GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk P07/00841, 07/00842, 07/00843, 07/00844, 07/00845 en 07/00846 1 april 2010 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X], te [Y], belanghebbende, gemachtigde mr. G.T.K. Meussen (BDO CampsObers Accountants & Belastingadviseurs), tegen de uitspraak in de zaken no. AWB 06/6201 tot en met 06/6206 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst Holland-Noord/kantoor Hoorn, de inspecteur. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Hoger beroep nr. 07/00842 De inspecteur heeft met dagtekening 27 mei 1999 aan belanghebbende voor het jaar 1996 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 140.838. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 28 april 2006, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 133.879, waarvan een gedeelte is belast naar het bijzondere tarief van artikel 57a, eerste lid, onderdeel e, juncto tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964), tekst 1996. 1.2. Hoger beroep nr. 07/00846 De inspecteur heeft met dagtekening 22 september 2000 aan belanghebbende voor het jaar 1997 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 169.141. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 7 april 2006, de aanslag gehandhaafd. 1.3. Hoger beroep nr. 07/00845 De inspecteur heeft met dagtekening 25 oktober 2001 aan belanghebbende voor het jaar 1998 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 117.282. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 22 april 2006, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 111.115, waarvan ƒ 18.833 is belast naar het bijzonder tarief van artikel 57a van de Wet IB 1964 (tekst 1998). 1.4. Hoger beroep nr. 07/00844 De inspecteur heeft met dagtekening 14 november 2003 aan belanghebbende voor het jaar 1999 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 100.432, geheel belast naar het tabeltarief. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 22 april 2006, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 100.432, waarvan ƒ 16.959 is belast naar het bijzonder tarief van artikel 57a van de Wet IB 1964 (tekst 1999). 1.5. Hoger beroep nr. 07/00843 De inspecteur heeft met dagtekening 14 november 2003 aan belanghebbende voor het jaar 2000 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 115.180, geheel belast naar het tabeltarief. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 22 april 2006, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 115.180, waarvan ƒ 21.648 is belast naar het bijzonder tarief van artikel 57a van de Wet IB 1964 (tekst 2000). 1.6. Hoger beroep nr. 07/00841 De inspecteur heeft met dagtekening 3 november 2004 aan belanghebbende voor het jaar 2001 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ƒ 111.624 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van ƒ 24.487. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 7 april 2006, de aanslag gehandhaafd. 1.7. Bij uitspraak van 13 september 2007 heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het tegen de hiervoor vermelde uitspraken door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 25 oktober 2007, aangevuld bij brief van 14 januari 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.8. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2. Feiten 2.1. Met betrekking tot de feiten heeft de rechtbank het navolgende vastgesteld: “2.1. [Belanghebbende] is directeur-enig aandeelhouder van [A] BV (hierna: de BV). De BV exploiteert sedert 1 oktober 1994 een uitzendbureau dat landelijk opereert en zich richt op de metaalbranche. Vóór 1 oktober 1994 werd de onderneming gedreven in de vorm van een eenmanszaak van [belanghebbende]. In 1997 zijn de aandelen in de BV door [belanghebbende] overgedragen aan [B] BV, waarvan [belanghebbende] eveneens directeur-enig aandeelhouder is. Vanaf 1999 maakt de BV deel uit van de fiscale eenheid [B] BV. 2.2. Tot het vermogen van de BV behoren onder meer twee renpaarden, met een gezamenlijke boekwaarde van f. 8.000. De paarden zijn bij de Stichting Nederlandse Draf- en Rensport (NDR) geregistreerd op naam van [belanghebbende]. 2.3. Ten laste van het resultaat van de BV is in 1996 een bedrag van f. 60.770 als verkoopkosten gebracht. Dit bedrag heeft voor f. 26.632 betrekking op het houden van renpaarden, waaronder de kosten voor het deelnemen aan wedstrijden, zoals de kosten van een stalling, training, pikeur, sulky en paardentrailer. Met de paarden worden door een professionele pikeur/trainer wedstrijden gereden. De pikeur/trainer brengt zijn kosten in rekening bij de BV. De met de paarden gewonnen prijzengelden rekent de BV tot haar winst. Het prijzengeld varieerde van nihil tot f. 8.000, met één uitzondering waarbij f. 20.000 prijzengeld werd gewonnen. 2.4. Bij de BV is een boekenonderzoek ingesteld, naar aanleiding waarvan door middel van (navorderings-) aanslagen correcties hebben plaatsgevonden in de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting, onder andere op het punt van de niet geaccepteerde verkoopkosten voor zover gemaakt ter zake van het houden van renpaarden. Deze uitgaven zijn niet in aftrek geaccepteerd in de vennootschapsbelas-ting en zijn voor de inkomstenbelasting als winstuitdeling aangemerkt. 2.5. De behandeling van daarna ingediende bezwaarschriften tegen de inkomsten-belasting zijn door verweerder aangehouden in afwachting van de beroepsprocedures ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar vanwege de (navorderings-)aanslagen vennootschapsbelasting. 2.6. Hof Amsterdam heeft op 27 juni 2000 uitspraak gedaan, en heeft 25% van genoemde kosten in aftrek toegestaan. De Hoge Raad heeft op 14 juni 2002, nr. 36.453, BNB 2002/290, ook wel bekend als het zogenoemde renpaardenarrest, het tegen voormelde uitspraak ingestelde cassatieberoep ongegrond verklaard. 2.7. Vervolgens zijn de onderhavige uitspraken op bezwaar gedaan.” Nu de hiervoor vermelde feiten tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het Hof van die feiten uitgaan. Het Hof voegt daar nog het volgende aan toe. 2.2. In de jaarrekeningen van [A] BV over de periode 1994 – 2001 zijn ter zake van de door haar gehouden renpaarden de volgende kosten ten laste van het resultaat gebracht: 1994 € 2.478 1995 € 5.989 1996 € 11.903 1997 € 21.331 1998 € 11.395 1999 € 10.261 2000 € 13.088 2001 € 14.816 2.3. De omzet van [A] BV heeft zich in de periode 1994 – 2001 als volgt ontwikkeld: 1994 € 143.769 1995 € 895.561 1996 € 795.874 1997 € 1.521.988 1998 € 2.715.113 1999 € 3.704.202 2000 € 3.973.539 2001 € 3.462.514 3. Geschil in hoger beroep In hoger beroep is tussen partijen in geschil of ter zake van de door [A] BV (vanaf 1999 [B] BV) ten laste van haar winst gebrachte kosten van renpaarden sprake is van een uitdeling van winst aan belanghebbende. 4. Beoordeling van het geschil 4.1.1. Vaststaat dat [A] BV een uitzendbureau in de metaalsector exploiteert en dat zij in haar aangiften bedragen als vermeld in onderdeel 2.2 ten laste van haar winst heeft gebracht, welke betrekking hebben op het houden van paarden en het laten deelnemen van deze paarden aan drafwedstrijden. 4.1.2. In zijn uitspraak van 27 juni 2000, nr. 99/1403, betreffende een voor het jaar 1996 ten name van [A] BV opgelegde navorderingsaanslag vennootschapsbelasting, heeft het Hof het niet aannemelijk geacht dat de in geschil zijnde uitgaven uitsluitend zijn gedaan met het oog op de persoonlijke behoeften van belanghebbende. Volgens die uitspraak konden de kosten van de renpaarden echter niet volledig ten laste van de winst worden gebracht. Uit de door de inspecteur overgelegde stukken, in samenhang met hetgeen daaromtrent namens belanghebbende ter zitting was verklaard, heeft het Hof in voormelde uitspraak afgeleid dat de deelname aan drafwedstrijden, bij welke gelegenheid renpaarden enige tijd worden voorzien van een reclame-uiting in de vorm van een dekkleed met opdruk van de bedrijfsnaam of het bedrijfslogo, op zichzelf slechts in beperkte mate tot vergroting van de naamsbekendheid van belanghebbende heeft geleid. In dat verband heeft het Hof van belang geacht dat de naam van [A] BV slechts een paar minuten voor een wedstrijd zichtbaar was. Daarnaast heeft het Hof aannemelijk geacht dat belanghebbende, gelet op diens langdurige betrokkenheid bij de paardensport daarin ook persoonlijk een bijzondere interesse heeft. 4.1.3. Uit een en ander heeft het Hof – aldus de Hoge Raad in het op voormelde uitspraak gevolgde arrest HR 14 juni 2002, nr. 36.453, BNB 2002/290 – opgemaakt dat tussen de kosten van het houden van paarden en het laten deelnemen van deze paarden aan wedstrijden enerzijds en het nut van deze kosten voor de onderneming van belanghebbende anderzijds een zodanige wanverhouding bestaat dat geen redelijk denkend ondernemer kan volhouden dat de uitgaven ten volle met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming zijn gedaan. 4.1.4. In het arrest BNB 2002/290 heeft de Hoge Raad de oordelen van het Hof als volgt weergegeven en verstaan: “3.4. De (…) oordelen moeten aldus worden verstaan dat het Hof op grond van de in zijn uitspraak omschreven wanverhouding die het heeft bevonden tussen de door belanghebbende gemaakte kosten voor het houden van paarden en het laten deelnemen van deze paarden aan drafwedstrijden en het bedrag dat een redelijk handelende ondernemer zou hebben besteed voor het bereiken van een resultaat dat vergelijkbaar is met hetgeen door belanghebbende is gerealiseerd en beoogd, alsmede op grond van de persoonlijke bijzondere interesse van de directeur/enig aandeelhouder van belanghebbende in de paardensport, tot de gevolgtrekking is gekomen dat de bedoelde kosten niet alleen met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming zijn gemaakt, maar ook ter bevrediging van persoonlijke behoeften van de directeur/enig aandeelhouder.” Daarop heeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld: “Deze oordelen en de daaraan verbonden gevolgtrekking geven, aldus verstaan, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op hun juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk.” 4.1.5. De bijzondere, persoonlijke interesse van belanghebbende bij de paardensport vindt, wat de onderhavige zaken betreft, bevestiging in het proces-verbaal van de rechtbank, waarin is vermeld dat die interesse uit 1990 stamt, in de kwalificatie daarvan als ‘hobby’ in onderdeel 3.8 van de pleitnota van belanghebbende voor de rechtbank, alsmede in onderdeel 4.6 van het hogerberoepschrift, waar is vermeld: “Het moet worden gezegd dat belanghebbende een bijzondere interesse in renpaarden heeft”. Het Hof gaat derhalve ook in de onderhavige zaken van de aanwezigheid van die bijzondere, persoonlijke interesse uit. 4.1.6. Belanghebbende heeft onder meer betwist dat sprake zou zijn van een wanverhouding tussen de hoogte van de kosten van de renpaarden en het nut daarvan als reclame-object. In dat verband heeft belanghebbende verwezen naar de onder 2.2 vermelde kosten, mede bezien in relatie tot de onder 2.3 vermelde omzetcijfers. De inspecteur heeft daarentegen gesteld dat de wanverhouding tussen kosten en nut van de renpaarden een gegeven is, omdat het Hof die wanverhouding in een eerdere beslissing reeds heeft vastgesteld en de Hoge Raad is het Hof daarin gevolgd in het arrest BNB 2002/290. 4.1.7. Naar het oordeel van het Hof kan belanghebbende in de onderhavige procedure de vraag of sprake is van een wanverhouding tussen de door [A] BV gemaakte kosten voor het houden van paarden en het laten deelnemen van deze paarden aan drafwedstrijden (enerzijds) en het bedrag dat een redelijk handelende ondernemer zou hebben besteed voor een resultaat dat vergelijkbaar is met hetgeen door [A] BV is gerealiseerd en beoogd (anderzijds), opnieuw in geding brengen. Daaraan staat het arrest BNB 2002/290 op zichzelf niet in de weg, ook al betreft het in de onderhavige zaak mede hetzelfde jaar en de directeur/enig aandeelhouder van de belanghebbende van voormeld arrest. 4.1.8. In dit verband heeft de rechtbank het volgende overwogen: “4.4. (…) [Belanghebbende] heeft desgevraagd ter zitting niet kunnen aangeven dat het nut van de onderhavige reclame-uiting door middel van renpaarden groter is dan aangenomen in de beroepsprocedure van het renpaardenarrest of dat anderszins zou moeten worden geoordeeld dat de uitgaven niet uitgaan boven hetgeen een redelijk handelende – met de BV vergelijkbare – ondernemer bereid zou zijn uit te geven.” 4.1.9. In de hoogte van de kosten van de renpaarden en in de door belanghebbende gereali-seerde omzet, bezien ook in onderling verband, ziet het Hof geen reden om met betrekking tot de onder 4.1.4 vermelde wanverhouding (hierna ook: de wanverhouding) tot een ander oordeel te komen dan waartoe het in zijn uitspraak van 27 juni 2000, nr. 99/1403, is geko-men. Dat oordeel was in het bijzonder gebaseerd op het geringe nut van de door [A] BV gekozen vorm van reclame, zoals dat op grond van het gebruik en de inzet van de paarden aannemelijk werd geacht. In dat oordeel brengen de onder 2.2 en 2.3 vermelde gegevens betreffende de kosten en de omzet van [A] BV op zichzelf geen wijziging. Ook niet indien, zoals belanghebbende heeft gesteld, de kosten worden beoordeeld naar de absolute hoogte ervan, mede in relatie tot de omzetgegevens, omdat die beoordeling niet afdoet aan het door het Hof aannemelijk geachte geringe nut van die kosten in verhouding tot de omvang ervan. Met betrekking tot het nut van de door [A] BV gekozen vorm van reclame heeft belanghebbende in de onderhavige zaken ten opzichte van de zaak nr. 99/1403 verder geen nieuw of aanvullend bewijs aangevoerd. Het Hof ziet ook overigens geen reden om in de onderhavige zaak wat betreft de aanwezigheid van de wanverhouding tot een ander oordeel te komen dan waartoe het in zijn voormelde uitspraak is gekomen. 4.1.10. Op grond van de aanwezigheid van de wanverhouding en de omstandigheid dat belanghebbende reeds jaren persoonlijk een bijzondere interesse heeft in de paardensport, bezien in samenhang en onderling verband, acht het Hof het aannemelijk dat de uitgaven voor de paarden niet alleen een zakelijk belang hebben gediend, maar tevens hebben gediend ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van belanghebbende. In zoverre is bij de bepaling van de fiscale winst van [A] BV sprake van onzakelijke uitgaven. 4.1.11. In afwijking van hetgeen gemachtigde – onder verwijzing naar het arrest HR 18 april 2008, nr. 07/10035, BNB 2008/139 – heeft gesteld, ziet het Hof in het onderhavige geval geen principieel verschil met andere gevallen waarin een vennootschap ter verwezenlijking van haar ondernemingsbeleid een bepaald middel kiest en waarbij aannemelijk is te achten dat die keuze niet alleen is ingegeven door het dienen van de zakelijke belangen van de onderneming, maar tevens door het oogmerk van het bevredigen van de persoonlijke behoeften van de directeur/(enig) aandeelhouder. Indien en voorzover in een dergelijk geval de uit de gemaakte keuze voortvloeiende uitgaven (mede) verband houden met de bevrediging van de persoonlijke behoeften van de directeur/enig aandeelhouder, behoren de met die keuze verband houdende uitgaven niet ten laste van de winst te komen. In dergelijke gevallen ligt de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten en omstan-digheden op grond waarvan aannemelijk is te achten dat de wijze waarop het ondernemings-beleid wordt uitgevoerd mede is ingegeven door het oogmerk van het bevredigen van de persoonlijke behoeften van de directeur/(enig) aandeelhouder in beginsel bij de inspecteur. Dat bewijs kan – zoals ook aan de orde was in rechtsoverweging 3.4 van het arrest BNB 2002/290 – bestaan uit feiten en omstandigheden betreffende (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.