GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerken P09/00164 en 09/00165 17 februari 2011 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X BV], gevestigd te [Z], belanghebbende, alsmede op het incidentele hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland/kantoor Arnhem, de inspecteur, tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken AWB 08/2499 en 08/2501 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende met nummer 0089.34.149.3013501 en dagtekening 26 april 2005 over het tijdvak van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2003 een naheffingsaanslag afvalstoffenbelasting opgelegd ten bedrage van € 2.658.344. Gelijktijdig met deze naheffingsaanslag is bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 644.586. 1.1.2. De inspecteur heeft aan belanghebbende met nummer 0089.34.149.3014500 en dagtekening 25 juli 2005 over het tijdvak van 1 januari tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag afvalstoffenbelasting opgelegd ten bedrage van € 3.457.145. 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken, gedagtekend 21 januari 2008, de naheffingsaanslagen en de vergrijpboete gehandhaafd. 1.3. Bij uitspraak van 20 januari 2009, heeft de rechtbank de door belanghebbende ingestelde beroepen tegen de naheffingsaanslagen ongegrond verklaard, het beroep tegen de vergrijpboete gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar ter zake van de vergrijpboete vernietigd en de vergrijpboete verminderd tot een bedrag van € 300.000. Voorts heeft de rechtbank de inspecteur veroordeeld in de proceskosten in de zaak met het rechtbankkenmerk AWB 08/2501 en bepaald dat het door belanghebbende in die zaak betaalde griffierecht aan haar moet worden vergoed. 1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen bij faxbericht van 2 maart 2009. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en bij geschrift van dezelfde datum incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord bij brief van 22 juli 2009. 1.5. Van belanghebbende is een nader stuk ontvangen op 28 januari 2011, hetgeen in afschrift is verstrekt aan de wederpartij. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2011. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2. Feiten 2.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de inspecteur als verweerder. “2.1. In 1991 heeft eiseres in eigendom verkregen de voormalige stortplaats [X] te [Y] (hierna ook: de voormalige stortplaats). Het betreft een terrein van ongeveer 15 hectare waarop over een oppervlakte van 12 hectare in de jaren 1965 tot en met 1985 circa 500.000 m³ afval van diverse samenstelling is gestort. 2.2. Eiseres heeft op 4 maart 1994 bij Gedeputeerde Staten van de provincie […] (hierna: GS) een aanvraag ingediend voor een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer (hierna: Wm) voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het milieuhygiënisch afwerken van de voormalige stortplaats. 2.3. Bij besluit van 27 februari 1995 hebben GS eiseres de vergunning verleend met als voorwaarde dat de stortplaats wordt afgedicht met een combinatie-afdichtingslaag conform de “isoleren, beheersen en controleren”-criteria van het Stortbesluit bodembescherming. 2.4. Bij uitspraak van 17 juni 1996 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de hiervoor genoemde vergunning vernietigd. GS hebben vervolgens de milieuhygiënische afwerking van de stortplaats door eiseres gedoogd. 2.5. Bij besluit van 23 juli 1998 hebben GS opnieuw aan eiseres, op haar verzoek, vergunning verleend en wel voor een termijn van 4 jaar tot uiterlijk 31 augustus 2001. Omdat deze termijn niet haalbaar bleek, heeft eiseres een revisievergunning aangevraagd. Op 3 augustus 2001 hebben GS vergunning verleend voor het oprichten dan wel in werking hebben van een inrichting voor het milieuhygiënisch afwerken c.q. saneren van de voormalige stortplaats voor een termijn van 4 jaar tot uiterlijk 31 augustus 2006. 2.6. Op het terrein van de voormalige stortplaats bevindt zich een weeggebouw met weegbrug. In het weeggebouw worden met behulp van de weegbrug de door derden ter verwerking afgegeven hoeveelheden reststoffen op hun samenstelling gecontroleerd, gewogen en geregistreerd. De door eiseres aangenomen reststoffen worden voorzien van een afvalstroomnummer. Eiseres brengt aan de aanbieder de verwerkingskosten in rekening. Uit de weegadministratie van eiseres blijkt dat in de periode van 1 maart 1997 tot en met 31 december 2003 de volgende afvalstoffen zijn afgegeven: bleekaarde, boorgruis, filterkoek, steekvast slib, zuiveringsslib, veegvuil, verontreinigde grond en verontreinigde baggerspecie. 2.7. Verweerder heeft over het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 28 februari 1997 naheffingsaanslagen afvalstoffenbelasting aan eiseres opgelegd inzake de voormalige stortplaats. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft tegen de afwijzende uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage. Op 8 april 1998 heeft dat gerechtshof uitspraak gedaan (nrs. BK 96/03694, BK 97/00636 en BK 97/02801). Hiertegen heeft eiseres beroep in cassatie ingesteld. Op 30 mei 2001 heeft de Hoge Raad de uitspraken van het gerechtshof vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof te Amsterdam (nrs. 34 368, 34 369 en 34 370). Gerechtshof Amsterdam heeft op 19 december 2002, na feitenonderzoek, geoordeeld dat de activiteiten van eiseres niet als een werk maar als een inrichting in de zin van artikel 12, aanhef en onderdeel c, Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm) zijn aan te merken. Over de afgifte van afvalstoffen aan de inrichting van eiseres was volgens het Hof derhalve afvalstoffenbelasting verschuldigd (nrs. BK 01/02007, BK 01/02008 en BK 01/02010). Hiertegen heeft eiseres opnieuw beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 28 januari 2005 de beroepen van eiseres ongegrond verklaard (nrs. 39 369, 39 370 en 39 371). 2.8. Eiseres heeft over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2003 steeds nihilaangiftes ingediend. Deze aangiftes waren telkens voorzien van een bijlage waarin het volgende werd vermeld: - de PMV-nummers van de geaccepteerde afvalstromen - het aantal kilogrammen van de geaccepteerde afvalstromen - of de stroom voorzien is van een verklaring van het Service Centrum Grondreiniging te Utrecht (SCG) en - (vanaf januari 2000) of de volumieke massa van de stroom groter is dan 1.100. 2.9. Aan eiseres zijn op basis van de hiervoor genoemde bijlagen bij de nihilaangiftes de naheffingsaanslagen opgelegd die in de eerdere procedures aan de orde zijn geweest. 2.10. Verweerder heeft vervolgens over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2003 een boekenonderzoek ingesteld bij eiseres, waarvan een rapport met datum 5 april 2005 is opgesteld. Daarin zijn op basis van de gerelateerde bevindingen onder meer de volgende conclusies opgenomen: - in 2001 is er sprake van een aansluitingsverschil tussen de weegadministratie, de financiële administratie en de hoeveelheden die zijn meegenomen in de naheffingsaanslagen met betrekking tot 436 ton bleekaarde en zuiveringsslib. Over die 436 ton dient alsnog te worden nageheven; - de stortingen op afvalstroomnummer 84617000082 voldoen niet aan de voorwaarden die worden gesteld om in aanmerking te komen voor de vrijstelling van artikel 17 (oud) Wbm. Voor zover over deze stroom het verlaagde tarief is toegepast of niet is geheven moet dit worden teruggedraaid respectievelijk alsnog worden gedaan; - voor de in bijlage 1 van het rapport opgenomen afvalstromen is geen (geldige) verklaring van het SCG - een door de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, en Milieubeheer aangewezen instelling als bedoeld in artikel 12, letter e, (oud) van de Wbm – overgelegd. Deze afvalstromen voldoen niet aan de voorwaarden die gesteld worden om in aanmerking te komen voor de vrijstelling van artikel 17 (oud) Wbm. Hierover dient alsnog geheven te worden; - de administratie van [X BV] in de jaren 2000 en later voldeed niet aan de administratieve vereisten om de volumieke massa vast te kunnen stellen. Daarom kan in de naheffingsaanslag geen rekening worden gehouden met een verlaagd tarief inzake de volumieke massa; - voor zover daar in de naheffingen eerder wel rekening mee is gehouden, moet dit worden aangepast. 2.11. In voornoemd rapport is tevens geconcludeerd dat een boete wegens grove schuld ter hoogte van 25% van de nageheven belasting dient te worden opgelegd, waarbij een achttal redenen is genoemd waarom er sprake zou zijn van grove schuld. Samengevat komt een en ander hierop neer dat eiseres op de hoogte is geweest van het bestaan van afvalstoffenbelasting en de daarbij behorende verplichtingen, maar daaraan niet steeds volledig heeft voldaan, ondanks waarschuwingen van de zijde van verweerder. 2.12. Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport zijn de naheffingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking opgelegd die aan de orde zijn in de procedure met nummer 08/2501. 2.13. Eiseres heeft ook over het jaar 2004 uitsluitend nihilaangiftes, met bijlages als hiervoor onder 2.8 omschreven, ingediend. Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 28 januari 2005 en de bevindingen als neergelegd in voornoemd controlerapport heeft verweerder eiseres bij brief van 18 maart 2005 meegedeeld voornemens te zijn naheffingsaanslagen afvalstoffenbelasting over het jaar 2004 op te leggen naar het gewone tarief voor dat jaar. Dit omdat eiseres niet zou beschikken over geldige SCG-verklaringen en haar administratie niet zou voldoen aan de eisen voor het kunnen vaststellen van de volumieke massa. 2.14. Bij brief van 10 april 1998 heeft eerdergenoemde [A] aan [B] van het Centraal milieubelastingenteam het volgende geschreven: “Hierbij stuur ik u conform de afspraak met [C] copien van de meldingen over kwartaal II, III en IV van 1997 welke wij aan de provincie hebben gedaan betreffende het aantal tonnen toegepaste secundaire grondstoffen per afvalstroomnummer. Zodra de melding over kwartaal I van 1998 gereed is zal ik U daar ook een copy van doen toekomen. Per april 1998 zal ik bij elke maandelijkse nul-aangifte met betrekking tot de bomheffing een overzicht meesturen van de in dat tijdvak toegepaste secundaire grondstoffen. Ik zal U op korte termijn copien van de beschikbare SCG-verklaringen, voor zover deze betrekking hebben op de hier gemelde partijen, doen toekomen. Mocht U nog aanvullende informatie wensen verzoek ik U contact met mij of mijn advocaat, [C], op te nemen.” 2.15. Bij brief van 27 juli 1998 heeft [D] van het Centraal milieubelastingenteam namens verweerder onder meer het volgende aan [C], de toenmalige advocaat van eiseres meegedeeld: “Hierbij de nadere toelichting met betrekking tot de naheffingsaanslagen over het eerste kwartaal 1998 en april 1998. Alvorens op uw vraag in te gaan wil ik u erop wijzen dat bij de bepaling van de hoogte van de naheffingsaanslag er van uit is gegaan dat [X BV] de orginele verklaringen in haar bezit heeft. Indien bij controle blijkt dat zij slechts een kopie van de verklaring kan tonen wordt de vrijstelling alsnog geweigerd. Met betrekking tot de geldigheid van de SCG-verklaringen worden de volgende uitgangspunten gehanteerd. 1. Een SCG-verklaring is gedurende zes maanden na de datum van afgifte geldig, dat wil zeggen dat binnen zes maanden na afgifte de eerste (deel-)partij aan de stortplaats moet zijn afgegeven. 2. Daarna blijft de SCG-verklaring voor het betreffende project twee jaar geldig. Over hetgeen na het verstrijken van deze termijn wordt aangeboden, is afvalstoffenbelasting verschuldigd, tenzij het SCG vóór het verstrijken van de termijn de verklaring schriftelijk heeft verlengd. 3. (..) 4. (..)” Met ‘de eerdere procedures’ onder 2.9 van haar uitspraak doelt de rechtbank op de zaken met de kenmerken AWB 05/3065 tot en met 05/3075 waarin de rechtbank op 23 april 2007 uitspraak heeft gedaan. Het tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof bekend onder de kenmerken 07/00297 tot en met 07/00307. 2.2. Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan en voegt daaraan nog het volgende toe waarbij het Hof de door belanghebbende in 1991 verkregen onroerende zaak te [Y] – die door de rechtbank ook wel is aangeduid als “voormalige stortplaats” – in het navolgende zal aanduiden als de locatie. 2.2.1. De locatie is in september 1980 als stortplaats gesloten. De locatie is vervolgens – in de eerste helft van de jaren tachtig – voorzien van een laag schone grond vermengd met slib van 30 cm dik. De locatie is vervolgens gebruikt voor de teelt van maïs en als weidegrond. 2.2.2. Bij het verlenen van de vergunning bij het Besluit van 27 februari 1995 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie […] (hierna: GS) onder meer het volgende overwogen: “ALGEMEEN TOETSINGSKADER Toetsing aan het beleid Algemeen In 1991 verwerft de firma [X BV] de eigendom van het stort. Het stort is aangemerkt als een IBS-locatie. In het provinciale werkprogramma is met betrekking tot de Interimwet Bodemsanering aangegeven dat de locatie door derden (zijnde de eigenaar) zal worden gesaneerd. [X BV] heeft het voornemen om de stortplaats af te werken overeenkomstig de IBC-criteria (Isoleren, Beheersen en Controleren) van het Stortbesluit bodembescherming. De afwerking zal worden gefinancierd door middel van het toepassen van secundaire stoffen. (…) Wet Milieubeheer Het voornemen van [X BV] is het aanbrengen van een bovenafdichting ten behoeve van het milieuhygiënisch afwerken van de voormalige stortplaats [X]. Voor de locatie is de eis gesteld dat de stortplaats wordt afgedicht met een combinatie-afdichtingslaag conform de IBC-criteria van het Stortbesluit bodembescherming; de afdichtingslaag dient te bestaan uit een kunststoffolie en minerale afdichting (zand-bentoniet). Van boven naar beneden bestaat de afwerking van de voormalige stortplaats uit de volgende lagen: - gebruikslaag; - drainagelaag; - combinatie-afdichtingslaag, bestaande uit een kunststoffolie en een minerale afdichting (zand-bentoniet); - steunlaag; - basislaag; - huidige afdeklaag; - afvalpakket. Ten behoeve van de controle en beheersing zal na de afwerking nazorg worden uitgevoerd. De nazorg omvat de technische nazorg en bestaat uit het controleren, onderhouden en vervangen van de getroffen voorzieningen. (…) Plan voor bouw- en sloopafval en daarmee te verwijderen bedrijfsafval 1992-1997 (…) Ten behoeve van de bovenafdichting van de voormalige stortplaats [X BV] mogen secundaire grondstoffen worden geaccepteerd waarvan de samenstelling gemiddeld tot de BAGA-norm mag bedragen en waarvan de uitloging gemiddeld de B-waarde van de Leidraad Bodemsanering mag overschrijden. Deze criteria komen overeen met de criteria van categorie 4 van het Plan voor bouw- en sloopafval, hetgeen inhoudt dat de milieuhygiënische eisen behorend bij categorie 4 in acht moeten worden genomen. Deze eisen houden in dat de secundaire grondstof niet met de bodem mag worden vermengd en in het geval dat het werk wordt gesloopt of verwijderd, de stof moet kunnen worden teruggenomen. Daarnaast dienen er dusdanige maatregelen te worden genomen dat contactmogelijkheden met de secundaire grondstoffen voor mens en dier nihil zijn, het toegepaste materiaal wordt afgedekt met een blijvend vloeistofdichte laag en ten slotte dat het toegepaste materiaal op minimaal 70 cm boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand wordt aangebracht. Naast de chemische acceptatiecriteria zijn er ook fysische criteria gesteld. Hiertoe behoort onder meer het vereiste dat samenstelling van de secundaire grondstoffen de beoogde aanleg van de bovenafdichting niet mag belemmeren. Derhalve dienen de secundaire grondstoffen steekvast te zijn en minimaal een drogestofgehalte van 30% te hebben. Tevens mogen de stoffen geen onregelmatigheden of scherpe voorwerpen bevatten. Op deze wijze wordt voorkomen dat de afdichting op langere termijn zou kunnen worden beschadigd. (…) Bodem en grondwater De locatie van de voormalige Stortplaats [X BV] betreft een IBS-locatie (Interimwet Bodemsanering). Uit nader bodemonderzoek verricht door [E BV] in maart 1993 (IBS-code 385/006/800), is gebleken dat het grondwater en het slib in het stort verontreinigd zijn. Dit is dan ook voor provincie en initiatiefnemer de reden geweest om de locatie te gaan saneren. Het nader bodemonderzoek (bijlage 3 bij de aanvraag) kan tevens beschouwd worden als nulonderzoek. De huidige aanvraag betreft een vergunning ingevolge de Wet Milieubeheer voor de saneringsactiviteiten, daar er gebruik gemaakt wordt van secundaire grondstoffen, hetgeen een vergunningplichtige activiteit is. De stortplaats wordt overeenkomstig de IBC-criteria (Isoleren, Beheersen en Controleren) van het Stortbesluit bodembescherming afgewerkt. Tot de isolatievoorzieningen van de voormalige stortplaats behoort het aanbrengen van een dubbele bovenafdichting met een verticaal scherm. Omdat het in het verleden gestorte afval gedeeltelijk in het grondwater ligt, wordt horizontale verspreiding van verontreinigingen voorkomen door het plaatsen van een verticaal scherm.” In de tot de bij Besluit van 27 februari 1995 verleende vergunning behorende voorschriften is onder meer het volgende opgenomen: “II. VOORSCHRIFTEN (…) 2. ACCEPTATIE 2.1 In de inrichting mogen, met inachtneming van de overige voorschriften van deze vergunning, uitsluitend de volgende secundaire grondstoffen worden geaccepteerd: a. ten behoeve van de basislaag: - boorgruis; - bleekaarde; - zeefzand (zie begrippenlijst); - steekvast slib, bijvoorbeeld kolkenslib en dergelijke (drogestofgehalte > 30%); - baggerspecie, voor zover afkomstig uit de ringsloten rondom de oude stortplaats (droge stofgehalte > 30%); - verontreinigde grond en verontreinigde grond afkomstig van saneringsprojecten op grond van de IBS en voor zover deze niet reinigbaar is, volgens het Service Centrum Grondreiniging. De verontreinigde grond dient ontdaan te zijn van andere afvalstoffen zoals plastic, glas, puin, hout en metalen; b. ten behoeve van de steunlaag (direct onder de zandbentonietlaag): - zoals genoemd onder a. voor zover deze stoffen de functie van de steunlaag zoals beschreven in het Stortbesluit Bodembescherming niet belemmeren (droge stofgehalte > 35%); c. de onder a. genoemde secundaire grondstoffen mogen niet geaccepteerd worden wanneer voor de samenstelling de BAGA-norm wordt overschreden. (…) 2.3 Asbest en/of asbesthoudende bestanddelen in de secundaire grondstoffen mogen niet worden geaccepteerd. (…) 2.4 Gevaarlijke afvalstoffen waaronder KGA mogen niet worden geaccepteerd. (…)” 2.2.3. Nadat de bij Besluit van 27 februari 1995 verleende vergunning door de Raad van State was vernietigd heeft belanghebbende op 2 mei 1997 bij GS een aanvraag om vergunning ingevolge de Wet milieubeheer (hierna: Wm) en, vooruitlopend op de verlening van de vergunning, een verzoek tot gedogen ingediend, voor het oprichten dan wel in werking hebben van een inrichting waar afvalstoffen nuttig worden toegepast ten behoeve van een milieuhygiënische afwerking c.q. sanering van de locatie. 2.2.4. Op het gedoogverzoek is positief beschikt. Bij brief van 15 september 1997 hebben GS belanghebbende een conceptgedoogtoestemming gestuurd. Hierin is onder meer het volgende opgenomen: “Wij hebben bij het verlenen van de vergunning op 27 februari 1995 uitdrukkelijk niet het voornemen gehad vergunning te verlenen voor het storten van afvalstoffen. Het aanbrengen van de secundaire grondstoffen heeft een tweeledige functie namelijk het compenseren van zettingen en het dienen als fundering voor de aan te brengen laag zandbentoniet (of gelijkwaardig materiaal), de drainage- en de leeflaag. De constructie is civieltechnisch noodzakelijk en zou technisch gesproken niet anders worden uitgevoerd wanneer gebruik moet worden gemaakt van primaire grondstoffen. Gebruik van primaire grondstoffen maakt de sanering gegeven de hoge kosten van de primaire grondstoffen onhaalbaar. De afwerking beschouwen wij derhalve als een ‘werk’ in de zin van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen en vergunningenbesluit (Ivb). De juridische basis voor vergunning is gelegen in artikel 28.6 Ivb.” 2.2.5. Bij het verlenen van de vergunning naar aanleiding van de onder 2.2.3 vermelde aanvraag (bij het Besluit van 23 juli 1998) hebben GS onder meer het volgende overwogen: “Hierna wordt voor de afvalstoffen die nuttig worden toegepast de term secundaire grondstoffen gebruikt. (…) Algemeen In 1991 verkreeg [X BV] het eigendom van de voormalige stortplaats [X]. De voormalige stortplaats was destijds aangemerkt als een IBS-locatie (Interimwet bodemsanering). In het huidige provinciale werkprogramma is aangegeven dat deze locatie door derden (zijnde de eigenaar) zal worden gesaneerd. [X BV] heeft het voornemen om de stortplaats te saneren door middel van een IBC-constructie (Isoleren, Beheersen en Controleren). Het voornemen is het aanbrengen van een zij- en bovenafdichting. De bovenafdichting bestaat van boven naar beneden uit de volgende lagen: - leef-/gebruikslaag; - drainagelaag; - afdichtingslaag (zand-bentoniet of gelijkwaarde ander materiaal); - steunlaag; - profileringslaag; - huidige afdeklaag; - oud stortpakket. Bij de aanleg van de profilerings- en steunlaag worden secundaire grondstoffen gebruikt. Ten behoeve van het in stand houden van de IBC-constructie zullen na de sanering, beheers- en controlemaatregelen worden uitgevoerd (nazorg). Deze maatregelen bestaan uit het controleren, onderhouden en zonodig vervangen van de getroffen voorzieningen. Saneringsbeleid provincie […] (…) [X BV] is als eigenaar van de voormalige stortplaats saneringsplichtig. Indien de sanering niet op de thans voorgestelde wijze wordt uitgevoerd, wordt de voormalige stortplaats op het provinciale saneringsprogramma geplaatst. Als gevolg van een ontoereikend provinciaal saneringsbudget, zal de voormalige stortplaats echter de eerstkomende tien jaar niet gesaneerd kunnen worden. Door het benutten van de opbrengsten van de secundaire grondstoffen beoogt [X BV] de sanering te bekostigen. Dit strookt met het provinciaal beleid tot stimulering van sanering in eigen beheer. (…) Vergunningensituatie (…) Op 27 februari 1995 hebben wij aan [X BV] een vergunning ingevolge de Wm verleend voor het oprichten dan wel in werking hebben van een inrichting voor het saneren van de voormalige stortplaats [X] voor een termijn van 6,5 jaar (kenmerk DWM/92162). De vergunning is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op formele gronden vernietigd. Deze vernietiging is gebaseerd op het oordeel van de Afdeling dat er door Gedeputeerde Staten vergunning is verleend voor het aanbrengen van een aanzienlijk grotere hoeveelheid secundaire grondstoffen dan civiel-technisch gezien noodzakelijk is. Naar het oordeel van de Afdeling is daarmee tevens vergunning verleend voor storten en schoot de kennisgeving tekort in de weergave van de strekking van het (ontwerp-)besluit. Wij hebben bij het verlenen van de vergunning op 27 februari 1995 uitdrukkelijk niet het voornemen gehad vergunning te verlenen voor het storten van afvalstoffen. Het aanbrengen van secundaire grondstoffen heeft een tweeledige functie, namelijk het compenseren van zettingen en het dienen als fundering voor de aan te brengen laag zand-bentoniet (of een gelijkwaardig materiaal), de drainagelaag en de leef-/gebruikslaag. De constructie is civiel-technisch noodzakelijk en zou, technisch gesproken, niet anders worden uitgevoerd indien gebruik wordt gemaakt van primaire grondstoffen. Het gebruik van primaire grondstoffen maakt de sanering, gegeven de hogere kosten hiervan, echter financieel onhaalbaar. De afwerking beschouwen wij als een ‘werk’ in de zin van de Wm en het Ivb. (…) Gezien de noodzaak tot saneren hebben wij destijds een bestuurlijke afweging gemaakt, waarbij naast een reële inschatting van de civiel-technisch gezien noodzakelijke constructie en de daarmee aan te brengen hoeveelheid secundaire grondstoffen, tevens rekening is gehouden met de financiële haalbaarheid van het project. Wij hebben geconcludeerd dat het doorgaan van de sanering van primair belang is. In afwachting van een onderzoek naar de technische en juridische voorwaarden die moeten worden gesteld aan de voortgang van de sanering, hebben wij [X BV] op 23 augustus 1996 schriftelijk in kennis gesteld van ons voornemen om niet handhavend op te treden tegen het continueren van de sanering, mits de werkzaamheden worden uitgevoerd conform de voorschriften van de vernietigde vergunning (kenmerk DWM/124027). Tot dit moment vindt de sanering dan ook feitelijk plaats (…). (…) PROCEDURE Voor de behandeling van de aanvraag is de procedure conform Afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd. Na vernietiging van de vergunning van 27 februari 1995 door de Raad van State, heeft [X BV] op 21 november 1996 een nieuw voorstel ingediend voor de sanering. Dit voorstel bevatte een nadere onderbouwing (opgesteld door de [E BV]) van de hoeveelheid aan te brengen secundaire grondstoffen die noodzakelijk is om de verwachte zettingen van het oude stortpakket op te vangen. Gelet op de motivering van de vernietiging door de Raad van State hebben wij er voor gekozen om, ter voorbereiding van de verlening van de nieuwe vergunning, eventuele twijfel over de noodzaak en de civiel-technische uitvoering van de afdichtingsconstructie zoveel als mogelijk uit te sluiten. Voor het verkrijgen van een ‘second opinion’ hebben wij het nieuwe saneringsvoorstel van [X BV] voorgelegd aan [F]. Deze ‘second opinion’ hebben wij in januari 1997 ontvangen. Een belangrijke conclusie van [F] is dat er geen of onvoldoende ervaringsgegevens zijn met betrekking tot het zettingsgedrag van voormalige stortplaatsen om met zekerheid een uitspraak te kunnen doen over de noodzakelijke dikte van de profilerings- en steunlaag. Bovendien blijken er geen ervaringsgegevens beschikbaar te zijn over de relatie tussen het zettingsgedrag van een voormalig stort enerzijds en het functioneel blijven van de bovenafdichting anderzijds. Een en ander pleit ervoor meer aandacht te besteden aan de methode van afwerking dan aan het voorschrijven van vaste hoeveelheden van de toe te passen secundaire grondstoffen. Om er zeker van te zijn dat nooit te veel materiaal wordt aangebracht stelt [F] voor om, per af te werken fase, een voorbelasting aan te brengen bestaande uit steunlaagmateriaal ter dikte van de uiteindelijke laagdikte van de totale afwerking. De dan optredende zettingen dienen zorgvuldig te worden geregistreerd. Nadat de belangrijkste zetting heeft plaatsgevonden, wordt het overtollig materiaal afgeschoven naar een volgende fase, waarna de zand-bentonietlaag (of een gelijkwaardig alternatief), drainagelaag en de leef-/gebruikslaag worden aangebracht. Hoeveel materiaal moet worden afgeschoven om het van tevoren vastgelegde afwerkingsprofiel te realiseren, is afhankelijk van de werkelijk optredende zettingen. Met deze werkwijze is verzekerd dat nooit meer secundaire grondstoffen worden aangebracht dan civiel-technisch gezien nodig is om de werkelijke zettingen te compenseren. (…) MILIEUHYGIËNISCHE TOETSING (…) Bodem en grondwater De voormalige stortplaats [X] is aangemerkt als een ernstig geval van bodemverontreiniging. Uit nader bodemonderzoek verricht door [E BV] in maart 1993 (IBS-code 385/006/800), is gebleken dat het grondwater in het stort ernstig verontreinigd is. De voormalige stortplaats wordt gesaneerd door middel van een IBC-constructie (Isoleren, Beheersen en Controleren). Het nader bodemonderzoek (bijlage 4 bij de aanvraag) kan tevens beschouwd worden als nulonderzoek. De in het verleden gestorte afvalstoffen liggen gedeeltelijk in het grondwater. Tot de afdichtingsvoorzieningen van de voormalige stortplaats behoort het aanbrengen van een bovenafdichting en een verticaal scherm als zijafdichting. Door het plaatsen van een verticaal scherm wordt horizontale verspreiding van verontreinigingen voorkomen. Door het aanbrengen van een bovenafdichting wordt percoleren (verticale verspreiding) voorkomen. Op deze wijze zal de emissie van verontreinigingen naar het watervoerend pakket (NAP -9,0
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.