GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: [APPELLANTE], wonende te [woonplaats], APPELLANTE, advocaat: mr. S.A. van der Sluijs te Amsterdam, t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DEXIA NEDERLAND B.V. (voorheen Dexia Bank Nederland N.V.), gevestigd te Amsterdam, GEÏNTIMEERDE, advocaat: mr. J.M.K.P. Cornegoor te Amsterdam. 1. Het geding in hoger beroep De partijen worden hierna respectievelijk [appellante] en Dexia genoemd. Bij dagvaarding van 13 augustus 2008 is [appellante] in hoger beroep gekomen van een vonnis van de ¬rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, hierna “de kantonrechter”, van 14 mei 2008, in deze zaak onder zaak-/rolnum¬mer 770563 DX 06-38 gewezen tussen haar als eiseres en Dexia als gedaagde. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep blijkt uit de volgende processtukken: - de memorie van grieven van [appellante]; - de memorie van antwoord van Dexia; - een akte van [appellante] ingediend op 16 november 2010; - een antwoordakte van Dexia ingediend op 14 december 2010; telkens met conclusie zoals daarin vermeld en met bijbe¬horende producties indien en voor zover deze daarbij zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd. 2. Grieven [appellante] heeft vier grieven voorge¬steld en toegelicht. Voor de inhoud daarvan wordt verwezen naar de desbetreffende memorie. 3. Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1, 1.1 tot en met 1.9, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Over de juistheid van de aldus vastgestelde feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. 4. Beoordeling 4.1 Bij beschikking van 25 januari 2007 (NJ 2007, 427) heeft het hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard die strekt tot (gedeeltelijke) vergoeding van schade zoals onder andere in dit geding aan de orde. [appellante] heeft door een schriftelijke mededeling zoals bedoeld in artikel 7:908, tweede lid, BW (tijdig) laten weten dat zij niet aan de verbindend verklaarde overeenkomst - de zogeheten “Duisenberg”-regeling – gebon¬den wil zijn. Uit¬gangspunt voor de beoordeling van het hoger beroep is daarom dat de verbindendverklaring van de zojuist bedoelde overeenkomst ten aanzien van [appellante] geen gevolg heeft, zodat die overeenkomst haar niet bindt. 4.2 In haar antwoordakte van 14 december 2010 heeft Dexia bezwaar gemaakt tegen de toelating van de akte van 16 november 2010 van [appellante] tot de gedingstukken, op de grond dat laatstbedoelde akte een nadere conclusie inhoudt waarvoor geen plaats is, gelet op de in artikel 347 Rv besloten liggende regel dat in hoger beroep slechts een conclusie van eis en een conclusie van antwoord worden genomen. Dit bezwaar is gegrond. [appellante] had zich bij haar akte mogen uitlaten over de bescheiden die Dexia als bijlagen bij de memorie van antwoord in het geding heeft gebracht. Zij had zich hiertoe moeten beperken. De akte van [appellante] bevat echter beschouwingen naar aanleiding van hetgeen Dexia in de memorie van antwoord heeft aangevoerd, die het zojuist bedoelde kader en aldus het doel waarvoor de akte was bestemd, verre te buiten gaan. De akte van [appellante] – en dus ook het antwoord hierop van Dexia – wordt daarom bij de beoordeling van het hoger beroep buiten beschouwing gelaten. Dit wordt niet anders doordat de rolraadsheer [appellante] gelegenheid heeft gegeven tot het nemen van een akte na de memorie van antwoord, omdat het geven van zo’n gelegenheid geen toestemming inhoudt tot het nemen van een nadere conclusie. 4.3 [appellante] is op 15 februari 2000 een geregistreerd partner¬schap aangegaan met [H.], hierna “[H.]”. [H.] is – voor zover thans van belang – op 20 november 2000 één en op 16 mei 2001 twee overeen¬komsten tot effecten¬lease aangegaan met een rechtsvoor¬gangster van Dexia, hierna eveneens aangeduid als “Dexia”. Op grond van deze overeenkomsten, hierna “de lease-overeenkomsten”, heeft hij geldbedragen van Dexia geleend, waarmee effecten zijn aangekocht die [H.] van Dexia heeft geleast. Over de geleende bedragen was [H.], naar in de lease-over¬een¬komsten is vermeld, rente verschuldigd. Veranderingen in de waarde van de geleaste effecten kwamen voor zijn rekening. De lease-overeenkomsten zijn aangegaan voor bepaalde tijd. Zij zijn intussen alle geëindigd – de eerste na aanvankelijk, na het verstrijken van de oor¬spronkelijke looptijd, voor bepaalde tijd te zijn verlengd - met een schuld van [H.] aan Dexia. Die schuld is ontstaan doordat de geleaste effecten, die bij de beëindiging van de lease-over¬eenkomsten zijn verkocht, bij verkoop minder hebben opgebracht dan de door [H.] op grond van de over¬eenkomsten geleende bedragen. De verkoop¬opbrengst van de effecten is benut voor de terugbetaling van de geleende bedragen maar was hiertoe niet toe¬reikend. [H.] heeft het restant (de “restschuld”) onbetaald gelaten. Hij heeft bij aanvang van de looptijd van de lease-overeenkomsten wel andere, daarin genoemde bedragen – namelijk verschul¬digde rente - aan Dexia betaald. 4.4 Bij brief van 13 september 2005 aan Dexia heeft [appellante] de lease-overeenkomsten buiten¬gerechtelijk ver¬nietigd. [appellante] heeft hiertoe aangevoerd, kort gezegd en naar het hof begrijpt, dat zij op het tijdstip van de totstandkoming van de lease-overeenkomsten de geregistreerde partner was van [H.], dat deze krachtens het bepaalde in artikel 1:80b BW in verbinding met artikel 1:88 BW voor het aangaan van de overeenkomsten haar toestemming behoefde - omdat de lease-overeenkomsten een over¬eenkomst van koop op afbetaling inhouden - en dat die toestemming ontbreekt. De lease-overeenkomsten zijn niet mede-ondertekend door [appellante] en zij heeft evenmin anders¬zins schriftelijk aan [H.] haar toestemming voor het aangaan van de over¬eenkomsten gegeven. De vernietiging heeft mede gestrekt tot terugbetaling van de bedragen die [H.] op de voet van de lease-overeen¬komsten aan Dexia heeft betaald. Dexia heeft de vernietiging niet aanvaard en geen bedragen terugbetaald. 4.5 In het licht van de hierboven weergegeven, tussen partijen vaststaande feiten heeft [appellante] – naar het hof be¬grijpt op de grondslag van artikel 1:80b BW in verbinding met artikel 1:89, vijfde lid, BW - een vordering ingesteld tegen Dexia. De vordering strekt, kort gezegd, tot verklaring voor recht dat de lease-overeenkomsten rechts¬geldig zijn vernietigd en veroordeling van Dexia tot terugbetaling aan [appellante] van hetgeen [H.] ter voldoening aan de overeenkomsten heeft betaald, met rente en verdere nevenvorderingen. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, omdat de bevoegdheid van [appellante] tot vernietiging van de lease-overeenkomsten wegens het ont¬breken van haar toestemming reeds was ver¬jaard toen zij die bevoegdheid uitoefende. Tegen dit oordeel en de daar¬toe leidende overwegingen richt zich het hoger beroep. 4.6 Met de grieven 1 tot en met 3, in onderlinge samenhang, betoogt [appellante] dat de kanton¬rechter ten onrechte heeft geoordeeld dat haar bevoegdheid tot vernietiging van de lease-overeenkomsten was verjaard toen zij deze uitoefen¬de, zodat de onder 4.4 genoemde brief niet het beoogde rechtsgevolg heeft gehad en [appellante] geen recht heeft op terugbetaling van op de voet van de lease-overeenkomsten door [H.] aan Dexia betaalde bedragen. Het hof overweegt hierover als volgt. 4.7 De bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst waarvoor een geregistreerde partner krachtens artikel 1:80b BW in verbinding met 1:88 BW de toestemming van de andere partner behoeft, zoals de lease-overeenkomsten, wegens het ontbreken van die toe¬stemming, verjaart door verloop van drie jaar nadat de bevoegdheid tot vernie¬tiging aan de partner van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan (naar volgt uit artikel 3:52, eerste lid aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89, eerste lid, BW). Voor het ten dienste komen te staan van de bevoegdheid tot vernietiging, en hiermee voor de aanvang van de ver¬jaringstermijn, is bepalend wanneer de partner van wie de toestemming was vereist daadwerkelijk met het bestaan van de overeenkomst bekend is geworden. Na de voltooiing van de verjarings¬termijn kan die partner de over¬eenkomst niet meer rechtsgeldig vernietigen. Het komt er dus op aan wanneer [appellante] daad¬werkelijk bekend is geworden met het bestaan van de lease-overeenkomsten die zij heeft bedoeld te vernietigen. 4.8 De partij die een beroep doet op de verjaring van een bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst, ten aanzien waarvan de wederpartij voldoende onderbouwd heeft aangevoerd dat een vernietigingsgrond is ingeroepen, dient feiten te stellen - en, bij voldoende betwisting, te bewijzen - waaruit de gegrondheid van dat beroep kan volgen. Het gaat daarbij, bij een verjaringstermijn zoals thans aan de orde, om feiten waaruit volgt dat de in beginsel tot vernietiging bevoegde partij met de overeen¬komst bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen. Nu Dexia zich op de verjaring beroept, rusten de stelplicht en de bewijslast ter zake van die bekendheid op haar. Dexia heeft hiertoe aangevoerd, samengevat, (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.