GERECHTSHOF TE AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER BESCHIKKING in de zaak met nummer 200.047.070/01 OK van: de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid ABVAKABO FNV, gevestigd te Zoetermeer, VERZOEKSTER, advocaat: mr. A. van Deuzen, kantoorhoudende te Alkmaar, t e g e n 1. de stichting STICHTING MEAVITA NEDERLAND, gevestigd te Amersfoort, 2. de stichting STICHTING MEAVITAGROEP, gevestigd te ’s-Gravenhage, 3. de stichting STICHTING MEAVITA THUISZORG, gevestigd te ’s-Gravenhage, 4. de stichting STICHTING MEAVITA WOONZORG, gevestigd te ’s-Gravenhage, 5. de stichting STICHTING MEAVITA FLEXWERK, gevestigd te ’s-Gravenhage, 6. de stichting STICHTING MEAVITA DIENSTENCENTRUM, gevestigd te ’s-Gravenhage, 7. de stichting STICHTING MEAVITA VASTGOED, gevestigd te ’s-Gravenhage, 8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MEAVITA HULP B.V., gevestigd te ’s-Gravenhage, 9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EVITA PARTICULIERE ZORG B.V., gevestigd te Rotterdam, 10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MEAVITA SUPPORT SERVICES B.V., gevestigd te ’s-Gravenhage, 11. de stichting STICHTING THUISZORG GRONINGEN, gevestigd te Groningen, 12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid THUISHULPNEDERLAND.NL THUISZORG GRONINGEN B.V., gevestigd te Groningen, VERWEERSTERS, niet verschenen, e n t e g e n 13. de stichting STICHTING SENSIRE, gevestigd te Terborg, gemeente Oude IJsselstreek, VERWEERSTER, advocaat: (voorheen mr. M. Dwarswaard, kantoorhoudende te Terborg, gemeente Oude IJsselstreek en thans) mr. C.R. Huiskes, kantoorhoudende te Enschede, e n t e g e n 14. de stichting STICHTING VITRAS/CMD, gevestigd te Nieuwegein, VERWEERSTER, advocaat: mr. R.C. de Mol, kantoorhoudende te ’s-Gravenhage, e n t e g e n 1. LOUIS MARIE LUCIEN HENRI ALPHONSE HERMANS, wonende te Beetsterzwaag, 2. HELENA GODEFRIDA ODILIA MARIA BERKERS, wonende te Nuenen, 3. HENRIETTE MAASSEN VAN DEN BRINK, wonende te Amsterdam, 4. DIRK JAN SCHOENMAKER, wonende te Deventer, 5. JOHANNES SCHRIKKEMA, wonende te Wageningen, 6. AGATHA PETRONELLA MARIA VAN DE VEER-VERGEER, wonende te Zoetermeer, 7. ERNA ZOUN-BAARS, wonende te Naarden, 8. CHARLES JEAN VICTOR LUCAS LAUREIJ, wonende te Capelle aan de IJssel, BELANGHEBBENDEN, advocaten: mr. M.W. Josephus Jitta en mr. C.M. Harmsen, beiden kantoorhoudende te Amsterdam, e n t e g e n 9. MR. HENDRIK PASMAN, wonende te Utrecht, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Stichting Meavita Nederland, 10. MR. WILLEM ADRIAAN ENTZINGER, wonende te Paterswolde, gemeente Tynaarlo, 11. MR. PIETER JOHANNIS FOUSERT, wonende te Groningen, elk in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van Stichting Thuiszorg Groningen en Thuishulp Nederland.nl Thuiszorg Groningen B.V., 12. MR. CAROLINE ADA DE WEERDT, wonende te Leiden, 13. MR. FRANCISCUS JOZEF HUBERT SOMERS, wonende te Zwammerdam, elk in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van Stichting Meavita Groep en verweersters sub 3 tot en met 10 voornoemd, BELANGHEBBENDEN, advocaat: mr. E.L. Zetteler, kantoorhoudende te Utrecht. 1. Het verloop van het geding 1.1 Partijen zullen hierna (ook) als volgt worden aangeduid: - verzoekster als AKF; - verweerster sub 1als Meavita Nederland; - verweersters sub 2 tot en met 10 als Meavita West; - verweerster sub 11 als TZG; - verweersters sub 11 en 12 als Meavita Groningen; - verweersters 1 tot en met 12 als Meavita; - verweersters 13 en 14 respectievelijk als Sensire en Vitras; - belanghebbenden sub 1 tot en met 7 als Hermans c.s.; - belanghebbende sub 8 als Laureij; en - belanghebbenden sub 9 tot en met 13 als de curatoren. 1.2 De Ondernemingskamer verwijst voor het verloop van het geding tot 14 april 2010 naar haar beschikking van die datum. 1.3 Bij die beschikking heeft de Ondernemingskamer AKF ontvankelijk verklaard in haar enquêteverzoek, Hermans c.s. en Laureij in de gelegenheid gesteld een (nader) verweerschrift in te dienen, bepaald dat het verzoek op een nader te bepalen tijdstip zal worden behandeld en iedere verdere beslissing aangehouden. 1.4 De curatoren hebben bij op 2 maart 2011 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift alsmede (voorwaardelijk) verzoekschrift, met bijlagen, zakelijk weergegeven, het verzoek van AKF – onder bepaalde voorwaarden – onderschreven. 1.5 Hermans c.s. en Laureij hebben zich, bij op 3 maart 2011 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift, met bijlagen, omtrent het inleidend verzoekschrift van AKF en de kosten van de procedure gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer. 1.6 Bij aanvullend verzoekschrift, ingekomen op 23 maart 2011 ter griffie van de Ondernemingskamer, heeft AKF verzocht haar inleidend verzoek uit te breiden tot een concernenquête waarin Vitras en Sensire – naar de Ondernemingskamer verstaat: voor de periode gedurende welke zij tot het Meavita-concern behoorden – worden betrokken. 1.7 De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 31 maart 2011. Mr. Van Deuzen, mr. Zetteler, mr. Josephus Jitta, mr. Dwarswaard en mr. De Mol, allen voornoemd, hebben bij die gelegenheid – en wat de drie eerst genoemde advocaten betreft, aan de hand van aan de Ondernemingkamer overgelegde pleitnotities – de standpunten van de door hen gerepresenteerde partijen nader toegelicht. Ter terechtzitting is – overeenkomstig hetgeen mr. Josephus Jitta mede namens de overige hiervoor vermelde advocaten bij brief van 30 maart 2011 aan de Ondernemingskamer had meegedeeld – het volgende gebleken. - Belanghebbenden hebben geen bezwaar tegen het toewijzen van het verzoek van AKF tot het bevelen van een enquête naar het beleid en de gang van zaken van Meavita Nederland, Meavita West en Meavita Groningen. - Belanghebbenden zijn het er over eens dat bij dit onderzoek Sensire en Vitras, voor de periode gedurende welke zij tot het Meavita-concern behoorden (van 1 januari 2007 tot en met de datum van hun verzelfstandiging in februari 2009), betrokken dienen te worden. - Vitras en Sensire onderschijven de noodzaak van het bevelen van een zodanige concernenquête en verzoeken dat het onderzoek zich mede zal richten op (de gang van zaken rondom) haar ontvlechting uit het Meavita-concern. - Ten aanzien van de onderwerpen waarop de aandacht in een te bevelen enquête moet worden gevestigd, bestaat onder de betrokken partijen een hoge mate van overeenstemming. 2. De feiten 2.1 De Ondernemingskamer gaat in aanvulling op hetgeen in de beschikking van 14 april 2010 onder 2.2 tot en met 2.10 staat opgesomd, uit van de volgende feiten. 2.2 Sensire en TZG zijn op 2 juni 2005 bestuurlijk gefuseerd. In verband daarmee is opgericht Stichting Sensire & TZG (hierna: Sensire & TZG). Deze bestuurlijke fusie is aldus vormgegeven dat tussen de besturen van de drie betrokken stichtingen een personele unie bestond. Stichting Meavita Nederland is op 1 januari 2007 ontstaan uit een bestuurlijke fusie tussen Meavita Den Haag (naar de Ondernemingskamer begrijpt, omvattende Meavita West), Sensire & TZG en Vitras. Tussen de betrokken besturen bestond een personele unie, zodat de betrokken stichtingen - praktisch gesproken - onder één bestuur stonden. Zij hadden ieder een eigen thuismarkt. Op 20 maart 2007 werd de naam Stichting Sensire & TZG gewijzigd in Stichting Meavita Nederland. Vitras en Sensire & TZG hielden zich, evenals Meavita Den Haag, voornamelijk bezig met het verstrekken van thuiszorg, waaronder huishoudelijke hulpverlening (thuishulp) en intramurale zorg ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). 2.3 Per 1 januari 2007 is de WMO ingevoerd. Bij deze wet werd de bekostiging van thuishulp ‘uit’ de AWBZ gehaald. De gemeenten werden voortaan verantwoordelijk voor de thuishulp, hetgeen onder meer meebracht dat gemeenten de thuishulp op door haar te bepalen wijze moesten aanbesteden. De gemeente Den Haag heeft bij de aanbesteding een model gebruikt waarbij de aanbieder niet kon inschrijven tegen de prijs waartegen deze de thuishulp wilde leveren, maar slechts kon mededelen of hij de door de Gemeente voorgestelde prijs accepteerde (het zogeheten Zeeuwse model). Meavita West heeft aldus het aanbod van de gemeente Den Haag, dat onder de kostprijs van de door Meavita West geboden zorg lag, geaccepteerd. 2.4 Het bekostigingsstelsel van de AWBZ gaat uit van een productieplafond dat wordt vastgesteld in afspraken tussen de zorgaanbieder en het zorgkantoor of de zorgverzekeraar. Het productieplafond houdt in dat een bepaalde productie als toegestaan maximum wordt vastgesteld (in aantallen klanten die konden worden geholpen) en dat daarboven de productie niet of slechts gedeeltelijk aan de zorgaanbieder wordt vergoed. Meavita heeft in 2007 en 2008 meer klanten geholpen dan in de productieafspraken was vastgelegd. Deze overproductie deed zich met name voor in het zorggebied van zorgkantoor Menzis (Sensire en TZG). In 2007 bedroeg de overproductie bij Sensire en TZG circa 6 miljoen Euro. Bij Meavita West was eerder sprake van een onderproductie. 2.5 In 2007 en 2008 veranderde de samenstelling van de Raad van Bestuur (RvB) van Meavita Nederland. Op 1 januari 2007 bestond de RvB uit Th.H. Meuwese (voorzitter), D. van de Meeberg, J.N. Kuiper en S.M. Hoogwegt-Schoemaker. Hoogwegt-Schoemaker is, overeenkomstig de afspraken die bij de fusie tussen Meavita Den Haag en Sensire & TZG waren gemaakt, per 1 april 2007 uit dienst getreden. Kuiper was de eerste negen maanden van 2007 wegens ziekte afwezig. Meuwese trad per 1 oktober 2007 terug omdat er een verschil van inzicht was ontstaan tussen hem en de Raad van Commissarissen (RvC) over het te voeren beleid. De toen aangetrokken interim bestuurder (M.W. van der Vorst) vertrok enige tijd later. Van de Meeberg heeft de functie van bestuursvoorzitter overgenomen tot 1 juli 2008, en is per die datum adviseur van het bestuur geworden. L. Markensteijn trad per 1 juli 2008 aan als interim bestuursvoorzitter en tevens crisismanager. Per 1 oktober 2008 werd Laureij tot bestuursvoorzitter benoemd. 2.6 In 2007 leed Meavita een operationeel verlies van ruim 19 miljoen Euro. Daarnaast is 14 miljoen Euro aangemerkt als bijzondere last terzake van een innovatieproject dat tot doel had om een internetverbinding tot stand te brengen tussen de klant en de zorgverlener, waardoor personeel effectiever kon worden ingezet. Dit zogeheten TV-Foon project is volledig mislukt. 2.7 In 2008 hebben de verliezen van (de operationele onderdelen van) het Meavita-concern zich voortgezet. In het eerste halfjaar van 2008 leed Meavita een verlies van 28 miljoen Euro. Die negatieve resultatenontwikkeling heeft, onder leiding van interim bestuurder Markensteijn, geleid tot herstel- en reorganisatieplannen en tot de indiening van een steunaanvraag (balanssteun) bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) op 18 augustus 2008 (in zoverre wordt de beschikking van 14 april 2010 onder 2.6 gecorrigeerd; de aanvraag zal hierna worden aangeduid met Aanvraag Steunverlening NZa). Voorts is in november 2008 het grootste deel van alle in eigendom zijnde onroerende zaken, met uitzondering van de verpleeg- en verzorgingstehuizen, afgestoten, hetgeen een boekwinst opleverde van 8 miljoen Euro. De NZa concludeerde in november 2008 dat de continuïteit van de zorg niet in het geding was en wees het verzoek om balanssteun af; wel bood hij Meavita de gelegenheid tot het indienen van een verzoek om liquiditeitssteun (versnelde afschrijving) dat in januari 2009 is ingediend. Het resultaat van Meavita over 2008 bedroeg uiteindelijk circa 22 miljoen Euro negatief. Ultimo 2008 had Meavita een negatief eigen vermogen. Ultimo 2007 bedroeg dat nog circa 12 miljoen Euro en ultimo 2006 (geconsolideerd) circa 45 miljoen Euro. 2.8 In december 2008 is, onder leiding van de nieuwe bestuursvoorzitter Laureij, het besluit genomen om Vitras en Sensire, wier perspectieven minder ongunstig waren dan die van Meavita West en Meavita Groningen, te ontvlechten. Zij zijn in februari 2009 verzelfstandigd. 2.9 Aan Stichting Meavitagroep en aan TZG is op 24 februari 2009 surseance van betaling verleend. Zij zijn op 9 maart 2009 failliet verklaard. Aan Stichting Meavita Nederland is op 6 april 2009 surseance van betaling verleend. Op 26 mei 2009 is het faillissement uitgesproken. 3. De gronden van de beslissing 3.1 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van AKF in haar aanvullend verzoek om Sensire en Vitras bij de verzochte enquête te betrekken, overweegt de Ondernemingskamer ambtshalve als volgt. Beide stichtingen maakten vanaf 1 januari 2007 tot begin 2009 deel uit van het Meavita-concern als bedoeld onder 2.3 van de beschikking van 14 april 2010. Anders dan bij verweersters 1 tot en met 12 het geval is, zijn de ondernemingen van Sensire en Vitras niet gestaakt. In de beschikking van 14 april 2010 is onder 3.6 overwogen dat ervan moet worden uitgegaan dat het aantal AKF-leden evenredig over het Meavita-concern was verdeeld. Op gelijke voet mag worden aangenomen dat er ook AKF-leden bij de ondernemingen van Sensire en Vitras werkzaam waren. De Ondernemingskamer gaat er van uit, bij gebreke van een andersluidende aanwijzing, dat dit ten tijde van het indienen van het aanvullende verzoekschrift nog steeds het geval was. Voorts moet – zoals eveneens overwogen in voormelde rechtsoverweging 3.6 – volgens vaste jurisprudentie van de Ondernemingskamer artikel 2:347 BW aldus worden uitgelegd, dat een vakvereniging bevoegd is een enquête uit te lokken bij concernvennootschappen van de rechtspersoon in wiens onderneming personen werkzaam zijn die bij haar als lid zijn aangesloten. Dit alles leidt tot de conclusie dat ook ter zake van Sensire en Vitras aan het voorschrift van artikel 2:347 BW is voldaan. Mitsdien is het verzoek van AKF ten aanzien van Sensire en Vitras, voor zover het de periode betreft dat deze stichtingen deel uitmaakten van het Meavita-concern, evenzeer ontvankelijk. 3.2 Hierna (3.2.1 tot en met 3.2.8) zal de Ondernemingskamer de door AKF en/of de curatoren aangevoerde bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken van Meavita weergeven. Deze bezwaren zijn gemotiveerd toegelicht. De Ondernemingskamer zal daarna, in 3.4, vervolgens concluderen dat er – ook – naar haar oordeel gegronde redenen zijn om aan een juist beleid van Meavita te twijfelen. 3.2.1 Er kunnen volgens AKF en de curatoren vraagtekens worden geplaatst bij de effectiviteit van de fusie van 1 januari 2007. In dit verband hebben zij verwezen naar de rapportage van Keijser van 12 mei 2009, reeds genoemd in de beschikking van 14 april 2010 onder 2.10. Hierin staat onder meer dat de fusies die hebben plaatsgevonden feitelijk niet zijn geëffectueerd, dat de “werkmaatschappijen” vrijwel zelfstandig hebben doorgefunctioneerd en dat als gevolg hiervan de schaalvoordelen niet zijn behaald. Volgens Keijser kwam daarbij dat de aansturing van de organisatie ontoereikend was en dat de effectuering van de fusieprocessen en de basisprocessen van de zorg- en hulpverlening onvoldoende aandacht kregen. In de Aanvraag Steunverlening NZa staan eveneens kritische kanttekeningen over de effectiviteit van de fusie: de schaalvoordelen (inkoop en IT) en fusievoordelen (kennisuitwisseling en zorginnovaties) van Meavita Nederland werden niet of nauwelijks benut en er vond geen centraal financieel beleid en contractbeheer plaats. Dit laatste punt komt ook naar voren in een interne notitie van Markensteijn van 9 augustus 2008. Hij beschrijft aldaar dat Meavita Nederland geen echte inkoopcultuur kent, maar meer een bestelcultuur: er zijn 1.120 verschillende leveranciers, er wordt met 385 verschillende adviesbureaus zaken gedaan, niet helder is wie voor welke uitgaven is geautoriseerd, 14% van de inkoopcontracten is verlopen en er zijn nog contracten uit 1985 van toepassing. Voorts bestaat er geen centraal gestuurd IT-beleid, is er geen harmonisering van softwarepakketten en van administratieve processen en ontbreekt een eenduidige sturing op primaire processen en kosten, evenals een centrale Treasury, aldus nog steeds Markensteijn, nu in de Aanvraag Steunverlening. 3.2.2 In samenhang met het voorgaande hebben AKF en de curatoren eveneens kritische kanttekeningen geplaatst bij de administratieve organisatie en de interne controle van Meavita. Zij verwijzen in dit verband naar Keijser, die in zijn voornoemde rapportage schrijft dat de administratieve organisatie niet op orde was, namelijk niet eenvormig en eenduidig en soms zelfs ronduit slecht, waardoor onvoldoende adequate managementinformatie beschikbaar was. Daarnaast hebben de curatoren gewezen op de Aanvraag Steunverlening, waarin, zakelijk weergegeven, onder het kopje “Mismanagement” staat dat er in de periode 2007 tot en met mei 2008 “onvoldoende sprake was van bestuurlijke control” dat “te veel (…) aandacht (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.