GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Beslissing van 13 juli 2010 in de zaak onder nummer 106.011.223/01 GDW van: [ De gerechtsdeurwaarder ], gerechtsdeurwaarder te [ plaatsnaam ], APPELLANT, t e g e n [ Klaagster ], gevestigd te [ plaatsnaam ], GEÏNTIMEERDE. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 22 juni 2007 ingekomen een verzoekschrift – met één bijlage – van de zijde van appellant verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, waarbij hij tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 22 mei 2007, waarbij de klacht van van geïntimeerde, verder: klaagster, gedeeltelijk gegrond is verklaard en gedeeltelijk ongegrond is verklaard onder oplegging van de maatregel van berisping. 1.2. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 8 oktober 2009. De gerechtsdeurwaarder is verschenen. Hij heeft het woord gevoerd. De heer [ X ], verder: [ X ], in zijn hoedanigheid van directeur van klaagster – hoewel behoorlijk opgeroepen – is niet verschenen. 2. De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken. 3. De beoordeling van de bestreden beslissing 3.1. Tijdens de behandeling in hoger beroep is op grond van de stellingen van de gerechtsdeurwaarder in samenhang met de inhoud van het dossier aannemelijk geworden dat hij niet degene is tot wie de klacht zich richt. Klaagster heeft de klacht gericht tegen de [ kantoornaam gerechtsdeurwaarder ] Groep. Bij brief van 13 september 2006 heeft de secretaris van de kamer klaagster verzocht duidelijk aan te geven om welke vestiging van de groep het gaat, aangezien er in twaalf steden een vestiging is. Hierop heeft [ X ] de kamer een brief gezonden van 15 september 2006, met als bijlage een brief, waarin deurwaarderskantoor [ Y & Partners ] gevestigd te [ plaatsnaam ] voor de Kamer van Koophandel om betaling verzoekt van € 254,07. 3.2. Bij brief van 30 november 2006, op briefpapier van de vestiging in Delft en ondertekend door [ de gerechtsdeurwaarder ], is door de gerechtsdeurwaarder – blijkens zijn toelichting ter terechtzitting in hoger beroep namens deurwaarderskantoor [ Y & Partners ]- verweer gevoerd, waarbij het exploot van betekening met bevel tot betaling in het geding is ingebracht. Hieruit blijkt dat de toegevoegd kandidaatsgerechtsdeurwaarder [ kandidaat ], werkzaam op het kantoor [ Y & Partners ], op 17 juli 2006 het exploot heeft uitgebracht op het adres van klaagster. Door de gerechtsdeurwaarder aan te merken als degene tegen wie de klacht is gericht, is de kamer – op het verkeerde been gezet door de gerechtsdeurwaarder zelf – van een verkeerde veronderstelling uit gegaan. Tijdens de mondelinge behandeling ter terechtzitting heeft de gerechtsdeurwaarder verklaard dat het kantoor van gerechtsdeurwaarder [ Y ] zelfstandig kantoor voert en geen – in deze zaak relevant – samenwerkingsverband heeft met het kantoor te Delft. Blijkens het appelschrift is de klacht ingekomen op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder te Delft. Van daaruit is de klacht doorgestuurd naar het kantoor van gerechtsdeurwaarder [ Y ], die vervolgens – aldus de gerechtsdeurwaarder – op “Delfts briefpapier” verweer zou hebben gevoerd op naam van de gerechtsdeurwaarder. 3.3. Gelet op het bovenstaande acht het hof het aannemelijk dat de klacht gericht was c.q. had moeten zijn tegen gerechtsdeurwaarder [ Y ]. Hoewel die gerechtsdeurwaarder niet in deze procedure is betrokken, heeft het hof besloten – waar terugverwijzing naar de kamer ter verdere behandeling voor de hand zou liggen – om pragmatische reden door te gaan met de behandeling van de zaak, niet in de laatste plaats nu het een zeer oude zaak betreft. Daarbij overweegt het hof voorts dat, gelet op de hierna vermelde beslissing, de gerechtsdeurwaarder [ Y ] daardoor niet in zijn belangen is geschaad. Het hof zal de zaak dan ook verder zelf af doen. 4. De feiten Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. 5. Het standpunt van klaagster 5.1. Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder [ Y ] dat deze zonder onderbouwing en zonder verder onderzoek te doen aanmaningen heeft verstuurd en heeft gedreigd met beslaglegging. Bovendien ligt er geen factuur aan ten grondslag die bij klaagster bekend is onder het genoemde bedrag. Ook is de naam van het bedrijf, dat de factuur heeft verzonden, niet bekend bij klaagster. 5.2. Voorts wordt de gerechtsdeurwaarder [ Y ] verweten dat zijn kantoor moeilijk bereikbaar is door het gebruik van een 0900-nummer. 6. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder 6.1. De gerechtsdeurwaarder heeft namens [ Y ] de stellingen van klaagster betwist en verweert zich als volgt. 6.2. De gerechtsdeurwaarder heeft betoogd dat de vordering voortvloeit uit een ten laste van klaagster uitgevaardigd dwangbevel. Aanvankelijk is het dwangbevel betekend aan het in het handelsregister bekende adres van klaagster in Den Haag. Later bleek dat klaagster feitelijk kantoor hield in Den Bosch. Aangezien klaagster niet bereid bleek om het verschuldigde bedrag te voldoen, is het dwangbevel vervolgens betekend op het adres in Den Bosch, waarna de betaling heeft plaats gevonden. 6.3. Ten aanzien van de klacht betreffende de bereikbaarheid van zijn kantoor heeft de gerechtsdeurwaarder erop gewezen dat het hanteren van een landelijk callcenter efficiënt is en dat dit eveneens geldt voor het gebruik van een 0900 nummer. Bovendien is het aan justitiabelen in rekening te brengen tarief van 2,5 cent per minuut lager dan het gebruikelijke telefoontarief. 7. De beoordeling 7.1. Het hof is is met de kamer en op de door de kamer aangegeven gronden van oordeel dat met betrekking tot de betekening van het dwangbevel niet van enig tuchtrechtelijk laakbaar handelen is gebleken. 7.2. Ten aanzien van het klachtonderdeel betreffende de bereikbaarheid van het kantoor is onvoldoende gesteld noch gebleken op welke manier en in welke mate het kantoor van de gerechtsdeurwaarder [ Y ] niet bereikbaar zou zijn geweest voor klaagster. Ook hier is enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet komen vast te staan. 7.3. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan, als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven. 7.4. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 8. De beslissing Het hof: - vernietigt de bestreden beslissing; - verklaart de klacht in beide onderdelen ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mrs. L. Verheij, A.L.G.A. Stille en L.J. Saarloos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 13 juli 2010 door de rolraadsheer. Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam Beschikking van 22 mei 2007 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met het nummer 409.2006 van: de besloten vennootschap [ ] B.V., gevestigd te [ ], klaagster, tegen: [ ], gerechtsdeurwaarder te [ ], beklaagde. Verloop van de procedure Bij brief van 11 september 2006 heeft [ ] namens klaagster een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder. Bij brief van 15 september 2006 heeft klaagster aanvullende stukken overgelegd. Bij aangehechte brief met bijlagen van 30 november 2006 heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend. Bij brief van 10 januari 2007 heeft klager aanvullende informatie verstrekt. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 10 april 2007, daarbij zijn partijen niet verschenen. De uitspraak is bepaald op 22 mei 2007. 1. De feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.