ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ5779
GERECHTSHOF AMSTERDAM Nevenzittingsplaats Arnhem Sector civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.074.071 (zaaknummer rechtbank 283307 / FA RK 10-1310) beschikking van de familiekamer van 19 april 2011 inzake [appellant], wonende te [woonplaats], verzoekster in hoger beroep, verder te noemen “de vrouw”, advocaat: mr. K. Spaargaren te Hilversum, en [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], verweerder in hoger beroep, verder te noemen “de man”, advocaat: mr. L.H. van der Schaaf te Utrecht.
2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 12 november 2010, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. Hij verzoekt het hof de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans dat verzoek af te wijzen en de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep.
2.3 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:
2.4 De mondelinge behandeling heeft op 8 februari 2011 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen bijgestaan door hun advocaten.
2.5 Na de mondelinge behandeling zijn, met toestemming van het hof, binnengekomen:
3.2 Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 5 november 2009 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam Stork Wescar Aruba N.V. (verder te noemen “Stork”) verlof verleend voor het leggen van beslag onder APX B.V. ten laste van [de man] met inachtneming van het bepaalde in rechtsoverweging 3.6 van die beschikking, onder vaststelling van het bedrag waarvoor verlof wordt verleend, met inbegrip van rente en kosten waarin [de man] kan worden veroordeeld, op 628.650,- Antilliaanse guldens.
3.3 Bij verzoekschrift van 9 februari 2010 heeft de vrouw de rechtbank Utrecht verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de gemeenschap van goederen op te heffen onder vaststelling van de verplichting van de man tot vergoeding van de aangerichte schade aan de gemeenschap en de man te veroordelen in de kosten van het geding. Dit verzoek van de vrouw is op verzoek van haar advocaat op 15 februari 2010 ingeschreven in het huwelijksgoederenregister ter griffie van de rechtbank te ’s-Gravenhage en openlijk bekend gemaakt.
3.4 Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij de rechtbank zijn partijen het erover eens geworden dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de verplichting van de man tot vergoeding van de aangerichte schade aan de gemeenschap gelijktijdig zal worden behandeld met het verzoek tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.
3.5 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot opheffing van de gemeenschap van goederen van partijen afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.
4.2 Het hof oordeelt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de man met zijn voormalige werkgever Stork op dit moment verwikkeld is in twee gerechtelijke procedures, te weten een door de man geëntameerde loonprocedure en een door Stork gestarte procedure, betreffende een vordering van Stork op basis van een vermeende door de man gepleegde verduistering van geld. De vrouw heeft gesteld dat de man haar onvoldoende inlichtingen heeft verschaft over de achtergronden en het verloop van genoemde procedures en dat zij wordt geconfronteerd met diverse schuldeisers. De man heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat hij de vrouw steeds van een en ander op de hoogte heeft gehouden, maar dat hij voorzichtiger is geworden en geen processtukken meer met de vrouw heeft gedeeld omdat de vrouw buiten zijn medeweten bij de advocaat van Stork informatie probeerde te verkrijgen omtrent genoemde procedures.
4.3 Het hof is van oordeel dat het op de weg van de man had gelegen aan de vrouw volledig openheid van zaken te geven omdat eventuele privé-schulden van de man die voortvloeien uit een van voormelde procedures op de gemeenschap van goederen van partijen kunnen worden verhaald. De man heeft deze volledige openheid niet verschaft. Hiermee staat vast dat de man heeft nagelaten de vrouw van voldoende informatie te voorzien over de stand van de op de goederen van de gemeenschap verhaalbare schulden. De vrouw heeft, gelet op het voorgaande, voldoende gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake is van een van de in artikel 1:109 BW genoemde gronden die opheffing van de gemeenschap van goederen rechtvaardigen. Het verzoek van de vrouw dient daarom te worden toegewezen, met dien verstande dat de ingangsdatum van de opheffing 31 maart 2010 zal zijn, nu uit de na de mondelinge behandeling bij dit hof ingekomen correspondentie blijkt dat op die datum correcte publicatie in een dagblad (als bedoeld in artikel 1:110 lid 1 BW) heeft plaatsgevonden.
4.4 Het hof zal de proceskosten compenseren, gelet op het feit dat partijen elkaars echtgenoten zijn.
5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.L. van der Beek, M.A.J.S. de Vries Robbé-de Roy van Zuydewijn en M.H.H.A. Moes, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 19 april 2011 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.