Parketnummer: 21-001946-08 WRAKING: nr. W2009/020 Uitspraak d.d.: 16 november 2009 Gerechtshof te Amsterdam Nevenzittingsplaats Arnhem Wrakingskamer Beslissing gewezen op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door [Verzoeker], De procedure Bij brief van 1 oktober 2009 is door mr H.H.M. van Dijk, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, raadsman van verzoeker, om wraking verzocht van de drie raadsheren die de strafzaak tegen verzoeker in hoger beroep zullen gaan behandelen. Ter terechtzitting van de wrakingskamer heeft de raadsman aangevoerd dat hij kort vóór zijn schriftelijke wrakingsverzoek naar de griffie van het hof heeft gebeld en dat hem in dat telefoongesprek is medegedeeld dat het bij de drie bovengenoemde raadsheren gaat om mrs H. Abbink, A.E. Harteveld en M.L.H.E. Roessingh-Bakels. Het wrakingsverzoek is tegen hen gericht. De raadsheren hebben niet in de wraking berust. Het hof heeft ter terechtzitting van 9 november 2009 gehoord de raadsman van verzoeker en de advocaat-generaal, die heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Het hof heeft kennis genomen van de door de raadsman van verzoeker overgelegde pleitnota. Ontvankelijkheid Het hof acht het verzoek tijdig gedaan en ook overigens ontvankelijk. De gronden van het verzoek tot wraking De raadsman van verzoeker heeft ter terechtzitting van de wrakingskamer gesteld dat het voor de raadsheren in de strafsector van het hof zeer moeilijk, zo niet haast onmogelijk zal zijn een beslissing te nemen die dramatisch afwijkt van de beslissing in eerste aanleg van de rechtbank Utrecht, omdat die beslissing onder meer werd genomen door de huidige sectorvoorzitter van de strafsector van het hof. De raadsman heeft aangevoerd dat artikel 23, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie niet weg neemt, dat iedere raadsheer in zijn achterhoofd de bijzondere positie van de sectorvoorzitter heeft. De raadsman sluit voorts niet uit dat over de strafzaak tegen verzoeker overleg is geweest tussen de sectorvoorzitter en de gewraakte raadsheren. Hierdoor is een objectief te rechtvaardigen grond ontstaan voor de vrees dat het die raadsheren aan onpartijdigheid ontbreekt, aldus de raadsman. De beoordeling van het verzoek tot wraking Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Artikel 23 van de Wet op de rechterlijke organisatie bepaalt (voor zover relevant):
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.