zaaknummer 200.073.057/01 29 maart 2011 GERECHTSHOF TE AMSTERDAM EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: [APPELLANT], wonend te [woonplaats], APPELLANT, advocaat: mr. M. Deckers te Amsterdam, t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PEGROAM B.V., gevestigd te Zwijndrecht, GEÏNTIMEERDE, advocaat: mr. R.E. Jonen te Amsterdam. Partijen worden hierna [appellant] en Pegroam genoemd. 1. Het verloop van het geding in hoger beroep [appellant] is bij dagvaarding van 16 augustus 2010 in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Amsterdam onder zaaknummer/ rolnummer 428700/HA ZA 09-1661 op 19 mei 2010 uitgesproken vonnis, gewezen tussen [appellant] als eiser en Pegroam als gedaagde. Bij memorie heeft [appellant] zeven grieven aangevoerd, op een onderdeel bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zijn vorderingen alsnog zal toewijzen, met verwijzing van Pegroam in de kosten van beide instanties. Bij memorie heeft Pegroam de grieven bestreden, producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep althans het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met verwijzing van [appellant] in de kosten van – begrijpt het hof - het hoger beroep. Ter zitting van 8 februari 2011 hebben partijen hun zaak aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities door hun advocaten doen bepleiten. Pegroam heeft bij die gelegenheid een bewijsaanbod gedaan. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd. 2. De feiten De rechtbank heeft in de overwegingen 2.1 tot en met 2.4 van het bestreden vonnis (verder ook: het vonnis) een aantal feiten als tussen partijen vaststaand aangemerkt. Tegen de vaststelling onder 2.3 is grief 1 en tegen die onder 2.4 is grief 2 gericht. Het hof zal in het navolgende aangeven van welke feiten het uitgaat en daarom deze grieven onbesproken laten. 3. De beoordeling 3.1. Bij in kort geding gewezen verstekvonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 17 juni 1982 (verder ook: het verstekvonnis) zijn de vennootschap naar Engels recht Apollonia Charters Ltd. (verder: Apollonia) en [appellant] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan Bouwplan BV (verder: Bouwplan) van NLG 110.025,62, met rente en kosten. Dit vonnis is op 1 juli 1982 – niet in persoon – aan [appellant] betekend. Partijen strijden erover of, naar Pegroam stelt en [appellant] betwist, Bouwplan deze vordering - op 7 mei 1985 - aan Pegroam heeft gecedeerd. Op 28 mei 2002 heeft Pegroam tot verhaal van deze vordering ten laste van [appellant] executoriaal derdenbeslag doen leggen onder Nemaco BV (verder: Nemaco) waarvan [appellant] toen (samen met een ander) statutair bestuurder was. In november 2007 heeft Pegroam Nemaco verzocht een verklaring af te leggen als bedoeld in artikel 476a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), wat Nemaco op 23 november 2007 heeft gedaan. Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 februari 2009 in de daarop door Pegroam tegen Nedamco ingestelde verklaringsprocedure ex art. 477a Rv is Nedamco tot betaling van ruim € 95.000,= veroordeeld. Vervolgens is [appellant], na een voor hem ongunstig geëindigd executiegeschil tegen Pegroam, de onderhavige procedure begonnen waarin hij, in verschillende modaliteiten, een vordering instelt die ertoe strekt te verhinderen dat Pegroam het verstekvonnis tegen hem ten uitvoer kan leggen. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering afgewezen en [appellant] in de proceskosten verwezen. 3.2.1. Grief 3 houdt in dat de rechtbank ten onrechte de stelling van [appellant] heeft verworpen dat Bouwplan de vordering niet rechtsgeldig aan Pegroam heeft overgedragen. [appellant] betoogt dat er een reële mogelijkheid is dat de curator in het faillissement van Bouwplan (tussen partijen staat niet ter discussie dat Bouwplan in november 1986 in staat van faillissement is verklaard) de cessie wegens benadeling van schuldeisers heeft vernietigd, omdat Bouwplan de vordering op [appellant] en Apollonia ter grootte van (ruim) NLG 175.000,= voor een bedrag van slechts NLG 4.000,= heeft verkocht. Verder wijst [appellant] erop dat uit niets blijkt dat de cessie betrekking heeft op de onderhavige vordering. Hij stelt dat de cessie hem niet is betekend en voert aan dat het op de weg van Pegroam ligt te bewijzen dat de vordering rechtsgeldig aan haar is overgedragen. Het hof oordeelt als volgt. 3.2.2. Bij brief van 11 februari 1992 heeft [X], destijds statutair bestuurder van Pegroam, [appellant] als volgt bericht: “Ter informatie de vordering van Bouwplan (...) heb ik overgedra-gen naar Pegroam (...)”. In het licht van deze passage heeft [appellant] onvoldoende gemotiveerd betwist dat de ten processe bedoelde cessie op de onderhavige vordering betrekking heeft. Verder ziet [appellant] over het hoofd dat naar het voor de beoordeling van de geldigheid van de cessie toepasselijke recht, zoals dat vóór 1 januari 1992 gold, betekening of mededeling van de cessie geen geldigheidsvereiste was. Overigens blijkt uit de zojuist geciteerde brief dat de cessie aan [appellant] is meegedeeld. Ten slotte heeft [appellant] weliswaar geopperd dat de curator in het faillissement van Bouwplan de cessie wegens benadeling van schuldeisers heeft vernietigd, maar niet (voldoende concreet en gemotiveerd) gesteld dat dit het geval is geweest. Het hof gaat aan de loutere suggestie van [appellant] voorbij. De conclusie is dat [appellant] (de rechtsgeldigheid van) de cessie onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat Pegroam te dezen geen bewijs hoeft te leveren. Grief 3 faalt dus. 3.3.1. Met grief 4 komt [appellant] op tegen de conclusie van de rechtbank dat, kort gezegd, de bevoegdheid van Pegroam tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis niet is verjaard, omdat de verjaring - na de eerdere stuiting ervan op 28 mei 2002 - op 11 september 2003 door een brief van mr. J.G. Cnossen, de toenmalige advocaat van Pegroam, aan mr. Deckers voornoemd, tevens advocaat van Nemaco, is gestuit. Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt: “Pegroam B.V./[appellant]/Nemaco (...) Er is in deze zaak beslag gelegd onder de vennootschap (Nemaco; hof) wegens gelden die uw cliente aan [appellant] zou zijn verschuldigd. (...) Ik verzoek uw cliente een opgave te doen van hetgeen zij op het moment van beslaglegging verschuldigd was aan de heer [appellant] en nadien aan hem verschuldigd is geworden. (...)”. Volgens de rechtbank is het in deze brief vervatte verzoek aan Nemaco een verklaring af te leggen als bedoeld in art. 476a Rv aan te merken als een (verdere) tenuitvoerlegging van het verstekvonnis als bedoeld in art. 3:325 lid 2 aanhef en sub c BW. Zij overweegt hiertoe dat de brief tevens moet worden opgevat als een ingevolge de genoemde wetsbepaling aan [appellant] als debiteur gedane kennisgeving, omdat [appellant] toen directeur van Nemaco was en niet heeft betwist van voormeld verzoek van Pegroam op de hoogte te zijn gebracht. Bij [appellant] kan daarom volgens de rechtbank geen misvatting hebben bestaan dat Pegroam zich op dat moment het recht tot tenuitvoerlegging (opnieuw) heeft voorbehouden. 3.3.2. Tot goed begrip merkt het hof hier op dat tussen partijen niet ter discussie staat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.