← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2009:BM1888

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER (WRAKINGSKAMER) BESCHIKKING op het wrakingsverzoek van: [X], wonend te [Y], VERZOEKER, gemachtigden: mr. J.J.M. Hertoghs en mr. P. de Haas, advocaten te Breda, t e g e n mr. E.A.G. VAN DER OUDERAA, mr. E.F. FAASE, mr. A.M.J.G. VAN AMSTERDAM, leden van de derde meervoudige belastingkamer van dit hof.

  1. Verloop van het geding 1.1 Het wrakingsverzoek is mondeling gedaan op 30 september 2009 ter zitting van de derde meervoudige belastingkamer van dit hof in de beroepen met kenmerk 03/04387, 03/04389, 03/04390, 03/04391 en 05/00313, aanhangig tussen verzoeker als belanghebbende en de inspecteur van de belastingdienst Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht (hierna: de inspecteur). 1.2 De wrakingskamer heeft het verzoek mondeling behandeld ter zitting van 30 september 2009, alwaar zijn verschenen verzoekers gemachtigden, namens de inspecteur mr. P.J.A. Ansems en voorts de raadsheren van wie de wraking is verzocht. Mr. Hertoghs, mr. Ansems en mr. Van der Ouderaa hebben het woord gevoerd. De gewraakte raadsheren hebben niet berust in het verzoek. 1.3 De wrakingskamer heeft na afloop van de zitting mondeling uitspraak gedaan, onder mededeling dat de behandeling van de hiervoor genoemde beroepen diezelfde dag om 14.00 uur zou worden voortgezet.
  2. Verzoek 2.1 Tussen verzoeker en de inspecteur bestaat een geschil over, kort gezegd, de werking van het vertrouwensbeginsel en de in aanmerking te nemen afschrijvingen. De derde meervoudige belastingkamer heeft besloten eerst het beroep op het vertrouwensbeginsel te behandelen en vervolgens het materiële geschil. Het vertrouwensbeginsel is aan de orde gekomen op de mondelinge behandeling van 7 januari
  3. Met instemming van partijen heeft de derde meervoudige belastingkamer daarna een voorlopig oordeel gegeven over het beroep op het vertrouwensbeginsel, welk voorlopig oordeel is neergelegd in een brief van 3 februari
  4. Verzoeker heeft daarop schriftelijk gereageerd. De mondelinge behandeling van de beroepen is hervat op 30 september
  5. Verzoeker heeft tijdens die behandeling verzocht zijn standpunt over het voorlopig oordeel te mogen bepleiten, alsmede Van den Oordt als getuige te mogen oproepen. De derde meervoudige belastingkamer heeft verzoeker niet toegestaan het vertrouwensbeginsel opnieuw aan de orde te stellen, anders dan in samenhang met (onderdelen van) het materiële geschil, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangedragen die aanleiding geven tot heropening van het debat over alleen het vertrouwensbeginsel. De beslissing over het horen van de getuige Van den Oordt is aangehouden. 2.2 Verzoeker heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat uit het feit dat hem niet is toegestaan het voorlopig oordeel van de derde meervoudige belastingkamer omtrent zijn beroep op het vertrouwensbeginsel ter discussie te stellen, alsmede de getuige Van den Oordt op te roepen, moet worden aangenomen dat de gewraakte raadsheren niet (meer) onbevangen tegenover de zaak staan.
  6. Beoordeling 3.1 Ingevolge artikel 8:15 Awb kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 3.2 Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek geldt dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees van de betrokkene dat dit het geval is, objectief is gerechtvaardigd. Bovendien kan in het algemeen niet op grond van het enkele feit dat een voor de betrokkene ongunstige (tussen)beslissing is genomen, worden aangenomen dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 3.3 De beslissingen waarover verzoeker in deze zaak zich beklaagt, betreffen de wijze van de behandeling van de beroepen van verzoeker. Uitgangspunt is dat de rechter de wijze van behandeling bepaalt. In dit geval heeft de derde meervoudige belastingkamer het verloop van de mondelinge behandeling aldus bepaald dat eerst het beroep op het vertrouwensbeginsel aan de orde zou komen en vervolgens het materiële geschil. Met instemming van partijen is na de behandeling van het vertrouwensbeginsel een voorlopig oordeel gegeven, waarop verzoeker een schriftelijk commentaar heeft gegeven, dat tot de gedingstukken behoort. Het feit dat de derde meervoudige belastingkamer bij de voortzetting van de mondelinge behandeling, bij gebreke van (voldoende) nieuwe feiten of omstandigheden, geen aanleiding heeft gevonden van de voorgenomen wijze van behandeling af te wijken en verzoeker in de gelegenheid te stellen zijn standpunt ten aanzien van het voorlopig oordeel en daarmee wederom het vertrouwensbeginsel te bepleiten – anders dan in samenhang met het materiële geschil – kan verzoeker onwelgevallig zijn, maar vormt geen aanwijzing dat de kamer jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees van de betrokkene dat dit het geval is, objectief is gerechtvaardigd. Bijkomende feiten of omstandigheden die dat anders maken, zijn niet of niet voldoende gesteld of aannemelijk geworden. 3.4 Ten aanzien van het horen van de getuige Van den Oordt geldt dat de derde meervoudige belastingkamer daarover nog geen (definitieve) beslissing heeft genomen. De aanhouding van de beslissing op dit punt levert geen aanwijzing op voor het bestaan van vooringenomenheid, terwijl ook geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of aannemelijk geworden die de vrees daarvoor objectief kunnen rechtvaardigen. 3.5 Uit het voorgaande volgt dat het verzoek moet worden afgewezen.
  7. Beslissing De wrakingskamer: wijst het verzoek af. Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, J. Wortel en A.R. Sturhoofd en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2009.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.