GERECHTSHOF AMSTERDAM EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: de stichting [werkgever], gevestigd te [plaats], APPELLANTE, advocaat: mr. A.M. van Werkhoven-de Bruijn te Amsterdam, t e g e n [X], wonend te [plaats], GEÏNTIMEERDE, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam. Partijen worden hierna [werkgever] en [X] genoemd. 1. Het geding in hoger beroep [Werkgever] is bij dagvaarding van 26 februari 2009 in hoger beroep gekomen van het tussen partijen onder rolnummer 379884/CV EXPL 08-4116 gewezen vonnis van de rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Haarlem (verder: de kantonrechter) van 7 januari 2009, tussen partijen gewezen in een tweetal incidenten, met dagvaarding van [X] voor dit hof. [Werkgever] heeft bij memorie één grief aangevoerd, een productie overgelegd en geconcludeerd, voor zover relevant, dat het hof – kennelijk onder vernietiging van het bestreden vonnis – de vordering van [X] in het incident alsnog afwijst, met diens veroordeling - naar het hof begrijpt - in de kosten van de incidenten in beide instanties. [X] heeft bij memorie van antwoord de grief bestreden en geconcludeerd, voor zover van belang, dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [werkgever] in de kosten van het hoger beroep. Partijen hebben schriftelijk gepleit, bij welke gelegenheid [werkgever] nog producties in het geding heeft gebracht. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd. 2. De beoordeling in hoger beroep 2.1. [X] is van medio 1980 tot 1 juni 2000 in dienst geweest van [werkgever], laatstelijk als lid van de tweehoofdige Raad van Bestuur, niet zijnde statutair bestuurder. 2.2. Bij inleidende dagvaarding van 18 maart 2008 heeft [werkgever] tegen [X] een verklaring voor recht gevorderd (vordering A), inhoudend dat [X]: “door het aannemen van gelden van kwestieuze derden en (rechtstreeks) van [S] ([S], directeur/enig aandeelhouder van [O] B.V., verder [O], de voormalige speelautomatenleverancier van [werkgever]; hof) jegens [werkgever] opzettelijk althans bewust roekeloos en daarmee in strijd met goed werknemerschap heeft gehandeld, dat hij is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen c.q. onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij daarvoor aansprakelijk is.” (vordering A). Daarnaast vorderde [werkgever] de betaling door [X] - als hoofdelijk schuldenaar met [O], [S] en, mogelijk, [H] (een andere hooggeplaatste werknemer van [werkgever]) – van de door [werkgever] geleden schade, nader op te maken bij staat in een nog te entameren schadestaatprocedure tussen [werkgever] enerzijds en [O] en [S] anderzijds (vordering B). Tevens vorderde [werkgever] de betaling door [X] van de bedragen waarmee hij – volgens haar - ongerechtvaardigd is verrijkt in de jaren 1993, 1994 en 1998, zijnde dit een totaalbedrag van € 41.798,= althans € 397.256, met rente (vordering C). Eveneens op grond van ongerechtvaardigde verrijking vorderde [werkgever] dat het [X] op straffe van de verbeurte van een dwangsom zou worden geboden alle afschriften met betrekking tot de door zijn echtgenote, [Y] (verder: [Y]), van 22 februari 1991 tot 20 januari 2004 onder nummer 314758-22 bij Banque Credit Suisse aangehouden bankrekening over te leggen (vordering D). Ten slotte eiste [werkgever] dat [X] zou worden verwezen in de proceskosten, die van de door haar gelegde beslagen daaronder begrepen, met wettelijke rente (vordering E). 2.3. Bij incidentele conclusie heeft [X] gevorderd dat [werkgever] op straffe van de verbeurte van een dwangsom zou worden bevolen afschriften van de navolgende stukken over te leggen: “1. verslagen/notulen van de vergaderingen van de Raad van Commissarissen (van [werkgever]: hof) over de periode 1996-2000; 2. verslagen/notulen van de vergaderingen van het Management (bestuur, stafdirecteuren en vestigingsdirecteuren) over de periode 1996-2000; 3. verslagen/notulen van de vergaderingen van de directeuren (chefs/managers) speelautomaten over de periode 1996-2000; 4. managementletters van voormalig huisaccountant KPMG over de periode 1996-2000; 5. de financiële jaarverslagen Holland Casino over de periode 1996-2000; 6. de sociale jaarverslagen (van [werkgever]; hof) over de periode 1996-2000; 7. arbeidscontract [X] met bijlagen; 8. het (volledige) rapport van Ernst & Young Forensic Services (verder: Ernst & Young) van 29 februari 2000 met alle daarin genoemde bijlagen (betreffende A. Organisatiestructuur en functieomschrijvingen, B contracten, C Gespreksverslagen, D Kwantitatief, E Overige documenten); 9. het memorandum van KPMG in reactie op het rapport van Ernst & Young; 10. de volledige procesdossiers in de procedures [naam]/ [H] bij de kantonrechter te Haarlem met zaaknummer 133250 met het incidenteel appel bij de rechtbank Haarlem onder zaak/rolnummer 78102/HA ZA 01-1346, bij het gerechtshof te Amsterdam met het rolnummer 1956/03 en bij het gerechtshof Amsterdam met rolnummer 1845/06 (herroeping) tot in de hoogste instantie; 11. de volledige procesdossiers in de procedures [naam]/ [O]-[S] bij de rechtbank te Breda met zaak/rolnummer 85/HA ZA 00-1083 en bij het gerechtshof te Breda (bedoeld zal zijn: Den Bosch; hof), tot in de hoogste instantie met inbegrip van de schadestaat procedures (tot in de hoogste instantie) die als [X] het goed ziet nog dienen aan te vangen.” [X] baseerde (en baseert) deze vordering op artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en voor wat betreft de onder 1 tot en met 7 genoemde stukken subsidiair op art. 843b Rv. Om praktische redenen zal hierna telkens van stukken in plaats van afschriften of kopieën van stukken worden gesproken. 2.4. Bij haar antwoordconclusie in het incident heeft [werkgever] harerzijds incidenteel op straffe van de verbeurte van een dwangsom overlegging van de stukken gevorderd waarop haar hiervoor onder 2.2 genoemde vordering D betrekking heeft, dit op de voet van art. 843a Rv. 2.5. [X] heeft tegen de incidentele vordering van [werkgever] verweer gevoerd. 2.6. Bij inleidende dagvaarding van (eveneens) 18 maart 2008 heeft [werkgever] tegen [Y] voornoemd een verklaring voor recht gevorderd, inhoudend dat [Y]: “door het aannemen van gelden van kwestieuze derden en (rechtstreeks) van [S] jegens [werkgever] onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij daarvoor aansprakelijk is.” Daarnaast stelde [werkgever] ook tegen [Y] de onder 2.2, B tot en met E, weergegeven vorderingen in. Voor het overige kende de procedure in eerste aanleg tussen [werkgever] en [Y] (bekend onder rolnummer 389495 CV EXPL 08-7733) hetzelfde verloop als die tussen [werkgever] en [X], zoals onder 2.3 tot en met 2.5 vermeld. De in de zaak tussen [werkgever] en [Y] over en weer ingestelde incidentele vorderingen (en de grondslagen daarvan) zijn dan ook identiek aan die in de onderhavige zaak. 2.7. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de beide zaken gevoegd behandeld en daarbij de door [X], [werkgever] en [Y] ingestelde incidentele vorderingen aangemerkt als respectievelijk incident I, incident II en incident III. Hij wees de vorderingen in de incidenten I en III (behalve ten aanzien van de bijlage bij het arbeidscontract van [X] en het door [werkgever] reeds – zonder bijlagen - overgelegde rapport van Ernst & Young; vgl. 2.3, punten 7 en 8) op basis van art. 843a Rv toe en die in incident II af, verwees [werkgever] telkens in de proceskosten en bepaalde dat tussentijds hoger beroep is toegestaan. Het vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2.8. Dit hoger beroep betreft de incidenten I en II, maar tot goed begrip merkt het hof op dat [werkgever] ook in de zaak tussen haar en [Y] hoger beroep heeft ingesteld. In die zaak, bij dit hof aanhangig onder zaaknummer 200.026.925, wordt vandaag eveneens arrest gewezen. 2.9. Aangezien [werkgever] tegen het vonnis in incident II weliswaar heeft geappelleerd maar geen grieven heeft gericht, zal zij in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. 2.10. Anders dan [X] (memorie van antwoord, sub 13-15) is het hof van oordeel dat [werkgever] voldoende duidelijk heeft gemaakt wat haar bezwaren tegen het bestreden vonnis in incident I zijn. [werkgever] is derhalve in zoverre (wel) ontvankelijk in haar beroep. 2.11. [Werkgever] heeft geen bezwaar tegen het verstrekken van de onder 2.3, 5 tot en met 7, genoemde stukken, voor zover door de kantonrechter toewijsbaar geoordeeld. Het bestreden vonnis zal dan ook in ieder geval in zoverre in stand blijven. 2.12. Bij de verdere beoordeling stelt het hof voorop dat de grief van [werkgever] uitsluitend inhoudt dat [X] geen rechtmatig belang heeft bij (het verkrijgen van) de overige stukken. Omdat [werkgever] in het bijzonder niet opkomt tegen het (impliciete) oordeel van de kantonrechter dat het hier telkens gaat om bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin [X] partij is (vgl. art. 843a lid 1 Rv), zal het hof er van uitgaan dat het om dergelijke stukken gaat. 2.13. Bij haar schriftelijke pleitnotities, sub 5, heeft [werkgever] aangekondigd haar eis in de hoofdzaak te zullen beperken tot de vorderingen C, D en E en aldus de grondslag van haar vorderingen materieel te zullen beperken tot de door haar gestelde ongerechtvaardigde verrijking van [X]. Het hof zal er bij de verdere beoordeling in het incident van uitgaan dat [werkgever] in de hoofdzaak haar eis overeenkomstig deze aankondiging zal wijzigen. 2.14. Wat er zij van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.