GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerken 07/00748 en 07/00789 tot en met 07/00791 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op de hogere beroepen van - de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam, de inspecteur; - de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie Apeldoorn, de inspecteur MRB. tegen de uitspraken in de zaken met de kenmerknummers 06/3757 en 06/3758 tot en met 06/3760 van de rechtbank Haarlem van 6 september 2007 in het geding tussen - X, wonende te Z, belanghebbende, gemachtigde mr. J.B. Frie, en de inspecteur/de inspecteur MRB 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Met betrekking tot de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (07/00748) De inspecteur heeft met dagtekening 4 mei 2004 aan belanghebbende over het tijdvak 19 maart 1999 tot en met 18 maart 2002 (verder ook: het BPM-naheffingstijdvak) een naheffingsaanslag betreffende de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (verder ook BPM) opgelegd van € 14.133. Ook is een verhoging/boete vastgesteld van 50% van het bedrag van de aanslag, zijnde (50% x € 14.133 =) € 7.066 (de BPM-boete). Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 17 februari 2006, de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot € 1.178. Bij uitspraak van 6 september 2007 (AWB 06/3757), verzonden op 7 september 2007, heeft de rechtbank het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot nihil. 1.2. Met betrekking tot de motorrijtuigenbelasting (07/00789) De inspecteur MRB heeft met dagtekening 22 april 2004 aan belanghebbende een naheffingsaanslag betreffende de motorrijtuigenbelasting (verder ook MRB) opgelegd over het tijdvak 16 maart 1999 tot en met 15 maart 2000 (verder ook de MRB1-naheffingsaanslag). De naheffingsaanslag bedroeg € 1.195. Ook is een boete vastgesteld van 100% van het bedrag van de aanslag (de MRB1-boete) Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur MRB bij uitspraak, gedagtekend 22 februari 2006 de boete verminderd tot 50%, derhalve tot (50% x € 1.195 =) € 597. Bij uitspraak van 6 september 2007 (AWB 06/3758), verzonden op 7 september 2007, heeft de rechtbank het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslag en boete verminderd tot nihil. 1.3. Met betrekking tot de motorrijtuigenbelasting (07/00790) De inspecteur MRB heeft met dagtekening 22 april 2004 aan belanghebbende een naheffingsaanslag betreffende de motorrijtuigenbelasting (verder ook MRB) opgelegd over het tijdvak 16 maart 2000 tot en met 15 maart 2001 (verder ook de MRB2-naheffingsaanslag). De naheffingsaanslag bedroeg € 1.205. Ook is een boete vastgesteld van 100% van het bedrag van de aanslag (de MRB2-boete) Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur MRB bij uitspraak, gedagtekend 22 februari 2006 de boete verminderd tot 50%, derhalve tot (50% x € 1.205 =) € 602. Bij uitspraak van 6 september 2007 (AWB 06/3759), verzonden op 7 september 2007, heeft de rechtbank het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslag en boete verminderd tot nihil. 1.4. Met betrekking tot de motorrijtuigenbelasting (07/00791) De inspecteur MRB heeft met dagtekening 22 april 2004 aan belanghebbende een naheffingsaanslag betreffende de motorrijtuigenbelasting (verder ook MRB) opgelegd over het tijdvak 16 maart 2001 tot en met 11 maart 2002 (verder ook de MRB3-naheffingsaanslag). De naheffingsaanslag bedroeg € 1.170. Ook is een boete vastgesteld van 100% van het bedrag van de aanslag (de MRB3-boete) Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur MRB bij uitspraak, gedagtekend 22 februari 2006 de boete verminderd tot 50%, derhalve tot (50% x € 1.170 =) € 585. Bij uitspraak van 6 september 2007 (AWB 06/3760), verzonden op 7 september 2007, heeft de rechtbank het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslag en boete verminderd tot nihil. 1.5. Met betrekking tot het hoger beroep Tegen de onder 1.1. vermelde uitspraak van de rechtbank heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 3 oktober 2007, bij het Hof ingekomen op dezelfde dag, en aangevuld bij brieven van 26 november 2007. Tegen de onder 1.2. tot en met 1.4. vermelde uitspraken van de rechtbank heeft de inspecteur MRB hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 12 oktober 2007, bij het Hof ingekomen op dezelfde dag, en aangevuld bij brieven van 8 november 2007 en 14 februari 2008 (in reactie op het verweerschrift van belanghebbende). De gemachtigde heeft verweerschriften ingediend. Op 15 januari 2009 zijn nadere stukken van de gemachtigde ontvangen. Afschriften van deze stukken zijn aan de inspecteur (MRB) gezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht. Ter zitting zijn gelijktijdig behandeld: de zaken 07/00748 en 07/00789 tot en met 07/00791. 2. Overwegingen 2.1. Feiten Het Hof stelt de feiten vast zoals hierna opgenomen. 2.1.1. Belanghebbende is werkzaam als taxichauffeur in de regio P. In de jaren dan wel de tijdvakken waarop de onderhavige belastingaanslagen betrekking hebben exploiteerde hij in de vorm van de vennootschap onder firma V.O.F. Taxi [000] (hierna de VOF), respectievelijk (vanaf 1 januari 2000) in de vorm van een eenmanszaak een taxibedrijf. Voor zijn werkzaamheden maakte belanghebbende gebruik van een Mercedes-Benz met het kenteken 00-00-00 (hierna: de taxi). Belanghebbende was met ingang van 19 maart 1999 kentekenhouder van de taxi. De taxi werd afwisselend gebruikt door belanghebbende, wijlen A en B, ook nadat zij per 1 januari 2000 de VOF hadden beëindigd en ieder hun eenmanszaak dreven. Belanghebbende, A en B bleven ook na 1 januari 2000 gebruik maken van het aan de VOF toegekende taxinummer [000]. Belanghebbende beschikte ook in privé over een auto. 2.1.2. Door B is met C Taxi Installateur (Inbouwbedrijf C) een afspraak gemaakt voor het verrichten van werkzaamheden aan de taxi. 2.1.3. Inbouwbedrijf C hanteerde een werkplaatsagenda. Tot de gedingstukken behoren afschriften van vele pagina’s uit de jaren 1997, 1998 en 1999. Hiertoe behoren ook afschriften van de bladzijden uit die agenda betreffende 16 maart 1999, 17 maart 1999 en 22 maart 1999. Op de pagina betreffende 16 maart 1999 is - voor zover hier van belang – vermeld: “uitb. [000]” Op de pagina betreffende 17 maart 1999 is – voor zover hier van belang – vermeld: “meter + mob [000] inb. + div?” Op de pagina betreffende 22 maart 1999 is – voor zover hier van belang – vermeld: “09.30 [000] Div” 22 maart 1999 viel op maandag. 2.1.4. F en G hebben ten behoeve van Inbouwbedrijf C gewerkt; de eerste in loondienst, de tweede als freelancer. 2.1.5. Inbouwbedrijf C, waarvan C tot 1 mei 1999 eigenaar was, is met ingang van die datum aan D en E verkocht. D en E hebben het bedrijf in de vorm van een vennootschap onder firma voortgezet. F en G bleven ook na de overname voor de onderneming werkzaam. 2.1.6. Een kilometertelleronderbreker (KTO) is een in een auto aangebracht schakelmechanisme waarmee de kilometerteller langs elektronische weg kan worden uitgeschakeld, zodat deze tijdens het rijden niet doortelt, dan wel waarmee de kilometerteller, die tijdens het rijden normaal blijft functioneren, na een of meer ritten kan worden teruggezet op de stand die op de teller stond vóór aanvang van die rit(ten). Het was (in ieder geval vanaf 1997) mogelijk een KTO van een afstandsbediening te voorzien. 2.1.7. Aan belanghebbende zijn op verzoek teruggaven BPM verleend. 2.1.8. Op verzoek van belanghebbende heeft de inspecteur MRB voor de taxi vrijstelling van MRB verleend. 2.1.9. De inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. De resultaten van dit onderzoek zijn aan de inspecteur MRB gerenseigneerd. 2.1.10. De inspecteur heeft naar aanleiding van het boekenonderzoek de onder ‘Ontstaan en loop van het geding’ opgenomen naheffingsaanslag BPM en boete opgelegd. De inspecteur MRB heeft op basis van hetzelfde onderzoek de aldaar vermelde naheffingsaanslagen en boeten opgelegd. 2.2. Het geschil in hoger beroep In hoger beroep is in geschil: - of de taxi in het BPM-naheffingstijdvak geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer; - of de taxi in de MRB-naheffingstijdvakken geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer; - of belanghebbende zich terecht op het gelijkheidsbeginsel beroept; - of de inspecteur terecht en voor het juiste bedrag boeten heeft opgelegd. 2.3. Overwegingen van het Hof; plan van behandeling Het Hof zal in 2.4. ingaan op de heffing van BPM. In 2.5. komt de heffing van MRB aan de orde. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel zal in 2.6. worden behandeld. In 2.7. komen vervolgens de boeten aan de orde. In 2.8. wordt de slotsom betreffende het hoger beroep geformuleerd. Tot slot komt in 2.9. de proceskostenveroordeling aan de orde. 2.4. De heffing van BPM 2.4.1. Artikel 16, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Wet BPM) houdt – voor zover hier van belang – in dat een teruggaaf van belasting op aanvraag wordt verleend voor personenauto's die zijn bestemd om taxivervoer te verrichten. Ingevolge artikel 16, vijfde lid, van de Wet BPM bedraagt de teruggaaf nihil indien de personenauto niet geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer. 2.4.2. De inspecteur heeft de aan belanghebbende op diens verzoek teruggegeven BPM nageheven, waartoe hij, kort gezegd, aanvoert dat belanghebbende niet heeft bewezen dat de taxi geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer. De kilometeradministratie is ondeugdelijk en onbetrouwbaar, aldus de inspecteur, en met een dergelijke kilometeradministratie kan niet het vereiste bewijs worden geleverd. 2.4.3. De stellingen van belanghebbende komen erop neer dat hij met zijn kilometeradministratie, en met name de vastlegging op de rittenkaarten, aannemelijk heeft gemaakt dat de taxi voor ten minste 90% voor personenvervoer werd gebruikt. 2.4.4. Het Hof oordeelt dat op een belastingplichtige die zich op een vrijstelling beroept – zoals in casu belanghebbende – de last rust te bewijzen dat hij aan de voorwaarden voldoet. 2.4.5. In de vaststellingen van de rechtbank, die in zoverre in hoger beroep niet zijn betwist, en die ook het Hof tot feitelijk uitgangspunt zal nemen, ligt besloten dat de kilometeradministratie van belanghebbende bestaat uit rittenstaten die door hem worden opgesteld aan de hand van de per dienst door hem ingevulde rittenkaarten en dat de rittenkaarten door belanghebbende zijn ingevuld aan de hand van de standen van de taxameter die steeds na afloop van een dienst handmatig op nul werd gezet. 2.4.6. Daargelaten wat er overigens zij van de kilometeradministratie van belanghebbende, is voor de beoordeling van de betrouwbaarheid daarvan van primordiaal belang of de inspecteur geslaagd moet worden geacht in het – op hem rustende – bewijs van de aanwezigheid van een KTO in de taxi van belanghebbende. 2.4.7. Op grond van de door de inspecteur aangevoerde bewijsmiddelen acht het Hof aannemelijk dat vanaf omstreeks maart 1997 bij Inbouwbedrijf C op betrekkelijk grote schaal KTO’s werden ingebouwd in taxi’s. Belanghebbende heeft overigens ook niet betwist dat bij Inbouwbedrijf C KTO’s werden ingebouwd. 2.4.8. Voorts acht het Hof op grond van de door de inspecteur aangevoerde bewijsmiddelen minst genomen het vermoeden gerechtvaardigd dat de aanduiding ‘Div.’ dan wel ‘Diversen’ in de werkplaatsagenda van Inbouwbedrijf C betekende dat in de auto (taxi) van de desbetreffende klant een KTO moest worden ingebouwd. Belanghebbende heeft dit vermoeden naar ’s Hofs oordeel niet ontzenuwd. In dit verband oordeelt het Hof dat niet aannemelijk is dat een monteur zonder nadere specificatie uit de aanduiding ‘div’ kan opmaken wat hem te doen zou staan. Om deze reden verwerpt het Hof ook de verklaring van C van 19 december 2003 “Deze agenda betrof alle telefonisch gemaakte afspraken, als een klant meerdere reparaties had, dan vermeldde ik dat als diversen” als ongeloofwaardig. 2.4.9. Het Hof neemt derhalve tot uitgangspunt dat ‘Div’ in de werkplaatsagenda van Inbouwbedrijf C betekende dat in de auto (taxi) van de desbetreffende klant een KTO moest worden ingebouwd. Dit uitgangspunt acht het Hof in ieder concreet geval voor tegenbewijs vatbaar. 2.4.10. Naar blijkt uit de in 2.1.2. en 2.1.3. vermelde feiten, heeft B door Inbouwbedrijf C werkzaamheden aan de taxi laten verrichten en is bij de desbetreffende afspraken onder meer de aanduiding ‘div?’ respectievelijk ‘Div’ aangetekend. 2.4.11. Nu ervan moet worden uitgegaan dat ‘Div(ersen)’ in het algemeen betekent dat in de taxi waar die term in de werkplaatsagenda aan is te relateren, een KTO is ingebouwd en die term ook in relatie tot de taxi van belanghebbende is gebruikt, acht het Hof het vermoeden gerechtvaardigd dat ook in die taxi een KTO is ingebouwd. Met zijn enkele ontkenning daarvan heeft belanghebbende dit vermoeden niet ontzenuwd. Belanghebbende beroept zich voorts op de verklaring die B over de gang van zaken heeft afgelegd. Daaromtrent oordeelt het Hof als volgt. 2.4.12. De verklaring van B houdt in dat de aantekening ‘div?’ in de werkplaatsagenda van 17 maart 1997 ziet op het aanbrengen van een daklicht(bedrading), de inbouw van een telefoonstandaard, een mobilofoonversterker en een detectiecamera en dat de aantekening ‘Div’ in de werkplaatsagenda van 22 maart 1997 ziet op het vastzetten van de niet goed bevestigde mobilofoonversterker. In de kleine werkplaats van Inbouwbedrijf C, waar slechts twee of drie mensen aan het werk waren, zou zonder meer duidelijk zijn, althans duidelijk te maken zijn, dat dit de te verrichten werkzaamheden waren. Belanghebbende heeft bewijs aangeboden van de stelling dat B bij taxicentrale H enkele maanden vóór de datum van inbouw een detectiecamera heeft gekocht voor een prijs van f 649,- waarbij de inbouwkosten reeds waren inbegrepen. Het Hof gaat veronderstellenderwijs uit van de juistheid van deze stelling. Niettemin acht het Hof de verklaring van B over de door Inbouwbedrijf C verrichte werkzaamheden niet aannemelijk nu zij voor wat betreft de gestelde inbouw van de camera, de telefoonstandaard en de mobilofoonversterker niet door enig concreet bewijsmiddel wordt gestaafd en door de inspecteur gemotiveerd is betwist. Het Hof merkt hierbij op dat de factuur van de werkzaamheden van 17 maart 1997 geen melding maakt van andere inbouwwerkzaamheden dan die van een taxameter en een mobilofoon en dat deze factuur aldus geen steun biedt aan de stelling dat tevens andere zaken, zoals een telefoonstandaard, een mobilofoonversterker en een detectiecamera zijn ingebouwd. De door B gegeven verklaring dat deze werkzaamheden zijn begrepen in de omschrijvingen ‘inbouw meter’ en ‘inbouw mobilofoon’ acht het Hof niet aannemelijk. Het Hof neemt bij zijn oordeel voorts in aanmerking dat het niet aannemelijk is dat in een werkplaatsagenda – ook al betreft het een kleine garage waar slechts enkele mensen werken – de op een bepaalde datum te verrichten werkzaamheden ongespecificeerd met ‘div(ersen)’ worden aangeduid, en zulks te minder nu de inspecteur onbetwist heeft gesteld dat afspraken bij Inbouwbedrijf C ruim van tevoren gemaakt dienden te worden. Daarbij komt dat niet erg aannemelijk is dat de aantekening ‘div?’ op de bladzijde van 17 maart 1997 op (meer
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.