GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk P07/00353-00354 6 januari 2011 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Amersfoort, de inspecteur, en het incidenteel hoger beroep van [X BV], te [Z], belanghebbende, gemachtigde: [A], tegen de uitspraken in de zaken met nrs. AWB 05/2562-2563 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.
(2000).” 3. Geschil in hoger beroep In geschil zijn de volgende vragen: 1.1. Heeft de inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen vennootschapsbelasting 2000 en 2001 de winst van belanghebbende terecht verhoogd met resultaat over die jaren dat – in plaats van door belanghebbende – door [C AG] is verantwoord (winstoverheveling)? 1.2. Indien vraag 1.1 bevestigend moet worden beantwoord: in welke mate moet winst die door [C AG] is verantwoord als winst van belanghebbende in aanmerking worden genomen? 2. Is als gevolg van een onzakelijke prijs bij de verkoop van ‘de [B]’ in het jaar 2000 winst aan het resultaat van belanghebbende onttrokken? 3. Zijn terecht bestuurlijke boeten opgelegd, in het bijzonder als het gaat om de aanwezigheid van opzet ter zake van de gedraging waarvoor de boeten zijn opgelegd? 4. Beoordeling van het geschil Wie geniet de winst uit hoofde van de door [Y] verrichte werkzaamheden? 4.1. Met betrekking tot de geschilpunten 1.1 en 1.2 heeft de rechtbank als volgt geoordeeld: “4.2.1. Eiseres betwist dat de resultaten van [C AG] rechtstreeks en direct aan haar kunnen worden toegerekend. Naar de rechtbank begrijpt stelt verweerder zich in dat verband op het standpunt dat [G BV] in wezen onder de naam [C AG] in Zwitserland actief is geweest. Eiseres heeft deze opvatting gemotiveerd betwist. 4.2.2. Vast staat dat [C AG] is onderworpen aan de Zwitserse belasting naar de winst. [C AG] beschikt in Zwitserland over kantoorruimte. Anders dan verweerder stelt dient naar het oordeel van de rechtbank aan het Zwitserse kantoor weldegelijk betekenis te worden toegekend, nu eiseres onweersproken heeft gesteld dat vanuit het Zwitserse kantoor wezen-lijke functies van [C AG] worden uitgevoerd, waaronder logistieke ondersteuning van de papierimporten, administratie en debiteurenbeheer. Eiseres heeft onvoldoende weersproken gesteld dat zakelijke overwegingen ten grondslag hebben gelegen aan de oprichting van [C AG]. Buiten twijfel is voorts dat [C AG] een lichaam is met rechtspersoonlijk-heid. 4.2.3. De genoemde feiten en omstandigheden leiden de rechtbank tot de slotsom dat [C AG] zelfstandig voor eigen rekening een onderneming drijft. De rechtbank acht aannemelijk dat met de oprichting van [M AG] extra inkoop- en kredietlimieten werden verkregen en dat daardoor de afzetmogelijkheden van de door [Y] beheerste vennoot-schappen werden vergroot. [C AG] is in wezen de voortzetting van de activiteiten van [M AG] Boekenonderzoek naar aanleiding van de liquidatie van die vennootschap heeft niet geleid tot (gehele of gedeeltelijke) toerekening van resultaten van [M AG] aan [G BV] Verweerder, op wie in dit verband het bewijsrisico rust, maakt niet aannemelijk dat het resultaat van [C AG] rechtstreeks aan eiseres moet worden toegerekend. Het beroep is in zoverre gegrond. 4.3.1. Voor zover verweerder betoogt dat [G BV] recht heeft op een vergoeding in verband met de ten behoeve van [C AG] verrichte werkzaamheden, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat op verweerder de last drukt om zijn stelling aannemelijk te maken, en overweegt de rechtbank als volgt. 4.3.2. Vast staat dat [Y] in loondienst werkzaam is bij eiseres en bij de met eiseres gevoegde dochters. Voorts staat vast dat [Y] werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van [C AG], meer bepaald: de in- en verkoop van papier en relatiebeheer. Hiervoor heeft [C AG] noch aan [Y] noch aan eiseres noch aan [G BV] enige vergoeding betaald. Ook staat vast dat [Y] bij evenbedoelde werkzaamheden ten behoeve van [C AG] gebruik heeft gemaakt van de kantoorruimte, infrastructuur en relaties van [G BV] 4.3.3. De rechtbank acht de in- en verkoopfunctie van wezenlijk belang voor het bestaan van handelsondernemingen als die van [G BV] en [C AG]. [Y] heeft bij die werkzaamheden ten behoeve van beide vennootschappen gebruik gemaakt van de kantoorruimte en de infrastructuur van eiseres. Voorts heeft [Y] [C AG] aanbevolen bij relaties van [G BV] Onder deze omstandigheden acht de rechtbank een door [C AG] aan eiseres dan wel [G BV] te betalen vergoeding op zijn plaats. Door af te zien van deze vergoeding is [G BV] indirect verarmd ten gunste van haar zuster-maatschappij [C AG]. Niet goed denkbaar is dat een zakelijk handelende partij de belangrijke werkzaamheden ten behoeve van de in- en verkoop van papier gedurende een reeks van jaren verricht zonder daar een redelijke beloning voor te bedingen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een als een uitdeling te beschouwen winstverschui-ving door [G BV] aan haar (middellijk) aandeelhouder, en heeft de aandeelhouder deze uitdeling vervolgens als informele kapitaalstorting ingebracht in [C AG]. 4.3.4. Bij het vaststellen van de omvang van een zakelijk te achten vergoeding, moet naar het oordeel van de rechtbank aansluiting worden gezocht bij voornoemde door [Y] ten behoeve van [C AG] geleverde diensten. De rechtbank stelt de door [G BV] te verantwoorden vergoeding per jaar in goede justitie vast op f 150.000. 4.3.5. De rechtbank zal de aanslagen mitsdien als volgt vaststellen. 2000 2001 Aangegeven belastbaar bedrag f 552.429 f 506.536 Bij: vergoeding van [C AG] “ 150.000 “ 150.000 Nader vastgesteld belastbaar bedrag f 702.429 f 656.536 4.4. De door verweerder opgelegde boete is gegrond op de opvatting dat de door [C AG] behaalde resultaten rechtstreeks aan [G BV] toegerekend dienen te worden. De rechtbank heeft deze opvatting verworpen en daarmee is de grondslag aan deze boeten komen te vervallen. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.” 4.2. In hoger beroep heeft de inspecteur – kort gezegd – gesteld dat geen sprake is geweest van diensten die belanghebbende ten behoeve van [C AG] heeft verricht en waarvoor deze laatste een zakelijke vergoeding verschuldigd is, maar dat de door [C AG] verantwoorde omzet door belanghebbende is gerealiseerd en op onzakelijke gronden aan [C AG] is toebedeeld. Onder zakelijke voorwaarden zou belanghebbende, aldus de inspecteur, voorzover diensten door of via [C AG] zouden zijn verricht, daarover afspraken gemaakt hebben, op grond waarvan een beperkte vergoeding of een beperkt gedeelte van de winst aan [C AG] zou zijn toe te rekenen. 4.3. Belanghebbende heeft – kort gezegd – gesteld dat [C AG] een zelfstandig lichaam is dat een reële onderneming dreef en dat er geen reden is op grond waarvan de door haar verant-woorde winst als winst van belanghebbende zou moeten worden beschouwd. Subsidiair heeft belanghebbende gesteld dat indien de winst van [C AG] gedeeltelijk aan belanghebbende toegerekend zou dienen te worden, deze toerekening dan beperkt dient te blijven tot hooguit een bepaald percentage van de materiële ondernemingswinst en dat – indien wordt aangenomen dat tot het bedrag van de aan belanghebbende toegerekende winst vervolgens sprake is van een informele kapitaalstorting in [C AG] – in geen geval rente-inkomsten aan belanghebbende kunnen worden toegerekend. 4.4.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat [C AG] een zelfstandige rechtspersoon is die zelfstandig een onderneming drijft. Het Hof volgt de rechtbank in dit oordeel. 4.4.2. Gelijk de rechtbank heeft overwogen, staat vast dat [Y] in loondienst werkzaam was bij belanghebbende en bij [G BV], en dat hij zich in die hoedanigheid nagenoeg uitsluitend bezig hield met de handel in papier. Vaststaat voorts dat het door [C AG] verant-woorde resultaat (eveneens) voornamelijk bestond uit resultaat dat is behaald met de in- en verkoop van papier. Het Hof acht het op grond van de resultaten van het hiervoor vermelde FIOD-onderzoek aannemelijk dat deze activiteit door [Y] is verricht en dat [Y] bepaalde of een handelstransactie hetzij via [G BV], hetzij via [C AG] zou lopen. Daarbij heeft [Y] – naar het Hof op grond van diverse getuigenverklaringen aannemelijk acht – gebruik gemaakt van dezelfde kantoorruimte en dezelfde telefoonverbinding als waarmee hij zijn (overige) activiteiten in dienst van belanghebbende uitoefende; in dit verband verwijst het Hof onder meer naar de in 2.9 aangehaalde verklaringen en in het bijzonder naar die van [T] en [U], alsmede naar het onder 2.10.5 aangehaalde voorlichtingsrapport. Voorts wijst het Hof erop dat de verklaring van [U] extra gewicht krijgt door hetgeen [AK] en [V] hebben verklaard. [Y] was niet in dienstbetrekking bij [C AG]. Het Hof acht het ook niet aannemelijk dat tussen [Y] en [C AG] overigens een overeenkomst strekkende tot het door [Y] ten behoeve van [C AG] verrichten van diensten heeft bestaan. Evenmin is aannemelijk geworden dat [Y] buiten zijn dienstbetrekking bij belanghebbende/[G BV] nog werkzaamheden op het gebied van de handel in papier verrichtte. Gelet ook mede op de nauwe verwevenheid van diens werkzaamheden ten behoeve van belanghebbende/[G BV] en die waarvan het resultaat aan [C AG] is toegerekend, welke verwevenheid in bijna al de hiervoor vermelde getuigenverklaringen tot uiting komt, acht het Hof het aannemelijk dat [Y] al zijn werkzaamheden op het gebied van de handel in papier – in dienstbetrekking – voor belanghebbende/[G BV] heeft verricht. Dat belanghebbende en [C AG], naar belanghebbende heeft gesteld, voor een deel dezelfde, en voor een deel ook ieder aparte toeleveranciers en afnemers hebben, acht het Hof in zoverre niet aannemelijk althans niet relevant nu [Y] kennelijk – zoals ook hierna nog zal worden overwogen – volledig te zijner discretie bepaalde welke van beide vennootschap-pen wanneer, hoeveel en van wie inkocht/verkocht. 4.4.3. Bij de beoordeling van het onderhavige geval geldt als uitgangspunt dat de winst die is gerealiseerd met de door [Y] verrichte handel in papier, op grond van het hiervoor onder 4.4.2 overwogene als een voordeel verkregen uit de door belanghebbende gedreven onderneming dient te worden aangemerkt (artikel 7 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 respectievelijk artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, beide in samenhang met artikel 8 van de Wet Vpb). Indien dit voordeel niet aan belanghebbende maar aan een verbonden vennootschap wordt toebedeeld – in dit geval: [C AG] – en bij deze laatste wordt verantwoord, laat belanghebbende zich winst ontgaan ten gunste van die verbonden vennootschap. Indien en voor zover daarvoor geen zakelijke redenen bestaan en het ontgaan slechts kan worden verklaard door de aandeelhoudersrelatie – in dit geval: [Y] als (tezamen met zijn echtgenote, voor wat betreft belanghebbende) enig houder van de aandelen in belanghebbende en [C AG] –, kan tevens sprake zijn van een vermomde winstuitdeling (vergelijk HR 25 november 1992, nr. 27.519, BNB 1993/41). Hierna zal het Hof het onderhavige geval nader beoordelen en daarbij in het bijzonder nagaan of en in hoeverre er zakelijke redenen zijn die de door [C AG] gerapporteerde winst kunnen rechtvaardigen. 4.4.4. De onderneming van [C AG] heeft naar het oordeel van het Hof een beperkte functie gehad. Op aanwijzing van [Y] werden papiertransacties door [E] te naam gesteld van [C AG] en werden de desbetreffende betalingen via [C AG] geleid. In dit verband werden ten name van [C AG] ook wel voorraden papier aangehouden (zie ook 4.4.10 hierna) en (krediet)verzekeringsovereenkomsten gesloten. 4.4.5. De activiteiten van [C AG] werden hoofdzakelijk verricht door [E], haar enig werk-nemer. Deze werkzaamheden waren ten opzichte van de door [Y] verrichte werkzaam-heden van louter ondersteunende aard. Het betrof immers hoofdzakelijk (zie de opsomming in het verweerschrift in hoger beroep, pag. 18) administratieve werkzaamheden, zoals facturering en incasso, het verrichten van betalingen, het onderhouden van contacten met [Q] Bank AG te Mainz, het onderhouden van contacten met een locale accountant en het (doen) verzorgen van de belastingaangiften in Zwitserland. Dat [E] daaraan vele uren per jaar zou hebben besteed (belanghebbende stelt: 600 tot 1.000), moge zo zijn, doch dit zegt op zich niets over de aard van de werkzaamheden. Naar mag worden aangenomen verrichtte [E] - als Treuhänderin - vergelijkbare werkzaamheden ook voor andere bedrijven en genoot zij daarvoor op zichzelf reeds een zakelijke vergoeding. Het Hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat in de evenbedoelde opsomming weliswaar ook het onderhouden van contacten met leveranciers, klanten en transporteurs is vermeld, doch uit de onder 2.9 opgenomen verklaringen is af te leiden dat [E] in de praktijk hooguit incidenteel dergelijke contacten had. Dat [E] handelsactiviteiten zou hebben verricht is in ieder geval niet aannemelijk geworden. De werkzaamheden van [E] dienden ertoe om administratief uitvoering en ondersteuning te geven aan transacties die door [Y] waren verricht en waarvan [Y] had bepaald hoe en door wie deze zouden worden uitgevoerd. 4.4.6. Het Hof baseert zijn oordeel omtrent de beperkte functie van de door [C AG] gedreven onderneming en de overheersende rol van [Y] bij het via [C AG] verrichten van in- en verkoop van papier, in het bijzonder op de hiervoor aangehaalde verklaringen van [Y] (2.9.2), [T] (2.9.4), [U] (2.9.5), [AC] (2.9.6), [AD] (2.9.9), [AE] (2.9.10), [AG] (2.9.11), [AS] (2.9.12), [AV] (2.9.13) en [V] (2.9.14). 4.4.7. Van de inhoud van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen wijken de door belangheb-bende overgelegde verklaringen van [S] (2.9.17) en [E] (2.9.19) in enige mate af. [S] heeft in het bijzonder verklaard over de functie van [M-AG]. Deze verklaring is – naar het Hof begrijpt – vooral gebaseerd op een periode (kennelijk: 1989 tot en met 1992) die ruimschoots vooraf gaat aan de periode 1996 en volgende jaren. Het Hof acht deze verklaring derhalve niet dan wel hooguit in beperkte mate representatief voor de functie van [C AG] in de jaren die in geschil zijn. Voor zover uit de verklaring van [E] zou kunnen worden begrepen dat haar taak verder strekte dan zoals hiervoor onder 4.4.5 is omschreven, wijkt deze verklaring af van de onder 4.4.6 vermelde verklaringen. Aan deze (laatste) verklaringen kent het Hof gelet op de aard van die verklaringen een zwaarder gewicht toe. 4.4.8. Belanghebbende heeft gesteld dat (een van) de specifieke functie(
- s)van [C AG] lag(
- en)in het verkrijgen van een hogere kredietlimiet bij papierleveranciers en daarmee van een hogere omzet. Gegeven het onder 4.4.3 geformuleerde uitgangspunt, ligt het op de weg van belang-hebbende – ook als meest gerede partij – om deze stelling aannemelijk te maken. Het Hof acht deze stelling in feitelijke zin niet voldoende onderbouwd. Uit de verklaringen van [AK] en [AJ] volgt immers dat uiteindelijk de garantie van [Y] bepalend was. Het Hof wijst in dit verband mede op de in 2.10.2 vermelde verklaringen. Het Hof acht deze verklaringen, ofschoon zij uit het jaar 2001 dateren, mede relevant voor de daarvóór tussen belanghebbende en de papierleveranciers geldende verhoudingen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat, zoals belanghebbende heeft gesteld, de onder 2.10.2 vermelde verklaringen mogelijk mede hun oorzaak hebben gevonden in het faillissement van een grote Duitse afnemer in 2000. In dat opzicht is het goed denkbaar dat de kwestie van de kredietlimiet, naar het Hof begrijpt uit de verklaringen van [T] en [U], in eerdere jaren (nog) geen, althans niet een pregnante rol speelde, ook omdat de desbetreffende leverancier daar niet zo precies in was ([T]) en omdat ‘[Y] zijn betalingen goed regelde’ ([U]). Van belang is voorts dat [AJ] heeft verklaard dat voor belanghebbende en [C AG] één limiet gold en dat de verantwoordelijkheid hiervoor in Nederland lag. Belanghebbende heeft weliswaar kritische kanttekeningen geplaatst bij de verklaringen van [T] en [V], maar daarmee heeft zij niet in positieve zin bewijs voor haar stelling geleverd, nog afgezien ervan, dat die kanttekeningen slechts in beperkte mate aan voormelde verklaringen afdoen. De verklaring van [S] van [O], tenslotte, dat de kredietlimiet van [G BV] was bereikt en dat [G BV] te groot was als afnemer in één land, ziet op een eerdere periode en is te weinig concreet om de overige verklaringen op dit punt te ontkrachten. Het Hof concludeert derhalve dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bereiken van een hogere kredietlimiet bij de papierleveranciers (een van) de wezenlijke functie(
- s)is geweest bij de oprichting en inschakeling van [C AG]. 4.4.9. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat een tweede reden voor de oprichting en inschakeling van [C AG] kan worden gevonden in het door belanghebbende en [C AG] afzonderlijk kunnen aangaan van kredietverzekeringen, hetgeen heeft geleid tot een verhoging van de omzet doordat het afnemers in staat stelde een hogere kredietlimiet te bereiken. Gelet op het onder 4.4.3 geformuleerde uitgangspunt en belanghebbende aanmerkend als meest gerede partij, rust ook met betrekking tot deze stelling de bewijslast op belanghebbende. Uit de verklaringen van [AG], [AS] en [AV] blijkt dat het voor deze afnemers er niet toe deed bij wie zij bestelden; zij bestelden bij [Y] en – zo begrijpt het Hof – zagen dan wel of er geleverd werd via belanghebbende dan wel via [C AG]. Dat kredietlimieten daarbij een rol speelden is niet uit die verklaringen af te leiden. De verklaring van [AN] vormt hierop een uitzondering voor zover deze inhoudt dat de kredietlimieten van [AM] door de inkoop via [C AG] werden verdubbeld. Daar staat echter tegenover dat ook [AN] heeft verklaard bij [Y] te bestellen en niet te weten van welk bedrijf geleverd werd. Bovendien heeft [AN] zijn verklaring gerelativeerd door te kennen te geven dat van de totale papierbehoefte van [AM] - slechts - 6% bij [G BV] en [C AG] werd ingekocht. Op grond van deze verklaringen acht het Hof het niet aannemelijk dat de (eventuele) mogelijkheid om door middel van bestellingen via [C AG] een hogere omzet te bewerkstelli-gen voor de afnemers (wezenlijk) van belang was. Uit de verklaringen van de cliënten van belanghebbende en [C AG] volgt niet of hooguit in zeer beperkte mate dat de omstandigheid dat kredietrisico’s door zowel NMB [Q] als [Q] Bank AG te Mainz konden worden verzekerd, een rol speelde. In dit opzicht is de gang van zaken bij NMB [Q] en [Q] Bank AG van ondergeschikte betekenis. Daar komt bij dat de mogelijkheid om door het gebruik van meerdere kredietverzekeraars een hogere omzet te genereren is weersproken in de verklaring van [AR]. Het Hof ziet de verklaring van [AR] bevestigd in de garanties die [Y] aan [Q] Bank AG heeft afgegeven, als vermeld onder 2.10.1. Hierin komt tot uiting dat de krediet-verzekeraar een ‘totaalbenadering’ volgt. In het onderhavige geval is dat temeer aannemelijk, omdat, zoals blijkt uit de verklaring van [R], [C AG] op verzoek van [Y] bij [Q] Bank AG terecht is gekomen. [R] verklaarde in dit verband weliswaar dat de twee zelfstandige kredietlimieten van [C AG] en [G BV] ter zake van een bepaalde afnemer mogelijk per saldo hoger waren dan de toepasselijke individuele limiet van [G BV], doch diens verklaring is in zoverre tegenstrijdig dat daarin tevens te kennen is gegeven dat “de kredietwaardigheid van een afnemer niet wijzigt doordat er twee leveranciers zijn”. Het Hof acht het – dan ook – niet zonder meer aannemelijk dat afnemers van [G BV] met behulp van de factoring door [C AG] een hogere kredietlimiet konden bereiken en evenmin, dat [C AG] ook zonder de garantie van [Y] überhaupt tot factoring via [Q] Bank AG in staat zou zijn geweest. Wat betreft het aanbod van belanghebbende om nog getuigen te horen (pag. 33, derde alinea, verweerschrift in hoger beroep) begrijpt het Hof dat dit aanbod de vraag betreft in hoeverre [Y] zich ten behoeve van [C AG] jegens [Q] Bank AG garant heeft gesteld. Op dit punt gaat het Hof ervan uit dat [Y] zich – zoals belanghebbende in het kader van haar bewijsaanbod heeft gesteld – voor nakoming van de desbetreffende factoringsovereenkomst garant heeft verklaard en dat deze garantstelling niet mede de betaling van facturen betreft. Nu het Hof uitgaat van hetgeen belanghebbende met haar aanbod wenst te bewijzen, is het aan inwilliging van het aanbod op de voet van artikel 8:60, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voorbij gegaan. Overigens heeft belanghebbende op de voet van artikel 8:60, vierde lid, Awb voldoende gelegenheid gehad om getuigen naar (een van) de zitting(
- en)mee te brengen. Al met al is belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat het door belanghebbende en [C AG] afzonderlijk kunnen aangaan van kredietver-zekeringen als zodanig heeft geleid althans heeft kunnen leiden tot een verhoging van de omzet. Ook als ervan wordt uitgegaan dat de kwestie van de kredietlimieten betekenis heeft gehad, dan acht het Hof het niet aannemelijk dat dit punt voor het inschakelen van [C AG] van meer dan (zeer) ondergeschikte betekenis is geweest. 4.4.10. Belanghebbende heeft gesteld dat [C AG] onder meer een functie vervulde doordat zij voorraad- en debiteurenrisico droeg. In dit verband heeft de inspecteur gesteld dat de voorraad van [C AG] op balansdatum meestal nihil was. Namens belanghebbende is gesteld dat de jaarrekeningen een momentopname zijn en dat er ultimo 1998, 2001 en 2002 voorraad op de balans stond. Het Hof heeft geconstateerd (zie de tot de stukken behorende kopieën van jaarstukken van [C AG] over de periode 1996 – 2002, bijlagen CvR in eerste aanleg) dat die stelling op zich juist is. Echter, dat er fysiek leveringen via Zwitserland zijn gelopen is daarmee naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk geworden. Ter zitting van 29 oktober 2008 heeft [Y] in dit verband verklaard dat [C AG] gebruik maakte van dezelfde opslagcapaciteiten, in [AZ] (Duitsland) en [BA] (België), als waarvan [G BV] gebruik maakte. Voor zover sprake zou zijn geweest van eigen voorraden van [C AG], vloeit dit (naar het Hof begrijpt) voort uit het ‘op papier’ via [C AG] laten verlopen van de door [Y] verrichte transacties. Nu deze transacties door [Y] zijn verricht en het uit hoofde daarvan gerealiseerde resultaat – in beginsel – als een voordeel uit de door belanghebbende gedreven onderneming moet worden beschouwd, geldt dit laatste naar het oordeel van het Hof ook voor de resultaten die rechtstreeks met die door [Y] verrichte transacties samenhingen en die qua aard, oorzaak en/of omvang van die transacties afhanke-lijk waren, zoals resultaat uit hoofde van voorraad- en/of debiteurenrisico. Die afhankelijkheid betreft niet alleen de omvang en de prijs van de verrichte transacties, maar – naar het Hof aannemelijk acht – ook de selectie van de wederpartij, de timing van in- en verkooptransacties en de (wijze van) transport, levering en opslag. Deze factoren zijn naar het oordeel van het Hof rechtstreeks van invloed op een eventueel voorraad- en/of debiteurenrisico. In dit verband wijst het Hof erop dat [Y] – zoals onder meer blijkt uit de verklaringen van [AE] en [AG] – ook de beslissingen betreffende het transport, de (formele en feitelijke) levering en de opslag van het papier nam. Alles liep (ook in dit opzicht) via [Y], zoals [AS] heeft verklaard. Het kwam hierbij voor – naar het Hof uit de verklaring van [AE] begrijpt – dat ‘op papier’ naar Zwitserland werd geleverd, terwijl de vracht in feite naar een afnemer in [AU] ging. De formele levering werd dan ‘geneutraliseerd’ door een tweede vrachtbrief op te maken volgens welke de vracht van Zwitserland naar [AU] werd geleverd. De connectie met Zwitserland was aldus kennelijk slechts een kwestie van vormgeving. 4.4.11. Ook de omstandigheid dat [C AG] een functie heeft gehad in – naar het Hof begrijpt en aannemelijk acht – de betaling van retourcommissies en in zoverre mogelijk heeft bijgedragen tot extra omzet die via [G BV] niet gerealiseerd had kunnen worden, rechtvaardigt niet dat het resultaat op de met die retourcommissies verband houdende omzet als winst van [C AG] zou moeten worden beschouwd. Ook in dit opzicht geldt immers dat het hier in wezen werkzaamheden van [Y] betrof. Dat de te dezen door [C AG] aan belanghebbende verrichte dienst mogelijk (mede) ertoe heeft geleid dat de afnemers die de retourcommissies hebben bedongen via [Y] papier zijn gaan of blijven betrekken, heeft er hooguit toe te leiden dat op die grond sprake kan zijn van een aan [C AG] toekomende beloning (service fee). Die beloning acht het Hof echter in de (hoogte van
- de)in 4.4.16 hierna te bepalen vergoeding voldoende verrekend. 4.4.12. Belanghebbende heeft ook nog gewezen op een specifieke Duitse afnemer van [C AG] die het voordeel had dat zij op de [Q] Bankrekening van [C AG] in Duitse marken kon betalen (verweerschrift in hoger beroep, blz. 36). Voorzover belanghebbende heeft bedoeld dat dit (het aanhouden van een Duitse-markenrekening) een specifieke functie van [C AG] inhoudt, vermag het Hof dit niet in te zien. Aangenomen mag immers worden dat ook belanghebbende ten behoeve van één of meer Duitse afnemers een Duitse bankrekening zou hebben kunnen aanhouden. 4.4.13. Belanghebbende ziet de activiteiten van [C AG] als een voortzetting van die van [M-AG]. In dat verband heeft zij in het bijzonder verwezen naar hetgeen [S] heeft verklaard. Uit deze verklaring is naar ’s Hofs oordeel echter niet zonder meer af te leiden dat de omstandigheden die ten tijde van de oprichting van [M-AG] een rol speelden ook in de onderhavige jaren nog aanwezig waren. Het Hof acht zulks ook niet bij voorbaat aannemelijk. Tevens staat vast dat [M-AG] een (middellijke) dochtervennootschap was van belanghebbende, terwijl de aandelen in [C AG] rechtreeks in bezit waren van [Y] en zijn echtgenote, alsmede dat [Y] daarvan in zijn belastingaangiften geen melding heeft gemaakt. Tijdens het eerste verhoor van [Y] door de FIOD werd dat bezit nog ontkend. Dit een en ander wekt de indruk dat het ontduiken van belastingen een motief voor de inschakeling van [C AG] is geweest. Bezien in samenhang en onderling verband met hetgeen onder 4.4.8 en 4.4.9 is overwogen, lijkt deze indruk het gestelde motief van het bereiken van een hogere omzet in de schaduw te stellen, wat er verder mag zijn van de functie die [M-AG] heeft gehad. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld een beroep te doen op het vertrouwens- en/of het gelijkheidsbeginsel, omdat de inspecteur zich met de situatie ten tijde van het bestaan van [M-AG] akkoord zou hebben verklaard, ziet het Hof daarvoor onvoldoende feitelijke grond. Weliswaar was de Belastingdienst met het bestaan van [M-AG] bekend, maar – zoals de inspecteur heeft gesteld – het Hof acht het mede op grond van het onder 2.10.4 vermelde controlerapport niet aannemelijk dat de feitelijke activiteiten van [M-AG] in relatie tot belanghebbende zijn onderzocht en is van oordeel dat die activiteiten de inspecteur destijds ook niet redelijkerwijs bekend hadden behoren te zijn. Dat in verband met de liquidatie van [M-AG] kennelijk een zogeheten woonplaatsverklaring is verstrekt maakt dat niet anders. In dit opzicht verschilt de situatie bij [M-AG] dan ook van die bij [C AG], althans nu de inspecteur ter zake van de laatstgenoemde op de hoogte is geraakt van de feitelijke situatie, terwijl dat ten aanzien van [M-AG] niet het geval is, ervan uitgaande dat de feitelijke situatie in relatie tot [M-AG] dezelfde zou zijn geweest. Op deze grond wijst het Hof het beroep op het bestuursrechtelijke vertrouwensbeginsel- en/of het gelijkheidsbeginsel af. 4.4.14. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank, door – ter zake van door ([Y] namens) belanghebbende ten behoeve van [C AG] verrichte diensten – aan belanghebbende een vergoeding van f 150.000 toe te rekenen, de functie van de activiteiten van de door [C AG] gedreven onderneming – beoordeeld naar de aard en omvang daarvan – niet op een juiste wijze verrekend. De omstandigheid dat [E] als directeur van [C AG] op instigatie van [Y] door hem aan [C AG] toegewezen handelstransacties is gaan factureren en daarvoor betalingen en overige administratieve werkzaamheden heeft verricht, rechtvaardigt niet dat uit hoofde van die transacties enig gerealiseerd handelsresultaat als zodanig tot de winst van [C AG] wordt gerekend. 4.4.15. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen dient het resultaat uit hoofde van de door [Y] verrichte handelsactiviteiten, ook waar het transacties betreft waarvan de formele levering alsmede de facturering en betaling via [C AG] zijn geleid, als een resultaat van de door belanghebbende gedreven onderneming te worden aangemerkt. Door dat resul-taat aan [C AG] toe te rekenen is de desbetreffende winst aan belanghebbende onttrokken. Het Hof acht het aannemelijk dat de toerekening van dit resultaat aan [C AG] niet op zakelijke gronden berustte, maar is ingegeven door het belang van [Y], als – tezamen met zijn echtgenote – enig aandeelhouder van belanghebbende en als enig aandeelhouder van [C AG], bij het buiten de Nederlandse belastingheffing brengen van een (groot) deel van het door belanghebbende behaalde resultaat. 4.4.16. Het vorenoverwogene wil niet zeggen dat aan [C AG] ter zake van de specifieke door haar verrichte ondernemingsactiviteiten geen resultaat toekomt. Echter, het resultaat van de onderneming van [C AG] kan – uitgaande van zakelijke verhoudingen – niet groter zijn dan hetgeen voortvloeit uit de aard en omvang van haar eigen werkzaamheden. Voor die werk-zaamheden zijn de door [Y] verrichte handelstransacties een gegeven, ter zake waarvan zij ([C AG]) niet of nauwelijks enig risico loopt. [C AG] heeft in relatie tot die transacties, en al dan niet in samenhang met daarbij door [E] betrokken derden, ondersteunende werkzaam-heden verricht van financiële en administratieve aard. In een situatie als de onderhavige behoort aan [C AG] derhalve niet een winst te worden toegerekend die is gerelateerd aan de via haar gefactureerde omzet, maar winst die is gerelateerd aan de kosten van haar activitei-ten. Het aan [C AG] uit hoofde van haar eigen ondernemingsactiviteiten toe te rekenen resultaat dient in beginsel te worden gesteld op de beloning die in zakelijke verhoudingen aan ondersteunende werkzaamheden dient te worden toegerekend. Nu de stukken weinig aanknopingspunten bieden voor de bepaling van de juiste hoogte van de aldus aan [C AG] toe te rekenen winst, bepaalt het Hof deze, rekening houdend met hetgeen hiervoor omtrent de functie van [C AG] is overwogen, in goede justitie op 15% van de kosten van [C AG]. Bij de bepaling van het door belanghebbende uit hoofde van de via [C AG] geleide handelstransacties behaalde resultaat dient derhalve ervan te worden uitgegaan dat aan [C AG] een op ‘cost-plus-15’ bepaalde winst toekomt welke – bij wijze van service fee – in mindering op dat resultaat van belanghebbende dient te worden gebracht. 4.4.17. Bij brieven van het Hof van 19 maart 2009 is partijen verzocht zich nader over de bij toepassing van een dergelijk cost-plus-resultaat van [C AG] in aanmerking te nemen elementen (kosten) uit te laten. Na de nadere zitting van 16 september 2009 heeft het Hof zich bij brief van 1 december 2009 in voorlopige zin nader over de berekening van het cost-plus-resultaat van [C AG] uitgesproken. In deze brief is onder meer het volgende vermeld: “1. De herallocatie van het resultaat van[C AG] aan [Y] B.V. (hierna: [belanghebbende]; met [belanghebbende] wordt mede gedoeld op de met haar op de voet van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 gevoegde vennootschappen). Uitgangspunt is hier het voorlopig oordeel van 19 maart 2009 (hierna: het voorlopig oordeel). In de reacties op deze brief hebben partijen enkele nadere beslispunten aangedragen: 1.a. De rente-inkomsten van [C AG] Het betreft rente-inkomsten uit hoofde van deposito’s die niet samenhangen met de handels-activiteiten maar die voortkomen uit het in de loop der jaren in [C AG] gevormde eigen vermogen (zie de brief van gemachtigde van 28 april 2009, pag. 3, onderdeel c), ook wel genoemd de ‘autonome winst (…) op de door [Y] gestorte bedragen’ (pleitnota belanghebbende zitting 16 september 2009, pag. 5). Namens [belanghebbende] heeft gemachtigde gesteld dat deze inkomsten, ook indien wordt uitgegaan van het voorlopig oordeel, tot het resultaat van [C AG] gerekend dienen te worden. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat hij zich met het standpunt van gemachtigde kan verenigen en dat hij hieraan – anders dan in zijn pleitnota is vermeld – niet als voorwaarde verbindt dat ‘ook de rentebetalingen en de koersverliezen in de berekeningen niet aan Nederland toegerekend worden’. Het Hof ziet geen reden om het standpunt van partijen niet te volgen. 1.b. De Zwitserse belasting Het betreft hier de door Zwitserland van [C AG] over de aldaar behaalde winst geheven belasting. Namens [belanghebbende] is gesteld dat het aan haar te heralloceren resultaat met de daarmee verband houdende Zwitserse belasting moet worden verminderd. De inspecteur heeft gesteld dat deze belastingen niet verschuldigd zouden zijn geweest, indien belanghebbende geen resultaat in Zwitserland zou hebben doen neerslaan (pleitnota zitting 16 september 2009). Ter zitting hebben partijen zich ermee akkoord verklaard dat de ten name van [C AG] in Zwitserland geheven belasting als kosten op pro rata basis aan hetzij het aan [belanghebbende] te heralloceren resultaat, hetzij het aan [C AG] te alloceren resultaat wordt toegerekend. Het Hof stelt vast dat partijen op dit onderdeel van het geschil overeenstemming hebben bereikt en zal zich daarbij aansluiten. 1.c. Over welke kosten wordt het op ‘cost plus’-basis aan [C AG] toe te rekenen resultaat berekend. Namens [belanghebbende] is gesteld dat tot de grondslag voor de ‘plus’ ook de door [C AG] betaalde factoringskosten en de kosten Versicherung Lager moeten worden gerekend. [C AG] had een eigen magazijn voor de opslag van papier en verzekerde dat opgeslagen papier zelf, aldus [belanghebbende]. De inspecteur heeft gesteld dat het hier kosten betreft die direct aan de omzet verbonden zijn. Voorts heeft de inspecteur gesteld dat de post factoringskosten in het jaarverslag van [C AG] niet voorkomt en dat onduidelijk is wie deze kosten heeft betaald. Indien en voorzover aannemelijk is te achten dat factoringskosten en/of kosten Versicherung Lager door [C AG] in aanmerking zijn genomen, volgt het Hof de stelling van de inspecteur dat deze kosten naar hun aard zozeer samenhangen met het aan [belanghebbende] toe te rekenen handelsresultaat, dat deze niet (tevens) als grondslag voor de ‘plus’ in aanmerking kunnen worden genomen. Overigens komt het het Hof voor dat een dergelijke benadering (voor fiscale doeleinden) gunstiger is voor [belanghebbende], dan wanneer de evenvermelde kosten als kosten van [C AG] zouden hebben te gelden en daarover een ‘plus’ zou worden berekend. 1.d. In de brief van het Hof van 19 maart 2009 is vermeld dat het Hof een vergoeding van 15% over de kosten van [C AG], gelet op de aard en omvang van haar activiteiten, als een voldoende (zakelijke) beloning daarvoor beschouwt. Het Hof ziet in de uitkomsten van het onderzoek dat is gevolgd op voormelde brief geen reden om de hoogte van de ‘plus’ in goede justitie op een ander percentage te bepalen. De stelling in dit verband dat [C AG] ter zake van het verhandelde dan wel opgeslagen papier een eigen debiteurenrisico liep en een zelfstandige voorraadfunctie had – wat daarvan overigen mag zijn –, en dat die activiteiten een ‘plus’ van 20% zouden rechtvaardigen, verwerpt het Hof, nu naar zijn oordeel dit risico en die functie naar aard en karakter rechtstreeks met de aan [belanghebbende] toe te rekenen handelsactiviteiten samenhangen.” Het Hof blijft in deze einduitspraak bij zijn hiervoor aangehaalde (voorlopige) oordelen. 4.4.18. Bij brieven van 19 februari 2010 hebben partijen gereageerd met een cijfermatige uitwerking van de door het Hof geformuleerde uitgangspunten. Daarbij heeft belangheb-bende twee berekeningen gevoegd, welke als volgt zijn toegelicht: “Versie I en II In versie I wordt uitgegaan van een costplus van 15% waarbij de Factoringskosten en de [Versicherung Lager], in tegenstelling tot versie II, niet in de berekening van de cost-plus zijn meegenomen. Zoals besproken tijdens de zitting van 16 september 2009 stelt belanghebbende zich echter op het standpunt dat [C AG] [Factoringskosten] en de kosten [Versicherung Lager] heeft gemaakt en deze zelfstandige kosten dan ook in de berekening van de cost-plus moeten worden meegenomen. Versie II is (…) dan ook de (…) juiste berekening.” Het Hof zal op de gronden die zijn vermeld in onderdeel 1c van de brief van 19 maart 2009 in samenhang met hetgeen is vermeld in onderdeel 4.4.10 van deze uitspraak, uitgaan van versie I van belanghebbende. Deze berekening komt uit op dezelfde over de jaren 2000 en 2001 in aanmerking te nemen winstbijtellingen als zijn berekend door de inspecteur, te weten f 263.469 (€ 119.557) voor het jaar 2000 en f 499.655 (€ 226.733) voor het jaar 2001. Incidenteel appel 4.5.1. Door middel van incidenteel appel heeft belanghebbende zich gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat aan belanghebbende op grond van door [Y] ten behoeve van [C AG] verrichte diensten een vergoeding toekwam. Belanghebbende stelt in dat verband (en naar het Hof begrijpt) dat [Y] zijn werkzaamheden ten behoeve van [C AG] noch in dienst van belanghebbende, noch in dienst van [C AG] heeft verricht, maar als het ware ‘op eigen houtje’ en met voor hem als beloning een voordeel in de vorm van een waardestijging van diens aandelen in [C AG]. Ter ondersteuning hiervan heeft belanghebbende gesteld dat [C AG] eigen relaties had en dat [Y] geen gebruik heeft gemaakt van faciliteiten van belanghebbende. Dit laatste acht het Hof op grond van de diverse getuigenverklaringen over de wijze waarop [Y] zijn werkzaamheden had ingericht, niet aannemelijk. Ook de aanwezigheid van ‘eigen relaties’ van [C AG] acht het Hof niet aannemelijk, omdat de via [C AG] geleide papiertransacties, zoals hiervoor is overwogen, steeds door [Y] zijn verricht. 4.5.2. Het Hof verwerpt het incidenteel hoger beroep, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, en in het bijzonder omdat het Hof aannemelijk acht dat [Y] al diens activiteiten op het gebied van de handel in papier in het kader van de door belanghebbende gedreven onderneming heeft verricht. De [B] 4.6.1. Voor wat betreft de vraag of de verkoop van de opstal ‘de [B]’ door [Y] aan belanghebbende heeft geleid tot een onttrekking van winst aan het vermogen van belanghebbende en belanghebbende in dat kader bewust een voordeel aan haar enig aandeelhouder heeft willen doen toekomen, heeft de rechtbank als volgt geoordeeld: “4.1.2. Vast staat dat [Y] voor de verkoop eerst een eigen taxatie heeft laten verrichten. Deze deskundige kende per 10 mei 2000 aan [B] een waarde toe van f 450.000 en de [B] is tegen deze waarde overgedragen. Ook ten behoeve van verweerder is een taxatie verricht. Deze ambtelijke taxatie mondde uit in een waarde van f 250.000. Er zou nader contact tussen beide waardedeskundigen zijn geweest maar klaarblijkelijk heeft dit niet geleid tot een aanpassing van de uitkomsten van de taxaties. Bij schrijven van 24 mei 2006 is de door verweerder gestelde waarde nader onderbouwd. 4.1.3. De rechtbank is van oordeel dat er in beginsel van moet worden uitgegaan dat [belanghebbende] de [B] voor een zakelijke prijs heeft willen verwerven. Immers de directeur van [belanghebbende] heeft de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik tevoren door een deskundige laten vaststellen en de [B] is ook tegen deze waarde overgedragen. Dat de beide taxaties sterk verschillende uitkomsten laten zien maakt dat niet anders, nu de rechtbank uit de desbetreffende schriftelijke stukken en hetgeen door partijen dienaangaande over en weer is aangevoerd niet de gevolgtrekking kan verbinden dat de taxatie die ten behoeve van [belanghebbende] is verricht op een te hoog bedrag uitkomt. De slotsom is dat de rechtbank het niet aannemelijk acht dat [belanghebbende] haar aandeelhouder ter zake van de aankoop van de [B] bewust een voordeel heeft willen doen toekomen.” 4.6.2. In hoger beroep heeft de inspecteur – kort samengevat – gesteld dat partijen geweten moeten hebben dat de taxatie van [BB] veel te hoog was en dat [Y] als gevolg daarvan op onzakelijke gronden door belanghebbende is bevoordeeld. Belanghebbende stelt zich daarentegen op het standpunt dat niet onzakelijk is gehandeld. 4.6.3. In de brieven van het Hof van 1 december 2009 is over de verkoop van de [B] het volgende vermeld: “6. De kwestie de [B] 6.1. Met betrekking tot de kwestie [B] verwijst het Hof naar de feiten als vermeld in onderdeel 2.2.1 tot en met 2.2.6 in de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 25 mei 2007, AWB/2562 en 05/2563, inzake de aanslagen vennootschapsbelasting 2000 en 2001 ten name van [Y] BV. (…) 6.3. In haar uitspraak van 25 mei 2007, AWB 05/2564 t/m 05/2567, inzake – onder meer – de aanslagen inkomstenbelasting 2000 en 2001, heeft de rechtbank met betrekking tot de vraag of de vervreemding van de [B] door [Y] aan [belanghebbende] tot een uitdeling van winst heeft geleid, verwezen naar haar uitspraak van dezelfde datum betref-fende de vennootschapsbelasting, als hiervoor vermeld. 6.4. De inspecteur is tegen de onder 6.1 vermelde uitspraak in hoger beroep gegaan en heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de ten behoeve van [Y] door [BB] verrichte taxatie diverse gebreken vertoont. Verwezen wordt naar de brief van de inspecteur van 26 juli 2007 (pag. 8), alsmede naar hetgeen hieromtrent nader door partijen is aangevoerd. 6.5. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de door [BB] getaxeerde waarde (in substantiële mate) afwijkt van de destijds objectief in aanmerking te nemen waarde in het economische verkeer van de [B], is het Hof van oordeel dat de inspecteur niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat [Y] redelijkerwijs heeft moeten beseffen dat de taxatie van [BB] onjuist was en dat aan het gebruik van deze taxatie in het kader van de verkoop van de [B] aan [belanghebbende] een bevoordelingsbedoeling ten grondslag heeft gelegen. In dit verband kent het Hof in het bijzonder betekenis toe aan de omstandigheid dát [Y] in het kader van deze transactie de [B] heeft laten taxeren en dat dit, wat er ook mag zijn van de door de inspecteur tegen de taxatie van [BB] aangevoerde bezwaren, is geschied door een – naar het Hof aannemelijk acht – ter plaatse deskundig te achten en ervaren taxateur. Dat er sprake zou zijn geweest van een ‘opzetje’ tussen de taxateur en [Y] is niet aannemelijk geworden. 6.6. Het Hof gaat er, in navolging van partijen, van uit dat de overeenkomst tot verkoop van de [B] in het jaar 2000 tot stand is gekomen en dat de [B] ook in dat jaar in economische zin aan [belanghebbende] is overgedragen. Mitsdien moeten naar het oordeel van het Hof vanaf dat jaar de baten en lasten van die onroerende zaak bij [belanghebbende] in aanmerking worden genomen. Hiervan uitgaande zijn partijen het ter zitting van 16 september 2009 erover eens geworden dat bij [belanghebbende] ter zake van de [B] in het jaar 2000 nog een (extra) last als afschrijving ter grootte van f 7.000 in aanmerking moet worden genomen. Het Hof ziet geen reden partijen hierin niet te volgen. 6.7. Partijen hebben ter zitting gezamenlijk verklaard dat in de inkomstenbelasting (ten name van [Y]) noch in de vennootschapsbelasting (ten name van [belanghebbende]) ter zake van de [B] overigens nog correcties dienen te worden aangebracht (zie ook 9.1).” Het Hof handhaaft zijn (voorlopige) oordeel in de brieven van 1 december 2009. Met dit oordeel is in nadien door partijen toegezonden cijfermatige uitwerkingen rekening gehouden. De boete 4.7. Met betrekking tot de gelijktijdig met de onderhavige aanslagen vennootschapsbelasting opgelegde boeten heeft de inspecteur ter zitting van 16 september 2009 het volgende verklaard: “U houdt mij voor dat ik op alle verweren van belanghebbende geen reactie heb gegeven. Ik ben er inderdaad niet meer op ingegaan. De boetes die zijn opgelegd bij de aanslagen vennootschapsbelasting 2000 en 2001 laat ik vervallen omdat jegens de vennootschap strafrechtelijke vervolging heeft plaatsgevonden.” Dit betekent dat deze ten name van belanghebbende vastgestelde boetebeschikkingen zullen worden vernietigd. Slotsom 4.8. De slotsom is dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, dat voor de jaren 2000 en 2001 de aanslagen moeten worden verminderd tot aanslagen berekend naar belastbare bedragen van respectievelijk f 815.898 (= f 552.429 cf. aangifte + f 263.469 correctie) en f 1.006.191 (= f 506.536 cf. aangifte + f 499.655 correctie), en dat de gelijktijdig opgelegde boetebeschikkingen moeten worden vernietigd. 5. Kosten 5.1. Kosten van bezwaar Belanghebbende heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vergoeding van de kosten van de bezwaarfase. Op grond van artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden de kosten van de bezwaarfase uitsluitend vergoed, indien daarom is verzocht voordat op het bezwaar is beslist. Aan deze voorwaarde is – zoals ook belanghebbende in zijn brief van 3 november 2009 heeft erkend – in het onderhavige geval niet voldaan, zodat belanghebbende niet in aanmerking komt voor vergoeding van de kosten van bezwaar. 5.2. Kosten van beroep en hoger beroep Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de kosten van beroep en van hoger beroep. Het Hof stelt de kosten van het beroep op de voet van artikel 8:75 van de Awb vast op € 1.449 (= 3 proceshandelingen x 1,5 zwaarte van de zaak x € 322 waarde per punt x 1 samenhangende zaken), en stelt die van het hoger beroep vast op € 2.173,50 (= 4,5 proceshandelingen x 1,5 zwaarte van de zaak x € 322 waarde per punt x 1 samenhangende zaken). Voor zover belanghebbende gesteld heeft dat (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) de werkelijke kosten dienen te worden vergoed ziet het Hof daarvoor geen grond, met uitzonde-ring van het (hoger) beroep betreffende de boetes. Gelet op het verweer dat de inspecteur op dit punt heeft gevoerd en het uiteindelijke verval van de boetes is naar ’s Hofs oordeel sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskos-ten bestuursrecht en acht het Hof met betrekking tot dit onderdeel van de procedures een vergoeding van de werkelijke kosten gerechtvaardigd. Aangezien de hoogte van deze kosten niet (zonder meer) is af te leiden uit de gedingstukken en de inspecteur de gelegenheid dient te hebben zich daarover nog afzonderlijk uit te laten, zal het Hof de zaak in zoverre aanhouden en daartoe het onderzoek heropenen. 6. Beslissing Het Hof: - vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens voorzover deze de vergoeding van het griffierecht betreft; - vernietigt de uitspraken op bezwaar; - vermindert de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2000 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van f 815.898; - vermindert de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2001 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van f 1.006.191; - vernietigd de gelijktijdig met de aanslagen vennootschapsbelasting 2000 en 2001 opgelegde boetebeschikkingen; - veroordeelt de inspecteur in de kosten van het beroep en het verweer in hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van in totaal € 3.622,50, en behoudens de werkelijke kosten in beroep en in hoger beroep die verband houden met de uitspraken op bezwaar tegen de boetebeschikkingen; - heropent het onderzoek, ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de hoogte van de proceskostenvergoeding op de voet van artikel 8:75 Awb betreffende de boetebeschikkingen, en - stelt belanghebbende in de gelegenheid zich binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak uit te laten omtrent de omvang van de hiervoor bedoelde proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, J. den Boer en E.F. Faase, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J.H.M. Milder-Wolbers, als griffier. De beslissing is op 6 januari 2011 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.