GERECHTSHOF AMSTERDAM Nevenzittingsplaats Arnhem Sector civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.051.609 (zaaknummer rechtbank 275249/ KG ZA 09-1051) arrest van de vierde civiele kamer van 6 april 2010 in kort geding inzake [A], wonende te [woonplaats], appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen “de vrouw”, advocaat: mr. M.M.J. Arts, tegen: [B], wonende te [woonplaats], geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellant in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen “de man”, advocaat: mr. L.C. Griffioen-Wennekers. 1. Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 11 november 2009 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht tussen de vrouw als gedaagde en de man als eiser in kort geding heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in hoger beroep 2.1 De vrouw heeft bij exploot van 8 december 2009 de man aangezegd van dat vonnis van 11 november 2009 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de man voor dit hof. 2.2 Bij dagvaarding heeft de vrouw een grief tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en een nieuwe productie in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest de man niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans hem deze zal ontzeggen, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties; en voor eis in het incident: dat het hof primair de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis zal schorsen, dan wel subsidiair de man zal verbieden op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel, per overtreding, althans van een bedrag als het hof juist acht, binnen 24 uur na dit arrest de reeds door de vrouw verbeurde dwangsommen te executeren, met veroordeling van de man in de kosten van dit incident. 2.3 Bij memorie van antwoord heeft de man de grief bestreden, heeft hij bewijs aangeboden en zes nieuwe producties in het geding gebracht. Hij heeft geconcludeerd dat het hof de vrouw in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, het bestreden vonnis zal bekrachtigen en in het incident de vrouw niet-ontvankelijk zal verklaren althans deze incidentele vordering zal afwijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit hoger beroep. 2.4 Bij dezelfde memorie heeft de man incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Hij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voorzover daarbij de voorzieningenrechter de overige vorderingen van de man heeft afgewezen en opnieuw rechtdoende deze vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit hoger beroep. 2.5 Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep heeft de vrouw verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof het door de man ingestelde beroep ongegrond zal verklaren, met veroordeling van de man in de kosten (het hof begrijpt) van het incidenteel hoger beroep. 2.6 Ter zitting van 8 maart 2010 hebben partijen de zaak doen bepleiten, de vrouw door mr. M.M.J. Arts, advocaat te Groningen, en de man door mr. L.C. Griffioen-Wennekers, advocaat te Alphen aan de Rijn; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. De vrouw is in persoon verschenen en namens de man is zijn advocaat verschenen. 2.7 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd. 2.8 Ten slotte heeft het hof arrest bepaald. 3. De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan vast de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten, zodat het hof ook van deze feiten uitgaat. Partijen hebben op 27 april 2008 een echtscheidingsconvenant ondertekend. In dat convenant is met betrekking tot de onroerende zaak het volgende bepaald: “11.1 De echtelijke woning wordt aan de man en de vrouw toebedeeld. Op het woonadres/perceel zijn twee woningen. De man heeft een woning in gebruik en de vrouw ook. De grond is inmiddels via het kadaster verdeeld. Omdat het inkomen van de man lager ligt dan van de vrouw zal de hypotheek na draagkracht verdeeld worden. 11.2 Dit geschiedt op voorwaarde dat de hypothecaire lening aan de vrouw wordt toegescheiden en de bank de man ontslaat uit diens hoofdelijke verplichtingen jegens de hypotheekhouder. De man sluit een nieuwe hypotheek af in Frankrijk en betaald de vrouw van de 140.000,00 euro hypotheek wat nu op beider woningen staat een bedrag van 50.000,00 euro en de vrouw neemt de overige 90.000,00 euro aan hypotheek op zich. 11.3 De kosten verbonden aan de levering en de tenaamstelling van de onroerende zaak zijn voor rekening van beider partijen. De kosten verbonden aan het ontslag uit de hoofdelijke verplichting als bedoeld in lid 1 zijn voor rekening van beider partijen. De lasten rustend op de aan de man en vrouw toebedeelde onroerende zaak zullen met ingang van 3 maanden na scheiding voor rekening van de man en vrouw zijn. 11.4 Het notarieel transport van de echtelijke woning zal uiterlijk binnen 3 maanden ten overstaan van Mr papot, notaris te Fours of diens plaatsvervanger geschieden. De hieraan verbonden kosten zijn rekening van beider partijen.” 4. De motivering van de beslissing in hoger beroep en in het incident 4.1 De vrouw heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep haar vordering in het incident ingetrokken, zodat het hof hierop niet meer hoeft te beslissen. 4.2 De man heeft in eerste aanleg gevorderd -kort gezegd- dat de vrouw wordt veroordeeld: 1. tot betaling van haar aandeel in de achterstallige hypotheeklast van € 6.809,08 op de gebruikelijke bankrekening op verbeurte van een dwangsom, 2. tot betaling van de maandelijkse hypotheeklasten op de gebruikelijke wijze op verbeurte van een dwangsom, 3. tot betaling van € 2.003,45 in de door man betaalde kosten ten behoeve van de woning van partijen in [woonplaats], 4. haar medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële akte van splitsing van de onroerende zaak van partijen in [woonplaats], 5. na splitsing mee te werken aan het ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de hypotheekschuld op verbeurte van een dwangsom, 6. in de proceskosten. 4.3 De Nederlandse rechter is bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van de man op grond van artikel 2 EEX Verordening (verder “EEX-Vo”). Voorzover de vorderingen onder 4 en 5 vallen onder artikel 22 EEX-Vo bestaat in deze kort geding procedure toch rechtsmacht voor de Nederlandse rechter. Artikel 31 EEX-Vo bepaalt immers dat voorlopige maatregelen gevraagd kunnen worden bij een gerecht van een lidstaat zelfs als een gerecht van een andere lidstaat krachtens de verordening bevoegd is van de bodemzaak kennis te nemen. Met partijen is het hof van oordeel dat op de vorderingen onder 1 – 3 en 6 in elk geval Nederlands recht van toepassing is. De vorderingen onder 4 en 5 blijven buiten beschouwing op grond van wat wordt overwogen in 4.9. 4.4 De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van de man onder 1 en 2 toegewezen, iedere veroordeling op verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag, een gedeelte van de dag daaronder begrepen, dat de vrouw na betekening in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, tot een maximum van € 10.000,-, het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de kosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde, dus de vorderingen onder 3, 4 en 5, afgewezen. 4.5 Het beroep van de vrouw en haar grief in haar dagvaarding in hoger beroep richt zich tegen de toewijzing van de vorderingen onder 1 en 2 van de man. In haar toelichting op haar grief in de dagvaarding in hoger beroep stelt zij dat weliswaar in artikel 11.3 van het convenant staat “de lasten rustend op de aan de man en de vrouw toebedeelde onroerende zaak zullen met ingang van 3 maanden na scheiding voor rekening van de man en vrouw zijn” maar dat artikel ziet op de situatie dat de vrouw in (de woning
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.