GERECHTSHOF AMSTERDAM Nevenzittingsplaats Arnhem Sector civiel recht zaaknummer 104.004.635 (zaaknummer rechtbank 220800) arrest van de tweede civiele kamer van 13 oktober 2009 inzake 1. [appellant sub 1], wonende te [woonplaats], 2. [appellante sub 2], wonende te [woonplaats], appellanten, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, tegen: 1. [geïntimeerde sub 1], 2. [geïntimeerde sub 2], beiden wonende te [woonplaats], geïntimeerden, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer. 1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 27 januari 2009. Ingevolge dat tussenarrest heeft op 12 juni 2009 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Voorafgaand daaraan heeft de raadsman van [geïntimeerden] bij brief van 5 juni 2009 de producties 1-3 aan het hof en de wederpartij toegezonden. Het van de comparitie opgemaakte proces-verbaal bevindt zich, evenals genoemde brief met producties, in afschrift bij de stukken. 1.2 Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof wederom arrest bepaald. 2. De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep 2.1 Het hof verwijst naar en volhardt bij zijn tussenarrest van 27 januari 2009 (hierna ook: het tussenarrest) en de daarin onder 4.3 omschreven, in deze zaak toe te passen uitlegmaatstaf. In dit arrest heeft het hof met het oog op de uitleg van (artikel 16 leden 1 en 3 van) de koopovereenkomst een comparitie van partijen gelast en [geïntimeerden] opgedragen voorafgaand daaraan de onder 4.4 en 4.5 omschreven stukken aan het hof en de wederpartij toe te zenden. 2.2 Artikel 16 lid 1, aanhef en sub b, houdt in dat de overeenkomst door de koper kan worden ontbonden indien deze uiterlijk op 3 juli 2006 geen (aanbod voor een) hypothecaire geldlening van een erkende geldverstrekkende instelling tegen gebruikelijke rente en voorwaarden voor soortgelijke hypothecaire geldleningen heeft verkregen. De zinsnede “zulks tegen geen hogere bruto jaarlast dan of een rentepercentage niet hoger dan %, bij de volgende hypotheekvorm” is doorgehaald. Artikel 16 lid 3 van de koopovereenkomst, luidende “Partijen verplichten zich over en weer al het redelijk mogelijke te doen teneinde de hierboven bedoelde (…) financiering (…) te verkrijgen”, is in algemene bewoordingen gesteld. Deze bepaling legde (ook) op [geïntimeerden] een inspanningsverplichting om de nodige activiteiten te verrichten teneinde de financiering rond te krijgen. Naar gangbaar spraakgebruik bracht deze verplichting mee dat zij serieus moesten proberen een voor hen acceptabele financiering te verkrijgen. Zouden [geïntimeerden] hierin zijn tekortgeschoten, dan zouden zij worden geacht zelf de vervulling van de voorwaarde te hebben teweeggebracht, hetgeen in beginsel zou meebrengen dat zij zich niet op die vervulling zouden kunnen beroepen, indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen (arttikel 6:23 lid 2 Burgerlijk Wetboek). Naar [appellanten] moesten begrijpen, hing de mogelijkheid voor [geïntimeerden] tot verkrijging van financiering echter niet alleen af van de van [geïntimeerden] redelijkerwijs te vergen inspanningen tot verkrijging daarvan, maar ook van hun financiële omstandigheden. De stelplicht en, na de gemotiveerde betwisting daarvan, ook de bewijslast ter zake van het voldaan hebben aan bedoelde inspanningsverplichting rusten op [geïntimeerden], die zich immers beroepen op het vervuld zijn van de ontbindende voorwaarde. 2.3 De raadsman van [geïntimeerden] heeft bij brief van 5 juni 2009 de volgende stukken aan het hof en aan [appellanten] toegezonden: - een originele brief van de Rabobank Noord Gooiland aan [geïntimeerden] van 25 februari 2009, waarin wordt bevestigd dat (mevrouw [A] namens) deze bank naar aanleiding van persoonlijk contact van [geïntimeerden] met haar op 1 juli 2006 de financieringsaanvraag van [geïntimeerden] voor het pand [adres] heeft afgewezen, met als bijlage een overzicht van verstrekte en gehanteerde gegevens van [geïntimeerden] (productie 1); - een fotokopie van een loonstrook van Muller over periode nummer 06 van het jaar 2006, en een fotokopie van een loonstrook van [geïntimeerde sub 1] over juni 2006 (productie 2); - een fotokopie van een brief van de ABN AMRO-bank aan [geïntimeerden] van 13 februari 2009, waarin wordt bevestigd dat de (als productie 4 bij de conclusie van antwoord gevoegde) maximale hypotheekberekening op basis van inkomen d.d. 10 oktober 2006 een berekening betreft uit de systemen van ABN AMRO Bank (productie 3). 2.4 Ter comparitie in hoger beroep hebben [geïntimeerden], voor zover hier van belang, als volgt verklaard: - direct na het tekenen van de koopovereenkomst [op 16 juni 2006, hof] zijn zij naar de ABN AMRO-bank geweest om een financiering rond te krijgen, waartoe zij aan die bank [het hof begrijpt: op 20 juni, zie tussenarrest onder 3.2] de onder 2.3 bedoelde loonstroken en de gegevens van hun lopende hypotheek hebben overgelegd (p.v. onder 3); - nadat duidelijk werd dat de ABN AMRO-bank geen financiering zou verlenen [hetgeen de bank [geïntimeerden] bevestigde bij brief van 29 juni 2006, productie 2 bij akte d.d. 1 november 2006, hof], hebben [geïntimeerden] contact opgenomen met de Postbank, die hen telefonisch al mededeelde dat zij geen financiering konden krijgen (onder 3); - op 21 juni heeft geïntimeerde sub 1 (hierna te noemen: [geïntimeerde sub 1]) contact opgenomen met [B] (makelaar optredend voor [appellanten]) en hem medegedeeld dat [geïntimeerden] geen financiering konden krijgen. [B] heeft [geïntimeerde sub 1] toen verwezen naar [C] [[D], hof] (onder 4); - [C] heeft [geïntimeerden] een uitdraai met berekeningen gegeven waaruit bleek dat [geïntimeerden] € 15.000,-- eigen geld moesten inbrengen, maar dat geld hadden zij niet. Daarnaast was een probleem dat het niet mogelijk was bij de betrokken financier (ZwitserLeven) een overbruggingskrediet te krijgen (onder 5); - vervolgens zijn zij op zaterdag 1 juli naar de Rabobank gegaan, die die dag op afspraak open was. Ook aan deze bank hebben zij de onder 2.3 bedoelde loonstroken overgelegd. Op de vraag van de bank of zij nog andere schulden hadden, hebben [geïntimeerden] ontkennend geantwoord. De Rabobank heeft nog diezelfde dag aan [geïntimeerden] laten weten dat zij geen financiering konden krijgen (onder 3). 2.5 De raadsman van [geïntimeerden] heeft ter comparitie in hoger beroep voor zover hier van belang verklaard (onder 1) dat de door [geïntimeerden] overgelegde loonstroken betrekking hebben op een periode van vier weken, dit in reactie op de opmerking ter zitting van de raadsman van [appellanten] (onder 3) dat hij in twijfel trekt of de onder 2.4 bedoelde loonstroken inderdaad aan de bank zijn verstrekt nu het loonstroken over de maand juni zijn en het maar de vraag is of die stroken toentertijd al beschikbaar waren. 2.6 [appellanten] hebben ter comparitie in hoger beroep voor zover hier van belang verklaard (onder 2) van hun makelaar te hebben begrepen dat hij inderdaad op 21 juni met [geïntimeerde sub 1] heeft gesproken, dat tijdens dat telefoongesprek is gezegd dat [geïntimeerden] problemen hadden om de financiering rond te krijgen en dat die makelaar [geïntimeerden] toen heeft verwezen naar [C]. 2.7 De raadsman van [appellanten] heeft ter comparitie in hoger beroep voor zover hier van belang verklaard: - dat de op de onder 2.4 bedoelde loonstroken opgenomen lonen niet corresponderen met de in de berekening van de Rabobank vermelde lonen (onder 3); - te betwijfelen of het overleggen van twee loonstroken voldoende is, nu een bank toch meer zou vragen (onder 4). 2.8 Als door [geïntimeerden] gesteld en door [appellanten] erkend dan wel niet (voldoende gemotiveerd) weersproken staat tussen partijen vast dat [geïntimeerden] bij drie geldverstrekkers (ABN AMRO, Postbank en Rabobank) tijdig maar tevergeefs hebben getracht een financiering te verkrijgen, dat zij tijdig (op 21 juni 2006) de makelaar van [appellanten] hebben verwittigd dat het hen niet lukte een financiering te verkrijgen, dat deze [geïntimeerden] toen een contact ([C] [D]) aan de hand heeft gedaan via hetwelk [geïntimeerden] nog een nieuwe poging tot financiering konden ondernemen, dat [geïntimeerden] deze poging inderdaad hebben ondernomen maar dat ook deze op niets is uitgelopen. De betwisting door [appellanten] (pleitnota in hoger beroep onder 5) dat de Postbank een financieringsaanvraag van [appellanten] heeft afgewezen ziet eraan voorbij dat [geïntimeerden] hebben aangevoerd dat zij op basis van de door hen telefonisch aan de Postbank verstrekte gegevens niet eens in aanmerking kwamen voor een gesprek met een hypotheekadviseur (verklaring [geïntimeerden] ter comparitie in eerste aanleg onder 3), zodat het niet tot een financieringsaanvraag kon komen. 2.9 [appellanten] hebben voorts betwist (pleitnota in hoger beroep onder 6) dat [geïntimeerden] vóór 3 juli 2006 een aanvraag tot financiering hebben ingediend bij de Rabobank. [geïntimeerden] hebben echter de onder 2.3 genoemde originele brief van de Rabobank Noord Gooiland van 25 februari 2009 overgelegd, waarin wordt vermeld dat [geïntimeerden] op 1 juli 2006 persoonlijk contact hebben gehad met een medewerkster van die bank over hun financ[adres]. [appellanten] hebben ter comparitie in hoger beroep deze in de brief van 25 februari 2009 genoemd feiten niet (gemotiveerd) betwist, zodat het hof ervan uitgaat dat [geïntimeerden] op 1 juli 2006 bij genoemde bank een financieringsaanvraag voor het door hen van [appellanten] gekochte pand hebben ingediend. 2.10 Anders dan [appellanten] betogen (onder meer in de pleitnota houdende repliek onder 7), doet de hypothecaire lening die [geïntimeerden] (volgens hun eigen verklaring ter comparitie in eerste aanleg onder 10: ter hoogte van € 302.000,--) in 2007 hebben weten te verwerven ter financiering van een andere, naderhand door [geïntimeerden] gekochte woning, in deze procedure niet ter zake. Daarmee is immers nog niet gegeven dat de hier aan de orde zijnde vraag of [geïntimeerden] hebben voldaan aan hun inspanningsverplichting ter zake van het verkrijgen van een hypothecaire lening ter financiering van de woning die zij van [appellanten] hadden gekocht, positief moet worden beantwoord. Denkbaar is immers (en [geïntimeerden] hebben zulks ook aangevoerd) dat de financiële positie van [geïntimeerden] in de tussentijd (ongeveer een half jaar) zodanig is verbeterd dat deze het aangaan van de lening van € 302.000,-- wel toeliet. 2.11 De verklaring van de raadsman van [appellanten] ter comparitie in hoger beroep omtrent het verschil tussen het loon, vermeld in de loonstroken, en de in de berekening van de Rabobank vermelde lonen, kan [appellanten] niet baten. [geïntimeerden] hebben immers ter comparitie in eerste aanleg (onder 4) verklaard dat de Rabobank niet bereid was [geïntimeerde sub 1]’ jaarlijkse provisie als vaste salariscomponent op te nemen en dat zij evenmin bereid was de wekelijks door Muller gewerkte vier extra uren als vaste salariscomponent op te nemen. Hiertegenover had het op de weg van [appellanten] gelegen, voldoende gemotiveerd aan te geven dat de zojuist aangehaalde verklaring van [geïntimeerden] geen steek houdt. [appellanten] hebben dit echter nagelaten. 2.12 De verklaring van de raadsman van [appellanten] ter comparitie in hoger beroep dat hij betwijfelt of het overleggen van twee loonstroken voldoende is, nu een bank toch meer zou vragen, kan [appellanten] evenmin baten. Hier wordt er immers aan voorbijgezien dat het aan de betrokken bank is te bepalen welke gegevens zij nodig acht ter beoordeling van een aanvraag van particulieren van de hypothecaire financiering van een woning. Voorts is niet gesteld of gebleken dat (één van) de door [geïntimeerden] benaderde banken hun financieringsaanvraag hebben afgewezen op de grond dat [geïntimeerden] niet alle door de bank gevraagde gegevens op tafel zouden hebben gelegd. 2.13 Met betrekking tot de in het tussenarrest onder 3.3 respectievelijk 3.4 genoemde offertes van ZwitserLeven van 26 juni 2006 respectievelijk 5 juli 2006 overweegt het hof als volgt, waarbij wordt daargelaten of deze offertes (hetgeen volgens [appellanten] het geval
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.