningsrecht was gewezen, verklaard dat zij begreep wat daarmee bedoeld werd; ook voorafgaand aan haar verhoor op 18 juli 2006 is [getuige 6] op haar verschoningsrecht gewezen. Voorts heeft zij bij het verhoor van 24 februari 2005 verklaard dat zij kort vóór dat verhoor met mr. [naam O] had gebeld, bij welke gelegenheid deze haar had gezegd dat zij naar waarheid moest verklaren en haar had herinnerd aan een eerder gespek van haar met de politie over bezoeken van de verdachte aan het kantoor van mr. [naam O]. Bij deze stand van zaken kan niet worden aangenomen dat bij de bedoelde verhoren van [getuige 6]. Indien inbreuk is gemaakt op haar verschoningsrecht of dat van mr. [naam O]. [getuige 6] in de veronderstelling verkeerde dat zij zou worden gehoord over het lekken van een strafdossier of over een diefstal op het kantoor van mr. [naam O], maakt dat het voorgaande niet anders. De suggestie dat aan mr. [naam O] de beslissing had moeten worden gelaten of [getuige 6] zich bij de beantwoording van bepaalde vragen diende te verschonen, vindt geen steun in het recht. De omstandigheid dat de verhorende opsporingsambtenaren [getuige 6] hebben medegedeeld dat de beantwoording van hun vragen niet onder het verschoningsrecht viel, indien die aannemelijk zou kunnen worden geacht, kan aan voormeld oordeel niet afdoen. Het proces-verbaal van [verbalisant] en mr. Van Straelen van 27 januari 2006, waarin een gesprek met mr. [naam O] op 1 december 2003 over een bedreiging door onder anderen [verdachte] op het kantoor van mr. [naam O] is gerelateerd, houdt in dat aan mr. [naam O] is medegedeeld dat het gesprek vooralsnog een vertrouwelijk karakter had, maar dat dit niet meer het geval zou zijn als mr. [naam O] aan een ander of anderen de inhoud van het gesprek geheel of gedeeltelijk bekend zou maken. Voorts houdt het proces-verbaal in dat enige tijd na 1 december 2003 bleek dat mr. [naam O] de inhoud van het gesprek bekend had gemaakt aan de journalist [getuige 5]. Mr. [naam O] heeft bij brief van 3 februari 2006 gedeeltelijk ontkend de door [verbalisant] en mr. Van Straelen gerelateerde uitlatingen te hebben gedaan, maar niet betwist dat hem het voorwaardelijk vertrouwelijke karakter van het gesprek is medegedeeld. Evenmin heeft hij betwist dat hij [getuige 5] verteld had over de inhoud van het gesprek; [getuige 5] heeft zelf verklaard dat hij van mr. [naam O] had gehoord dat deze door [verbalisant] was toegesproken over een “dreigingsincident” op het kantoor van mr. [naam O] (D1-0216). Niet is gebleken dat mr. [naam O] zich tijdens het gesprek met [verbalisant] en mr. Van Straelen heeft beroepen op zijn verschoningsrecht noch heeft hij daaromtrent iets vermeld in zijn brief van 3 februari 2006, terwijl hij in zijn hoedanigheid van advocaat bij uitstek ervan op de hoogte moet zijn geweest in welke gevallen hij zijn verschoningsrecht kon inroepen. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat het verschoningsrecht van mr. [naam O] ook in dit geval niet is geschonden. Het verweer wordt derhalve verworpen. C. Verweren en verzoeken met betrekking tot het [slachtoffer 1]dossier C.1. De bruikbaarheid van de achterbankgesprekken Door de verdediging is betoogd dat de weergaven van de door [slachtoffer 1] gevoerde gesprekken met de CIE (nader te noemen: de achterbankgesprekken) op verscheidene gronden niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Daartoe is, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd: a. Artikel 126l Sv is geschonden nu diverse achterbankgesprekken van [slachtoffer 1] met een technisch hulpmiddel zijn opgenomen, zonder dat daaraan een bevel van de officier van justitie en een machtiging van de rechter-commissaris ten grondslag lag. Evenmin is terzake aan de verbaliseringsverplichting voldaan. b. Volgens het door Crombag en Wagenaar opgemaakte rapport van 31 maart 2009 zijn de achterbankgesprekken als bewijsmiddel vrijwel waardeloos. [slachtoffer 1]’s ontwijkende antwoorden op vragen van de CIE behelzen nauwelijks controleerbare informatie en onwaarschijnlijke mededelingen, waarop niet is doorgevraagd door de CIE-rechercheurs, die stuurloos meedobberden, gebrek aan kritisch vermogen toonden en zich niet bezig hielden met waarheidsvinding. [slachtoffer 1] hield doelbewust elke controle op de juistheid van zijn uitlatingen tegen, bijvoorbeeld door zijn medewerking te onthouden aan het observeren van zijn ontmoetingen met de verdachte en [medeverdachte 2] of aan het opnemen van gesprekken met hen. Op geen enkele wijze is onderzoek gedaan naar de juistheid van de uitlatingen van [slachtoffer 1]. Waar verificatie van [slachtoffer 1]’s uitlatingen volgens het openbaar ministerie wel heeft plaatsgevonden, bevestigen de onderzoeksresultaten niet de veronderstelde rol van de verdachte bij de hem onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde feiten. Bovendien had [slachtoffer 1] kennelijk de beschikking over het Citypeak-dossier en het Context-Mijnwerker-dossier, en heeft hij tijdens de achterbankgesprekken herhaaldelijk gelogen. Zoals door Crombag en Wagenaar is opgemerkt, kan - wanneer eenmaal is vastgesteld dat een verklaring een leugen behelst - alleen op de juistheid van geverifieerde onderdelen van die verklaring worden afgegaan , en van geverifieerde onderdelen over de rol van de verdachte is geen sprake. c. De verdediging heeft [slachtoffer 1] in geen enkel stadium van de procedure kunnen ondervragen, zodat ingevolge jurisprudentie van het EHRM voor een bewezenverklaring in andere bewijsmiddelen voldoende steunbewijs te vinden moet zijn, hetgeen niet het geval is. Vele getuigen hebben niet uit eigen wetenschap kunnen verklaren over de veronderstelde rol van de verdachte bij de afpersing van [slachtoffer 1]; zij hebben hun wetenschap ontleend aan hun door [slachtoffer 1] verschafte informatie. De verklaringen van getuigen over door hen waargenomen emoties bij [slachtoffer 1], diens veranderde gedrag en de gewijzigde relatie tussen [slachtoffer 1] en de verdachte, kunnen evenmin gelden als direct bewijs voor de afpersing van [slachtoffer 1] of de betrokkenheid van de verdachte daarbij. Het hof overweegt en beslist hieromtrent als volgt. Ad a. Artikel 126l Sv Artikel 126l Sv luidt, voor zover hier van belang, als volgt. 1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdeel b, vertrouwelijke communicatie opneemt met een technisch hulpmiddel. 2. (…) 3. Het bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie is schriftelijk (…). 4. Het bevel kan slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris.(…) 5. (…) 6. Artikel 126g, zesde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de officier van justitie voor wijziging, aanvulling of verlenging een machtiging van de rechter-commissaris behoeft. (…) 7. (…) 8. Van het opnemen wordt binnen drie dagen proces-verbaal opgemaakt. Artikel 126l Sv is tot stand gekomen naar aanleiding van voorstellen van de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (commissie Van Traa) als onderdeel van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden. In de Memorie van Toelichting van deze wet is - voor zover hier van belang - onder meer het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 1996-1997, 25403, nr. 3). Bij enkele in titel V geregelde bevoegdheden, namelijk het opnemen van telecommunicatie en het opnemen van vertrouwelijke communicatie, dat zijn de meest op de grondrechten van burgers ingrijpende bevoegdheden, is de kring van personen beperkt tot personen ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat dat zij betrokken zijn bij het in georganiseerd verband beramen of plegen van ernstige misdrijven. (…) Onder vertrouwelijke communicatie moet worden verstaan de uitwisseling van berichten tussen twee of meer personen die in beslotenheid plaatsvindt. Vertrouwelijke communicatie kan op zeer verschillende wijzen plaatsvinden: bijvoorbeeld door het gesproken of geschreven woord, of door de overdracht van signalen via de ether of de kabel. Onder vertrouwelijke communicatie valt bijvoorbeeld een in beslotenheid gevoerd gesprek, een niet openbaar e-mailbericht, of niet voor het publiek bestemd radioverkeer. (…) De bevoegdheid tot het opnemen van communicatie opent de mogelijkheid, zonder medewerking van een aanbieder van telecommunicatie, communicatie op internet op te nemen met een technisch hulpmiddel. (…) De bevoegdheid tot het opnemen van communicatie houdt in dat technische apparatuur mag worden geplaatst waarmee communicatie wordt opgevangen en geregistreerd. Anders dan bij de telecommunicatie-tap, kan, om de communicatie te onderscheppen, geen gebruik worden gemaakt van faciliteiten die aanwezig zijn bij telecommunicatie-aanbieders. Vaak zal het opnemen van communicatie pas mogelijk zijn door in de omgeving van de persoon die onderwerp van onderzoek is, technische apparatuur te plaatsen. Hierbij moet vooral worden gedacht aan kleine microfoons, ook wel bugs genoemd. Deze kunnen worden geplaatst in een ruimte waarin, of op een voorwerp in de buurt waarvan of waarmee naar verwachting de verdachte of een andere persoon die van belang is voor het onderzoek, gesprekken zal voeren of op ander wijze zal communiceren. (…) Denkbaar is ook dat gesprekken worden afgeluisterd met zogenaamde richtmicrofoons, waarmee vanaf een afstand signalen worden opgevangen. Deze methode zal echter vaak niet werkbaar zijn, omdat een veelheid aan geluiden dermate storend zal werken, dat het beoogde gesprek nauwelijks kan worden verstaan. (…) Onder de regeling vallen niet die situaties waarin vertrouwelijke communicatie kan worden onderschept zonder gebruik van een technisch hulpmiddel. Wanneer deelnemers aan een gesprek in het openbaar zo praten dat zij door anderen zijn te verstaan, kunnen zij weten dat zij kunnen worden afgeluisterd. Indien dit gebeurt, is er geen sprake van privacyschending. Wanneer een opsporingsambtenaar kennis kan nemen van een gesprek, omdat hij in een café zit, naast het tafeltje van de personen die het gesprek voeren, dan heeft hij hiervoor geen bevel van de officier van justitie nodig. (…) Het voorgestelde artikel 126l, eerste lid, voorziet in de bevoegdheid tot opname van vertrouwelijke communicatie in geval er een geconcretiseerde verdenking is. Dit artikellid vereist niet dat het gaat om communicatie waaraan de verdachte deelneemt. Evenals bij de telefoontap staat de waarheidsvinding centraal. Het kan zijn dat het belang van waarheidsvinding juist verlangt dat communicatie waaraan andere personen dan de verdachte deelnemen, wordt opgenomen omdat dit cruciale informatie voor de opheldering van het misdrijf zou kunnen opleveren. Deze bevoegdheid maakt dus niet alleen inbreuk op de rechten van de verdachte, maar ook op die van derden. Mede daarom zijn de waarborgen waarmee deze bevoegdheid is omgeven, zoals de rechterlijke toets, de beperking tot misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken en de termijn van vier weken, in vergelijking met de overige bevoegdheden aanzienlijk. (…) Het opnemen van communicatie met medeweten van één van de deelnemers aan de communicatie, valt onder de regeling. De PEC heeft een regeling van deze situatie aanbevolen. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een infiltrant opname-apparatuur bij zich draagt, en deze inschakelt, wanneer hij bij de uitvoering van zijn taak gesprekken voert met personen op wie het opsporingsonderzoek zich richt. Wanneer dergelijke gesprekken worden opgenomen, is het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het geding, omdat achteraf een exacte en volledige weergave van het gesprek mogelijk is, terwijl de gesprekspartner van de opsporingsambtenaar daarop niet bedacht kan zijn. Het is echter een minder ingrijpende inbreuk op de privacy dan wanneer gesprekken worden opgenomen, zonder dat één van de gepreksdeelnemers dit weet. In het eerste geval is de opsporingsambtenaar sowieso op de hoogte van de inhoud van het gesprek, terwijl in het laatste geval zonder opname-apparatuur geen kennis zou kunnen worden genomen van het gesprek. Op grond van de tekst van artikel 126l Sv en voormelde toelichting moet worden geoordeeld dat het artikel geen betrekking heeft op de situatie, zoals die zich in het onderhavige geval heeft voorgedaan, waarin een persoon zich wendt tot een CIE of een andere politiedienst en met ambtenaren werkzaam bij die diensten gesprekken voert. In zodanig geval gaat het immers niet om vertrouwelijke communicatie als bedoeld in dit artikel. De door de verdediging bedoelde, in artikel 126l Sv neergelegde vereisten van bevel, machtiging en verbalisering golden derhalve in het onderhavige geval niet. Van schending van artikel 126l Sv kan dan ook geen sprake zijn. Indien dat al anders zou zijn, is de verdachte niet in een door de voorschriften van artikel 126l Sv beschermd belang geschaad, aangezien hij niet deelnam aan de opgenomen gesprekken en zijn persoonlijke levenssfeer derhalve niet in het geding was, zodat ook om die reden bewijsuitsluiting niet aan de orde is. Voor zover het verweer op de hier besproken grond berust, wordt het verworpen. Ad b. De bewijswaarde van de achterbankgesprekken Bij brief van 23 januari 2009 hebben de raadslieden van de verdachte aan prof. dr. H.F.M. Crombag en prof. dr. W.A. Wagenaar het verzoek gedaan een rapport uit de brengen, behelzende 1) een wetenschappelijk onderbouwd betoog over de beoordeling van de betrouwbaarheid van verklaringen en over de factoren die in dat verband relevant kunnen zijn, en 2) een toetsing aan dat algemene kader van drie verslagen van achterbankgesprekken en processen-verbaal inzake contacten van de Nationale Recherche met [getuige 3]. Ten behoeve van dit rapport zijn volgens voornoemde brief de volgende stukken aan Crombag en Wagenaar ter beschikking gesteld: verslagen van het tweede, het zesde en het tiende achterbankgesprek, processen-verbaal inzake het beluisteren van geluidsopnamen van die gesprekken, een notitie van de verdediging inzake het beluisteren ter terechtzitting van fragmenten van de achterbankgesprekken, en processen-verbaal inzake verhoren van [getuige 3] op 26 januari en 2005 en 14 maart 2005. Het door Crombag en Wagenaar opgemaakte rapport is op 31 maart 2009 uitgebracht. Aan het rapport kan naar het oordeel van het hof in deze strafzaak slechts weinig waarde worden toegekend. Het rapport is tendentieus voor zover het een louter op - in andere verweren door de verdediging verfoeide - berichtgeving in de media gebaseerde omschrijving van het Amsterdamse criminele milieu, de plaats van [slachtoffer 1] in dat milieu en door hem gepleegde strafbare feiten behelst. Het is speculatief van aard voor zover aan de CIE-rechercheurs op bepaalde punten bedoelingen, onbegrip, wetenschap en (het ontbreken van) gedachten worden toegeschreven, aan [slachtoffer 1] op bepaalde punten bedoelingen en motieven (om mee te werken aan illegale vastgoedtransacties) worden toegedicht, wordt aangenomen dat voor [slachtoffer 1] de mogelijkheid tot inzage in dossiers bestond en dat van [slachtoffer 1] bepaalde antwoorden op door de CIE niet gestelde vragen te verwachten waren. Voorts hebben de rapporteurs zich oordelen aangematigd over de strafvorderlijke status van [slachtoffer 1] (die naar hun mening een informant als bedoeld in artikel 126v Sv zou zijn) en die van de achterbankgesprekken, terwijl niet is gebleken dat zij over deskundigheid ter zake van het strafprocesrecht beschikken noch dat deze kwesties aan hun oordeel zijn onderworpen. Ook in andere opzichten hebben de rapporteurs - die kennelijk ook konden beschikken over andere processtukken (de samenvatting van het eerste achterbankgesprek en de aanvulling op het vonnis van de rechtbank) dan die welke hun blijkens genoemde brief ter beschikking waren gesteld - over de achterbankgesprekken oordelen uitgesproken die niet zijn gebaseerd op hun specifieke deskundigheid en waarvoor in het strafproces geen plaats is. Zo hebben zij de achterbankgesprekken, bij gebreke van wettelijke criteria, getoetst aan de in de Handleiding voor Verhoor opgenomen criteria en regels die gelden voor reguliere getuigenverklaringen. De verslaglegging van die toetsing (p. 13-26 van het rapport) houdt niets in wat op de specifieke deskundigheid van de rapporteurs berust. Met de aan hun bevindingen verbonden conclusies dat de achterbankgesprekken “praktisch op geen enkel punt” voldoen aan “de criteria die in de strafrechtspraktijk gelden voor getuigenverhoren” en “als bron van aanvullend bewijs (…) vrijwel waardeloos” schijnen (p. 26-27 van het rapport), hebben de rapporteurs dan ook een oordeel gegeven op een gebied waar het oordeel niet aan de rapporteurs toekomt. Hetzelfde geldt voor de opmerking dat de uitlatingen van [slachtoffer 1] (slechts) bruikbaar zouden kunnen zijn “wanneer en in zoverre als die gesprekken voldoen aan de richtlijnen die voor getuigenverhoren gelden” (p. 13 van het rapport). In de beantwoording van de afzonderlijke vragen die hun door de raadslieden zijn voorgelegd, hebben de rapporteurs blijk gegeven zich mede te baseren op hetgeen hun wetenschap hun heeft geleerd. Hun daar vermelde bevindingen zijn evenwel niet van dien aard dat deze nopen tot de conclusie dat de achterbankgesprekken niet bruikbaar zijn voor het bewijs. De door de rapporteurs geponeerde opvatting dat, nu is vastgesteld dat [slachtoffer 1] op enig punt heeft gelogen, zijn uitlatingen zonder onafhankelijke verificatie in het geheel niet bruikbaar zijn, wordt door het hof niet gedeeld. Ook overigens bevat het rapport onvoldoende onderbouwde aanknopingspunten voor de conclusie dat de achterbankgesprekken niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Het verzoek van de verdediging, gedaan bij dupliek, Crombag en Wagenaar ter terechtzitting te horen, wordt afgewezen op de grond dat de bevindingen in het rapport aan duidelijkheid niets te wensen overlaten, zodat het hof zich voldoende voorgelicht acht en de noodzaak van het verzochte niet is gebleken. Het voorgaande neemt niet weg dat de achterbankgesprekken bij de beoordeling van de bewijswaarde daarvan kritisch moeten worden bezien. Vele uitlatingen van [slachtoffer 1] zijn als weinig specifiek te duiden, terwijl hij op tal van vragen van de CIE-rechercheurs nauwelijks antwoord heeft gegeven. Door verschillende getuigen is verklaard dat enige overdrijving [slachtoffer 1] niet vreemd was en dat hij, bijvoorbeeld waar het zijn relaties met andere vrouwen dan zijn partner betrof, niet altijd de waarheid sprak. Eveneens kan worden geconstateerd dat [slachtoffer 1] van misdrijf afkomstige geldbedragen heeft aangenomen van personen uit het criminele circuit en dat hij dit niet kenbaar wilde maken aan de CIE-rechercheurs. Terzijde zij opgemerkt dat de diffamerende bewoordingen waarin in het bijzonder een van de rechercheurs zich tijdens de achterbankgesprekken over de verdachte heeft uitgelaten, getuigen van een weinig professionele houding en niet hebben kunnen bijdragen aan een zakelijke informatie-uitwisseling. Deze vaststellingen nopen evenwel niet tot de conclusie dat de uitlatingen van [slachtoffer 1] tijdens de achterbankgesprekken zo onbetrouwbaar zijn en dat hij zo veel leugens heeft geuit, dat de bewijswaarde van die gesprekken nihil is. In dit verband moet worden opgemerkt dat de leugenachtigheid van uitlatingen van [slachtoffer 1] niet reeds vast staat indien een andersluidende verklaring van een getuige voorhanden is, zoals over het incident van de achtervolging van [slachtoffer 1], of indien de juistheid van een uitlating niet is gebleken, zoals over een bij een notaris gedeponeerd dossier. Daarbij komt dat sommige uitlatingen blijkbaar niet geheel waar zijn, maar dat daarvan, gelet op de inhoud van het dossier, toch gezegd kan worden dat zij wél dicht tegen de waarheid aan liggen (zie bijv. AE 3 0095-0107 en G1-32-007 over de aanwezigheid van de verdachte in Monaco ten tijde van het Flying Doctors Gala aldaar in 2000). Eveneens moet in beschouwing worden genomen dat [slachtoffer 1] ook aan de verdachte zelf informatie ontleende. Voorts berust de veronderstelling over een aantal leugens van [slachtoffer 1] op een onjuiste lezing van de achterbankgesprekken, zoals de vermeende uitlating van [slachtoffer 1] dat [naam D] voor de verdachte van [slachtoffer 1] afgeperst geld in bewaring hield. Overigens valt evenmin in de achterbankgesprekken te lezen dat [slachtoffer 1] zelf kon beschikken over de dossiers van het Citypeakonderzoek en het Context-Mijnwerkeronderzoek. Het vorenoverwogene brengt mee dat hetgeen de verdediging heeft aangevoerd niet behoeft te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de achterbankgesprekken. De omstandigheid dat bepaalde informatie die licht zou kunnen werpen op de betekenis van sommige uitlatingen van [slachtoffer 1], aanvankelijk niet door het openbaar ministerie in het dossier is gevoegd, maakt dat niet anders. Wel zal bij het bezigen van de achterbankgesprekken voor het bewijs de nodige behoedzaamheid worden betracht. Voor zover het verweer op de hier besproken grond berust, wordt het verworpen. Ad c. Voldoende steunbewijs en compenserende maatregelen? Vooropgesteld moet worden dat de schriftelijke weergaven van de achterbankgesprekken schriftelijke bescheiden zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5, Sv, die alleen voor het bewijs kunnen worden gebezigd in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Voorts moet worden geconstateerd dat de verdediging in geen enkel stadium van het geding in de gelegenheid is geweest [slachtoffer 1], die op 17 mei 2004 van het leven is beroofd, te ondervragen. Te dien aanzien zal derhalve moeten worden beoordeeld of de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen met betrekking tot die onderdelen van de belastende verklaringen van [slachtoffer 1] die door de verdachte worden betwist, en of voldoende compenserende maatregelen zijn getroffen om, niettegenstaande het ontbreken van de mogelijkheid [slachtoffer 1] te ondervragen, van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM kan worden gesproken. Het hof is van oordeel dat de uitlatingen van [slachtoffer 1] over de afpersing door de verdachte, evenals de uitlatingen van [slachtoffer 1] over andere feiten die aan de verdachte ten laste zijn gelegd, voor zover het hof deze uitlatingen tot bewijs zal bezigen, voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, waarbij moet worden opgemerkt dat het hof ervan uitgaat dat artikel 6 EVRM voldoende zelfstandig steunbewijs vereist voor een bewezenverklaard feit als geheel, maar niet vergt dat voor elk afzonderlijk onderdeel van dat feit dergelijk steunbewijs voorhanden is. Voor het dreigende optreden van de verdachte jegens [slachtoffer 1] kan bijvoorbeeld steun worden gevonden in de voormelde mededelingen van mr. [naam O] (en, enigermate, ook in de voormelde verklaring van [getuige 6]) over het kantoorincident, de verklaringen van [getuige 1] over haar contacten met de verdachte en zijn houding ten opzichte van [slachtoffer 1] en de verklaringen van [getuige 7] en [getuige 18] over het dwingende gedrag van de verdachte op het kantoor van [slachtoffer 1]. De getuigenissen van familie en naaste vrienden en medewerkers van [slachtoffer 1] over zijn veranderde gemoedstoestand en zijn reactie op het verdwijnen van het boek waarin hij informatie over de afpersing zou hebben bijgehouden, kunnen mogelijk niet als toereikend zelfstandig steunbewijs worden aangemerkt, maar zij kunnen indirect wel dienen ter bevestiging van de uitlatingen van [slachtoffer 1] en de hiervóór genoemde getuigenverklaringen. Mede gelet op hetgeen elders in dit arrest met betrekking tot de verklaringen van [getuige 3] wordt overwogen, kunnen ook deze, als afkomstig van een van [slachtoffer 1] onafhankelijke bron, bijdragen aan het bewijs van afpersing door de verdachte. Voor de contante betalingen van de geldbedragen van bijna € 50.000,- en van € 250.000,- is steun te vinden in de verklaringen van [getuige 1] respectievelijk [getuige 18]. De omstandigheid dat [getuige 18] zijn wetenschap dat de door hem overhandigde € 250.000,- voor [verdachte] was bestemd, aan [slachtoffer 1] heeft ontleend, staat daaraan niet in de weg, aangezien voor het bewezenverklaarde feit voldoende ander steunbewijs voorhanden is. Voor het bewijs van de betalingen aan [naam A] en aan hem gelieerde vennootschappen kan, naast de uitlatingen en dagboekaantekeningen van [slachtoffer 1] zelf, worden gewezen op de verklaringen van [getuige 8], [getuige 9] en [naam A] en op schriftelijke bescheiden. Voor zover het verweer op de hier besproken grond berust, wordt het verworpen. Hoewel ten aanzien van de eerdergenoemde, in het licht van artikel 6 EVRM vereiste, compenserende maatregelen door de verdediging geen verweer is gevoerd en de toereikendheid daarvan derhalve kennelijk niet ter discussie staat, acht het hof het van belang terzake het volgende te overwegen. [slachtoffer 1] is op 17 mei 2004 om het leven gebracht. Het openbaar ministerie verkeerde derhalve in de onmogelijkheid de verdediging de gelegenheid te geven [slachtoffer 1] te ondervragen. In de periode voorafgaand aan de liquidatie van [slachtoffer 1], in welke periode hij gesprekken voerde met de CIE, heeft [slachtoffer 1] herhaaldelijk te kennen gegeven zeer bang te zijn voor de verdachte en voor gewelddadige acties met fataal gevolg van diens kant indien deze op de hoogte zou raken van de achterbankgesprekken. Zoals door de officier van justitie mr. De Haas ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard, werd door de CIE met de achterbankgesprekken beoogd [slachtoffer 1] te bewegen tot het afleggen van een tactisch bruikbare verklaring, opdat aan de hand daarvan opsporingsonderzoek kon plaatsvinden. Het vertrouwelijke en CIE-matige karakter van de achterbankgesprekken en de vrees van [slachtoffer 1] voor de verdachte stonden nagenoeg geheel in de weg aan het inzetten van reguliere of bijzondere opsporingsmethoden. Het nalaten door politie en justitie van het verifiëren van bepaalde uitlatingen van [slachtoffer 1] door middel van opsporingsonderzoek, moet dan ook in dat licht worden bezien. De verdediging is in de gelegenheid geweest getuigen vragen te (doen) stellen over de totstandkoming van de achterbankgesprekken en de verslaglegging daarvan. Naast de al genoemde getuige mr. De Haas kan worden gewezen op [verbalisant] en de CIE-medewerkers [naam E] en [naam F], die bij de rechter-commissaris zijn gehoord. Ook heeft de verdediging vragen kunnen (doen) stellen over onder meer de aan de verdachte tenlastegelegde afpersing van [slachtoffer 1] en de uitlatingen van [slachtoffer 1] dienaangaande, aan vele getuigen die bij de rechter-commissaris en/of raadsheer-commissaris en/of ter terechtzitting in eerste aanleg of in hoger beroep zijn gehoord, onder wie [getuige 20], [getuige 18], [getuige 26], [getuige 1], [getuige 7], [getuige 11], [getuige 8], [getuige 9], [naam A] en mr. [naam G]. De verdediging heeft voorts de achterbankgesprekken, voor zover daarvan geluidsopnamen beschikbaar waren, kunnen beluisteren en verbeteringen in de transcripties daarvan kunnen doen aanbrengen. Fragmenten van de achterbankgesprekken zijn ter terechtzitting in hoger beroep beluisterd, waarbij de verdediging zich over haar visie op de betekenis van het gehoorde heeft kunnen uitlaten. Daarnaast zijn door de verdediging tal van geluidsopnamen van getuigenverhoren, voor zover beschikbaar, beluisterd, zoals de verhoren van [getuige 20], [getuige 18], [getuige 26], [getuige 1], [getuige 8], [getuige 7], [getuige 17], [getuige 6], [getuige 11], [getuige 14], [getuige 3], [getuige 23], [getuige 24] en [getuige 25]. Het hof heeft ter terechtzitting van 19 september 2008 het verzoek de verdachte aanwezig te doen zijn bij het beluisteren van een aantal getuigenverhoren afgewezen, omdat de noodzaak daarvan niet was gebleken. Dit moet aldus worden begrepen dat hetgeen ter onderbouwing van het verzoek was aangevoerd, onvoldoende was om die noodzaak aan te nemen. Tot slot wijst het hof op het feit dat verhoren van [getuige 3] en andere getuigen verbatim zijn uitgewerkt en dat aan de verdediging tal van bij de rechter-commissaris in het Enclave-onderzoek afgelegde getuigenverklaringen ter beschikking zijn gesteld. Op grond van het voorgaande, en in aanmerking genomen dat verzoeken inzake vele andere onderzoekshandelingen zijn toegewezen, is het hof van oordeel dat het in het licht van artikel 6 EVRM niet heeft ontbroken aan voldoende maatregelen ter compensatie van het ontbreken van de mogelijkheid [slachtoffer 1] te ondervragen. De verdediging heeft bij pleidooi en dupliek nog verzocht om inzage in de schriftelijke weergave van alle opgenomen telefoongesprekken over de gang van zaken rondom de verkoop van aandelen van het World Fashion Centre in 2001 teneinde te kunnen aantonen dat het standpunt van het openbaar ministerie over het keerpunt in de relatie tussen [slachtoffer 1] en de verdachte onjuist is. Een dergelijk verzoek is ook gedaan op de terechtzittingen van 29 augustus 2008 en 10 december 2008 en is ter terechtzitting van 19 september 2008 respectievelijk 18 december 2008 door het hof afgewezen. Het bij pleidooi aangevoerde behelst onvoldoende om thans de noodzaak van het verzochte aan te nemen, mede in aanmerking genomen dat het openbaar ministerie geen standpunt heeft ingenomen over de omslag in de relatie tussen [slachtoffer 1] en de verdachte, maar terzake slechts verschillende mogelijkheden de revue heeft laten passeren, terwijl de vaststelling van het moment van de omslag in bedoelde relatie niet van belang is voor de beoordeling van de tenlastegelegde feiten. Het hof ziet dan ook geen aanleiding terug te komen van zijn eerdere beslissingen. C.2. De bruikbaarheid van de dagboekaantekeningen Door de verdediging is aangevoerd dat er redenen zijn om de zogenoemde dagboekaantekeningen van [slachtoffer 1] niet voor het bewijs te gebruiken. Dit verweer steunt op de volgende stellingen. Ten eerste is slechts een gedeelte van de desbetreffende documenten door de familie van [slachtoffer 1] beschikbaar gesteld en is een gedeelte achtergehouden, zodat het beschikbare materiaal niet betrouwbaar is omdat niet duidelijk is of het representatief kan worden geacht. Ten tweede berusten de aantekeningen op een door [slachtoffer 1] gemaakte reconstructie, nadat een eerdere versie gestolen of verloren was. Is die reconstructie gebaseerd op bijvoorbeeld bankafschriften, dan is haar toegevoegde waarde nihil; is zij gebaseerd op [slachtoffer 1]’s geheugen, dan moet ernstig aan haar betrouwbaarheid worden getwijfeld. Ten derde laat de leesbaarheid van de aantekeningen te wensen over en zijn de aantekeningen lapidair en voor uiteenlopende interpretaties vatbaar. Het hof oordeelt als volgt. Niet is bestreden dat het gaat om aantekeningen die door [slachtoffer 1] eigenhandig zijn gemaakt. De aantekeningen en de daarin opgenomen staatjes van bedragen in guldens en/of euro’s zijn kennelijk mede gemaakt om aan of ten behoeve van de verdachte en andere personen verrichte of nog te verrichten betalingen, in cash of door bankoverschrijvingen, vast te leggen en met name ook om de volgens [slachtoffer 1] door de verdachte uitgeoefende druk om tot die betalingen over te gaan te registreren. Als zodanig kunnen zij bijdragen aan de bewijsvoering. Voor hun betrouwbaarheid is niet vereist dat zij representatief zijn voor de wijze waarop [slachtoffer 1] en bijvoorbeeld de verdachte met elkaar omgingen noch dat zij een volledig overzicht bieden van de door [slachtoffer 1] verrichte financiële transacties. De aantekeningen houden voorts meer in dan de gegevens die in bankafschriften zijn neergelegd. Het gaat bovendien om gebeurtenissen die kennelijk plaatsvonden vanaf ongeveer december 2002. Voor zover [slachtoffer 1] een reconstructie heeft gemaakt, betreft deze dus gebeurtenissen die toen hooguit anderhalf jaar daarvóór hadden plaatsgevonden. [slachtoffer 1] had volgens een aantal getuigen een goed geheugen voor financiële transacties. Het enkele feit dat de aantekeningen (deels) berusten op een reconstructie, staat onder die omstandigheden niet aan hun betrouwbaarheid in de weg. Op enkele plaatsen zijn de aantekeningen niet voldoende leesbaar of voor meer dan één uitleg vatbaar. Daarin verschillen zij niet principieel van andere geschriften. Het spreekt vanzelf dat in geval van redelijke twijfel niet zonder meer mag worden gekozen voor een voor de verdachte bezwarende uitleg. Voor het overige doet echter ook dit aspect niet af aan de betrouwbaarheid van de aantekeningen. Met inachtneming van het hier overwogene zijn de dagboekaantekeningen dus wel degelijk bruikbaar te achten voor het bewijs. Het verweer wordt verworpen. C.3. Het kantoorincident De verdediging heeft betoogd dat voor het zogeheten kantoorincident onvoldoende bewijs voorhanden is en heeft daartoe het volgende aangevoerd. a. [slachtoffer 1] heeft omtrent het kantoorincident geen eenduidige uitlatingen gedaan: in het eerste en negende gesprek zou het gaan om een onbekende Joegoslaaf die had gedreigd met een vuurwapen, in het zevende gesprek zou de dreiging met name zijn uitgegaan van [medeverdachte 8]; en over zijn gesprekken met mr. [naam O] over het kantoorincident is [slachtoffer 1] niet consistent geweest. Alleen in de samenvatting van het eerste gesprek wordt een verband gelegd tussen de bedreiging en de betalingen door [slachtoffer 1] en die samenvatting is onjuist want daarin wordt {voornaam A] ([naam O]) genoemd in plaats van [voornaam B] ([naam O]), hetgeen die samenvatting onbruikbaar maakt. b. De verklaringen van [getuige 18], [getuige 26], [getuige 20], [getuige 1], [getuige 27], [getuige 28], [getuige 16], [getuige 29], [getuige 7], [getuige 8] en [getuige 11] zijn geen steunbewijs, want ze zijn alle te herleiden tot één bron ([slachtoffer 1]) en bovendien komen deze verklaringen op talrijke punten niet overeen met de uitlatingen van [slachtoffer 1]. c. De verklaringen van [getuige 6] zijn onbruikbaar omdat ze eerst heeft verklaard dat er geen bijeenkomst is geweest van de verdachte, [medeverdachte 8], [slachtoffer 1], [naam] en Joegoslaven op het kantoor van mr. [naam O] en na de uitvoerige mediaberichtgeving dat ze daarvan wél getuige is geweest. Daarbij komt dat ze naar eigen zeggen tot 17.00 uur werkte terwijl in het Parool is te lezen dat het incident om 19.00 uur plaatsvond, zodat zij het niet kan hebben waargenomen. Bovendien heeft [getuige 6] bij de rechter-commissaris verklaard dat ze, toen ze thee bracht in de kamer van mr. [naam O], een normale situatie aantrof en dat, toen [slachtoffer 1] wegging, ze niet het idee had dat zich iets vreselijks had afgespeeld. d. Het proces-verbaal van [verbalisant] en mr. Van Straelen kan geen betrekking hebben op het kantoorincident: de letters X en Y duiden op twee personen en [verbalisant] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat in het gesprek geen namen zijn genoemd van personen die zouden zijn bedreigd; mr. [naam O] heeft evenmin gezegd dat de verdachte bij het incident met X en Y betrokken was. e. De juistheid van de stelling dat het kantoorincident niet heeft plaatsgevonden, kan blijken uit de verklaring van [getuige 11] die het incident situeert in de laatste 7 tot 10 dagen van december 2002, terwijl uit een vliegticket van [slachtoffer 1] blijkt dat deze van 19 december 2002 tot 2 januari 2003 in Thailand met vakantie was. Het hof overweegt als volgt. Ad a. Uit de kern van hetgeen [slachtoffer 1] tegenover CIE-rechercheurs heeft gezegd, blijkt dat hij is uitgenodigd op het kantoor van mr. [naam O], daarheen is gegaan en niet mr. [naam O] heeft getroffen maar is geconfronteerd met een aantal personen, onder wie de verdachte, en dat hem daar onder bedreiging met een vuurwapen te verstaan is gegeven dat hij geld moest betalen. De omstandigheid dat [slachtoffer 1] in zijn uitlatingen niet eenduidig is geweest over de persoon die het vuurwapen in handen had, doet aan die kern niet af. Eveneens volgt uit de uitlatingen van [slachtoffer 1] dat hij mr. [naam O] op dat incident heeft aangesproken. Uit het gegeven dat [slachtoffer 1] hierover niet steeds in gelijke zin heeft verklaard, kan niet worden afgeleid dat zijn uitlatingen over het kantoorincident onbetrouwbaar zijn. Hetgeen de verdediging heeft gesteld, brengt dan ook niet mee dat de uitlatingen van [slachtoffer 1] terzake niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Evenmin kan worden gezegd dat door de vergissing in de verslaglegging van het eerste achterbankgesprek met betrekking tot de voornaam van mr. [naam O], die verslaglegging als geheel van onwaarde is. Ad b. Aan het gegeven dat diverse getuigen in de nabije omgeving van [slachtoffer 1] hebben gehoord van de serieuze bedreiging die zich op bedoeld kantoor jegens hem zou hebben voorgedaan, alsmede aan de waarneming van die personen dat [slachtoffer 1] emotioneel was toen hij daarover sprak en dat dit incident grote indruk op hem had gemaakt, kan geen bewijskracht worden ontzegd, in aanmerking genomen dat het hof de desbetreffende verklaringen in samenhang met de inhoud van de overige bewijsmiddelen beziet. Het wekt geen bevreemding dat in de weergave van de diverse getuigen van hetgeen [slachtoffer 1] hun verteld heeft, verschillen zijn waar te nemen. Dat doet aan het voorgaande niet af, nu de kern van hetgeen volgens de getuigen tijdens het kantoorincident heeft plaatsgevonden, daardoor niet wordt aangetast. Ad c. Het hof acht ook de verklaringen van [getuige 6] bruikbaar voor het bewijs. Onmiskenbaar is dat [getuige 6] niet steeds hetzelfde heeft verklaard over het kantoorincident en aannemelijk is dat zij na haar eerste verklaring kennis heeft genomen van perspublicaties, maar niet aannemelijk is geworden dat haar verklaringen onder zodanige invloed van die perspublicaties tot stand zijn gekomen, dat zij daardoor als onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven. In dit verband kan worden gewezen op de omstandigheid dat [getuige 6] over de aanwezigheid van de verdachte bij een ontmoeting op het kantoor van mr. [naam O] voldoende consistent heeft verklaard. Niet valt in te zien dat aan een publicatie in Het Parool over het tijdstip waarop het kantoorincident zou hebben plaatsgevonden, meer waarde zou moeten worden toegekend dan aan de waarnemingen van de direct betrokkenen. In dit verband valt bovendien op te merken dat ook [slachtoffer 1] tegenover de CIE heeft verklaard dat de Surinaamse secretaresse (het hof begrijpt: [getuige 6]) aanwezig was toen het kantoorincident plaatsvond. Het feit dat [getuige 6] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij in de kamer van mr. [naam O] een normale situatie aantrof en, toen [slachtoffer 1] wegging, niet het idee had dat zich iets vreselijks had afgespeeld, brengt evenmin mee dat haar verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Ad d. Uit het proces-verbaal van [verbalisant] en mr. Van Straelen, in samenhang met de verklaring van [verbalisant] bij de rechter-commissaris, leidt het hof het volgende af. Mr. [naam O] heeft op uitnodiging van [verbalisant] en Van Straelen een gesprek met hen gehad, waarbij hij is gehoord naar aanleiding van berichten die inhielden dat de verdachte, samen met [medeverdachte 1] en anderen, personen ontbood op het kantoor van mr. [naam O] en aldaar op ernstige wijze met vuurwapens bedreigde. Mr. [naam O] heeft te kennen gegeven dat eenmaal een dergelijk incident had plaatsgevonden, waarvan hij vooraf niet op de hoogte was, en dat bij die gelegenheid de verdachte door middel van de secretaresse van mr. [naam O] X en Y had ontboden en die personen vervolgens had bedreigd. Namen van mensen die bedreigd waren, zijn niet genoemd. Mr. [naam O] heeft in evenbedoeld gesprek eveneens te kennen gegeven dat de verdachte heel vaak op kantoor kwam, veelal zonder reden, en dat de situatie zeer ongezond en zorgelijk was. Uit het vorenstaande kan worden afgeleid dat mr. [naam O] wetenschap heeft gehad van één ernstige bedreiging met (een) vuurwapen(
  33. s)door onder meer de verdachte op zijn kantoor. Indien slechts één dergelijke bedreiging heeft plaatsgevonden, moet dit gelet op de overige inhoud van de bewijsmiddelen het incident zijn geweest waarbij [slachtoffer 1] is bedreigd. Indien de wetenschap van mr. [naam O] niet het incident waarbij [slachtoffer 1] betrokken was betrof, valt uit voornoemd proces-verbaal wel steunbewijs te ontlenen voor de uitlatingen van [slachtoffer 1] met betrekking tot het kantoorincident. De gang van zaken bij het incident waarvan mr. [naam O] op de hoogte is, komt dan zozeer overeen met de beschrijvingen van [slachtoffer 1], dat dit als belastend bewijs ten aanzien van de verdachte mag worden gebruikt. Ad e. Met onvoldoende zekerheid is vast te stellen op welke exacte datum het kantoorincident heeft plaatsgevonden. Op grond van de bewijsmiddelen gaat het hof ervan uit dat dit in december 2002 is geweest, voordat [slachtoffer 1] naar Thailand is gegaan. Hetgeen [getuige 11] heeft verklaard, doet daar niet aan af. De verweren op dit punt worden verworpen. C.4. Feiten gerelateerd aan [medeverdachte 2] De verdediging heeft naar voren gebracht dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, voor zover die zijn gerelateerd aan [medeverdachte 2]. Het hof begrijpt dat de verdediging doelt op de ten laste gelegde feiten onder 2 sub 8 en onder 3 sub D. Voor zover hier van belang heeft de verdediging terzake aangevoerd dat [medeverdachte 2] de door hem in ontvangst genomen enveloppe met € 250.000,- blijkens de dagboekaantekeningen van [slachtoffer 1] aan hem heeft geretourneerd. Het hof overweegt als volgt. Op grond van de bewijsmiddelen acht het hof de afpersing, ook ten aanzien van het geldbedrag van € 250.000,- , bewezen. Het hof gaat ervan uit dat [slachtoffer 1] door tussenkomst van [getuige 18] dit bedrag heeft afgegeven aan [medeverdachte 2]. Op dat moment was de afpersing voltooid, waaraan het eventuele retourneren van dat bedrag aan [slachtoffer 1] niet kan afdoen. De stelling dat het geld is geretourneerd door [medeverdachte 2] acht het hof overigens niet aannemelijk. De desbetreffende dagboekaantekeningen (D5-19 en D5-3) bieden, gelet op de aldaar vermelde bedragen (waaronder wél een bedrag van fl. 8.814.840,- maar niet het bedrag van € 250.000,-), veeleer steun aan de uitleg dat de aldaar vermelde woorden “aan [voornaam medeverdachte 2] betaald retour” betrekking hebben op de door [slachtoffer 1] verstrekte lening van € 4.000.000,-, het equivalent van fl. 8.814.840,-, in verband met de aankoop van de Wallenpanden door [medeverdachte 2]. Het dossier bevat evenwel onvoldoende bewijs voor het oordeel dat de verdachte dit bedrag van € 250.000,-, alleen of met [medeverdachte 2] of anderen, ook heeft witgewassen. C.5. Bruikbaarheid getuigenverklaring [getuige 1] Door de verdediging is aangevoerd dat de onder 2 sub 13 en onder 3 sub C tenlastegelegde feiten niet bewezen kunnen worden, omdat niet op de verklaring van [getuige 1] van 1 februari 2005 kan worden afgegaan en die feiten zonder die verklaring niet te bewijzen zijn. Volgens de raadslieden is die verklaring onbruikbaar omdat [getuige 1] op 8 juni 2004 heeft verklaard dat zij niet wist waar het bedrag van € 50.000,- dat zij “eraf (had) gehaald voor [voornaam slachtoffer 1]”, heen gegaan is, maar niet dat zij dit bedrag contant aan de verdachte heeft gegeven; dit laatste heeft [getuige 1], nog steeds volgens de raadslieden, pas op 1 februari 2005 toegevoegd. Het hof oordeelt als volgt. Op 8 juni 2004 (AE 21-146) heeft [getuige 1] op dit punt verklaard dat [slachtoffer 1] op een gegeven moment niet wist waar hij het geld vandaan moest halen en toen zelfs aan haar geld had gevraagd, dat zij een keer € 50.000,- “eraf (had) gehaald voor [voornaam slachtoffer 1]” (het hof begrijpt: in contanten van haar rekening had opgenomen, voor [slachtoffer 1]), en dat zij niet weet waar het geld heen gegaan is. Op 19 juli 2004 (AE 21-160) heeft [getuige 1] verklaard dat zij op verzoek van [slachtoffer 1] € 50.000,- van haar zakelijke rekening had opgenomen bij de bank, dit in een envelop had gedaan en rechtstreeks aan de verdachte had gegeven, die toen vóór haar winkel in een auto zat. Op 1 februari 2005 (G1 11-014-015; vgl. de verbatim-weergave in het proces-verbaal van 28 april 2009 op p. 23-24) is aan [getuige 1] voorgehouden dat zij eerder had verklaard over de € 50.000,- en niet wist waar dat geld naar toe was gegaan, en voorts dat zij geld in een envelop aan de verdachte zou hebben gegeven. Daarop heeft [getuige 1] gezegd dat het ook kon zijn dat zij € 50.000,- van [slachtoffer 1] had gekregen om aan de verdachtete geven, “dat weet ik gewoon niet meer”, en dat zij dat geld (in de envelop) aan de verdachte in de auto had gegeven. Op 9 november 2006 heeft [getuige 1] bij de rechter-commissaris nog verklaard dat zij niet meer wist of de € 50.000,- die zij van de bank had gehaald, dezelfde € 50.000,- was die zij in een envelop aan de verdachte had gegeven, maar dat zij dacht dat het niet hetzelfde geld was. Daaraan heeft zij toegevoegd dat zij ongeveer € 1.000,- uit de envelop had gehaald, voor de tandarts en de dokter, en dat zij later hoorde dat zij dat niet had mogen doen. Op 4 september 2007 heeft [getuige 1] bij de rechter-commissaris in dit verband nog het volgende verklaard. Zij is gaan twijfelen of zij de € 50.000,- die zij van haar zakelijke rekening had opgenomen, rechtstreeks aan de verdachte heeft gegeven; zoals zij het zich “nu” herinnert, heeft zij dit geld aan [slachtoffer 1] gegeven (en heeft deze het mogelijk aan de verdachte gegeven), maar heeft zij in ieder geval zelf een bedrag van € 50.000,- aan de verdachte gegeven, nadat zij dit van [slachtoffer 1] had gekregen. Hieruit blijkt dat [getuige 1] niet pas op 1 februari 2005 maar al op 19 juli 2004, niet lang na haar verhoor op 8 juni 2004, heeft verklaard dat zij een envelop met € 50.000,- in contanten op verzoek van [slachtoffer 1] aan de verdachte had gegeven. Niet aannemelijk is geworden dat [getuige 1] dit laatste zo heeft gezegd om naar aanleiding van wat inmiddels over de afpersing naar voren was gekomen, in de media en in de naaste omgeving van [slachtoffer 1], bijvoorbeeld in gesprekken met [getuige 20] en [getuige 8], haar eerdere verklaring bij te stellen. Ook overigens is er geen aanleiding om de verklaringen van [getuige 1] van na 8 juni 2004 op dit punt als onbetrouwbaar aan te merken. Het verweer wordt verworpen. C.6. Gedwongen betalingen aan [naam A] De verdediging heeft met betrekking tot de in het kader van de afpersing door [slachtoffer 1] aan [naam A] verrichte betalingen het volgende betoogd. 1. [slachtoffer 1] heeft tijdens de achterbankgesprekken zelf geen relatie gelegd tussen zijn betalingen aan [naam A] en afpersing door de verdachte en die relatie kan ook anderszins niet worden vastgesteld. Voor zover getuigen daarover hebben verklaard, hebben zich gebaseerd op uitlatingen van [slachtoffer 1] en niet op eigen wetenschap. Evenmin zijn relevante contacten tussen de verdachte en [naam A] vastgesteld. 2. [naam A] heeft drie redenen genoemd voor de betalingen door [slachtoffer 1] aan hem, te weten de aflossing van een lening aan [bedrijf 24] ([bedrijf 24]), de afwikkeling van bedongen winstrechten van [bedrijf 24] en de aankoop door [slachtoffer 1] van [bedrijf 25]. Op grond van de verklaring van [naam A] dient derhalve te worden aangenomen dat aan de betalingen zakelijke titels ten grondslag lagen. 3. De door notaris mr. [naam G] opgetekende verklaring van [slachtoffer 1] is niet bruikbaar voor het bewijs: de juistheid daarvan is door [naam A] betwist en ook overigens bevat die verklaring onjuistheden, zoals de opmerking over de aanwezigheid van mr. [naam P] in plaats van mr. [naam Q] op diens notariskantoor bij de bijeenkomst met [getuige 9]. 4. Kort voor zijn dood heeft [slachtoffer 1] aan [naam A] een lening gevraagd, hetgeen weinig voor de hand ligt als [naam A] verantwoordelijk zou zijn voor het wegsluizen van afpersingsgelden. Het hof overweegt als volgt. Ad 1. [slachtoffer 1] tijdens de achterbankgesprekken niet met zoveel woorden de naam van [naam A] heeft genoemd, valt uit zijn uitlatingen tegenover CIE-rechercheurs, in samenhang met de inhoud van overige bewijsmiddelen, onder meer de verklaringen van [getuige 11] en [getuige 8], af te leiden dat hij zelf wel degelijk de betalingen aan [naam A] als afgedwongen door de verdachte beschouwde. Voor een bewezenverklaring van afpersing is niet vereist dat wordt bewezen dat verrichte betalingen aan de verdachte ten goede zijn gekomen. Het feit dat het onderzoek overigens weinig relevante gegevens over de contacten tussen de verdachte en [naam A] aan het licht heeft gebracht, is daarvoor evenmin van belang. Ad 2. Indien aannemelijk zou zijn dat de betalingen van [slachtoffer 1] aan [naam A] een zakelijke achtergrond hadden en voortkwamen uit bestaande contractuele afspraken, zou dat - ondanks beschikbaar bewijs voor het tegendeel - aanleiding kunnen geven voor gerede twijfel aan de juistheid van de vaststelling dat die betalingen het gevolg zijn geweest van afpersing door de verdachte. Die situatie doet zich echter niet voor. De getuige [naam A] is ter terechtzitting in hoger beroep ondervraagd over onder meer zijn financiële relatie met [slachtoffer 1], de achtergronden van de betalingen die aan (vennootschappen van) hem door (vennootschappen van) [slachtoffer 1] zijn gedaan, en de redenen van de vermelding van niet bestaande titels als grondslag van die betalingen in schriftelijke bescheiden. Ook bij de politie en de rechter-commissaris heeft [naam A] daarover verklaringen afgelegd. De gestelde zakelijke grondslag voor de betalingen is evenwel naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. [naam A] heeft zich ook niet beroepen op enig schriftelijk stuk dat deel uitmaakt van het dossier of dat elders voorhanden is, waaraan steun valt te ontlenen voor zijn bewering dat er een zakelijke grondslag voor de betalingen bestond. Hij heeft daarentegen verklaard dat hij een handgeschreven notitie, waarop de door hem met [slachtoffer 1] in 1999 gemaakte afspraken zouden zijn vermeld en die door [slachtoffer 1] zou zijn ondertekend, eigenhandig heeft verscheurd of is kwijtgeraakt in 2004. Voorts kan worden gewezen op de omstandigheid dat de gestelde bedongen winstrechten van [bedrijf 24] in strijd zijn met hetgeen in de notariële akte met betrekking tot de overdracht van aandelen [bedrijf 24] in 1999 - door [bedrijf 14], een vennootschap van [naam

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.