GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk P09/00222 en 09/00223 DK 4 november 2010 uitspraak van de Douanekamer op het hoger beroep van V.o.f. P te T, belanghebbende, tegen de uitspraak in de zaken nrs. AWB 07/1039 en 07/1040 van de rechtbank Haarlem (verder: de rechtbank) van 16 maart 2009 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Noord, kantoor Nijmegen, de inspecteur. 1. Uitnodigingen tot betaling, bezwaar en geding voor de rechtbank 1.1. De inspecteur heeft aan P B.V. met dagtekening 7 april 2006 een uitnodiging tot betaling (UTB) uitgereikt met nummer 0656.70141C, ten bedrage van € 141.252,82. 1.2. De inspecteur heeft aan O B.V. (voorheen P B.V.) met dagtekening 5 oktober 2006 een UTB uitgereikt met nummer 0656.0163C, ten bedrage van € 5.569,18. 1.3. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 20 december 2006 heeft de inspecteur het bezwaar tegen beide UTB’s gegrond verklaard, aangezien genoemde B.V.’s niet zijn aan te merken als douaneschuldenaar in de zin van artikel 201, lid 3, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW). De inspecteur heeft nadien alsnog bij brieven van 22 januari 2007 en 31 januari 2007 ambtshalve een proceskostenvergoeding op de voet van artikel 7:15 van de Awb verleend, waarbij voor het indienen van een bezwaarschrift een vergoeding van € 161 per UTB wordt toegekend. 1.4. Belanghebbende heeft bij brief van 31 januari 2007, ontvangen bij de rechtbank op 1 februari 2007, beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar van 20 december 2006. 1.5. Bij in één geschrift vervatte uitspraken van 16 maart 2009 heeft de rechtbank de beroepen gegrond verklaard, aan belanghebbende een vergoeding van de bezwaarkosten ten bedrage van € 4.000 toegekend, en het verzoek van belanghebbende om schadevergoeding afgewezen. 2. De procedure voor de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam 2.1. Tegen de sub 1.5. vermelde uitspraak van de rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 27 maart 2009, ingekomen bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: Douanekamer) op 30 maart 2009. 2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 17 mei 2010. Namens belanghebbende zijn verschenen en gehoord mr. B, G en F, en namens de inspecteur mr. C en M. 2.4. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat als bijlage met deze uitspraak wordt meegezonden. 3. De feiten De Douanekamer neemt met instemming van partijen over de door de rechtbank vastgestelde feiten, welke luiden als volgt: “2.1. De activiteiten van eiseres (Douanekamer: belanghebbende) bestaan uit een zeevisgroothandel, visverwerking en – verpakking, visrokerij en –bakkerij. Eiseres heeft verschillende opdrachtgevers, doch voor wat betreft de inkoop van het product Alaska Pollack (koolvis) heeft zij één leverancier, te weten de besloten vennootschap F B.V. Eiseres is vergunninghouder in het kader van de invoer van Alaska Pollackfilets met de bijzondere bestemming voor industriële verwerking. 2.2. K is steeds als aangever opgetreden in opdracht van eiseres. 2.3. Op 1 februari 2006 is bij eiseres een controle gestart naar de naleving van de voorwaarden gesteld in de aan eiseres toegekende vergunning bijzondere bestemmingen nr. 1914/2662. Vervolgens heeft verweerder (Douanekamer: de inspecteur) bij brief van 16 februari 2006 eiseres geïnformeerd de controle uit te breiden naar een controle na invoer (CNI) op basis van artikel 78 van het CDW, naar De gevolgde douaneformaliteiten bij invoer en de aanvaardbaarheid van de invoeraangiften. Het onderzoek betrof de periode 1 januari 2003 tot en met 31 december 2005. 2.4. Tussen partijen staat vast dat aan eiseres de onder 1.1. genoemde UTB is opgelegd ter behoud van rechten, terwijl het onderzoek nog gaande was. Beide UTB’s zijn opgelegd op de voet van artikel 201, derde lid, van het CDW (medeschuldenaarschap). 2.5. In de uitspraken op bezwaar geeft verweerder de volgende reden om het bezwaar gegrond te verklaren: “(…) Bij de administratieve controle is niet gebleken dat de voor deze aangifte benodigde gegevens door belanghebbende zijn verstrekt. Verder is in de utb’s niet voldoende gemotiveerd waarom belanghebbende als medeaansprakelijke in de zin van artikel 201, lid 3 CDW als douaneschuldenaar kan worden aangemerkt. De utb’s voldoen daarom niet aan de wettelijke bepalingen en vereisten, zoals bedoeld in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. (…)”. 4. De uitspraak van de rechtbank De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Hij heeft daartoe overwogen als volgt: 4.1. Verweerder heeft eiseres op grond van de laatste volzin van artikel 201, derde lid, van het Communautair douanewetboek (CDW) aansprakelijk gehouden voor de niet betaalde rechten, en heeft terzake de onder 1.1.1 en 1.1.2. genoemde utb’s opgelegd. Ingevolge artikel 201, derde lid, tweede alinea, van het CDW kunnen, wanneer een douaneaangifte voor een van de in lid 1 bedoelde regelingen is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de wettelijk verschuldigde rechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven, de personen die deze voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren, overeenkomstig de geldende nationale bepalingen eveneens als schuldenaar worden beschouwd. 4.2. De Awb bevat onder meer de volgende bepalingen: " Artikel 7:15 1. (…) 2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing. 3. Het verzoek wordt gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar. 4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Artikel 8:75 1. De rechtbank is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, (…) zijn van toepassing. (…)" Het Besluit proceskosten bestuursrecht luidt als volgt: " Artikel 1 Een (…) vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op: a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, Artikel 2 1. Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld: a. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a: overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief; (…) 3. In bijzondere omstandigheden kan van het eerste lid worden afgeweken." 4.3. In het licht van de ingewikkeldheid van de materie is het zonder meer redelijk dat eiseres voor het maken van bezwaar de hulp van een derde, die zich beroepsmatig bezighoudt met het verlenen van rechtsbijstand in douanezaken, heeft ingeschakeld. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking. Vergoeding van kosten vindt ingevolge het Bpb plaats volgens forfaitaire normen. Slechts in bijzondere omstandigheden kan hiervan, ingevolge artikel 2, derde lid, van het Bpb, worden afgeweken. 4.4. Eiseres doet in feite een beroep op het derde lid van artikel 2 van het Bpb. Dit artikellid ziet, blijkens de wetgevingsgeschiedenis (TK 1999-2000, 27024, nr. 3 blz.7.) op uitzonderlijke, schrijnende gevallen, waarbij strikte toepassing van het Besluit evident onrechtvaardig zou zijn. Uit het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2005, nr. 35 729, BNB 2005/374, blijkt dat niet reeds het feit dat een onjuist bevonden standpunt van het betrokken bestuursorgaan in strijd is met bepalingen van gemeenschapsrecht, met zich brengt dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, van het Bpb. Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Bpb is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.