GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Beslissing van 1 juni 2010 in de zaak onder met nummer 200.048.450/01 GDW van: [klager 1], [klager 2], handelende onder de naam “[Y] Vastgoed”, gevestigd te ‘s-Gravendeel, APPELLANTEN, gemachtigde: mr. M.J. op ’t Ende, tegen [de gerechtsdeurwaarder], gerechtsdeurwaarder te [plaatsnaam], GEÏNTIMEERDE. gemachtigde: mr. M.R. Goeman. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Van de zijde van appellanten, verder te noemen klagers, is bij een op 12 november 2009 ter griffie ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 13 oktober 2009, waarbij de klacht van klagers tegen geïntimeerde, verder de gerechtsdeurwaarder, ongegrond is verklaard. 1.2. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarder is op 12 januari 2010 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen. 1.3. Het hoger beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 28 januari 2010, alwaar klagers en hun gemachtigde zijn verschenen alsmede de gerechtsdeurwaarder vergezeld van zijn gemachtigde. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigde van klagers aan de hand van een pleitnotitie. 2. De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken. 3. De feiten Het hof verwijst voor de feiten naar wat de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat. 4. Het standpunt van klagers 4.1. Klagers verwijten de gerechtsdeurwaarder dat hij de opdracht van 11 juni 2008 niet adequaat en meteen conform de gegeven instructies heeft uitgevoerd. 4.2. Voorts wordt gesteld dat voor zover de verzochte ambtshandeling om welke reden dan ook niet mogelijk blijkt te zijn, hij in overleg dient te treden met de opdrachtgever en nadere instructies dient te vragen. De gerechtsdeurwaarder wordt verweten dat hij dit niet gedaan heeft. 4.3. Ten slotte verwijten klagers de gerechtsdeurwaarder dat indien de gerechtsdeurwaarder een voorschot vraagt dit op zich niet bezwaarlijk is, maar wel als dat verzoek pas twee weken na de gegeven opdracht wordt gedaan. 5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder 5.1. De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht van klagers betwist en verweert zich als volgt. 5.2. De gerechtsdeurwaarder heeft aangevoerd dat het feit dat het vonnis pas op 19 juni 2008 is betekend, te wijten is aan de gemachtigde van klagers. Die heeft opdracht gegeven tot betekening in persoon. De gerechtsdeurwaarder heeft direct getracht het vonnis in persoon te betekenen maar dat is niet gelukt. Op 16 juni 2009 is telefonisch contact geweest met de gemachtigde. Tijdens dat telefoongesprek deelde laatstgenoemde mede dat de debiteur had toegezegd zelf de bedrijfsruimte leeg te halen. De gemachtigde verzocht wel formeel de ontruiming aan te zeggen. Op 18 juni 2008 heeft de secretaresse van de gemachtigde gebeld met de vraag of de beslagen al waren gelegd. De gerechtsdeurwaarder heeft toen gemeld dat betekening in persoon nog niet was gelukt en, alvorens er beslag kon worden gelegd, eerst het vonnis betekend moest worden. Diezelfde dag heeft de gemachtigde van klagers teruggebeld en medegedeeld dat betekening in persoon niet meer nodig was en is verzocht het vonnis nog die dag of uiterlijk 19 juni 2008 te betekenen en de beslagen te leggen. 5.3. Voorts heeft de gerechtsdeurwaarder betoogd dat het vonnis op 19 juni 2008 is betekend aan de echtgenote van de debiteur. Op 24 juni 2008 is vervolgens een kostenvoorschot verzocht, omdat klagers in een ander dossier hadden geweigerd de kosten van de verhuizers te betalen. 6. De beoordeling 6.1. Klagers hebben bezwaar gemaakt tegen de gang van zaken in eerste aanleg, in het bijzonder tegen het feit dat de kamer de overgelegde getuigenverklaringen heeft aangemerkt als zijnde te laat ingediend en daarom buiten de beoordeling heeft gelaten, terwijl de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling wel aan de orde zijn gesteld en inhoudelijk besproken, zodat zij bij de beoordeling van de kamer betrokken hadden dienen te worden. Dit bezwaar behoeft geen nadere bespreking,.aangezien deze door klagers gestelde tekortkomingen ten gevolge van de behandeling in hoger beroep zijn hersteld. 6.2. Klagers betwijfelen of de gerechtsdeurwaarder op 19 juni 2008 wel een exploot aan mevrouw [A] heeft uitgereikt, of het ambtsedig opgemaakte proces verbaal juist is en of de ambtshandelingen waarvoor opdracht is gegeven aan de gerechtsdeurwaarder zijn uitgevoerd. Voor zover hierin een klacht is te lezen geldt dat klagers die voor het eerst in hoger beroep hebben ingebracht. Het hof kan geen kennis nemen van klachten die voor het eerst in hoger beroep naar voren worden gebracht .Het hof zal om die reden de klacht niet in behandeling nemen. 6.3. Met de kamer is het hof van oordeel dat het op de weg van de opdrachtgever ligt om de gerechtsdeurwaarder verdere instructies te geven als het een spoedopdracht betreft, zoals in het onderhavige geval. Het faxbericht van 11 juni 2008 vermeldt in de kop weliswaar SPOED, maar zoals de gerechtsdeurwaarder onweersproken naar voren heeft gebracht tijdens de mondelinge behandeling ter terechtzitting, staat deze aanduiding op praktisch alle faxberichten die de gerechtsdeurwaarder van opdrachtgevende advocaten ontvangt. Ook heeft de gerechtsdeurwaarder in dat verband aangegeven dat in zijn algemeenheid de betrokken advocaat met de gerechtsdeurwaarder – na de verzending van de fax – telefonisch contact opneemt om de opdracht verder te bespreken. Het hof is van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder ervan uit mocht gaan dat de prioriteit bij de betekening in persoon (cursivering van het hof) lag, aangezien deze tekst zwart onderstreept was, zulks in tegenstelling tot het woord SPOED. Klagers hebben nog in twijfel getrokken of de gerechtsdeurwaarder, zoals hij zelf stelt, direct getracht heeft het vonnis in persoon te betekenen. Ter onderbouwing van die twijfel hebben zij een verklaring van een receptioniste overgelegd, inhoudende dat zij in de periode van 1 t/m 19 juni 2008 nimmer een deurwaarder van het kantoor [Z] heeft ontvangen die naar de heer [A] gevraagd heeft. Die onderbouwing is echter onvoldoende, nu bedoelde verklaring – wat er zij van de juistheid daarvan – niet de mogelijkheid uitsluit dat de gerechtsdeurwaarder, zoals hij zelf stelt, pogingen tot snelle betekening in persoon heeft ondernomen waarbij hij zich in verband met de privacy van [A] niet als gerechtsdeurwaarder bekend heeft gemaakt. De klacht is ongegrond. 6.4. Ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd dat het vonnis op 19 juni 2008 niet in persoon aan mevrouw [A] betekend zou zijn, omdat zij die dag in het ziekenhuis is geweest. In het licht van de andersluidende informatie,die staat vermeld in het betekeningsexploit en de door mevrouw [A] zelf ondertekende verklaring, gedateerd “’s-Gravendeel, april 2009” , waarin zij verklaart dat zij “in de gehele maand Juni 2008 iedere dag aanwezig is geweest aan [adres] te [plaatsnaam]”, had het op de weg van klagers gelegen in dit stadium van de klachtprocedure niet te volstaan met een blote bewering op dit punt. Van klagers mocht worden verwacht dat zij met deugdelijke bewijsmiddelen aannemelijk zouden maken dat mevrouw [A] op 19 juni 2008 – in afwijking van haar eigen verklaring – de gehele dag niet aanwezig is geweest op genoemd adres. Nu klagers volstaan hebben met een niet onderbouwde bewering op dit punt, zal het hof daaraan voorbijgaan. 6.5. De hiervoor onder 4.3 weergegeven klacht (pas na twee weken vragen om voorschot) is door de kamer niet expliciet in de beoordeling betrokken. Het hof oordeelt met klagers dat het op zichzelf niet bezwaarlijk kan worden genoemd, dat de gerechtsdeurwaarder een voorschot vroeg. Het enkele feit dat dit niet bij aanvaarding van de opdracht is gebeurd, maar pas op het moment dat tot beslaglegging moest worden overgegaan maakt de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder niet laakbaar in tuchtrechtelijke zin. Bijzondere feiten en omstandigheden die in het onderhavige geval tot een ander oordeel zouden nopen zijn gesteld noch gebleken. Ook dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond. 6.6. Het onderzoek in hoger beroep heeft overigens niet geleid tot vaststelling van andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt. 6.7. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven. 6.8. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 7. De beslissing Het hof: - bekrachtigt de bestreden beslissing, met verbetering van gronden. Deze beslissing is gegeven door mrs. L. Verheij, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 1 juni 2010 door de rolraadsheer. KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM Beslissing van 13 oktober 2009 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderwet inzake de klacht met nummer 168.2009 ingediend door: [klager 1] EN [klager 2], handelende onder de naam [Y] Vastgoed, klagers, gemachtigde mr. M.J. Op ‘t Ende, tegen: [de gerechtsdeurwaarder], gerechtsdeurwaarder te [plaatsnaam], beklaagde, gemachtigde M.R. Goeman. Ontstaan en loop van de procedure Bij brief van 6 maart 2009, ingekomen op 11 maart 2009, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder. Na daartoe verkregen uitstel heeft de gerechtsdeurwaarder bij brief van 4 mei 2009, ingekomen op 6 mei 2009, een verweerschrift ingediend. Bij brief van 1 september 2009 heeft de gemachtigde van klagers drie verklaringen overgelegd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 1 september 2009 alwaar de gemachtigde van klagers en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 13 oktober 2009. 1. De feiten
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.